…………….Mensenwens voor een wurm

WurmMensenwens voor een wurm

Stil onder een natte steen
bewegingloos vol leven
hoeveel kun jij ons nog vergeven
lieve wurm, ga nog niet heen

Ik weet dat ik je broer een keer
dwars door midden sneed, pardoes
een scherpe spade zonder roest
en weer en weer en weer…

We hakken en we woelen
het gaat maar door en door
ik heb er een gebedje voor
Laat het weer krioelen.

Zonder messen, zonder ploeg
geen reuzenwielen niets ontziend
zoveel meer heb jij verdiend
na al wat je verdroeg

Dit hoop ik en maar ja, ik weet
het is maar slechts een wens
van één enkel simpel mens
maar de plaat is nog niet heet

De druppel kan nog vallen
in aarde waar jij bent
lieve wurm, zo onderkend
Ik gun je duizendtallen

Herfstfeest

 

herfstdansers 001

.

Ik zit op mijn schapenvacht bij de kachel. Het hout knettert zachtjes en een lichte harsgeur vult mijn woonwagen. Een kreet van een kraai trekt mijn blik naar buiten. Ik kijk door het raam, naast me. De stilte op het veld lijkt nog intenser nu het herfst is. Dezelfde bosjes als in de lange warme zomer, omgrenzen het veld. Mezen vliegen af en aan, merels vechten in het gras. En toch is het nu anders. Onder een loden lucht verkleurt de bomenrand tot een bruingrijze strook. Als ik me voorover buig, kan ik de oranjegele beukenhagen zien. Ze lijken wel te stralen..

De ene dag na de andere rijgt zich aanéén tot een solide ketting van donkere parels. Ik houd ze in handen en koester ze. Wat een geschenk, dat ik hiermee mag werken. Ik bereid me voor op het werk dat komt, straks. Ik glimlach.

En nu. Al een paar dagen zijn alle buren weg en mijn vriend is te druk om te komen. In mijn eentje werk ik door. Het is tijd voor het wekelijkse verhaal. De hele dag heb ik nog niemand gezien, behalve Ton de beheerder, die de dieren kwam voeren. Op dagen als deze is het de knaloranje radio, die mijn ritme maakt, me vertelt wanneer het weekend is. Aan het einde van elke werkdag is het zover. Ook vandaag. Ik druk op de knop. Radio 4 moet ik hebben. Ik draai er aan voor de juiste ontvangst, tot het geluid zuiver is en zonder ruis. Ik hoor nog net de hartelijke, meisjesachtige stem van Dieuwertje Blok. Het zijn de eerste woorden die ik vandaag hoor. “Na het nieuws van zeven uur kunt u luisteren naar Passaggio, met Lex Bohlmeijer. Geniet u van de avond!” zegt ze op zo’n levendige toon, dat ik bijna hardop zou antwoorden: “Ja hoor, doe ik!”

Passaggio is een programma vol afwisselende muziek. Veel ervan heb ik nog nooit gehoord. Ik luister ook graag naar Lex’s korte vertelsels, interviews en gedichten. Zijn stem lijkt veel op die van een verre, dierbare vriend van me. Maar toch, hij kent me niet. Gek is dat. Ook erna laat ik de muziek aan. De avond is vol harmonie en aanstekelijke ritmes. Ik neurie zachtjes mee en dans op de paar vierkante meters die mijn huis rijk is. Mijn eigen herfstfeestje.

.

Dit verhaal leest ook lekker met radio 4 erbij:

http://www.radio4.nl/live

Kinderdromen

.

kinderdromen 004

.

