Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.

Een langzaam rijpend besluit

.


`Zwanenbloem´ schrijf ik op, met zulke kleine lettertjes dat het er tussen past zonder dat het slordig wordt. `In en bij zoet water. Wortelstok schillen, koken en opeten.´ Ik heb nog nooit van een zwanenbloem gehoord. Op het plaatje zie ik een mooi blommeke, zonde om op te eten. Van de duivekervelfamilie, staat er. Ik wist ook niet dat er een duivekervelfamilie bestond. Nu wel. De bloem kan er nog net bij, in mijn boekje. Het is een tekening van nog geen vierkante centimeter en toch staat alles er op. Groene lange blaadjes en een roze bloem.  Mijn tafel ligt vol kleurpotloden, papier en plantenboeken. Ik ben al wekenlang bezig…

Alles wat ik heb bedacht aan plannen en ideeën, is voorlopig in de kast gezet. Transylvanië en reisplannen komen vast wel weer terug. Maar nu zijn ze ver weg. Ik werk. Ik werk aan één enkel ding. Het boekje over plantenfamilies in Nederland. Ik bekijk en bewonder ze en zoek uit wat ze doen en wat we ermee kunnen.
Er zijn boeken over wilde planten. Ik heb er eentje. Een prachtig modern boek waarin ik alle families kan vinden, met tekeningen er bij. Van hemelbomen tot kardinaalsmutsen, van bosliefjes tot addertongen. Het staat er in. Als ze maar inheems zijn.
Er zijn ook boeken om Europese flora te determineren. Die zijn vast nog dikker. Maar die heb ik nog niet. Ik begin klein. Gewoon in Nederland.
Ik sla het boek open en bekijk de plaatjes. Ik kan lezen waar ze groeien of bloeien en hoe groot en hoeveel. Maar er staat niet wat de plant kan doen, wat hij doet voor ons, voor de aarde, voor andere planten en de bodem.
Als het gaat over planten waar we wat aan hebben, dan gaat het meestal over voedsel en voedsel verbouwen. Dat zijn moestuin- en tuinbouwboeken. Wat als voedsel op tafel komt, is vaak al eeuwenlang door geweekt, eerst door selectie en later door planten met elkaar te kruisen.
Toch, alle planten die wij eten zijn ooit wild geweest. En nog steeds hebben ze wilde familieleden, die nog altijd in berm of bosrand zijn te vinden. Ik ben daar nieuwsgierig naar. Ik weet niet of ik er de tijd voor kan blijven nemen, zoals nu. Ik zou ze graag verenigen in mijn boek, ik wil ze zien en van ze leren. Ik wil ze uittekenen en proeven en ruiken. De doperwt, de olifantboon en de hokjespeul. De slangenkalebas en de heggerank. Alles één voor één. Ik wil hun bewegingen volgen met de toewijding van een moeder. Een moeder van het kleine, dat groeien wil. Ik zal ze bewonderen en uittekenen. Mijn pen zal het papier strelen met hun vormen. Ik zal over ze zingen en vertellen. Of het een boek wordt, een lied of een schilderij, hier ben ik en ik kan niet anders.

.

.

.

Wiekie´s koffie

Dit zelfportret is gemaakt met een paintprogramma en een erg beroerd functionerende muis en ik ben best trots dat het nog iets geworden is.

