Duikelend de vrijheid in

.

.

-kunstzwemmen-duikelend-de-vrijheid-in-kl-frm

.

.

Ik haal diep adem voor ik onder water duik. Ik tel tot acht terwijl ik met stevige slagen vooruit zwem. Ik weet dat de anderen hetzelfde doen. Dan duikel ik naar voren, tot ik met mijn buik omhoog lig en luister naar de muziek. Die is goed te horen onder water, door de speciale luidspreker, die eruit ziet als een kunststof plaatje. Ik blijf tellen. Als ik weer bij èèn ben gil ik hard. In het water draagt het geluid ver. Mijn medezwemsters kunnen me goed horen. Nu komt het balletbeen. Allemaal tegelijk steken we ons rechterbeen omhoog, de tenen komen net boven water uit, strak gestrekt. We spannen al onze spieren zodat we langzaam omhoog komen. Boven water belichten de theaterlampen acht meisjesbenen, die ver boven het water uit steken.

Als kind deed ik jarenlang aan kunstzwemmen. Dat is eigenlijk dansen in het water. Ik genoot ervan, om vrij als een dolfijn te zijn, en het gevoel te hebben dat ik kon vliegen. Als we even niks hoefden ging ik in mijn eentje en leefde me uit met allerlei capriolen die we helemaal niet hadden geleerd en die ook geen naam hadden. Maar ook synchroonzwemmen was heerlijk. De tijd bestond uit niks anders dan water, ritme, de muziek en wij.

Vandaag op deze stille herfstdag moet ik daar aan denken. Ik heb een dagje vrij genomen om eens rustig mijn gedachten te laten gaan, zonder iets te moeten en zonder te weten waar het toe zal leiden. En nu komt er dit in me op.

Soms denk ik, misschien ben ik wel niet alleen aan het werk. Misschien deel ik deze stille, o zo productieve tijd wel met anderen. Wellicht is dat wat ik doe onderdeel van iets groters, wat ik niet kan overzien. Dan zwemmen we met onze ogen dicht door het water, allemaal tegelijk als een groep dolfijnen. We hebben sterke getrainde lichamen, zodat we direct kunnen reageren op het signaal. Er zijn jongeren en ouderen, maar iedereen is er klaar voor en weet wat hij of zij moet doen. Vrije mensen, verbonden door het Onnoembare.

Van de week schoot dit lied me te binnen. Zomaar. Ik zong het voor het eerst toen ik achttien was, bij een protestmars, tussen duizenden anderen. Het lied voor de vrije geest.

.

Op een wagen van het slachthuis
stond een kalf met gebogen kop,
In de blauwe lucht daarboven
zocht een zwaluw de vrijheid op

refr.
En de aarde draait maar
met al haar ach en wee
En het windje waait maar
en voert de zwaluw mee
Donna donna donna, donna,
donna donna donna, don
donna donna donna donna,
donna donna donna don

Klaag niet zei de wagenvoerder
niemand dwingt jou een kalf te zijn
had je vleugels als een zwaluw
was je even vrij als hij

refr.

Kalf’ren worden vastgebonden
en in ’t abattoir geslacht
Leer dus als je vrij wilt blijven
zelf vliegen op eigen kracht

Refr.

..

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank, van Judith Bark

voetnoot-judith-bark

.

Dit boek is tegelijk beklemmend doordat de vrouw letterlijk in een soort vissenkom zit, en tegelijkertijd lijkt het me ook een uitdaging. Ik vind het mooi hoe ze zich aanpast en bezig is met èèn ding.. elke dag overleven..maar daardoor heeft ook alles wat ze doet zin…

” Op zesentwintig april bleef mijn wekker stilstaan. Ik zat een overhemd te zomen toen het tikken ophield. eerst merkte ik het niet eens, dat wil zeggen, ik merkte alleen dat er iets was veranderd. Pas toen de kat haar oren spitste en haar kop naar het bed draaide, hoorde ik ook bewust de nieuwe stilte. De wekker was gestorven. Het was de wekker die ik in de hooggelegen jachthut op mijn tocht naar het aangrenzende dal had gevonden. Ik nam hem in mijn handen, schudde hem, hij zei nog een keer tik-tak en toen was het definitief met hem gedaan. Ik schroefde hem met de schaar open.Voor mij zag hij er heel gezond uit. Ik kon geen enkel mankement in zijn raderwerk ontdekken, er was niets kapot en toch wilde hij niet meer tikken. Ik wist meteen dat het me nooit zou lukken hem weer aan de praat te krijgen.Ik liet hem dus maar met rust en schroefde het deksel weer dicht. Het was drie uur s middags , kraaientijd, en dat wees hij vanaf dat moment aan. Ik weet niet waarom ik hem heb gehouden. Hij staat nog steeds naast m’n bed op drie uur.”