Het is een rustig dagje. Dick is er ook. Hij zit aan tafel de krant te lezen. Ik sta met kousevoeten op de bank en rommel wat op het zoldertje er boven. Sommige dingen heb ik niet meer aangeraakt, sinds ik het er twee jaar geleden neerlegde. Ik haal de voorste stapel boekjes weg en wat CD’s. Ik weet wat er achter ligt. Het is een mij heel bekend blauw boekje, volgeschreven met een rond en nog kinderlijk handschrift.
„Zal ik je eens voorlezen uit het dagboek van toen ik veertien was?” vraag ik aan Dick. “Dat heb ik nog wèl bewaard. Het gaat over onze reis dwars door het Noord Amerikaanse continent.”
“Ja, leuk,” zegt Dick.
“We reden elke dag vijfhonderd kilometer, de heenweg door Amerika, de terugweg door Canada, zes weken lang.” Ik sla een willekeurige bladzijde open en lees een paar stukjes. Dan kom ik bij een opmerkelijke passage.

“We gaan naar Iron Springs. Daar woont een vroeger buurmeisje waar ma altijd mee speelde. Het is nog dertien kilometer, zegt mama. Ik kijk naar buiten. Ach wat zielig, er staat een paard in de regen. Hij is al onder de bomen gaan staan. Dat wil ik altijd nog eens, paardrijden. Of het liefst, er eentje hebben, maar daar zal wel nooit iets van komen.”

Verrast kijk ik naar Dick. “En vlak daarna lees ik dit,” vervolg ik.“

Ik vind het heerlijk om zo te trekken. Ik zou best zo willen leven.”

.

“Toen wist je het al,” zegt Dick.
“Ja,” antwoord ik “en straks gaat het dan gebeuren. Tenminste, dat denk ik. Maar zeker weet je het nooit. Het kan altijd anders gaan dan verwacht.”
“Je gaat het doen,” zegt Dick overtuigd.
“Ja,” glimlach ik hem toe. “Ik heb er ook veel vertrouwen in, dat het door gaat. Er zijn tot dusver geen barrières. Alles verloopt rustig en soepel.”
Ik kijk naar Dick zijn grijze krullenbos. Wie heeft er nou zo’n fijne couch? Ik bof maar.

..

.

Wiekie´s koffie

alowieke's avatarAlowieke

Dit zelfportret is gemaakt met een paintprogramma en een erg beroerd functionerende muis en ik ben best trots dat het nog iets geworden is.

Soms is het alsof ik iets voor de eerste keer echt zie. Op een dag pak ik voor de zoveel duizendste keer een filterzakje voor de koffie. Ze liggen op het bovenste plankje, boven het aanrecht. Ik zie nog net drie bruine puntjes tussen twee glazen potten uitsteken, waar mijn voorraden in zitten. Drie nog maar. Dat is niet veel. Ik wil een pen uit de kast halen om het erbij te schrijven op het lijstje bij de kalender. Maar ik doe het niet. Ik kijk nog eens naar de drie papiertjes op mijn plank. Waarom heb ik die dingen eigenlijk nodig. Waarom gebruik ik ze eigenlijk al zoveel jaren. Er zijn vast zat andere manieren om koffie te zetten.
Ik kan perculatorkoffie zetten. Of Turkse koffie. Dan heb ik geen filterzakjes nodig. Maar juist de vetten die in de koffiebonen zitten zijn niet gezond. Gefilterde koffie is daarentegen helemaal…

View original post 633 woorden meer

Dansen op de grens

dansenopdegrens 003

.

„Wil je ook koffie? “ vraagt Nicole. Ze komt achter de caravan vandaan en doet een paar passen in mijn richting. “Ja graag, of eigenlijk liever thee als het kan.” Ik trek nog een paar graspollen weg en doe een pas achteruit om te kijken. Ik heb het perk breder gemaakt. Heel langzaam help ik de natuur met uitdijen. De grens is duidelijk zichtbaar. Een strakke, licht golvende lijn van frisgroen gras steekt scherp af tegen de klaargemaakte zwarte grond. Strakke grenzen, dat snappen mensen. Dan weten ze, dáár is wat. . . Daarom doe ik het hier zo. Dat werkt tenminste.
De novemberzon schijnt met een laag, warm licht. Ik loop naar de regenton en was mijn handen.

