Ik heb lief en laat weer los

.

Ik heb lief 005

.

Ik sta op het bordes en snuif de vochtige warme lucht op. Het wordt een heerlijke dag, herfstig en zomers tegelijk. Hoewel twee kersenbomen al kaal zijn, bloeit er nog van alles. Rode klaprozen, blauwe korenbloemen, steeds weer nieuwe zonnebloemen, oost indische kers, het energieke komkommerkruid en goudsbloemen zo groot als chrysanten.
Ik loop het trapje af en sta met blote voeten in het bedauwde gras. Vanuit een ooghoek zie ik een klein konijntje, verderop, achter de vlierstruik. Hij snuffelt aan een paars bloemetje van het hoog opgegroeide kaasjeskruid. Op zijn gemak peuzelt hij het op en huppelt dan verder.
Plotseling schiet het beestje overeind, kijkt ergens naar en rent dan weg de bosjes in.
Er komen twee mensen aangelopen over het veld, opgewekt en met energieke tred. Het zijn mijn buren. Ze komen elk weekend, helemaal uit Amsterdam. Ze lachen als ze me zien en groeten me hartelijk. “Elke keer als we hier terugkomen genieten we van ál die bloemen. Je hebt zo’n goeie invloed hier, je mag niet weggaan hoor!” Ik lach terug en zeg dat ik voorlopig nog wel even blijf. Ze lopen verder naar hun caravan.
Ergens roept een klein kind. Een meisje komt het hoekje om gerend en holt naar me toe. Het is Olwen, mijn nieuwe buurmeisje. Ze is nog maar één en kan al vertellen welke planten eetbaar zijn, en hoe ze heten. Haar moeder komt glimlachend achter haar aangelopen, maar kijkt oplettend als ze ziet dat het kleine knuistje iets omklemt. “Wat heb je daar?” vraagt ze. Het meisje doet haar hand open. Het is hetzelfde paarse bloemetje dat het konijntje ook zo lekker vond. “Dat is goed. Eéntje maar hè!” zegt ze. Tevreden stopt Olwen het in haar mond.

Soms denk ik: Waarom ga ik hier eigenlijk weg straks? Het wordt hier steeds leuker. Tegelijk weet ik het antwoord al: dat was immers de bedoeling. Helpen het steeds leuker te maken, en dan verder gaan. Ik heb lief en laat weer los.
Jaren geleden had ik een droom. Ik droomde dat ik een ketting reeg op de aarde, van bloemen, bomen en struiken . Als een bij zoemde ik van plek naar plek, een vruchtbare wereld achter me latend. Daarom is het, dat ik verder ga, straks. Alleen of niet.

.

.

Een brede beek zie ik nu stromen
’t komt uit zoveel bronnen
vol is ze met tal van dromen
die zomaar ergens zijn begonnen

Aan haar oevers, mannen, vrouwen
duizenden en toch alleen
zij wilden zo graag verder bouwen
Een mens, een plek, ging van hen heen

Tot een bries een adem zacht
hun teder kietelt, wars van pijn
het water in de beek dat lacht
en spreekt met golfjes, lief en klein

Al wat is, zal nooit verdwijnen
alle dromen neem ik mee
in mijn stroom tot aan de einder
bevloei de aarde, vul de zee.

.

.

.

Voor aanvang

breincorset creatieve 001

Na verhalen over paarden en theater zou ik opnieuw een spetterend stuk kunnen schrijven. Ik zou een kleurrijke menigte kunnen schilderen, verhalenvertellers, muzikanten. . . Ik zou op dit moment een festival kunnen bezoeken, drie dagen lang. De zon schijnt, alles nodigt uit om er aan mee te doen. Maar ik doe het niet. Ik blijf hier. Sterker nog, ik zit binnen. De witte, katoenen gordijnen zijn gesloten. Waarom?

Gefladder tussen bloem en tak lokt mijn blik naar buiten. Ik zie niet alleen vogels, ook zweefvliegen, vlinders, hommels en  bijen. Het worden er steeds meer nu het palet aan kleuren en geuren groeit. Het trekt me. “Kijk eens, ruik eens, proef eens!” lijkt het te roepen. Maar dat wil ik niet. Niet nu.  Daarom heb ik de gordijnen dicht gedaan. Anders komt er niks van.