Ik vind dit een mooi stukje want hoewel er niet veel gebeurt, is het toch een moment van loslaten. Loslaten van tijd en van de manieren van vroeger toen de klok nog de regels maakte en de dag bepaalde..

.

.

.

OVER HET LIED

Donna donna, of Dana dana werd gecomponeerd door Sholom Secunda en Aaron Zeitlin ter gelegenheid van de theaterproduktie ‘Esterke’ in 1940-1941. Het is gezongen door vele artiesten en is in vele talen vertaald. Joan Baez is één van de bekendste vertolkers. Ook Donovan heeft het gezongen.

.

.

.

.

-kunstzwemmen-duikelend-de-vrijheid-in-kl-frm

 

Een hele verschijning

.

.

bouwen-eindfase-woonwagen

.

.

Dinsdag elf oktober. Als ik wakker word, schijnt de zon met goud licht door het witte gordijn van het keukenraampje. Ik draai me om in bed, om ernaar te kijken. De lakens zijn koud en klam, waar ik niet lig. Gauw trek ik het dekbed op zijn plaats, zodat ik weer onder het warme stuk lig. Ik staar naar boven. Drie vliegen zitten roerloos op het plafond. In de hoek van het bed ligt een zakdoek. Die is Dick zeker vergeten, toen hij gisteren weer terug fietste naar Eindhoven. Over tien dagen is hij er weer.
Hoewel ik weer alleen ben op het veld, voel ik me tevreden. Het is fijn om thuis te zijn. Het was heerlijk op Schiermonnikoog en ik heb genoten van de ruimte en het ongerepte landschap. Ik heb gedanst op stille plekken in de duinen.
Terugkomen was lastig. Het veld was verlaten, zoals bijna altijd. Ik zei wazig gedag tegen de kippen. Er zijn vele zingende roodborstjes, koolmezen die me begroeten in de ochtend, en er zijn muizen die wegschieten tussen de struiken. Er is zelfs een uil, ’s avonds in de schemering. Maar als ik ben weggeweest, dan is dat allemaal niet meer genoeg, dan zie ik het ineens niet meer. Er is iets wilds in mij, dat wil uitbreken en ik vraag me af: „Wat dòe ik hier?! Ga ik hier voor de vijfde maal de winter in mijn eentje doorbrengen? Moet dat nou echt?“

Maar ik weet dondersgoed wat ik hier doe. Ik bouw een wagen. Daar draait het om. Afmaken, tot het rolt. Hoe rustiger ik de dingen aanpak, hoe grondiger en hoe groter de kans van slagen. Het krijgt steeds meer de vorm die ik twee jaar geleden uitgetekend heb.
De wagen staat op een andere plek, en ik heb alles eromheen opgeruimd voor een frisse nieuwe start. Mijn nieuwe huisje straalt in de najaarszon. Nu kan je haar ook van afstand kan bekijken. Soms komt er iemand. „Het is echt een verschijning, ik ben onder de indruk“ zegt èèn van de buren genietend. Ik word warm van het compliment. Het geeft nog mèèr energie dan mijn favoriete kom havermout.

De laatste loodjes kunnen zwaar zijn. Er is veel werk aan de wanden, het dak, de luifel en de twee goten. En natuurlijk werken we aan het verplaatsbare systeem van zonnepanelen. Veel is boven het hoofd.