Soms is het alsof ik iets voor de eerste keer echt zie. Op een dag pak ik voor de zoveel duizendste keer een filterzakje voor de koffie. Ze liggen op het bovenste plankje, boven het aanrecht. Ik zie nog net drie bruine puntjes tussen twee glazen potten uitsteken, waar mijn voorraden in zitten. Drie nog maar. Dat is niet veel. Ik wil een pen uit de kast halen om het erbij te schrijven op het lijstje bij de kalender. Maar ik doe het niet. Ik kijk nog eens naar de drie papiertjes op mijn plank. Waarom heb ik die dingen eigenlijk nodig. Waarom gebruik ik ze eigenlijk al zoveel jaren. Er zijn vast zat andere manieren om koffie te zetten.
Ik kan perculatorkoffie zetten. Of Turkse koffie. Dan heb ik geen filterzakjes nodig. Maar juist de vetten die in de koffiebonen zitten zijn niet gezond. Gefilterde koffie is daarentegen helemaal niet verkeerd. Prima voor oude mensen om de dag mee te beginnen, las ik op de wetenschapspagina van een NRC. Nou ben ik nog lang niet oud, maar dit kopje koffie in de ochtend, daar word ik wel blij van.
Ik pak geen filterzakje, beslis ik. Ik doe het anders. Ik heb nog een lekker zacht lapje, van wat ooit een dik flanellen laken is geweest. Het is nog helemaal wit, als ik het erin leg. Nu de koffie malen. Ik doe de bonen in mijn oude elektrische molen, uit de jaren vijftig. Met mijn handen op het deksel negeer ik de herrie en ik voel hoe ze worden verpulverd. Ik tel tot dertig en laat weer los. Dit gaat weer een lekker bakkie worden. Het water kookt

. Ik pak de koffie en doe het in de filter. Ik giet het water erin en zie een dun bruin stroompje in mijn glas sijpelen. Even later is de geitenmelk ook warm en ik schenk het er bij. Ik verheug me op het moment dat steeds dichter bij komt. Nu nog een klein schepje suiker en een klein lepeltje honing, even roeren en dan is het klaar. De beloning. Mijn eigen bakkie troost.

Een onbetaalbaar boekje

Onbetaalbaar plantenboekje van Alowieke
De ene na de andere dag gaat voorbij. Ik teken en schrijf. De lage winterzon schijnt en een heerlijk licht valt naar binnen. Op mijn helderwitte tafel liggen allerlei verschillende boeken, over planten en plantenverhalen. Ook kleurpotloden. En een klein vierkant boekje. Niet te kopiëren en onbetaalbaar. De ene na de andere bladzijde is vol getekend met fijne kleine plaatjes en tekst ernaast. Bloemen, planten en soms ook landschappen. Ik ben de schepper ervan. Al die plantjes bestaan in het echt, stuk voor stuk. Maar de landschappen verzin ik erbij. Op sommige bladzijden schrijf ik kleine verhaaltjes of ik zoek een gedicht wat ik mooi vind.
Nog nooit heb ik zo intens heb kunnen werken aan zoveel tekeningen achter elkaar. Ik word er stil van. Er bestaat niks anders meer dan de lijn, de kleuren en mijn pen. Ik voel me bijna als een non in de middeleeuwen. Ik kijk nog even naar het heidelandschap, wat ik zojuist heb getekend. Het is mooi geworden en ook lief en grappig. Het leukste zijn de twee bosmuisjes met hun grote ronde oren. Je ziet ze pas als je heel goed kijkt. Ik ben tevreden.
Ik leg het paarse kleurpotlood opzij, ontspan mijn schouders en kijk uit het raam. Vlak voor de deur heb ik een afhaal gemaakt voor mijn vliegende vriendjes. Er liggen zonnebloempitten op een houten kistje. Pimpelmezen en koolmezen vliegen razendsnel af en aan, pikken een zaadje, en zijn weer foetsjie. Op een tak, met het zaadje tussen hun pootjes pikken ze het lekkerste er uit. Ik moet lachen, als een brutaal fel pimpelmeesje het plekje verdedigt en alle anderen wegjaagt. Even maar. Dan vliegt ook hij weer weg. Eten is toch belangrijker dan vechten.
Ik ga ook iets eten. Straks weer verder.

Het is avond en donker. Ik ben moe maar ga toch door. De kardoen waar ik aan werk is weerspannig en komt niet gaarne op het papier. Past eigenlijk wel bij zo n grote stekelplant, denk ik en ik glimlach als een boer met kiespijn. Mijn tekening is veel te donker geworden en veel te druk. Ik pak de typex en gebruik het om er weer licht in te brengen. Heel voorzichtig stip ik hier en daar een plekje aan. Ik kijk opnieuw. Het is goed. Een weerbarstige stekelige tekening. Niet lief en speels zoals het heidelandschap, maar ruig en opstandig. Het is precies zoals het moet zijn, bedenk ik, een echte stekelige kardoen. Een beetje verbaasd kijk ik naar mijn eigen schepping. Ik had nooit gedacht dat er toch iets moois uit zou komen. Maar voor vandaag is het genoeg. Tijd om te gaan slapen. Ik leg alle boeken en potloden in de kast en maak mijn bed op voor de nacht.