Glimlachend neem ik het warme glas thee in ontvangst. Henk en Nicole hebben hun koffie op de witte kampeertafel gezet. Ik geniet van momenten van samenzijn. Tegelijk met een toenemende vloed aan bloemen, planten en insecten, keert het leven terug op de camping.
Nicole kijkt me vrolijk aan. “Ik heb zaad van mijn tuin in Amsterdam in het nieuwe perk gestopt,” zegt ze. “Zo leuk, die plek bij het ronde minihuisje!”
“Elke keer is er weer iets veranderd” zegt Henk “daarom vinden we het fijn om hier te komen.” Blij kijk ik hem aan. “Ik heb op meer plekken uitgebreid,” vertel ik opgewekt. “Naast het huis in aanbouw ook. De boomspiegels onder de pruimen zijn nu nog groter. Maar ik moet daar wel ophouden. Ton wil graag om het huis heen kunnen om er aan te werken.” Henk en Nicole knikken begrijpend.
“Eigenlijk is perk al wat te groot,” vervolg ik, “want misschien komt er in de toekomst weer een steiger. Maar nu staat er géén steiger. Dan kunnen de bloemen toch nog mooi even verder groeien en zaad maken, dacht ik zo. . .”
“Maar ik kan me voorstellen dat je wel wil dat het blìjft, wat je allemaal doet.”
“Nee hoor,” zeg ik, “Ik stel me er steeds op in dat er iets anders kan gebeuren. Morgen kan er opeens een steiger in mijn perk staan. Of zo. Het gaat om de beweging. Ik stel geen paal en perk, ik begin steeds overnieuw. Waar dan ook.”
“Ja,” zegt Henk grijnzend, “Mooi is dat.”

Ik kijk naar wat beweegt en leg mijn oor te luister. Wat doe jij, wat doe ik? Het leven is een stroom, mensen, dieren, bomen, planten . . . Soms doe ik een brutale stap naar voren en help de natuur een handje. Maar het is niet altijd de natuur die wint. Mensen hebben ook tegels nodig en huizen. En wegen om te gaan. Waar nodig, trek ik me terug en laat ruimte in aandacht. Samen spelen we met grenzen, van de ene wereld met de andere.

Eeuwige dans die verder gaat
van stille eb tot volle vloed
steeds ben ik waar ik wezen moet
en kijk dan waar jij staat

.

.