Om met het dak bezig te gaan, ga je binnen op de werktafel staan. En dan moet je jezelf tussen de dakspanten door zien te wurmen, tot je er met je borst en schouders boven uitsteekt. Je staat dan klem en je kan je niet meer omdraaien. Als je dat wilt, dan moet je eerst weer terug.
Of je neemt de trap. Er is een uitklaptrap die altijd wiebelt. Die ga ik op en af, soms dag na dag. Nu en dan laat ik iets vallen. Dan klauter ik naar beneden en weer naar boven. Maar ik heb het er allemaal voor over. Want o, wat wordt het mooi! Het wordt mooier dan ik had kunnen bedenken…

Ik ga nu eerst de ramen erin zetten, voor het gaat regenen. En zo blijven we keuzes maken, de ene na de andere…

 

.

.

Meisje van diamant

.

-violiste-en-het-kind-kl-frm

Tijdens mijn verblijf op Schiermonnikoog maakte ik iets heel bijzonders mee. Samen met een hele stoet andere muziekliefhebbers ben ik op de veerboot gestapt, voor de “Ode aan de wadden“. Het was de opening van het vijftiende Kamermuziekfestival. Tijdens het concert was ik het meest geraakt bij het zien van dit meisje.
.
.

Meisje van diamant

In de banken zitten mannen, vrouwen
ze kijken allemaal heel ernstig
naar twee mensen op de planken
die met de muziek wilden trouwen

Ze spelen daar met heel hun hart
de tango met al zijn emoties
de viool die zingt en knarst
gitaar verlicht de smart

Tussen de groten, op de grond
zit heel alleen een meisje
ze kijkt naar ’t spel met grote ogen
glimmend met half open mond

Haar gezicht is lief en zacht
een witte jurk hangt rond de knieën
Het haar in lange krullen danst
telkens als ze lacht

Ze straalt verwonderd
naar haar engel,
donkere ogen, als betoverd
staren naar
de jonge
violiste

Dan wordt ze plotseling overdonderd
door een valse noot

Ze knijpt abrupt haar ogen dicht
en lippen op elkaar
alsof
ze een tik krijgt
op haar wangen

De muziek is als het licht
en zij weet het te vangen

Het kind is als een diamant
en alle kleuren van ’t heelal
weerkaatsen keer op keer
terug van haar gezicht

.

Na het concert ben ik naar haar toegelopen. Ze zat bij haar ouders, allebei mensen met donker krullend haar. “Ik vond het zó leuk om naar je te kijken!” zei ik, “Je ging helemaal op in de muziek!” En ze antwoordde stralend: “Ja, ik speel zelf ook viool en mijn vader ook en onze hele familie is muzikaal!” Ik werd helemaal blij van haar. Toen ik allang in bed lag zag ik haar gezicht nog steeds voor me.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Corrie van Rijthoven

voetnoot-corrie-kleine-prins-kl-frm

.

.

.

.

.

.

.

.

Dit is op dit moment mijn lievelingsboekje:
“De kleine prins”, van Antoine de Saint-Exupéry. Ik vind het mooi vanwege de puurheid waarmee het geschreven is en om het geheim, dat in de volgende passage te lezen is.

Vaarwel, zei de vos. Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.

.

.

DE BOUW

Ik ben nu lekker uitgerust en ga zo meteen kijken hoe de wagen erbij staat.

 

De reis

 

.

De reis

.

 

Het is alleen maar een foto. Een hotelkamer met uitzicht op een baai en een zee van groen. „”Dit is het paradijs!“ schrijft een vriend van mij. Er zwelt een wild verlangen in mij op om ook op pad te gaan. Weg in de trein of me laten inschepen en weelderige vreemde verten ontdekken. Al sinds ik het ouderlijk huis verliet, ben ik zelden Nederland uit geweest. Ik adem diep in en uit. Ik weet, ik blijf wèèr. Het komt nog wel, die reis. Ooit komt het, als ik zover ben.

Soms heb ik het er even moeilijk mee. Ik zou in èèn dag op de prachtigste plekken kunnen zijn. Ik zou ervan kunnen proeven, als van een heerlijke exotische vrucht. Maar blijf ik hier. Rustig zet ik mijn ene voet voor de andere. Het pad is van mij, het is mìjn pad.