Heidetekening in Alowiekes plantenboekje

Het geluid van de motor is onvergetelijk

.

SAMOFA eencylinder Utrecht.

September 1997.

.
`Hier moet het ongeveer zijn!`roept mijn vriend naar me, vanaf de andere kant van de boot. Hij zit aan het roer, en ik sta voorop. Vanaf het kleine voordek tuur ik naar het troebele water. De schuit, waar we nu op varen, hebben we `Evert` genoemd. We kochten hem van een vriend, die zo heet. Evert is een beste vent en oersterk. Hij is vuilnisman op de vuilnisboot in Utrecht. Al heel lang. De boot waar we nu op varen, is een charmante vuilnisboot uit de jaren zestig. We hebben hem van mooi houten binnenwerk voorzien en in frisse kleuren geschilderd, groen en rood.
Vandaag gaan we op zoek naar een andere boot. We kennen hem maar wat goed, want we komen er elke dag langs. Een prachtschuit is het, al is hij wat verwaarloosd en is er nu geen teken meer van te bekennen. Het is nu een schuilplaats voor de vissen geworden. Wij weten waar hij ongeveer moet liggen, ergens midden in de vaargeul. Maar het bruine, troebele water laat niets zien, van wat er naar de bodem gezonken is. Langzaam zagen we hem zinken, door regenwater. Veel te weinig gehoosd. De eigenaar heeft ons gezegd dat we hem mogen hebben, als het ons lukt om hem boven te krijgen..
Dat laten we ons geen twee keer zeggen, maar het is een zwaar geval. Al is een boot in prima conditie, zinken kan hij altijd. Dat is het lastige, van boten. We gaan deze parel redden van de ondergang. Mijn vriend zit nog altijd aan het roer en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik houd de dreghaak in mijn hand en kijk. Hier moet hij ergens liggen, midden in de vaarweg. Ik gooi op goed geluk de lijn uit. Ik wil de haak weer ophalen. Maar hij zit muurvast. Beet! De eerste worp, gelijk raak. Ik ben heel erg blij, maar er is weinig tijd om me over deze voltreffer te verwonderen. Er volgen tien uren van hijsen en trekken. Met tifoor en kettinglier. Dan hebben we hem boven.

.

November 2013

.
Dit werd het begin van een lang verhaal. Het scheepje heeft me veel geleerd. Vorig jaar liet ik het achter, maar een deel van mijn ziel is daar nog. Niet dat ik het mis of er vaak aan denk. Verdrietig ben ik ook niet. De boot zit in mij, en het geluid van de motor is onvergetelijk. Niet alleen voor mijzelf is dat zo. Het is gegrift in de herinnering van velen. Alsof ik daar nog steeds ben. Nog steeds hoor ik dat vroegere buren in de war zijn, als ze het geluid van de motor aan horen komen. `Alowieke!` denken ze dan. Maar dan bedenken ze dat het Alowieke niet meer is, die op de boot zit. Die is vertrokken, en woont nu ergens in een woonwagen. Een ander bevaart de boot.
Ik word er stil van, hoe het leven soms zijn wending neemt. Ik heb het destijds niet zelf verzonnen, dat een vervoermiddel mijn leven zou bepalen. Ik heb ook niet bedacht dat ik hier zou komen te wonen, op deze plek in Brabant. En dat Dick hier elke week naar toe zou komen fietsen. Ik heb geen idee hoelang ik hier blijf. De meest ingrijpende gebeurtenissen van mijn leven bepaal ik niet zelf, die komen naar me toe. Er komt een moment dat ik precies weet waar ik moet zoeken. Daar aangekomen gooi ik weer mijn haak uit. Ik heb hem nog steeds bij me. En dan trekken maar. Lekker hijsen, tot het zweet me van de rug loopt.

