Scheppen is heerlijk

Verder met planten

.

Liever luisteren? Zie onderaan de tekst.

.


Heerlijk hoe alle gedachten aan andere zaken verdwijnen, zodra ik weer met volle aandacht aan het werk ga. Werken aan het nieuwe bosje. Bosjes zijn bijzonder in dit weidelandschap, op de bodem van de Middelzee. Die moet eigenlijk kaal blijven, zeggen de Friezen, dat is historisch. Alleen bij de woonkernen mogen bomen staan. Wat ik doe is dus op het randje. Ik houd van werken op het randje. Zo kun je langzaam grenzen verleggen. Dus ik werk hier, op de grens, twee kilometer weg van de bewoonde wereld. Grenzenverleggers zijn altijd nodig. Want je weet maar nooit of de toekomst niet totaal anders wordt dan het verleden. Toch, ik blijf bescheiden, houd contact en ga niet te ver. Dat probeer ik. Maar ik kan het niet vaak vragen. Het is hier zo stil, negen maanden lang zie je hier alleen de mensen die er echt moeten zijn. Ze komen aan rijden over het grindpad. Ze rijden bijna altijd voorbij, want meestal moeten ze op de boerderij zijn. Om te weten of ik nog steeds binnen het acceptabele werk, check ik af en toe mijn buurman, de landschapshistoricus. Die is altijd met het weidegebied bezig. Maar dit keer hoef ik hem niks te vragen. Alles is duidelijk besproken met de boer. Het zijn struiken. Vuilbessen en zuurbessen. Het wordt een mooi dicht bosje, waarin vogels bescherming kunnen vinden. Winterkoninkjes kunnen onder de stekelige zuurbessen hun jongen grootbrengen. Het wordt een echte peuterspeelzaal, daar onder die takkenboel. Met veel insecten ook. Dat is hard nodig! Maar eerst moeten ze er komen. Dus dat wordt nog een hele hoop scheppen. Het hoeft niet snel, nee juist niet! Voor mij moet het een spel blijven. De spade gaat makkelijk de grond in. Het is niet te nat en niet te droog, precies goed. Na zoveel te hebben geplant op deze kleigrond weet ik inmiddels: Niet wachten met graven tot je de bomen krijgt. Dat is op zijn vroegst eind november pas. Dan is alles glibberig en zitten je laarzen zomaar vast in de drek. Wanneer de struiken ook zullen komen, nu ga ik eerst de weide afplaggen, gaten graven, compost aanbrengen (tot zover ik dat nog heb). Als de bomen dan komen, kunnen ze zo de grond in. Ik steek een grote pol gras weg. Er zit een nest vaalgele pissebedden onder. Zorgvuldig schep ik de hele familie naar een hoger gelegen plek en bedek ze weer. Straks is alles weer zeikensnat, dan waren ze verzopen. Nu heb ik ze gered. Het is secuur werk, de grond klaarmaken en tegelijkertijd aandacht schenken aan de bodemstructuur en de beestjes. De strook grond die ik al deels heb beplant, ligt aan de noordzijde van een dichte rij schietwilgen. Ik merk wat een verschil dat is, de bodem is onder de bomen een stuk korreliger dan in de taaie klei op de weidegrond. De helft van de strook heb ik vorig jaar ingeplant met elzen vooral. Nu wil ik de rest doen. Op dit stuk is het hele jaar niet gemaaid, en onder het lange gras zijn tal van muizengangen, die vervolgens weer bewoond worden door allerlei insecten. De muizen hebben de grond losgemaakt, zonde om dat allemaal weer plat te trappen. Dus ik maak eerst een pad, van plaggen. Een dijkje wordt het, en het steekt hoog boven de rest uit. Onderaan het dijkje is een wadi, een diepe kuil. Dat maakt het hoogteverschil nog veel groter. Echt een sensatie, in dit vlakke land, al zie je er straks niks meer van, als straks alles begroeid is. Toch is dit een mooi moment. De kunst van het voorbijgaande. Dit heb ik gemaakt, denk ik, en ik voel de voldoening, al komt hier haast niemand. Ik denk aan jongeren die niet weten wat ze willen doen. Ga lekker spelen, denk ik dan. Bomen planten, dijkjes maken. Of wat anders. Het is zo heerlijk! Het maakt je kop helemaal leeg. En dan het te zien groeien. Biodiversiteit op de Friese weide! Het verhaal gaat door.

Voor de luisterversie: Zoek iemand die goed kan voorlezen, want ik ben er deze week niet!

.

Het was er al voor ik er was

De droom van mij was de droom van mijn moeder en velen die haar voorgingen.

.