Ik zie flitsen van verleidingen. Ik zie een schitterende deur met het aanlokkelijke tafereel van een breed strand en grote zeemeeuwen in blauwe lucht. Ik zou het kunnen doen, o… zal ik? Nee, ik doe het niet. Ik ga er niet doorheen, niet nu. Ik knijp mijn ogen dicht en negeer de mooie deur. Dan voel ik een windvlaag om mijn gezicht en doe mijn ogen weer open. Een houtduif fladdert tussen de takken, kleine kikkers schieten voor me weg en egeltjes snuffelen in de schemering op het natte gras. Ik kijk naar de grond onder mijn voeten, zorg dat ik niet op een grappig spinnetje ga staan.
De weg die ik ga is niet vanzelfsprekend. Welke poort is voor mij bestemd? Deze is het niet in elk geval. Ach, waarom zou ik me haasten. Ik ben waar ik ben. Als ik een nieuwe keus moet maken, dan zal ik het weten.

Ik werk aan de wagen, dag in dag uit. Al is het maar een paar uurtjes, als ik moe ben. Af en toe komt iemand kijken. „Wat wordt het mooi!! En ga je daar straks mee de wereld in?“ vragen ze enthousiast. Ik lach. „Nou, nog niet meteen hoor. Ik heb geen rijbewijs, ben geen held op de weg en met paarden heb ik ook totaal geen ervaring. Het zal nog wel even duren…“ En ik staar in de verte.

Wil ik dat wel, alles zelf doen? Ik doe al zoveel alleen… Ik kan me straks ook van project naar project laten rijden, elke keer door een ander. Dat kan heel gezellig zijn. En dan hoef ik niet trekker te leren rijden, dan heb ik voorlopig geen paarden nodig. Waar ik ben, kan ik verslag doen van wat ik zie en hoor. Ik kan er verhalen over schrijven en tekeningen maken. Ik kan helpen met bouwen, tuinieren, helpen keuzes maken. En eigenlijk… ik zou zo graag samen musiceren, teksten op muziek zetten en meerstemmig zang.

Ach, voorlopig zijn het dromen. Ik zie wel wat er komt en wanneer. Nu ben ik hier. En ik bouw mijn kleine lieve huis, op wielen.

De karavaan

.

.karavaan

.

Ooit had ik een droom.
Ik zag een karavaan
van woonwagens,  ze reden
door het ganse land
een kleurrijke stoet zag ik gaan
en waar de groep ook kwam
daar boden ze helpende hand

Ze reisden door van plek naar plek
bouwden, sjouwden, gaven raad.
Er waren tuinders en techneuten
ze deelden zonnestroom en zaad
en allen
speelden muziek in de avond
en dansten

Het begint bij jezelf.

blogtek Hoera Vakantie!

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Ik ben de bouwer en de tuinvrouw
de muzikant, de danseres,
de kokkin en de verteller

Met grond tussen mijn tenen
en verf aan mijn vingers
deel ik de karavaan
met tal van lieve vreemden
ergens, waar dan ook

De karavaan is nooit verdwenen
hij rolt op rare wielen
wandelt voort op wonderbenen
de droom gaat almaar verder rond
van luisterend oor tot open mond

Vanuit het afscheid van wat was
groeit wat nu al wordt gedacht
Alles is in wording
en groen is ook het gras
aan deze kant van de gracht

 

Ja

.

.

DE BOUW VAN DE WAGEN

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Dick Verheul

voetnoot-dick-momo

.

Momo en de Tijdspaarders van Michael Ende vind ik een prachtig verhaal, omdat het enerzijds sprookjesachtig en wonderlijk is, en tegelijk heel herkenbaar. Sprookjes spelen zich elke dag af, als je er op let. Het gaat over geheimzinnige grijze heren, een soort bankiers, die de mensen aanmoedigen tijd te sparen. Ze zullen het later met rente terugkrijgen, is de belofte.  “Verspilt u voor alles uw kostbare tijd niet meer zo vaak aan zingen, lezen, of aan uw zogenaamde vrienden,” zegt een grijze man tegen kapper Fusi.

“Goed”, zei meneer Fusi, dat kan ik allemaal doen, maar de tijd die ik
op  deze manier overhoud – wat moet ik daarmee doen? Moet je die
inleveren? En waar? Of moet ik die bewaren? Hoe gaat dat allemaal
in zijn werk?”
“Daarover”, zei de grijze heer en glimlachte voor de tweede keer
flauwtjes, “moet u zich maar geen zorgen maken. Dat kunt u rustig
aan ons overlaten. U kunt er zeker van zijn, dat van uw bespaarde
tijd niet het kleinste beetje voor ons verloren gaat. U zult het wel
merken, dat er niets voor u overschiet.”