Dit is het. Nog twee weken en dan geef ik de smid in Warnsveld definitief de opdracht. Hij zal het onderstel voor mijn nieuwe wagen bouwen. Het boek met tekeningen ligt voor me. Nog steeds dicht. Ik wil ermee verder, maar de gedetailleerde tekeningen duizelen voor mijn ogen, als ik het open doe. Dus ik heb het weer gesloten. Ik kijk voor me uit, naar de ruwe witgeschilderde planken boven mijn aanrecht. Het rolgordijntje erboven is dicht, net als de andere gordijnen. Eigenlijk is mijn huisje nu een soort breincorset. Daar moet ik eerst weer inpassen, voor ik verder kan. Anders snap ik de gortdroge en abstracte getallen en lijnen niet. Al heb ik ze ooit zelf getekend, het zit toch in een andere hersenhelft dan die waarin ik me zomers gewoonlijk bevind, als de wereld zich zo uitbundig en sensueel manifesteert.

Leger en leger wordt mijn hoofd. Af en toe zie in gedachten een beeld. Een kleine woonwagen rijdt door een gevarieerd landschap. Ik zie mezelf lopen, met  twee muildieren. Of zijn het ezels? Bouwen zal ik, deze wagen. Hout en schroeven zal ik inslaan. Grote stugge lappen katoen voor de binnenkant en dikke rollen schapenwol voor isolatie. . . Moet ik de kasten onder de vloer afwerken met een flinke rand gaas, vraag ik me af. Goede ventilatie voorkomt die hele populatie aan schimmels. Liever voorkomen dan genezen. . Dan verdwijnt de gedachte weer.

Ik neem een slok water uit het glas, dat naast me staat en staar voor me uit. Er rijst een stil vermoeden. Dit zou nog wel eens een vruchtbare tijd kunnen worden. Ik dank iedereen die het in al die jaren mogelijk heeft gemaakt, dat ik dit nu kan doen. Alleen had ik het nooit gered.

Naar het theater

Een voorstelling over Sicco Mansholt . . .

theatermansholt 003

.

Een grote kas met een eenvoudig houten decor. Er staat een telefoon en een oude radio. Achter het decor, grote bakken afgedekt met zwart zeil. Er zitten vissen in, zegt iemand. Langzaam stromen de rijen stoelen vol. Vier vrouwen op de tweede rij wachten op het begin van de voorstelling. Drie elegante dames en ik.
Als een bontgekleurde bohemien zit ik tussen vriendinnen in brons met kralenkettingen. „Zal ik mijn hoed afdoen?” vraag ik aan de mensen achter me. Ze lachen me hartelijk toe als ik mijn zwarte bolhoed voor ze af neem en op schoot leg. Dan wordt het stil. De voorstelling gaat beginnen.
Het verhaal van Sicco Mansholt.

Een jonge vrouw op het toneel zet de radio aan.
“Wat is er met u gebeurd, mijnheer Mansholt?” vraagt een krakerige stem.
“Ik heb mij laten corrumperen door het kapitalisme.”
“Maar is dat niet hetzelfde kapitalisme als datgene wat u in de EEG belichaamt?”
“Dat is volkomen juist. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de grote vraagstukken van deze tijd, zoals het milieu, de Noord-Zuid tegenstelling, de macht van de multinationals, niet meer zijn op te lossen binnen het kapitalistische systeem. Tegelijk stel ik vast dat ook de socialisten geen antwoord hebben. Ze komen niet verder dan een kleinzielige strijd over de verdeling van de welvaartskoek.”
Ik luister met volle concentratie. Het stuk begint serieus en valt met de deur in huis. Goed opletten. Hier gaat het over. Dit is de dramatiek van deze man, die zijn leven lang meewerkte aan een steeds grootschaliger landbouwsysteem. Tot hij er, vlak voor zijn pensionering, spijt van kreeg.
Hij komt het toneel op. Een oude man, in grijs gekleed. Acteur Helmert Woudenberg. Nu als Sicco Mansholt. Hardop vertelt hij wat hij ziet, als hij met zijn auto door het landschap rijdt. Kleine weilandjes, boeren op het erf waarvan hij weet hoe conservatief ze zijn. Bungelend boven de afgrond zijn ze het taaist, zegt hij.
De ene na de andere personage komt op. Sicco Mansholt omringd door zijn tweede man, zijn vrouw, zijn secretaresse. Ook is er zijn liefje, een jonge vrouw van 24, die hem zeer bewondert, nu hij het roer volkomen wil omdraaien. De man werkt zich bijna dood. Was het eerst om het systeem op de rails te helpen, nu is het om datzelfde systeem ter discussie te stellen. Uiteindelijk ligt hij afgepeigerd met een hartaanval in het ziekenhuis. Als hij er uit komt wil hij niets meer dan een oude droom tot leven brengen. Hij bouwt een boot en gaat de oceaan op. In zijn eentje.
Het toneelstuk sluit met een gedicht, dat ik in het Engels het mooiste vind.