Tekening Alowieke 1991

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Alles begint met een droom. Er zijn rottige dromen en lieve dromen. Onvoorstelbare grote dromen en kleine voor de hand liggende dromen. De één droomt van meisjes, de ander van jongens. Nadat mijn moeder kort na elkaar drie zonen had gekregen, kwam er een paar jaar niemand meer bij. En toen ze op een dag een kinderboek kocht om uit voor te lezen, zal ze gedroomd hebben van een meisje. Ik zag haar wens terug in vorm van dit kleine pocketboek. Ik had het nog nooit gezien, voor ik het vond. En al die zestig jaar moet het daar gelegen hebben, in de oude blankhouten kast, daar op de onderste plank.
Ik kijk ernaar. Op de kaft zie je een klein grietje dat over een hek klimt. “Emmekes kleine bos” heet het. Een meisje met lang haar en een tuinbroek aan zie ik. Maar ook zie ik de droom van een groene aarde en bronnen die ongehinderd mogen stromen.
Wie kan mij vertellen wanneer een droom begint? Ik was niet de eerste. Droomde mijn moeder die droom al, voor ik geboren werd? Dan is mijn bos ook haar bos. Het meisje waar ze over las, ben ik, en zij liet mij geboren worden.

Ik lees over Emmeke. Ze laat kleine bomen groeien en plant ze naast een vijver. In de vijver is een bron die alsmaar door borrelt. Het hart van alles was er groeit. Ze sluit vriendschappen met de beestjes die er wonen. Ik kijk naar het meisje. Ze zit schrijlings op het hek en kijkt om, naar iets wat aan de andere kant gebeurt. Emmeke ken ik maar wat goed. De Emmeke in mij groeide uit tot een werker. Een vrouw met vuile handen, maar met een innerlijke bron die nooit opgehouden is te vloeien.

.

Tekening Alowieke 1991

En uiteindelijk is het daar, het kleine bos, vol beestjes. De droom die mijn moeder al gedroomd heeft, eens, toen ze dit boekje las. Ik droom het verhaal dat mijn moeder las en werk het uit op mijn manier. Het heeft een naam gekregen: “Het Verhalenpad.” Ergens in het uitgestrekte weidelandschap kun je het vinden. De kleine bomen worden al groter. Het paadje dat ertussen door loopt is maar smal. Het is een pad van nog maar drie jaar oud. Maar eigenlijk is het al veel ouder. Overal is het, opgegroeid en neergevallen, gekoesterd als droom en als ontkiemend zaad onder een bed van mos. Het groeit in handen van allen die beginnen te popelen. En al zijn er hekken en is er prikkeldraad, niets zal ze tegenhouden.
Ik kan mijn moeder niet meer vragen, wat ze dacht, toen ze dit boekje kocht. Maar in gedachten laat ik haar zien wat ik liet groeien. En met mijn nieuwe boek hoop ik nieuwe dromen te zaaien, die uit zullen groeien tot dikke wortelbaarden in de bodem. Maar ook in takken vol blad en bloesems, met vogels en insecten. Groeien zal het. En geduld ook, en respect. En besef, van de heilige traagheid der dingen.

.

.

.

De tekeningen komen uit mijn dagboek van 1991. In die tijd leefde ik geïsoleerd op een kamertje van 12 m2 met een gebroken been, die ik opliep bij een verkeersongeluk. Het duurde 2 jaar voor het genas, en in die tijd heb ik veel getekend en gedicht. Het zijn dromen en inspiraties die nu nog altijd de basis vormen van mijn leven. Ook in het grote schilderij dat ik de komende tijd ga maken, zal het terugkomen.

PS: Dit is de eerste pagina van mijn boek, “De heilige traagheid der dingen” dat volgend jaar uitkomt.

De tinteling van nieuwe scheppingskracht

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Of je oud of jong bent, dat ligt niet per se aan de leeftijd. Ik was zevenendertig toen M. stierf. Voor die dramatische dag was ik al ernstig van de zorgen. Maar op dat moment was ik in één klap oud. Ik voel me nu jonger dan toen, en mijn hele uitstraling is jonger, hoewel ik nu twintig jaar ouder ben. Rouw doet iets met je lichaam. Toch had ik vrede. Ik wist dat het goed was. Dat wij liefhadden en ook dat hij weer vertrok en mij achter liet met alles. En alles, dat was veel. Het was een zware tijd, die jarenlang duurde. Alles heb ik respectvol afgemaakt en opgeruimd. En toen was ik klaar, taai en vaardig was ik geworden, en de weg was vrij. Toen ik de sprong nam, begon er een nieuw leven. Ik voelde mij jonger dan ooit, zo licht als een veertje en kon wel zingen, zo vol was ik met creatieve energie. De sluier van wat was kon worden afgeworpen, de wereld stond in een nieuw licht. Er groeide iets nieuws in mij, zoals een veteranenboom, omgewaaid, gespleten, maar waar binnenin een nieuwe stam omhoog komt. Dat is twaalf jaar geleden. Het is een flinke boom geworden, want het is een productieve tijd geweest, sindsdien. Al die twaalf jaar heb ik wekelijks geschreven, filmpjes gemaakt, gedichten en tekeningen. Ik ontwierp en bouwde mijn huis op wielen, maakte er een docu van, en schreef een boek. Er zijn veel bomen en struiken geplant en ik heb hommels en vlinders gezien op plekken waar ze voordien niet waren.