Het loopt trouwens goed af.

.

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank. Leg het tussen je blote voeten.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

.

.

.

.

karavaan

.

 

Engelenvleugels

.

engelenvleugels-woonwagen-luifel

 

.Het is gegaan zoals het hoort. Op een stralende zondagmiddag heb ik, met hulp van Dick, twee engelenvleugels aan de wagen vastgemaakt. Stralend wit in de zon heten ze je welkom, aan weerszijden van de deuropening. De vleugels hebben een open vorm, in het midden is een gat uitgezaagd en gladgebeiteld. Het gat heeft de vorm van een blad of een veer. De vorm kwam vanzelf uit mijn handen, toen ik er deze winter aan werkte.
De engelenvleugel is een bijzondere variant op een traditie. Eigenlijk horen er èngelen aan een woonwagen te hangen, gekrulde koppen met nog meer krullen eromheen. Ze houden niet alleen de dakrand omhoog, ze beschermen je ook tegen ongeluk onderweg.

De warme middagzon straalt nu warm op mijn bruine schouders. Ik sta op een afstandje van mijn wagen, warmgroen en lichtblauw geschilderd, als bossen met een zachte avondhemel erboven. De vleugels zijn nog wit van grondverf. En nu, terwijl ik dit alles gedachtenloos gadesla, zie ik iets merkwaardigs. Mijn engelenvleugels lijken iets heel anders te doen dan beschermen. Ze stralen openheid uit, en vertrouwen. Ze lijken je stralend te omarmen. Ik ben er stil van. Dit is de pure eenvoud die ik bedoel, de kern van wat leven voor mij is. Volledig vertrouwen. Zo hard als een diamant, zo zacht als zijde.

De vleugel zit stevig vast. Dat moet ook. Mensen zullen zonder twijfel de onderkant van de vleugel pakken om zich omhoog te hijsen. Dus het moet ook sterk zijn. Ik vond de oplossing. Ik heb hem vastgelijmd met Superdesuperlijm. Ongelooflijk, ik wist niet dat het bestond, lijm met een kracht van 110 kg per cm2! Meestal gebruik ik de onschadelijke houtlijm, maar in dit geval wil ik geen risico nemen en kies ik de allersterkste lijm die ik kan vinden.

Het werk aan de wagen is nu erg afwisselend. Constructieve klussen wissel ik af met schilderwerk. Met de kwast streel ik de schoonheid van de wagen, en maak hem nog mooier dan hij al is. Heerlijk, om te zien hoe hij uit de verf komt, hoe de vorm eindelijk volledig tot zijn recht komt.

Terwijl ik kijk naar wat gedaan heb, besef ik nog iets. De openheid, de lichtheid, de vloeiende vorm, dit is een wagen om Bach in te spelen, op mijn dwarsfluit! Vroeger speelde ik veel Bach en vond ik dat heerlijk, maar dit zilveren instrument ligt al vele jaren stil opgeborgen in zijn zwarte doos. Hij begint de laatste tijd zachtjes naar me te roepen. Ik moet nog veel weg doen, om op zes vierkante meter te kunnen wonen. Maar mijn fluit gaat mee. Dan zijn het niet alleen engelenvleugels die omarmen. Dan is er ook muziek, die harten kan verwarmen. Ik hoop het.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Afina Kuiper

voetnoot-alina.

Op de afbeelding zie je een favoriet van mij; autobiografisch verhaal van M. Wylie Blanchet die op jonge leeftijd weduwe werd. Ze woonde begin 1920 zeer afgelegen in fairy tale blokhut in British Columbia en besloot daar samen met haar 5 kinderen te blijven wonen nadat haar man niet terugkeerde van een zeiltocht en vermoedelijk verdronken is.
Ze besloot elke zomer haar huisje te verhuren en bracht dan juni t/m september door op hun zeer kleine zeilboot. Ze verkende tijdens hun tochten de kreken en baaien van de toen nog ongerepte kusten van Vancouver Island en doet in dit boek verslag van hun belevenissen.