The World stands out on either side
No wider than the heart is wide,
Above the World is stretched the sky,
No higher than the soul is high.

In gedachten zie ik mijzelf, de eenvoud van de kleine wagen waar ik woon. En straks, rijdend in een huifkar, dat mijn huis zal zijn. Storm mag woeden, machten werken zich te pletter voor goud. Maar ik ben waar ik ben.
De spelers komen glimlachend het toneel op. Het publiek klapt, juicht en gaat staan. Ik pak mijn hoedje en gooi hem in de lucht. Maar niet te hoog. Anders ben ik hem kwijt. Als het applaus is weggeëbd, lopen we tussen de rij stoelen door naar de uitgang. Daar is vuur. En bier en wijn. Tevreden warmen we ons bij de vlammen.

.  .  .  .  .  .

Klik op deze zin voor meer info over het Mansholt-theater.

Onlangs bekend: In 2015 komt er een vervolgtour op locaties in het oosten en het zuiden van het land.

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.

Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

Ezel

Ezel 002
.
Het is al laat als ik uit bed stap. Al negen uur. Mijn lijf is nog wat zwaar en loom van alle inspanning van deze week. Maar daar is wat aan te doen. Zonder aarzelen ga ik op mijn rug liggen en adem in en uit. Heel geconcentreerd doe ik de eerste oefeningen. Langzaam word ik frisser en wakkerder. Als ik bij de vierde oefening ben hoor ik gebalk. Het is Ezel. Elke ochtend knip ik beukentakken voor hem. Van de beukenhaag. Hij wil ze, nu! Het duurt hem vast veel te lang. Ik maak rustig de oefeningen af en ga naar buiten.
Ezel beukt met zijn grijze borst tegen het hek aan, als hij me ziet. Het lijkt er op dat hij er uit wil. Soms mag hij dat. Ikzelf heb het nog niet eerder gedaan. Ik weet dat hij erg sterk is en niet gecastreerd. Soms is hij baldadig en dan is er geen houden meer aan. Dan rent hij bokkig het hele terrein over. Maar ik heb geen zin om langer terughoudend te zijn. Ezel is een maatje geworden en ik wil graag wat voor hem doen.
Om zijn hals hangt een riem, met een oog er aan. De ketting en de pen liggen voor me, in het gras, met een haak eraan vast. Ik neem de musketonhaak in mijn hand. Dan open ik het hek en in één beweging zit de ezel vast aan de haak. Met moeite druk ik de pen in de keiharde, natte bodem. Genietend begint ezel te grazen. Terwijl hij met zijn lange tanden het heldergroene gras afsnijdt en kauwt, kijkt hij al vast waar het volgende hapje staat. Ik kijk met hem mee. Er staat raaigras, kweek, witte klaver zonder bloemen en blad van de kruipende boterbloem. Ezel eet dit allemaal, maar toch het meest gras. De grond is zompig van de vele regen. Rond de kleine hoeven komt het vocht omhoog, de grond uit. Zijn hoeven zijn vol nat en opgedroogd zand. Ze zijn een beetje rafelig aan het uiteinde, maar nog niet alarmerend. Ik zou ze graag willen voelen, die hoeven. Hoe hard zouden ze zijn? Als ik mijn hand naar zijn linkervoorpoot richt, wendt ezel zich af. Nu niet. Een andere keer misschien.