Hard heb ik gewerkt. De tinteling van toen, de eerste jaren na de grote sprong, is nu weg. Zo gaat dat. Ja, het vuur is minder, maar niet gedoofd. De waakvlam brandt nog mooi. Er ligt nog een zee van tijd voor me, dat voel ik. Daarom zorg ik goed voor mezelf. Het lichaam is een tempel, zeggen Oosterse wijsgeren. Er kan nog van alles gebeuren, wat de vlam weer aanwakkert, in die tempel.

Ik woon nog steeds op dezelfde plek in Friesland, maar tegelijkertijd gaat mijn blik verder. Als ik klaar ben met het werk, dan ga ik vaker even weg: naar de Vlierhof, naar Schier, of een eind fietsen op mijn geweldige pas aangeschafte tweedehands fiets (zonder accu natuurlijk). In februari word ik zestig. Het is dan twaalf-en-een-half jaar geleden, dat ik de sprong nam. Een jubileum dus.
Wat heb ik bereikt? Dat is duidelijk. Ik maak me in elk geval niet druk meer. Erger dan toen kan het immers nooit worden. Ik kan enorm genieten van een middagdut om dan verkwikt weer op te staan. Daar had ik vroeger de rust niet voor. Ik werk af wat ik te doen heb, met plezier of met gezonde tegenzin, maar zonder dat jachtige gevoel wat ik vroeger vaak had. Als ik klaar ben, kijk ik opnieuw om me heen. Welke deur zal ik nu openen? Hoe gaat het verder? Niets blijft hetzelfde, nooit. En ook mijn blik verplaatst zich. Van de grond waarop ik werk, kijk ik steeds vaker naar de horizon. Misschien ga ik straks wel naar de bergen, als de laatste bomen zijn geplant, bij deze boer. Ik was nog een kind, de laatste keer dat ik een berg beklom. Wat is dat lang geleden! Ik hield enorm veel van bergen. Ik was er gek op: Rotsen, grotten, het onvoorspelbare, en de fysieke uitdaging. Dat is niet weg. Ja, ik wil de bergen zeker een keer terugzien in mijn leven. Misschien zijn er bergen waar ik bomen kan planten. Schotland? Ik weet het nog niet. Maar mijn armen zijn sterk, en aan mijn handen mankeert niks. Het zijn echte werkhanden, maar ze kunnen ook goed uitrusten. Dat moet ook. Zo blijven ze het langste doen, die handen van mij. Want graag blijf ik de aarde mooier maken. Zodat water mag vloeien en tuinen zullen groeien, landschappen zal ik verkennen en verrijken, samen met anderen. Alles vanuit deze grond, waar ik steeds weer terug keer. Hier, bij het kleine Verhalenhuis. Als het zo mag zijn. Amen.

.

.

Doorgaan in een omgekeerde wereld

Samenstelling van symbolen: Aarde, het groeien, de hemel. Je vindt dit bovenin de nok van mijn huis. In zijn geheel straalt het blijmoedige volharding uit.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik niks hoef, deze lente. De grond is vochtig en de bomen doen het goed. Het Verhalenpad zit vol met dieren. Als ik aan kom lopen vliegen er bijna altijd twee houtduiven weg. Ze scharrelen bij de drogende grashalmen op de grond. Ik maaide het met de zeis. In dikke bossen liggen ze daar, nog altijd. Langzaam slinken ze, door wind, regen en zon en het zaad dat eraan zat verdwijnt in de vogelmagen. Later op de dag, om twaalf uur, komen de mussen. Die komen vooral voor hun zandbad, in de losse grond onder de struiken. Ze maken kuiltjes in de grond, met hun vleugels. Van mij mogen ze. Ondertussen graaft de mol tussen de lila bladramanas en de wilgenroosjes haar gangen. De bloemen bloeien nog net zo hard, al worden de blaadjes wel wat geel van al dat gegraaf. Het wilgenroosje heeft er daarentegen geen last van. Het kan best dat de mol daar dieper onderdoor duikt, want hij kan wel tot twee meter komen, in hogere gebieden dan hier. Het is ook een goed teken, zo’n mol. Er zitten dus veel wormen in de grond. Een mol in je tuin is dus eigenlijk een compliment. Veel “rommel” in je tuin zorgt daarvoor. Maaisel niet opruimen maar laten liggen. Het snoeihout niet verbranden, maar teruggeven aan de bodem. Ook andere dieren komen daar op af. Net als iedereen heb ik ook naaktslakken. Die lust de mol ook. Ik laat hem dus lekker zijn gang gaan. Ik mag me gelukkig prijzen, met al die medewerkers. En er zijn meer eters. In de berke- en wilgebomen zitten rupsjes. Die eten alle blaadjes op. Het geeft niet, er komen vanzelf weer nieuwe. Maar soms komt er een familie pimpelmezen, om ze op te eten. De mol maakt de grond los, de mezen eten de rupsen. Er gebeurt van alles, ook buiten mijn aanwezigheid. Een gemeenschap, en alles werkt samen.