Er zijn talloze gelegenheden die ik zou willen laten zien, bijvoorbeeld hoe een hele groep Afrikanen uit hun dak ging en bij het ritme van de motor overal op begon te slaan, tot de boot een groot ritmefeest was. Maar daar zijn geen beelden van. Dit filmpje is het enige wat ik kon vinden.

.

.

.

Die ene tak…

.

Tak zoeken

 

 

 

 

 

.

 

Het is fris en vochtig buiten. Mijn huis is frisjes, in de ochtend. Ik heb mijn lange onderbroek weer aan, onder mijn broek, en een extra trui aan. Mijn handen zijn koud in deze vroege uurtjes, maar daar ben ik aan gewend. Ik stop een van de laatste stukken hout in de kachel. Hij voelt alweer lekker warm aan. Mijn tegelkachel heeft maar heel weinig brandstof nodig, maar het moet er evengoed komen.
Ik aarzel niet, het is droog buiten. Ik pak de handcirkelzaag onder het bed vandaan, en schuif mijn voeten in de blauwe klompen. Ik open de deur en mijn klompen klossen over het houten bordes en het ijzeren trapje. Het gras is frisgroen en zompig van de laatste regenbuien. Ik pak een dikke tak onder mijn wagen vandaan. Dan loop ik naar de stroompaal en haal de zwarte cement emmer er af. Ik steek de stekker in het contact. De cementemmer leg ik omgekeerd op het gras, als zaagtafel. Het is wat aan de lage kant, maar dat geeft niet. Ik ben toch zo klaar. De tak is krom en wiebelt. Ik zet hem vast door mijn blauwe houten voet erop te zetten. Een mooie tak is het. Vast wel voor twee dagen brandhout.
De tak haal ik uit het bos. Om de dag eentje. Nooit haal ik alles weg, van een enkele plek. Ik laat zoveel mogelijk liggen. Er is een hakbeleid in het bos, en er is een natuurgroep actief om meer diversiteit in het bos te krijgen. Ik besef dat ik hier te gast ben, in het bos en in deze buurt. Ik doe het zo zorgvuldig mogelijk. Ik geef ook iets terug, voor wat ik genomen heb. Ik heb meestal mijn compostemmer mee. Vandaag leeg ik de inhoud op de plek waar ik al twee takken heb weggehaald. Mijn compost is goed voedsel, voor de bodem. Dan kies ik de tak zorgvuldig uit. Het is bijna altijd naaldboomhout. De schors pel ik af en spreid ik uit. Ik schud de beestjes van de tak en wens ze een nieuw huis, onder een ander stukje schors. Dan leg ik de aanwinst over mijn schouder, en loop ik terug naar het veld, waar mijn wagen staat.

Soms peins ik wel eens, wat zou ik doen als meer mensen mijn gewoonte overnamen? Ik stel me voor dat ik iemand met een hele karrenvracht hout het pad af zie rijden. Dat zou ik erg vinden, zeker als ik daarvoor het voorbeeld heb gegeven. De beheerders van het bos laten bewust takkenbossen liggen, als voedsel voor de bodem. Dat is nodig, anders put je de bodem uit. Ook de tak die ik meeneem hoort eigenlijk te vergaan, tjokvol beestjes en schimmels, tot het humus is. Zolang ik weet dat ik de enige ben, doe ik het nog steeds. Maar als anderen het ook gaan doen, dan scheid ik er mee uit. Dan zoek ik wel een andere oplossing.