” our world then was both wilde and narrow – wide in the immensity of sea and mount; narrow in that the boat was very small, and we lived and camped, explored and swam in a little realm of our own making”.

Prachtige verhalen over natuur, verlaten Indiaanse dorpen en over hoe weinig een mens eigenlijk nodig heeft ; elk lid van het gezin kreeg 1 stel kleding mee en de hond mocht mee maar verbleef in het kleine roeibootje omdat er geen plaats meer aan boord was…..

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank. Leg het tussen je blote voeten.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

Leve de eenvoud

.

.

.

Engelenvleugel voor de luifel

.

Eenvoud is voor mij
het steeds compacter maken
van wat er werkelijk toe doet
tot het zichtbaar is voor iedereen
Hard als een diamant

Eenvoud komt niet zomaar
je moet er flink voor werken
het is als hakken in een stam
hout tjokvol met noesten

Er zit een beeld in de stam
en alleen jij
hebt een vermoeden hoe het
er uit gaat zien

Misschien zijn het twee vleugels
om te vliegen als het nodig is
de ganzen achterna.

Vleugels om te trekken,
zoals vlinders en vogels op zoek gaan
naar de plek
waar ze willen zijn.

.

.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank, deze week van Frank de Greef

Franks voetnoot

.

.

Een van mijn favoriete passages staat op p. 535:

“Ik wil haar ogen
zo graag zien, papa.”Haar ogen! Verwilderd
kwam Onno overeind. Ook hij had sinds acht jaar haar ogen niet meer gezien!
Moest hij een zuster halen of kon hij zelf een ooglid optrekken? Met een gevoel
dat het niet deugde wat hij deed, boog hij zich over het bed, legde de top van
zijn middelvinger op een ooglid en schoof het voorzichtig omhoog. Samen keken
zij naar het diepbruine, bijkans zwarte oog dat niets zag – zo min als het oog,
dat zich aan de hemel lijkt te vormen bij een totale zonsverduistering.

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

 

Het laatste boek van de plank

.

.

Paul Biegel, De tuinen van Dorr

Als je moest kiezen
welk boek blijft als laatste
is het enige
dat niet mag verdwijnen
van je boekenplank?

Ik dacht er over na,
om het straks
echt te doen!

.

.

We zitten samen te eten, Dick en ik. Terwijl ik mijn laatste hap havermout in de mond steek, kijk ik omhoog naar de boekenplank. Het is maar een klein plankje, maar er staan toch nog vier-en-twintig boeken op. En dan is er nog een grote stapel planten- en bomenboeken, die in de kast ligt. „Ik zal nog heel wat weg moeten doen, als ik in de kleine wagen ga wonen,“ zeg ik terwijl mijn blik over de titels glijdt. „Kerewin, van Keri Hulme kan wel weg. Kan je die meenemen voor op jullie “weggeefkast“? Bij Dick staat een vitrinekastje bij de deur. Mensen mogen er dingen in stoppen of er uithalen. „Ja, kan wel, maar boeken blijven meestal erg lang liggen. We kunnen het proberen.“ Ik knik en kijk hoe hij de laatste hap brood in zijn mond steekt om dan rustig te gaan verteren met zijn rug tegen de wand van de wagen. Ik kijk weer naar de boekenplank.
„Alleen op de wereld, van Hector Malot. Dat vind ik ook moeilijk om weg te doen, net als de Geheime Tuin van Burnett. Maar dat is niet het moeilijkste. . .“ Ik kijk peinzend naar de twee laatste boeken van de rij. Daar staat Hasse Simonsdochter van Thea Beckman, het elfenkind uit Kampen.. Thea Beckman begon pas met publiceren toen ze 47 was, maar wat kon ze schrijven! Al haar boeken heb ik in één ruk uitgelezen. Ik genoot van de avontuurlijke ondernemende karakters, vaak sterke vrouwen uit vorige eeuwen. Ook de trilogie van “Kinderen van Moeder Aarde” vind ik nog steeds prachtig, over de toekomst. Het speelt in het land Thule, het oude Groenland, dat na de opwarming van de aarde een prachtig groen continent is geworden en waar vrouwen regeren.
Toch, het boek van Hasse Simonsdochter is het enige boek dat ik nog van haar heb. Het lastige van de boeken van Thea Beckman is, dat ze allemáál zo mooi zijn en dik ook nog. Geweldig om op een regenachtige dag in weg te duiken, maar niet handig, zo’n rij zware boeken op een plankje in een woonwagentje van zes vierkante meter. Dus ik heb ze weggedaan. Ook Hasse zal verdwijnen, weet ik nu. Ten slotte heb ik mijn e-reader.