Dus ik kan het me permitteren om een tijdje lui te zijn en lig bij m’n vriend op de bank. Wat een luxe is dat. Ik denk aan al die mensen met overvolle agenda’s. Of landen waar het oorlog is en waar je nooit rustig een middagdutje kan doen. Ik denk aan defensie, waar nu meer geld naartoe moet. De energieslurpende verdediging van ons continent, Europa, ten koste van de aarde. Wat hield ons bezig? Het klimaat. Verontreiniging van water en bodem. Er moest meer natuur komen. Dat alles is nu niet belangrijk meer. “We moeten voor onszelf gaan zorgen” zeggen ze. Ik dacht dat dat over voedsel ging, en kringlooplandbouw. Streekvoeding voor levensonderhoud. Maar nee, voor jezelf zorgen betekent in eerste plaats dat je jezelf kan verdedigen. Dat er wapens zijn en een leger. Terwijl oorlog juist overal ter wereld voor voedselproblemen zorgt en dus het tegenovergestelde doet. Mensen kunnen niet meer voor zichzelf zorgen. Waar oorlog is, wordt het land verwoest. Mensen vluchten er weg of hebben voedselhulp nodig. Je kunt beter investeren in vrede dan in wapens.

Mijn vriend leest voor. “Mensen in vinexwijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben”. Het is een artikel uit Vrij Nederland. Ook vinexmensen vinden het leger en grensbewaking het belangrijkst. Dan zullen ze zich kunnen vinden in de huidige politiek. Europa voelt zich vooral verenigd door het hebben van een gezamenlijke vijand. Dus niet door elkaar, door het water dat door onze landen stroomt naar de zee, niet door samen te zorgen voor vruchtbaar land en leven. Gelukkig zijn er nog anderen. Mensen die doorgaan met zaaien, planten en vredestichten. En vertrouwen hebben en zaden delen. Al gaat het met vallen en opstaan. Er is nog veel te doen. Maar vergeet niet om lui te zijn.

.

.

Meidoornbloesem

.

.

De lente begint teder en sluierwolken verzachten het licht. Het land is nog vochtig en planten en bomen ontluiken. De eerste knoppen barsten open, terwijl de laatste vorstige nachten voorbijgaan. Sommigen zijn aarzelend, anderen enthousiast. Steeds verder openen ze zich, nu duidelijk is dat de koude winden voorbij zijn. De vele regen is geabsorbeerd door de bodem of weggespoeld in de stroom. Uitbundig groen en bloesems stralen alsof ze de bruid zijn. Weiden tot aan de horizon wuiven in de wind. En dan komt de felle zon terug, dagenlang. Een harde droge wind waait. De kleibodem begint weer te barsten, de velden zijn gemaaid. De prille lente is weer voorbij. Maar niet zonder dat ik dit gedicht heb geschreven.

De koude wind is eindelijk klaar
klaar issie met loeien
Lieve mens verbaas je maar 
hoe alles weer gaat groeien
hoe de tedere tovenaar
de meidoorns weer doet bloeien
langs de kant de ooievaar
terwijl de twee gelieven roeien 
Met bloemen in hun haar

(Deze week bij uitzondering geen geluidsopname)

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.

Mestgepraat terwijl ik slaap

Grijnzen om de BBB terwijl ik slaperig naar de lege weide kijk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is stil en koel. Binnen brand nog steeds de kachel. De bomen die ik wilde planten zijn geplant en de boomspiegels zijn verzorgd en bedekt met blad en riet. Het zaad dat ik wilde zaaien is gezaaid en wacht op warmere tijden. Het boek dat ik maakte, ligt op het bureau bij een uitgever te wachten. En nu? Elke keer als ik een doel gehaald heb, komt er een periode van dromerige tijdloosheid. Het is heerlijk om even niets te hoeven en te willen. Ik lig op de bank van mijn vriend door het raam te kijken. Het weiland is wijd en groen. Er bloeien paardebloemen en hier en daar een pinksterbloem. Mijn vriend luistert naar een podcast over de kabinetsformatie. Ik laat het langs me heengaan. Landbouw is het grootste struikelblok. Ja, dat wisten we al. Het struikelblok dat ze veel te lang onder het bed hebben geschoven. De grote poepparade. Nu kunnen ze er niet meer omheen. Europa zegt nee. Het is genoeg geweest. Nederland heeft keer op keer een uitzonderingspositie gekregen met zijn mest. Het is afgelopen en uit. Als Nederland wil doorgaan, dan volgen er boetes. Het schijnt dat de BBB een idee heeft, om het probleem op te lossen. Ik hoor het, nu, op de radio. Ik spits nu toch even mijn oren. Wat zeggen ze? Vijftienduizend gigantische plastic zakken op de weilanden leggen en daar die miljarden liters mest in stoppen. “Is dat geen grap?” vraag ik aan mijn vriend, die het helemaal heeft gevolgd. “Nee, geen grapje. Ze menen het serieus.” Hij grijnst erbij.

Op de radio praten ze verder. Ik kijk uit over de ongerepte wei. De ruimte die er is. Als de BBB dat maar niet ontdekt! Ik zie ze al komen, al die vrachtwagens vol mest over ons smalle onverharde pad, om met hijskranen plastic zakken te vullen, zo groot als distributiecentra. Echt niet! Het is hier goed zo. Hier is de mestgeur beduidend minder, dan elders in het land. We hebben maar twee koeien. De mesthoop die wij hebben stinkt niet. Het is mooi spul, dat lang heeft liggen rijpen. Mensen komen het halen, voor hun tuin. Zo kan het ook.