Herfstwerk

herfstwerk 0002

De lucht is grijs als een grauw laken. Het motregent. Ik ben klaar met ontbijten en de dagelijkse oefeningen. Wat nu? De grijze stilte maakt me traag. Ik besluit om eerst een rondje te gaan lopen, voor ik aan het werk ga. Om mijn woonwagen scharrelen bruine kippen en wit-met-zwarte, op zoek naar zaad en beestjes in het gras.
Ik loop het trapje af van het bordes en verder het gras over, tussen de bosjes door, het zandpad op. Het monotone geluid van landbouwmachines, dat pas nog onophoudelijk klonk, is gestopt. De horizon verdwijnt in een mistige verte. Waar deze zomer uitgestrekte maisvlaktes lagen, zie ik nu omgeploegde akkers met her en der uitstekende stompjes stengel. De zanderige grond is donker van de regen. Er vliegt een groepje kauwtjes, verder is er geen beest te zien. Als ik langs de wei van de manege loop, schrik ik op van een koppel patrijzen, dat de vlucht kiest. Maar konijnen zie ik nergens, geloof ik. De jagers hebben goed hun best gedaan.
De vochtige kou doet mijn vingers verstijven. Ik trek aan de mouwen van mijn jas, tot ver over mijn vingers. Het begint iets harder te regenen en ik loop stevig door. Ik wil graag nog een tak uit het bos halen, voor die kletsnat geregend is. Ik wil geen nat hout in mijn kachel. De onderkant van mijn klompen is ook vochtig en geeft wat mee, als ik op een takje of steentje stap. Ik zal er binnenkort wel doorheen gaan.
Even later ben ik bij het bos. De tak die ik heb klaargelegd, ligt achter een bos grote varens. Ik neem hem op mijn schouder en wandel terug. De beboste oase van de camping is van verre te zien, over de rechte weg. Daar is de grinderige oprit al. Ik loop door naar het natte veld. Aan de rand ervan, tegen een bosje, staat mijn roestrode woonwagentje, nog steeds omringd door bloemen. Mijn thuis. De tak leg ik te drogen onder de wagen.
Als ik binnenkom straalt een heerlijke warmte mij tegemoet. Mijn kachel is een beste. Hij gééft warmte en houdt het nog vast ook. Want mijn huisje doet dat niet. Het zijn maar dunne wandjes.
De nieuwe wagen wordt anders. Zo’n zware kachel neem ik echt niet mee op reis. Dus er komt een dikke laag schapenwol die kou buiten moet houden. Wol neemt vocht op en laat het ook weer los. Zo heb ik geen last van condens en eventuele schimmels.
Op mijn witte werk- en eettafel ligt een dik boek vol tekeningen en berekeningen. Soms wel vier of vijf keer herzien. Vorige week heb ik drie dagen besteed om al het soortelijk gewicht op te tellen, van de materialen die ik nodig heb. Inclusief kachel. Ik was er duizelig van.
Ik ben al zolang bezig. . . Mijn blik glijdt van het boek naar het raam. De kippen schuilen onder een afdakje, samen met een klein konijntje.
De herfst is echt begonnen. Grauwe luchten, regenval, het is me best. Het werk ligt klaar op tafel, de kachel gloeit knus en warm. Ik ga er wat moois van maken.

Ontwerpboek wiekieskolibri 001

Wakker worden met een droom

.

Overstroomde rivier met muildier 001

.

Ik ben maar één nacht weggeweest. Perplex kijk ik naar de drastische verandering in het rivierlandschap. Ik sta op de dijk en kijk naar het snel stromende water. Stijgt het nog steeds? Ik weet het niet. Tot mijn verbazing stroomt de rivier niet naar zee, maar landinwaarts! Is er iets met de waterkering? Ik wist dat de nood hoog was, maar zó hoog… De uiterwaarden staan blank, maar de dijkhuizen staan er nog. Mensen met lieslaarzen aan hebben hun tuinmeubilair veilig gesteld. Aan een lang touw drijven de keurig gelakte houten stoelen in een sliert mee met de stroom. Het einde van het touw zit vast aan de paal van een pergola. Ze waren er vast trots op. Nu stappen ze in de auto en rijden weg. De evacuatie is in gang gezet.
Hoe zou het met mijn makker Gerrit zijn, mijn trouwe roodharige muildier? Hij stond daar vlakbij, in de wei. Snel fiets ik verder naar de nabij gelegen brug. Als ik er boven op ben, kijk ik naar beneden. Het water, anders metersver weg in de diepte, kolkt nu een stuk dichterbij, onder mijn trappers. Aan de overkant gekomen, zie ik Gerrit meteen. Hij klimt net omhoog, het droge op. Ik haast me naar het druipende dier toe, en droog hem met hooi en mos uit de berm. Hij raakt me aan met zijn fluwelen snoet alsof hij wil zeggen: “Waar wàs je nou?” Maar we kunnen niet te lang blijven staan hier. Mijn wagen staat nog steeds langs de kronkelende dijkweg. Tijd om te vertrekken. Niet overhaast, wel snel. Ik span Gerrit in.