Ik wil graag muildieren leren kennen en ezels. Overal zijn ezels. Toch is er maar ééntje hier. Dus met hem begin ik. Met de onze. Ik kijk naar hem. Al heeft hij nooit iets geleerd en zal hij nooit een wagen kunnen trekken. Daar gaat het nu niet om. Ik kijk en ik ben er. Naast Ezel.
.


Hier geef ik de dieren appeltjes. Ezel komt aan de beurt in de derde minuut.

Trappen tot de horizon

fietseninnoodweer 002

.

Ik sla rechtsaf. Een snelweg vijftig meter verderop leidt het verkeer van west naar oost en andersom. Een harde onophoudelijke ruis van heel veel wielen, razend over nat asfalt. De westenwind is stevig en dikke droppels waaien hard in mijn gezicht en op mijn regenpak. Ik stel me in op een paar kilometer wind tegen en houd mijn spieren aan het werk, niet snel, maar gestadig als een trekpaard, zonder stoppen. Het karretje achter mijn fiets weegt zo’n vijftig kilo. Mijn nieuwe tent zit er in en de rest van mijn bagage. Ik zet de versnelling heel licht en houd dit tempo tot het einde van de weg. Daar sla ik linksaf en opgelucht voel ik nu de wind nu schuin van achteren komen.
Ik denk aan mijn fijne warme woonwagen, heel even. Ik denk aan de weg die nog voor me ligt. Van Utrecht naar mijn plekje bij Haghorst, dat is het doel. Maar ook die gedachte leg ik gauw naast me neer. Zo ver ben ik nog lang niet.
Mijn linker tenen hebben kramp, ik beweeg ze in mijn grote schoen. Dijen voelen wat zwaar, maar doen hun werk nog prima. Wolkenluchten komen en gaan en ik hoor de wind in kruinen van hoge populieren. Ze zijn als ferme wachters die een grote vlakte begrenzen van aan één gesloten hectares landbouw. Hier, verder naar het westen, ziet ons land er anders uit dan meer naar het oosten. Daar fietste ik op de heen weg, vijf dagen geleden nog maar. Kleine weggetjes en fietspaden zigzaggend door kleinschalig ingerichte landschappen en natuurgebieden. Ik werd vaak ingehaald door andere trekkers, al dan niet met bagage. Hier heb ik nog niemand gezien. Ik ben een eenzame fietser die, moeizaam gebogen over zijn stuur, zichzelf een weg baant. Hoe sterk ben ik?

Soms sturen mensen me plaatjes met pieremagoggelkarretjes. Gekke, originele zelfgebouwde rijwielen met kleine huisjes eraan vast. Die moet je dan fietsend voortbewegen. Als ik dat zou overwegen, dan ben ik nu wel van die gedachte af gebracht. Met een kleine kar tegen de wind in fietsen is al zwaar, zo’n huisje zou ik waarschijnlijk niet eens in beweging krijgen. Dus kies ik graag voor een trekdier. En dan ga ik naast hem lopen, met een tamme kraai op mijn schouder of een geit bij me. Want een ezel of muildier heeft ook een maatje nodig. En zo gaan we voort. Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet.

Ik ben nu naar de Ezelsociëteit in Zeist geweest, het volgende bezoek zal zijn de Ezelshoeve in Baarle Nassau. De Ezelstoeterij in de Vlaamse Ardennen staat op mijn verlanglijstje. Daar ga ik pas naar toe als ik meer ervaring heb opgedaan.