Ik lig nog steeds op mijn buik uit het raam te kijken. De lucht is fris en de wind komt van zee en de wolkenlucht verandert continue. Een loodgrijze rol veegt langzaam onder witte wolkenkoppen door. Helder blauw ertussenin. Een straal zonlicht doet opeens het hele land schitteren van frisheid. De paardebloemen lichten op als duizend gouden zonnen. Ik kijk en kijk, en langzaam vallen mijn ogen dicht en mijn nek ontspant zich.

Wat een rijkdom om tijdens het kijken naar een wolkenlucht in slaap te vallen. Dat het gras mag groeien tot het gehooid wordt. Geen distributiecentra of torenhoge zakken met mest in het land. De wolken komen van zee. Ze gaan hun eigen gang, onbelemmerd door mensendingen. Ik kijk hoe ze wegdrijven. Het geluid van de radio verdwijnt op de achtergrond. Als witte droomwolk zweef ik over de aarde, raak de boomtoppen, bevochtig het blad. Langzaam zak ik in de heerlijke wereld, tussen slapen en waken.

.

Wij zijn de rivier

De Whanganui en de Swette, de Rijn en de Lek, het is de stroom die ons het leven geeft. “Wij zijn de rivier”, zeggen de Maori in Nieuw Zeeland.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het was alweer een tijd geleden, dat ik elke dag in de Swette zwom. Af en toe deed ik het nog wel eens. Maar het ritme was eruit. Op een ochtend keek ik uit het raam naar de uitkomende esdoorn, en besefte dat ik er vorig jaar veel intenser van genoot, de prille lente, de ontluikende kleuren. Hoe kan dat? Ineens wist ik het. Het was doordat ik niet meer in de Swette kom. Ik miste het, de dagelijkse dompeling. Te kijken naar het licht in de kabbelende golfjes, de weerspiegeling van de wolken. De eenden die langzaam wegzwemmen. Het water dat langs mij naar het IJsselmeer stroomt, en dan, door de vissenpoort, naar zee. Het water, nu nog ijskoud, maakt me wakker en gezond. Ik sta in de stroom en spreek mijn liefste wensen uit. Door het een tijd niet te doen, besef je pas wat het doet. Het werkt echt. Ik besta meer, mijn bloed stroomt vitaler door mijn lichaam, wanneer ik dit doe.

Water is leven. Voor iedereen en alles. Voor de Maori is de rivier een voorouder, niet als mens, maar als entiteit. Hij is enorm belangrijk voor ze. De Maori wonen al eeuwenlang in Nieuw Zeeland. Ver voordat de eerste ontdekkingsreizigers voet aan land zetten, beheerden zij de Aarde en was de rivier de Whanganui hun levensader. De Whanganui ontspringt bij één van de drie vulkanen die het eiland heeft. Vandaar stroomt hij bijna driehonderd kilometer lang, slingerend het land door. Vroeger was de stroom een avontuur. Soms was hij breed en rustig, dan weer wild en woest in stroomversnellingen. Maar de rivier is getemd. De stroomversnellingen zijn er niet meer, de rotsen waar ze langs liepen, zijn door middel van dynamiet uit elkaar gesprongen. Pijnlijk. Maar met trots kan de regering verkondigen dat de Whanganui de langst bevaarbare rivier is. De Maori blijven zingen. “De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de Zee.” Maar de rivier is niet alleen zijn stroomversnellingen, maar ook zijn hoofd verloren. Gelijk na de bron is een waterkrachtcentrale gebouwd, daar hoog in de bergen. Iets wat bedwongen wordt en getemd, wat uitgebuit wordt voor steeds meer economische belangen, raakt zijn identiteit kwijt. In Engeland is dat nog veel erger. Daar heeft Tatcher in de vorige eeuw de drinkwatervoorziening verkocht aan een buitenlands bedrijf. Het gaat nu helemaal fout, wateren raken vervuild en het bedrijf voelt zich niet verantwoordelijk. Dat kost immers veel te veel. Het is vreselijk moeilijk om het weer terug te draaien. De stemmen van inheemse volkeren blijven ons erop wijzen hoe belangrijk het is. “Wij zijn de rivier” blijven de Maori zeggen, en hun kreet wordt nu wereldwijd in bioscopen, documentaires en artikelen verspreid. Zij vormen met elkaar de stem van de waterstroom. Het feit dat er zonder te vragen zoveel is ingegrepen, is een zware belediging voor hen. Al honderdvijftig jaar vochten zij ervoor, de rivier moest gerespecteerd worden. En toen in de jaren zeventig het water vuiler en vuiler werd, vochten ze nog harder. Door de beschaving werden ze gezien als verschoppelingen, niet meer dan de afvalput die de stroom was geworden. “Wij zijn de rivier” blijven ze herhalen. De industrieën die hun afval loosden moesten worden aangepakt. De Maori werden zelfbewuster. Hun cultuur is niet dood.