Ik denk aan een kacheltje erbij. Graag zou ik een klein kacheltje hebben op groen flessengas, maar dat bestaat volgens mij nog niet.
Ook mag ik snoeiwerk doen, hier op het terrein. Er staan teveel bomen dicht op mekaar. Ik wil nog veel leren over bomen, zodat ik weet wat ik doe. Van boompje klimmen word ik blij. Al toen ik een meisje was. Maar hakken en snoeien is ingrijpen in wat wel en niet mag groeien. Mijn hand met de scherpe zaag bepaalt dat. Daar word ik stil van. Want ook hier ben ik te gast, in deze boomgemeenschap. Dus ik kijk goed wat ik doe en zaag rustig en met respect. En nooit meer dan nodig is. Alles is een ritueel. En als er gesnoeid is, is er hout. De helft mag ik voor mezelf gebruiken, is me beloofd. Ik kan er kunst van maken. Of het verzagen tot brandhout, voor volgend jaar. De as die overblijft strooi ik onder de bomen die wel mogen groeien. De bomen staan bij me in de buurt. Ik kan zo zien of het goed met ze gaat. Fijn.

Het cirkeldorp

cirkeldorp
`Ontwerp je eigen huis, op een stuk grond van 300 vierkante meter. Met tuin.` Dat is de opdracht. Ik heb een stuk papier uitgerold op tafel. Het is niet zo wit als ik zou willen en ook niet zo dik en glanzend. Maar ik doe het ermee, want papierwinkels zijn hier niet om de hoek. Ik staar naar het vel. Ik wil een ronde lap grond tekenen, geen vierkante. Hoe reken je dat uit, een cirkel van driehonderd vierkante meter? Het was geloof ik iets met Pi, en de straal in het kwadraat. Pi is drie-komma-veertien. Dus driehonderd gedeeld door drie-komma-veertien is het kwadraat van de straal. Ik maak het sommetje en kom uit op iets minder dan tien meter en een diameter van ongeveer negentien. Nu teken ik de cirkel op het papier. Met de tong tussen mijn lippen druk ik het touwtje in het midden, met mijn wijsvinger. Er zit een potlood aan vast. Ik draai de punt van het potlood in het rond. Best lastig, maar het lukt. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Een mooie regelmatige cirkel. Als ik er de eerste lijnen in zet, begint het te leven. Het is geen vel papier meer, het is echt.

Ik heb een cirkeltuin, en mijn strobalenhuis is rond. Voor de drie grote ramen ligt een vijver. Groot genoeg om in te zwemmen. Ik sta aan de rand er van, in mijn onderbroek. Heel langzaam loop ik erin, om de vogels niet te storen. Want vlakbij, op het eilandje, zit een nest. Ik kan de waterhoen nog net zien, tussen de rietpluimen. Het koude water komt tot over mijn borst. Ik haal diep adem, duik onder en maak een paar slagen. Ik word er helemaal wakker van. Als ik weer boven kom hoor ik vrolijk gelach. Het komt van achter de frambozen, waar het lange slingerpad loopt, direkt achter mijn tuin. Ik zie een paar kinderen, ze kijken naar me in het voorbij gaan. Ze vinden het heerlijk om tussen al die tuinen door te rennen, en door de wilde bosjes, die overal te vinden zijn. Soms blijven ze een poos hangen bij Toon, de beeldhouwer, en vragen hem de oren van het hoofd. Vaak gaat het over de hut. We zijn met zijn allen een grote boomhut aan het bouwen in het voeselbos. Ik werk er ook aan mee, het is altijd reuze gezellig. Ik leer de kinderen hoe je het beste in de boom kan klimmen.
De kinderstemmen verdwijnen langzaam in de verte. Ik begin het koud te krijgen. Ik ga er uit. De modder sijpelt tussen mijn tenen als ik tussen de watermunt en de waterkers de kant op klim. Ik spoel mijn voeten af in de stenen schaal, dat als vogelbadje dient. De deur staat nog op een kier en gauw glip ik naar binnen. Een zachte deken ligt klaar en ik sla hem tevreden om me heen. In de brede vensterbank voor het raam schijnt de zon vol op naar binnen. Ik heb er een bankje gemaakt. De muren zijn dik en er is de veel ruimte bij het raam. Ik koester me in het warme licht. Op dit heerlijke plekje ben ik helemaal gelukkig. De zon schijnt voor me, in het water. Rimpelingen weerspiegelen op de ronde lemen wand. Een eindeloze dans van licht. Ik kijk er lang naar. Als een kind.