Fietsen naar de ezels

Op reis, Liempde Zeist 002
Voor mijn voeten, op de vloer van mijn huisje ligt een rijtje spullen. Noten, rozijnen, gierst. Peren, peper en zout, de kaart van midden Nederland, regenkleding. Het kistje met de maquette ligt er naast. “Wiekies Kolibri, schitteren gouden letters op mat zwart. Daar zit mijn kleine, nieuwe wagen in. Ik ga weer op pad.
„Wéér op de fiets? “ vraagt Dick opgewekt.
“Dat is vér hoor!” zegt Ton “En met al die buien..”
Ja, ik weet dat het ver is. En soms erg nat. Maar toch doe ik het. Want ik ben moe van de grote stations, de voortschrijdende automatisering, de anonimiteit. Ik word niet blij van het gepiep van toegangspaaltjes. De groeiende rij van schreeuwerige fastfood loop ik gauw voorbij. Toiletten met razendsnelle klaphekjes vind ik eveneens geen vooruitgang. Ik heb steeds meer moeite met het opzetten van de noodzakelijke oogkleppen, om hier doorheen te kunnen lopen. Eigenlijk vind ik het zonde van mijn tijd. In een langere weg op eigen kracht, heb ik meer plezier.
Dus ik ga weer op de fiets. Langs de oeverlandroute, richting Utrecht. Eindoel is de ezelsociëteit in Zeist.
Vanavond ga ik alleen maar naar een camping in Liempde. Dat is niet ver. Maar er is wel een simpele houten hut met een bed. Daar slaap ik. De Oeverlandroute loopt er vlak langs, en de volgende morgen kan ik direkt beginnen met de bordjes te volgen. Ik ben benieuwd wie en wat ik tegenkom onderweg.
Ik kijk naar de spullen op de grond. Zou het allemaal passen? Nog even puzzelen. Het lukt vast.

Revolutie van de kolibri’s

 

.revolutievdkolibries 001

Revolution of the hummingbirds
. . . .

 

Mijn vriend Kees is er. Fijn. Het was al een jaar geleden dat ik hem zag.
„Moet je eens zien wat er allemaal veranderd is,” zeg ik opgewekt, terwijl ik naast hem langs de bedden loop. Van alles gaat langs onze voeten voorbij. De witte bloemschermen van wilde en tamme peen, oranje oost-indische Kers, blauwe borage, de snel groeiende takken van een wijnbes, de zich voort slingerende pompoenen en courgettes, de kruiden die overal tussen in staan en nog zoveel meer.
“Alles is één groot paradijs,” zegt Kees, een tikkeltje afwezig. En even later, wat verontwaardigd:
“Toch is het idioot, hiernaast zijn ze ik weet niet hoeveel hectares grond aan het platwalsen, openscheuren, pletten, door elkaar gooien en nog eens en nog eens. En jij bent hier hele dagen aan het tuinieren op maar honderd-en-zestig vierkante meter.”
“Iets meer,” zeg ik. “Hier en daar legde ik eilandjes met andere planten aan. Waar alleen maar gras staat of brandnetels. Vlier, Grote Klis, Smeerwortel, en Koningskaars zijn goed aangeslagen. Het effect daarvan is niet uit te drukken in vierkante meters, Kees. Ik noem het guerillagardening met nazorg.”
“Ja,” zegt hij wat somber, “Maar toch…”

Als Kees weg gaat is hij blij en uitgerust. “Het heeft me zo goed gedaan, hier even te zijn,” zegt hij. “Ik krijg allemaal goeie gedachtes.” Ik glim.
Als Kees op zijn fietsje de hoek om is, ga ik voor het raam zitten. Buiten, vlak voor het venster staan grote zonnebloemen. Er vliegt een pimpelmees langs en hij landt op een stevige bladstengel. De enorme bloem wiegt een beetje. Dromerig kijkt het meesje om zich heen en vliegt dan verder. De zon schemert vaag door sluierwolken. Ik laat de afgelopen dag aan mijn geest voorbij gaan.
Terwijl ik denk aan Kees zijn verontwaardiging, zie ik een kleine wollige hommel. Hij kruipt in een witte bloem van de pronkboon, die zich in de reuzenstengel voor mijn raam omhoog slingert. Zo’n klein beestje die zulk mooi werk doet… Die boon, díe groeit straks wel! Al wordt hij omringd door kale vlaktes.