Langzaam dringt het geluid door van een paar kwetterende koolmezen. Een ezel balkt. Om mij heen is het schemerig, want de luiken voor mijn bedderaam zitten nog dicht. Ik droomde. . . In gedachten laat ik de beelden nog eens aan me voorbij gaan, zonder duidelijke emotie en zonder oordeel. Alleen bij het muildier sta ik even stil. Zou dit werkelijk mijn trekdier worden? Of ga ik het anders doen? Maf dat ik dit kennelijk belangrijker vind dan het schrikbeeld van een overstroming. Een overstroming lijkt ver weg. Toch kan het. En misschien wel eerder dan computermodellen voorspellen. De werkelijkheid gedraagt zich immers altijd grillig en niet altijd ten gunste van de mens, die alles bij het oude wil houden. Ik trek het warme wollen dekbed over mijn blote schouder. Het schapenwollen dekbed, dat mijn moeder ooit voor me maakte. Ik voel me warm, tevreden en gelukkig. Kome wat komt.

 

Zoon van de molenaar

.

molenaarszoon 003

.

Ik ben bij mijn vader in het ouderlijk huis. Ik ken elke hoek en er is weinig veranderd in al die jaren. Alleen mijn moeder is er niet meer. Mijn vader redt zich prima, in zijn eentje. Hij rent drie keer per week hard, stoft en wast. Vandaag is hij vijfentachtig geworden. . .

De net nog zo volle kamer is bijna verlaten. Op tafel staan bloemen, de afwas is gedaan, de taart is op. Mijn vader staat met mijn broer bij het achterraam te praten. Ik zit met mijn nichtje Juul in de voorkamer.
Juul kijkt naar de twee mannen bij het raam. Ze buigt zich in mijn richting, haar sluike blonde haren vallen naar voren.
“Ik wil graag verhalen horen van opa, over vroeger..” zegt ze zacht. “Ja,” fluister ik terug en ga recht opzitten. Ik wacht tot het stil is in de kamer.
“Pa, wij willen graag verhalen horen over vroeger,” zeg ik stellig.
“Dan moet je een iets specifiekere vraag stellen,” zegt opa en komt onze kant op.
Ik hoef niet lang te denken. De vraag rolt van mijn lippen.
“Welke gebeurtenis is je het meest bijgebleven uit de tijd dat je in de molen werkte?”
“Dat is net een vraag van een journalist,” zegt opa lachend.
Peinzend staart hij in de verte. Hij laat zich lenig in een stoel zakken en begint te vertellen.

“De molen hoorde bij ons huis en we moesten natuurlijk altijd meewerken, in de weekends en in de vakanties. De grote houten as draaide op een zware motor, die naast de molen stond, in een apart hok. Er zat zo’n groot vliegwiel aan, dat er drie mannen nodig waren om hem aan te slingeren. Maar in de oorlog veranderde er veel. Er was geen olie voor de motor. De molen moest gerestaureerd worden, zodat hij weer op de wind kon malen. Na een tijdje bleek één wiek zo rot te zijn dat hij er af moest. En die andere natuurlijk ook, want de wieken zitten aan elkaar vast.”
“Kon je met twee wieken dan ook malen?” vraagt mijn broer.
“Ja hoor, het maakte weinig uit. We maalden gewoon door. Het was zwaar werk om de zeilen op te rollen, die om de wieken heen lagen, om meer wind te vangen. Je moest de loodzware stof met een krachtige zwiep naar de achterkant gooien en daar vastzetten.”
“Een molenaar was toch een belangrijk figuur vroeger?” vraag ik.
“Jazeker, de molen was een ontmoetingsplek. Boerderijen lagen wel een kilometer van de weg af. De molen lag wél aan de weg en de boeren kwamen er allemaal, om hun graan tot meel te laten malen. Er waren altijd mensen. Ik heb gehoord dat het op veel plaatsen zo ging,” lacht hij genoeglijk.
Mijn vader zwijgt even, om dan verder te gaan. “ Rond achttienhonderd gebruikten de mensen minder geld dan nu. De molenaar mocht toen een zestiende van het gemalen meel zelf houden, de rest ging terug naar de boer.”
Ik hoor veel wat ik niet wist. Mijn broer kijkt bedenkelijk. “Dat de molen op een motor draaide, dat wist ik niet. Ik vind het een stuk minder romantisch.”
“Ach,” zeg ik, “het aanslingeren van zo’n enorm vliegwiel, dat heeft toch ook iets. . met drie mannen notabene. .” Ik had ook een motor met vliegwiel, in een oude boot.
Nu hoor ik de stem van Juul, naast mij. “Ik vond het fijn om over de molen te horen, opa.”
Mijn vader glimlacht. Want zoon van de molenaar, dat is hij en dat blijft hij.