Mijn knieën worden stijf. Genoeg in de vensterbank gezeten. Het is tijd om mijn schaap weer eens op te zoeken. Ik trek mijn jas en laarzen aan en struin door het voedselbos naar de weiden. De bomen beginnen uit te lopen, de laatste dagen. Ze hebben er zin in, net als ik. Ik wandel langs een paar speelse varkens. Die banjeren daar lekker in een poel. Langs het hek loop ik verder. Mijn schaap staat tussen de anderen te grazen. Ze ziet me aankomen en komt op een holletje naar me toe. Ik knuffel het dier en geef haar een van mijn laatste appels. Ik heb de kleine bruine ooi zelf gezoogd en nu zoek ik haar op zo vaak als ik kan. Ze kent me. Ze knabbelt zacht aan mijn vingers, wil nog een appel. Maar ik heb niet meer. Mijn blik gaat naar de rand van het dorp. Ik zie silhouetten van bomen en van een paar huizen, waar ik nog aan mee heb gebouwd. Het heeft lang geduurd, maar nu is het er. Alles waar we zo lang aan hebben gewerkt. Ons dorp, denk ik trots. Mijn thuis.

Als ik weer tot de werkelijkheid keer, zie ik hoe groot het dorp eigenlijk is, wat ik heb getekend. Er zijn nog zoveel plekken waar ik niet ben geweest, in dit kleine verhaal. Wat is hier nog een hoop over te vertellen…

Strobalenhuis rond

Plattegrond Strobalenhuis

Ronde tuin, rond huis in een rond dorp

Buren en burenpaadjes

Voor de tekentafel

Noten kraken, nou kan ik het

Nootje
Augustus 2013. Ik zit op het stenen trapje van een Roemeens huis en kraak noten. De hele dag al. Het zijn noten van vorig jaar, maar ze zijn nog steeds lekker. De ene na de andere sla ik in stukken. De begeerlijke stukjes noot peuter ik er geduldig tussen uit. De zon schijnt warm en verderop zijn de anderen een kelder aan het restaureren. Ik kijk hoe het werk vordert terwijl ik de gepelde noten in de kleine emmertjes gooi. Er heeft yoghurt in de emmertjes gezeten en er hoort een deksel op. Er staan een stuk of wat voor me, leeg, schoonwassen en klaar voor hergebruik.
Aan het einde van de dag heb ik vier emmertjes vol. Ik pak de laatsten om te kraken. Er zijn al heel wat uren verstreken. Ik vraag me af hoe ze dat in een echte notenkrakerij doen. Ik speel wat met de noot in mijn hand, en leg hem net iets anders op het steen. Met de punt naar boven. Dan geef ik één kleine doelbewuste tik op zijn kop. De schil valt tot mijn verrassing uiteen in vier gelijke delen en er midden in ligt de inhoud. Helemaal punt gaaf. Ik kan hem zo pakken. Wat een ontdekking! Jammer dat de noten op zijn.

Oktober. Het heeft hard gewaaid en bijna alle noten zijn van de boom gevallen. Het zijn er veel, er staan hier heel wat walnotenbomen tussen de aangeplante bossages. Ik mag ze ook verzamelen, maar laat het meeste liggen voor de anderen. Een aantal zijn platgereden. Die zijn voor de kauwtjes en de kraaien. Ze smullen ervan. Ik schop hier en daar een noot opzij, van het oprit af. Dan kunnen anderen die later oprapen. Er zijn grote noten, kleine noten, van alles wat.
De oogst is een flinke schaal vol. Hij staat voor mijn neus op de kurkvloer. Ik zit ernaast. Leuk, nu kan ik mijn nieuwe techniek gaan oefenen, die ik ontdekte in Roemenië. Een gedeelte heb ik gedroogd in het oventje dat bovenin mijn tegelkachel zit. Het wordt daar nooit heet, en het is een perfecte droogplek voor hout en noten. De droge noten liggen klaar, naast de steen waar ze straks een tik op hun kop krijgen. Er liggen ook natte noten bij. Sommige hebben zich volgezogen met regenwater, via een kleine opening aan de bovenkant, waar het steeltje van de bolster gezeten heeft. Hoewel de buitenkant van sommige noten er schimmelig uitziet, is de binnenkant nog goed. Het is goed dat ik ze meteen stuksla, bedenk ik tevreden. Dan kunnen ze niet verder rotten.
De ene na de andere noot ontmoet de platte kant van mijn bijl. Ik maak in snel tempo een bergje. Daarna pel ik ze achter elkaar, en gooi de droge exemplaren in een grote glazen pot. De natten gaan in een zware gietijzeren pan, dan kunnen ze straks verder drogen boven op de kachel. De doppen zijn voor de kachel, die gebruik ik als aanmaakmateriaal. Ik geniet van de snelheid, waarmee het gaat. Bijna alle noten komen er heel uit en zonder omslachtig gepeuter. Dit is dus een manier. En wat leuk dat ik dit nu ook aan anderen kan vertellen. Noten kraken, nou kan ik het.