Er is steeds meer naar ze geluisterd. En nu is eindelijk de Whanganui in zijn identiteit gerespecteerd door de regering. De rivier is een rechtspersoon geworden. Hiermee reiken twee culturen, zolang in conflict, elkaar eindelijk de hand. Twee mensen vertegenwoordigen de stem van de rivier. Uit beide culturen één. De Maori zingen hun krachtige lied, begeleid door een traditionele dans. Maar ze zijn er nog niet. De kop van de rivier moet worden teruggewonnen. Daar bovenop de berg. Pas dan is de stroom weer zichzelf.

“De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de zee.”

Terwijl ik net weer begonnen ben met mijn dagelijkse bezoek aan de Swette, komt dit verhaal naar me toe. Het verhaal van de Wharangui en zijn mensen. Ja, denk ik, ik voel die band ook, met het water. Ik heb het altijd gevoeld. Misschien minder sterk dan het oude volk, omdat ik er niet direct afhankelijk van ben. Zij hebben de rivier echt nodig. Tot voor kort, althans. Tot in de jaren zestig was hun levensstijl nog geheel zelfvoorzienend. De rivier was hun dokter, hun voedselbron en hun speelplaats. Met hun boten konden ze zichzelf en hun vracht vervoeren. Nog steeds weten ze precies waar de achttien verschillende vissoorten gevangen kunnen worden. De rivier als ziel van hun bestaan. Zij plaatsen zichzelf niet boven, maar middenin het grote web van leven. Nog steeds is dat de kern van hun cultuur. Maar de meeste Maori van nu zijn nog nooit op de rivier geweest. De band met de voorouders vervaagt. En juist daarom is het nu zo belangrijk, dat de band wordt herstelt. Niet alleen daar, in Nieuw Zeeland, maar overal. Mijn bezoek aan de Swette is een bezoek aan het water dat de hele wereld over gaat. Het is mijn band, met alles. Ik dompel mijn hoofd onder. Ik voel het en denk aan ze. De Maori, die het flikten. Eindelijk wordt hun rivier gezien. Eindelijk is hij gerespecteerd, in de wet. En het water neemt de boodschap mee. Ik roep het, als ik opkijk vanuit het water. Het kan, het kan!

Http://www.greenculturelab.com/mensenrechten-voor-de-rivier-Whanganui/

http://youtu.be/YQZzRSzxhLI?si=70D3JNNvUUNdzsH

http://www.2doc.nl/documentaires/2020/03/wij-zijn-de-rivier.html

.

Natuurherstel van binnenuit

.

.

Liever luisteren? klik op de knop onderaan.

“Nederlanders zijn geweldig met natuur!” zegt David Attenborough in een wat ouder artikel. Met open mond lees ik zijn uitspraak. Waar haalt hij dát nou vandaan? Ik wil de tijd nemen om de rest te lezen, schenk een kop thee in en ga weer zitten. Ik lees al snel waarom hij in deze hersenkronkel verzeild is geraakt. Eigenlijk is het vrij logisch, vanuit hem gezien. De Nederlanders geven het meeste uit aan natuurorganisaties. Dat is het dus. Tja, wat weet hij er nou van. Hoe wij hier in een spagaat liggen tussen wat we zouden willen en wat het is. Onze natuur gaat hard achteruit, maar we zijn de beste donateurs. Je zou het de natuurparadox van de Nederlanders kunnen noemen.

We willen wel groen, maar dan niet de rommel ervan, en niet teveel werk. Grote wooncoöporaties vertalen dat als: “Mensen willen het netjes hebben om het huis”. Die norm is de bijl waar men mee hakt, en het wordt strak en rigide uitgevoerd. Is er dan eens een huurder met groene vingers, dan worden die vingers eerder afgehakt dan gestimuleerd. Zodra de huurder vertrekt wordt het grootste gedeelte van zijn werk met de grond gelijk gemaakt. Een enkele coöperatie doet het wel, huizen met een basistuin aanbieden. Een grasperk. Of een tegelplaats met één boompje. Het is een begin, maar toch vrij karig. Het trieste gevolg is nog altijd, dat vijftig procent van de stadstuinen betegeld is.

Ook op het platteland is de toestand schrijnend. Ouderen weten nog hoe het was, de elzenhagen in Brabant, de greppels in het Noorden, de vele vogels en bloemen in de wei. In de boeken van Thijssen kun je landschappen zien waar je stijl van achterover slaat. Er is in vijftig jaar verschrikkelijk veel veranderd. “Tja, zo is het nou eenmaal. Er moet brood op de plank komen.” Met het hoofd tussen de schouders fietst hij door, de man die het graag anders zou zien. De aardappels die er moeten groeien zijn voor de export. Als het vakantie is, vlucht men massaal het land uit, naar landen waar nog wél natuur is.

Hij is niet de enige, die zijn gevoel van verlies onder het kleed stopt. Is het daarom, waarom we zoveel geld doneren? Het klinkt logisch. We zijn bang dat alle natuur om zeep wordt geholpen, omdat dit het is, wat we om ons heen zien gebeuren. Maar geld is maar geld. Daarmee heb je de natuur nog niet terug. En zeker niet in je eigen, wilde zelf. Want om je heen verandert er nog steeds niks. Zowat elke stedeling haast zich om zijn afspraken na te komen, kinderen weg te brengen en op te halen, het huis schoon te houden. De stress stapelt zich op, en door de stress kan je niet meer helder zien wat van wezenlijk belang is.