Opdracht voor de smid

Opdracht sm 3 002

Muren van grijze steen begrenzen een kale ruimte. Door de grote ramen zie ik het pand aan de overzijde, waar de secretaresse in wit licht achter haar computer tuurt. Tegenover me zit de smid van Warnsveld. Op tafel ligt een groot vel papier met de constructie tekening van mijn nieuw te bouwen wagen. Hij gaat voor mij het onderstel maken.

„Ga je er echt in wonen of is het maar voor kort?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan.
“Ik ga er in wonen. Het moet comfortabel worden. Ook wil ik door zand, bossen en door ruigtes kunnen rijden. Dus het moet makkelijk wendbaar zijn. En niet te groot en te hoog. Lastig kiezen, zo allemaal bij elkaar.”
“Je zal toch iets grotere wielen moeten nemen, die kleintjes schuiven het zand voor zich uit. Vroeg of laat zit je vast.”
“Ja daarom heb ik aan de achterkant een ingebouwde wielkast bedacht met grote wielen. Die steken uit boven de vloer.” Ik wijs het aan op de tekening. “De voorwielen zijn wèl erg klein. Moeten die groter? Ik hoopte de vloer zo laag mogelijk te kunnen houden. . Onder de laadruimte heb ik ook maar dertig centimeter tot de grond. Is dat te weinig, komen we dan met de onderkant vast te zitten?“
“Het is aan de krappe kant, als je door ruig gebied wilt trekken.”
Hij is even stil en kijkt door het raam.
”Ik zal je mee naar buiten nemen” zegt hij dan. “We kunnen eens kijken bij andere wagens. Dat is duidelijker dan een tekening.”
Het is fris en het waait en druppelt. Ik loop achter hem aan over het grind. Achter de gebouwen ligt een hectare grond. Verspreid over het terrein staan aanhangers, paardentrailers en een stapel pallets.
“Kijk,” zegt hij en staat stil bij een glanzend nieuwe aanhanger. “Dit is een mooi wiel.” Hij aait over het harde rubber. Ik zie een klein breed wiel, maar groter dan ik zelf had bedacht.
“Ik zal eens meten,” zegt hij en pakt de rolmaat uit zijn zak. Hij meet vanaf het zanderige grind tot de onderkant van het voertuig. “Vijfenzestig centimeter tot de vloer.”
“Dat is tien centimeter hoger dan ik bedacht had,” zeg ik. “ Twee-meter-zeventig wordt mijn nieuwe wagen dan.”
“Die paardentrailer is precies even hoog,” wijst hij.
Ik kijk en denk. Goeie wielen en genoeg ruimte in en onder de wagen, het is allemaal belangrijk. Maar dit alles wordt hoger dan ik hoopte. In een bos rijd ik snel tegen takken aan. Wat is belangrijk? Die vraag heb ik al vaak gesteld. Ik overweeg. Een tak die in de weg zit kan ik meestal wel afzagen. Maar een mul zandpad of uitstekend rotsblok in de weg, daar doe je weinig aan…
“Ik heb genoeg gezien.” zeg ik resoluut. “Dit wiel wordt hem.”
We lopen terug naar het kantoor en ik neem afscheid. De bouwtekening mag hij houden. Ik pak mijn rugzak en neem de vouwfiets. “Tot over een week of zes! “ roep ik. Hij lacht. Tevreden begin ik de terugtocht. Terug naar huis, naar Haghorst.