Hoe kraak ik een noot heel

Walnoot, een grote

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang

Ik noem dit `de Varaan`
`Twintig keer!` roep ik terwijl ik hijgend overeind kom. Een van mijn ochtendoefeningen is opdrukken, en dat heb ik zojuist gedaan. `Je bent een bikkel.`zegt Dick. Hij zit vanaf de bank naar mij te kijken. `Dat kunnen veel mannen niet eens,`zeg ik met kinderlijke trots. Dick knikt. `Blijven doen`, zegt hij. Dat zal ik zeker.
Mijn ochtendoefeningen worden steeds uitgebreider. Het is een mix van van alles en nog wat. Ik pik hier en daar op wat me bevalt, en dat stop ik in mijn programma. Yoga, fysiotherapie, krachttraining, shaken, lenigheid en evenwichtstraining, en vast nog wel meer, waarvan ik niet meer weet hoe het heet. Een half uur in de ochtend. ´s Avonds houd ik het bij tien minuten. Twee keer tien minuten per dag, dat is eigenlijk al genoeg. Genoeg voor mij, om fit te blijven. Ik vind het leuk. Dus komen er steeds meer oefeningen bij, en soms verzin ik ze zelf. Het werkt als een speer. Ook als ik me bij het opstaan niet zo denderend voel, dan knap ik er van op. Spanningen verdwijnen al gapend. Ik vind het altijd fijn, als ik eenmaal begin.

De tafel is leeg. Mijn regel is dat ik alles meteen opruim, als iets klaar is. Zo kan ik de kleine ruimte elk ogenblik geschikt maken voor iets anders. Het ene moment is het een gymzaal, het volgende moment een eetkamer of werkplek. Boven de pas gemaakte tafel hangt een hangmat aan het plafond. Het kost nauwelijks moeite om even de tafel even in te klappen en het witte katoen te laten zakken. Hoe klein het hier ook is, er is veel mogelijk. De ruimte om me heen is licht, open en beweeglijk. Net als ikzelf, nu. En ik werk er aan om het zo te houden. Elke dag. Natuurlijk heb ik ook weerzin. Vaak genoeg. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Het stukje zitvlees zeurt graag. Ik besteed er zo min mogelijk aandacht aan. Ik denk er aan hoe fijn het is om lekker rustig mijn oefeningen te doen in een opgeruimde kamer. Dat helpt. En het beloont zich. De tijd die ik eraan besteed lijkt zich te vermenigvuldigen. Ik krijg er veel frisse en gezonde tijd voor terug.

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang. Ik heb een tijd achter me gelaten die even bloemrijk was als zwaar. Ik heb veel opgeruimd en er jaren over gedaan om te kiezen wat ik daarvan mee wilde nemen. Dat heb ik toen ingepakt. Het was klaar en ik kon gaan. Ik voelde het tot in mijn kleine teentje. En zo ging het ook. Ik ben een pad op gegaan waar ik steeds al naar op weg was. Het pad van speelse eenvoud, dicht bij de aarde. Soms vol verrassingen, soms lang en traag. Dikwijls wandel ik alleen, langs dezelfde velden, over hetzelfde bospad. Niet zo´n heel bijzonder bos, maar toch steeds anders. Waar ik heen ga weet ik niet. Maar één ding weet ik zeker, ik had die omslag nooit in gang kunnen zetten als ik niet steeds in beweging was gebleven.