„Ik weet welk boek mij het liefste is,” zeg ik plotseling tegen Dick en ik kijk naar dat ene boek. Het is een geelwitte rug met een groenbruine tekening, waarvan ik nu maar een klein stukje zie. De tekening loopt verder op de voorkant van de kaft. Aan één kant is de rug gebobbeld. Dat komt van water. Hij is nat geworden, toen hij in een kelder lag opgeslagen. “De tuinen van Dorr“, van Paul Biegel.

Ik pak het boek van de plank en sla het open. Dieprood papier, zo rood als bloed, is aan de binnenkant tegen de harde kaft geplakt. Het straalt mij warm tegemoet. Het is ook een warm boek, warm, lief en wanhopig. Het begint met een verboden liefde tussen twee kinderen, een prinses en een tuinmansjongen. “Mijnewel en Jouweniet,” noemen ze elkaar. Een heks verandert de jongen in een bloem om van hem af te zijn. Als de bloem verwelkt, plukt Mijnewel het zaad, om een plek te zoeken waar ze het in de grond kan stoppen, een plek waar ze hem weer terug zal zien, haar liefste, als hij weer ontluikt. Ze verlangt er zo naar hem weer te zien! Het kàn, hij kan weer veranderen in Jouweniet, maar dat weet ze op dat moment nog niet…
Ik houd van de taal van Biegel, zo direct en speels. De grote verbeelding die door alles heen loopt. Zijn boeken leven!

Ja, dit boek is het laatste boek van mijn plank. Dit is het boek dat blijft, straks als ik mijn nieuwe huisje intrek, een woonwagen met een vloer van zes vierkante meter.

.

.

Ik begin te lezen…

.

De verloren stad

Er was maar één manier om het pikzwarte water over te komen: in het rieten bootje van de dwerg.
„Dat kost een zoen op je linkerwang,“ zei de dwerg grinnikend.
Hij had een bochel die hem voorover drukte, alsof hij voortdurend een zware zak op de rug droeg.
„ Goed,“ zei het meisje zacht.
De dwerg draaide zich om en liep hobbelend naar de oever.
„Stap maar in,“ zei hij. . .

 

OPROEP

Kies je lievelingsboek, maak er een foto van, het boek op de grond tussen je blote voeten, net zoals de foto hierboven. De vroege ochtendzon of in de avond, het zijn mooiste tijdstippen voor een foto.

Schrijf heel kort waarom je dit gekozen hebt.

Zoek een alinea die je mooi vindt en zet die erbij.

Stuur het naar tt.alowieke@gmail.com. Dan zet ik ze bij elkaar in een volgende blog. Je kan kiezen of je je echte  naam erbij wilt hebben of een nepnaam.

Leuk, Ik ben benieuwd!

Ik ga door tot het er is

 

.

.

deuvels op de vensterbank

.

.

 

Werken aan mijn kleine huis

.

De wanden zijn dicht, het werk is gestopt
Zeshonderd deuvels inclusief lijm
heb ik met veel geduld
in alle zeshonderd gaatjes geklopt

Gelukkig is mijn huis maar klein
anders was er nog veel meer
van almaar door hetzelfde
voor het af zou zijn

Ik ben, ik werk en
rust in de avond

De zon is warm en maakt mijn wangen
rozig van rode wijn
Het gras is groen, de lucht is blauw
ik kan niets meer verlangen

Ik ga door
tot het er is. . .

Hoe kleiner mijn huis,
hoe minder ik mis.

.

.

Wat niet van mij is blijft niet hangen

.

Dans van dank aan alles kl frm

.

De eindfase nadert,
als de vloedlijn op het zand,
langzaam kruipt hij verder
en je weet dat hij straks
de duinen raakt.