Bomen brengen ontspanning. Als er een referendum is over de inrichting van een stadsdeel, dan kiest men massaal voor de groene oplossing. Het is dus helemaal niet zo, dat mensen een kale omgeving willen. Tegeltuintjes zijn een noodoplossing, ontstaan vanuit een zieke wereld, die te ver is doorgedraaid. In feite is zijn dit symptomen daarvan. Gezonde mensen helpen bij de genezing. Ze werken creatief mee met de natuur, in plaats van er tegen in. Stress maakt dat creatieve denken echter onmogelijk. Maar al te makkelijk schiet de stedeling opnieuw de auto in, om kilometers verder uit te stappen aan zee, of in een natuurgebied. Zelfs al staat hij ervoor in de file. Dat kan anders. En de noodzaak om dat ook te doen, wordt steeds groter.

Dus schrappen wat onnodig vermoeit is een eerste stap. Als dit gepaard gaat met emoties, dan moeten die worden verwerkt. Mensen zoeken de natuur op, om dat te doen. Dat kan natuurlijk, om te beginnen. Maar met een fijne eigen tuin in een groene buurt, dan hoef je straks niet meer te vluchten, om tot jezelf te komen. Thuis wordt dan een heerlijke plek.

Stel dat de hele stad vergroenen zou, hoeveel gelukkiger zouden we dan zijn! Dat bomen en planten ons beter kunnen maken, dat is zelfs bewezen.

Het begint bij rust, de rust om het te zien. Dromen van je eigen plek in de wereld. Proeven aan het wilde in jezelf, dat er nog altijd is. Een plensbui op je blote huid. Keihard fietsen tegen de wind in en dan je jas wijd open slaan als een zeiltje, om je terug te laten blazen. Modder die tussen je tenen doorsijpelt. Voelen hoe een worm in je handpalm kronkelt en het laten zien aan de kinderen. Klimmen in een boom en luisteren naar wat je hoort. Natuurherstel van binnenuit. Hoe dichter bij de groene wereld, hoe gezonder we zijn. Natuurherstel van binnenuit.

Dit is een verkorte versie van een stuk uit mijn boek

Het lage land van ooit.

Hoe was het voor er mensen kwamen en hoe het verder ging. Bewegingen van water en land maken de verbeelding los.

.

Noordzeestrand van schier

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik woon op de bodem van de Oude Middelzee in Friesland. Het lijkt wel of het deel uitmaakt van mijn lot. Leven op nieuwe bodems met een verborgen geschiedenis. Herinneringen die niet meer zichtbaar zijn, die steeds dieper onder onze voeten liggen. Ik heb van jongs af aan een honger, naar die verhalen. Dat is nooit verdwenen.

De bodem van de Middelzee. Het land is recht en vrij kaal. Alles wat er is, wordt ontworpen en als het niet ontworpen is, wordt het met kritisch oog bekeken. Het water is verdreven en alles wat de aarde zich herinnert, is opgeslagen in de grond. In de grond ligt de wilde geschiedenis, toen de aarde nog van zichzelf was. Laag voor laag vertelt zij het verhaal. Ik luister en vertel. Want ver voor de Middelzee werd ingepolderd, was dit ook al land.

Waar nu de Noordzee ligt, daar is het land waar de eerste mensen hun thuis vinden, een miljoen jaar geleden. Grote ijskappen zorgen ervoor dat een groot gebied droog valt. Het duurt duizenden jaren. Het wordt weer warmer en tussen de ijsvlakten ontstaat een groeiend ijsmeer. De rivieren vullen zich en er zwemmen zelfs nijlpaarden.
Maar dan wordt het opnieuw kouder. Halverwege de laatste ijstijd, zo’n 50.000 jaar geleden is er nog steeds geen Zuiderzee en ook geen Middelzee. Waar nu de Noordzee ligt, zie je een open landschap tot aan de horizon. Doggerland, noemen we het nu, naar de Doggerbank, het laatste wat ervan is overgebleven, een ondiepte in de zee. Het is bar koud in Doggerland, in de winter, Engeland en Scandinavië zijn in die tijd geheel bedekt door ijskappen en ook Canada. De drie grote rivieren slingeren zich vrij door de toendra heen. Verspreid in het land weerspiegelen plassen regenwater de blauwe lucht. In de winter zijn de plassen bevroren en de grassen en kruiden zijn bruin en dor. Maar in de lente komt alles tot bloei. Vogels keren terug en broeden er. Het land begint opnieuw te leven en de grote kuddes rendieren zijn van verre te zien. Tussen de lage struiken en bosjes liggen hun pasgeboren jongen tot ze sterk genoeg zijn om mee te rennen, de vlakte op. De Neanderthalers staan vroeg op, om te jagen. Ze hebben geen gebrek aan vlees.

.