Ingewikkelde gym in de wasruimte

Zeven maanden zonder

Simpel zonder
“Als één persoon zegt dat iets zo is, dan zou ik dat eerst onderzoeken.” zegt Dick. Het gaat over bruinkool. Ik ben bezig met de as uit mijn Zwitserse tegelkachel. ’s Nachts doe ik er een broodje bruinkool in, dan is de kachel de volgende ochtend nog steeds warm. Bruinkool gloeit lang door. Maar is mijn as dan nog vruchtbaar voor de bodem, dat is de vraag.
“Dat uitzoeken is toch lastig Dick,” zeg ik “zonder internet.” Dick vind het wel fijn, mijn internetvrije zone. Als we elkaar ontmoeten dan is er geen enkele stoorzender. Daar komt bij, hij is de hele dag al aan het internetten, voor zijn werk. Mijn leven ziet er heel anders uit. Om te internetten fiets ik vier kilometer naar Diessen, door het bos. Al sinds april. Hoe langer ik zonder internet ben, hoe minder ik er voor op pad ga. Als je ergens weinig in stopt, komt er ook steeds minder uit.

“Gesloten” staat er op de deur. Ik zet mijn fiets neer, naast het internetcafé. Daar staat een houten bankje. Nat van de regen. Met een vodje katoen, dat aan mijn fietskar hangt, veeg ik de druppels eraf. Voor mijn neus staat een auto geparkeerd, ik kan er nog net tussen met mijn benen. Ik kan ook nog drie kilometer doorfietsen naar de bieb in Hilvarenbeek. Maar dat doe ik niet. Ik blijf nu hier, op het houten bankje. De eigenaar van de auto komt terug. Hij kijkt me verbaasd aan en en bedankt me voor het passen op zijn wagen. `Graag gedaan`, zeg ik en buig me weer over het beeldschermpje. De tijd vliegt, als ik de onophoudelijke stroom mail aan het bijwerken ben. Er zit maar weinig bij wat echt voor mij bedoeld is. Toch is er zomaar een uur voorbij. Op mijn gemak van alles bekijken, bewerken en opzoeken, daar komt het niet van. Dat is bijna altijd zo. Ik begin dat nu te missen. Zonder internet in huis drijf ik langzaam maar zeker af, van de rest van de wereld. Zo voelt het. Als een eilandje.

Het was prettig, een lange poos zonder. Het gaf me rust om hier helemaal te zijn, zonder afleiding. Ik kon kijken naar wat ik nog allemaal heb. Het overbodige heb ik weggedaan. Een compacte verzameling boeken staat nu op de plank. Over planten, metselen, houtbewerking, spoorzoeken, vogels, insecten, schiemanskunst, en meer. Ik heb alles doorgenomen en weet nu precies waar ik aan toe ben met mijn spullen.
Zeven maanden zonder internet. Dat was het. Ik ben er klaar mee. Ik wil ook weer dingen lezen die niet op mijn boekenplank staan. En kletsen met vrienden. Soms vraagt iemand me naar foto’s en tekeningen. Zonder internet kan ik maar beperkt delen, wat ik hier uitwerk. Ik wil het zelf ook graag. Ik besef het nu. De internetvrije periode is voorbij. Maar nog niet helemaal. Eerst moet er aan gewerkt worden. Ik heb gevraagd om Wifi op de camping en de kans is groot dat het binnenkort voor elkaar komt. Iedereen die hier komt kan er dan van mee profiteren. Als het voor elkaar is vier ik een feestje. Ik zeg wel wanneer.

Inmiddels weten we meer. Onze camping ligt te ver van het snelle netwerk. We kunnen niet meer dan 2 MB krijgen en het kost een hoop geld om het aan te leggen. Geen Wifi dus. Ik kijk nog even wat ik nu ga doen.

Spin houd er bijna mee op.
De spin op mijn deur is niet meer zo ijverig.

Spin is weg
De volgende dag is hij verdwenen.