Het komt,
je weet het zeker.
En zo rijst het water
tot vlak aan je voeten.

.

Ik heb een plankje op maat gezaagd. Zorgvuldig smeer ik de randen vol met lijm, zodat overal een dun laagje zit en hij straks een stevige hoekverbinding kan vormen. Ik kijk op, naar de linker buitenwand, die ik er gisteren op heb gezet. De planken zijn wit van de grondverf en je kan de geknikte vorm mooi zien. Achter de wand puilt isolatie van warme schapenwol naar buiten, want de binnenwand is nog maar half af.
Nu het product van mijn verbeelding gestalte krijgt, weet ik hoe ik het noem. Het is een “wooncocon“. Want het wordt warm en klein en knus en helemaal van mij. En zo sterk! Goed werk kost tijd. Ik werk geconcentreerd door, zodat elke plank net zo mooi en strak zijn plek vindt als de vorige.
Tijdens de voltooiing komt een vloed aan gedachten bij me op, als een rustige, gestage stroom. Ik schraap het plamuurmes met resten lijm schoon aan een plank en denk aan mijn man, die niet meer is. „Ben je een broodje aan het smeren?“ vroeg hij soms, als ik zoals nu, een afgezaagd plankje bedekte met een keurig wit laagje smeersel… De gedachte aan hem warmt mij op. Ik heb enorm veel aan hem te danken. Al is hij al zoveel jaar uit mijn leven, toch is hij er. Hij reist met me mee, bij alle keuzes die ik maak, en bij elke mijlpaal glimlacht hij als een zachtgloeiende wolk op de achtergrond.

Hij was wijs en lief en ondeugend. Hij hielp me mijn te handen gebruiken. Ik wilde het.

Wie was de eerste, die zei dat ik handig was? Wanneer was het? Lange tijd wist ik het niet. Lange tijd luisterde ik vooral naar de verwijten. „Je bent zò onhandig. Jij kijkt niet, je ziet niks.“ Tja… het was niet raar, dat ik onhandig was. Ik worstelde met een onhoudbaar en wild pallet aan indrukken. De wereld was snel en hard. Oordelen klonken als hamerslagen. Ik dacht dat ik onhandig was. Ik trok me het aan, hun oordelen. Als een jas die me niet paste.

Ik weet wie de eerste was, die het tegenovergestelde beweerde. Salvatore heette hij. Hij was docent drama in Leeuwarden. Later is hij de directeur geworden van de opleiding. Het was een kleine klaszaal, met ouderwetse hoge ramen. Ik was iets aan het maken van ijzerdraad, en zag dat het niet werkte, zoals ik het nu probeerde. Achter me stond Salvatore stil te kijken. „Jij bent handig…“ Dat zei hij! Ik keek hem stomverbaasd en vragend aan. „Ja” vervolgde hij „Je stopt als het niet wil, wat je doet. Je kijkt ernaar en zoekt een oplossing. Je bent handig.“

Ik ben het nooit vergeten. Die man weet vast niet hoe blij ik was. Ik ben hem nog steeds dankbaar. Hij moest eens weten. Salvatore was de eerste, die mijn talent en handigheid benoemde. Ik was nog maar een-en-twintig. Veel later, na tal van omzwervingen, kwam de man in mijn leven aan wie ik het meest te danken heb, Michiel. En er zijn nog veel meer mensen. Mijn hartelijke lieve moeder en mijn eigenwijze oergezonde vader die nu zeven-en-tachtig is, beide hebben me geholpen te zijn wie ik ben. En Dick mijn huidige vriend doet mij glimmen, en mijn beste vriendinnen in Utrecht, wat ben ik blij dat ze er zijn! En dan is er de man van de radio en er zijn nog zoveel anderen…

Eenzaam was ik, toen ik mezelf niet was. Eenzaam was ik, toen ik geloofde wat anderen over me zeiden. Al die ruis aan gedachten heb ik opgeruimd. Wat ooit groot was is nu klein en onbeduidend. Wat niet bij me hoort blijft niet hangen. Ik bloei, ik groei. Alles is liefde. Ik help bij de vermeerdering.

.

.

Het vorderen van de bouw,

Een kijkje door het raam…

.

.

.

.

.