Tundra bei Dudinka am Jenissej in Sibirien

Het ijs begint te smelten, in Scandinavië, op Engeland en in Canada ook. De zeespiegel stijgt. Mens en dier trekken zich steeds verder terug. Het water kabbelt, kolkt, en borrelt in geulen en holten. Water komt en gaat, de getijden hebben vrij spel in een breed gastvrij gebied, dat de aarde versterkt en beschermt. Verderop vormen zich veengebieden, die als een spons het regenwater opzuigen en loslaten als het nodig is. Alles ademt en leeft zoals het bedoeld is. De aarde is in haar element. De Waddenzee vormt zich, veel groter dan wat het nu is. Kreken en kwelders krioelen van leven en overal zijn vogels. Het zijn zwermen zo groot als we ons nu nauwelijks meer kunnen voorstellen. Toch probeer ik het. Ik stel me voor, hoe het was. Want dat is het begin van een scheppingsproces. Daarom vertel ik dit verhaal. Want het begint bij de herinnering.

Zo’n 5000 jaar geleden verdween het laatste stukje van Doggerland. Nu is het niet meer dan een zandbank onder de oppervlakte. In diezelfde tijd dat het laatste eilandje van Doggerland verdween, werd het Friese land bewoond door de eerste mensen. Er zijn vondsten gedaan uit de steentijd, grafheuvels en hunebedden, die daarop wijzen. Net als in Drenthe. Alleen de Friezen waren praktisch, zij verpulverden de stenen om er paden van te maken. Toch zijn er nog bijzondere dingen gevonden, en vooral in de buurt van Gaasterland. Het Noorden van het land was in die tijd nog steeds van de zee. Waar nu de Friese weiden zijn, daar stroomden kreken en kwelders. Het water kende geen beperking en kon zich tijdloos overgeven aan het ritme van eb en vloed. Duizenden jaren lang duurde dit. Tot de mensen zich steeds verder ontwikkelden.

Zo’n 500 jaar voor Christus begonnen de Friezen terpen te bouwen. Heuvels gemaakt van plaggen, soms met een heel dorp erop. Het waren praktische mensen, dat moest ook wel als je zo lang bij elkaar zit, en geen kant uit kan. Water verzamelden ze in regentonnen bij de deur. Ze aten vissen, als het water zich terugtrok, konden ze ze soms met de handen vangen. Als het land droog was, werd er voedsel verbouwd op de kwelderruggen. Honderden jaren hielden ze het vol. Ze pasten zich aan aan het levenbarende ritme van de aarde. Maar het was niet genoeg. Hun band met de zee werd doorgehakt. In plaats van te leven mét de zee, werd er actie ondernomen tégen het water, de golven en de vloed. Uiteindelijk koos men dus voor het gemak, al moest daar eerst hard voor gewerkt worden. Met hun leren laarzen aan, baggerden vele mannen in de zompige zeeklei. Zo werden in de Middeleeuwen de eerste dijken aangelegd.

Ook de Middelzee, de bodem waar ik nu op woon, is het gevolg van die eerste dijken. Het land is achthonderd jaar oud. De Friezen zijn gehecht aan het open landschap, waar de zee ooit huisde. Het moet open blijven. Maar er is iets anders wat ondertussen knaagt. Het is de zee, die geen vrij spel meer heeft. Honderden jaren zagen de Noordelijke Friezen het komen en gaan, de vogels, de vissen die er leefden. Maar de plassen, de kwelders, de kreken, ze zijn niet meer. Scherpe grenzen beperken de doorstroom, als stolsels in de bloedvaten. Het lichaam van de aarde kan niet meer vrij ademen, de vloed botst tegen dijken en muren, de eb kan zich niet meer terugtrekken. Ook vogels kunnen niet leven een landschap dat steeds leger wordt, steeds stiller. Verdwenen is het geborrel en gepruttel van bewegend water. De muggen die er dansten, de vissen die er zwommen. Het land wordt droog gepompt en uitgemolken. Alles is strak en zakelijk.

.

Het Verhalenpad.

Als ik nu mijn heesters plant, komt er een beeld bij me op. Ik denk er niet eens over na, het is er gewoon. Ik zie het voor me, het land van toen, de kreken, de kwelders. De rommelige bosjes van heesters. Ik graaf en steek, dikke kluiten gras, en stapel ze weer op. Opnieuw ontstaat het landschap, zoals het ooit moet zijn geweest, vol holtes en sleuven. In de winter regent het allemaal vol. De geulen en kuilen staan vol water. Op de hogere delen plant ik meidoorns en elzen, zodat hun wortels niet langdurig nat staan. Op de allerhoogste bult kunnen zelfs walnoten staan, voor ons eigen belang. Een investering in de toekomst. Maar het meest van wat ik doe, is ter dienste van het land. De aarde, zodat die kan meebewegen met de seizoenen. De aarde zelf is mij dierbaarder dan wat dan ook. Al is het maar een postzegel, ik voel de dankbaarheid die ze geeft. Alles is van waarde. Elke scheppende verhaal, dat luistert naar oude herinneringen. De oeroude adem. Bewegen met het ritme. Ik beweeg mee. En schep.

.

Doggerland, Wikipedia.

.

.

.

Bronnen: Wikipedia, Tressoar, Hoe god verdween uit Jorwerd, e.a.