Ooit bracht iemand me op een site van een collega-Kolibri. Het was een Franse site. Helaas is mijn frans niet best, dus kon ik het niet goed lezen. Maar ik begreep de strekking.
“Revolutie van de kolibri’s” las ik. Zo zie je maar, dacht ik toen. Ik ben niet de enige kolibri. Er zijn vast miljoenen bezige kolibri’s, op de hele wereld. Allemaal kleine eilandjes van bruisend leven. En als mieren bergen kunnen verzetten omdat ze met veel zijn, dan kunnen wij dat ook. Misschien is het er al, en groeit het. Zelfs zonder revolutie.

Bloemen plukken

.

.

Ik ben thuis, op de camping. Ton heeft gemaaid. De machine heeft lange strepen hooi achtergelaten. Het is meer dan anders en ik ben er blij mee. Ik hark de strepen bij elkaar en maak er bultjes van. Met een grote arm vol loop ik naar de slangecourgette, de goudsbloemen, de wijnbes en de borage, en leg het er onder. Ook de kleine kersenboom krijgt krijgt een flinke laag. Ik hoop dat het hem goed doet. Tevreden kijk ik ernaar. Fijn dat hooi, nu de zon zo heet schijnt. Ik kan de grond extra beschermen tegen uitdrogen.
Ik loop verder naar een stukje waar heel veel bij elkaar ligt, en zie hoe onder mijn hark heldergroen gras tevoorschijn komt. Leuk om te doen. Het hooi ziet er ook goed uit. Nog een dagje wachten en het is droog genoeg om in mijn compostemmer te gebruiken.
Terwijl ik hark, hoor ik gebabbel, verderop, achter de bosjes. Er is vandaag een gezin aangekomen, met twee meisjes van een jaar of tien. Ik hoor hun hoge kinderstemmen. Ik kan niet verstaan waar ze het over hebben, maar het lijkt erop dat ze iets moois hebben gevonden, waar ze blij mee zijn. Nieuwsgierig loop ik het hoekje om. Het ene meisje komt naar me toe, met een stralend gezicht. In haar handen heeft ze een schitterende bos grote oranje kelken, op korte stelen. Verschrikt kijk ik haar aan. „O nee!” roep ik uit. “Dat zijn de bloemen van de slangecourgette!” Een lange donkere man komt uit de caravan gelopen. “Lianne, deze mag je nog niet plukken. Je moet wachten. Er komen pompoenen aan.” Het meisje kijkt van mij naar haar vader, nog niet begrijpend wat die bloem nou met groente voor de soep te maken heeft.
“Wacht”, zeg ik, “Ik zal jullie laten zien wat er uit komt.” Op een holletje ga ik naar binnen, om de lange courgette te halen. Ik breng hem naar de vader en de twee meisjes. Het is een mooie grote, lichtgroen van kleur, met een indrukwekkende kronkel er in. Het meisje zet hele grote ogen op, vol verbazing dat er zoiets uit een bloem kan groeien. Tegelijkertijd ben ik nog steeds ontdaan van het recente verlies. “Ze waren zo mooi!” moet ik nog even kwijt, terwijl ik naar de plant kijk, waar alleen nog blad aanzit. Het meisje kijkt heel erg beteuterd naar het bosje in haar hand. “Maar er komen weer nieuwe bloemen aan!” zeg ik dan, om haar schrik te verzachten en ook de mijne. Ik hoop maar dat ze zichzelf nu niet stom gaat vinden, ze kon ook niet helpen.

Later zit ik in mijn wagen te mijmeren. Zijn die paar courgettes wel belangrijk? Die meisjes weten nu voor de rest van hun leven hoe er een vrucht uit een bloem kan groeien. En ik vergeet nooit die blik in haar ogen. Ik kijk naar buiten, naar de weelderige bloeiende massa voor mijn deur. Ik bewonder de zonnebloemen, waarvan de vierde nu begint te bloeien en ik kijk naar de bijtjes die over het bolle bloemhart kruipen. Er lopen wel eens mensen langs, ze kunnen van alles gaan plukken. Maar ach. Waar nooit iemand komt, leert niemand wat.