Het nieuwe jaar biedt ons nieuwe hoop. Licht gloort aan de horizon. Dit jaar zullen alle mensen tot inzicht komen dat geweld geweld oproept. Dat alles wat ze een ander aandoen, op een dag dubbel en dwars tegen hen zal keren. Na een blikseminslag uit de kosmos zullen wereldleiders zeven weken wakker liggen en om dan eendrachtig te verklaren dat vrede de enige oplossing is. Puin wordt geruimd, gekwetsten krijgen zorg. Inheemse volkeren krijgen eindelijk de waardering die ze verdienen. Het Amazonewoud wordt gered. De mijnaktiviteiten worden gestopt, de illegale ontbossing neemt een keer. Elke wereldbewoner vindt vrienden en buren naast zich en hoeft nooit meer weg omdat het klokje thuis tikt zoals het nergens tikt. Het aantal wereldbewegingen neemt af en de olieconcerns besluiten dan ook dat het geen zin meer heeft om door te gaan met de fossiele brandstoffen. Lokale handel floreert, en de kringloopeconomie komt volledig op gang. De ziekenhuizen lopen leeg en de buurthuizen lopen vol. Er wordt gezongen en gezaaid. Niemand fietst nog met doppen in zijn oren en mensen groeten elkaar op straat. Het spitsuur is zo gezellig dat iedereen te laat op zijn werk is, en omdat iedereen meedoet, vindt niemand het erg. Rozen zullen weer geuren, bijen zullen zoemen. Alles wat zich terugtrok in zichzelf, opent zich. De hele schepping heelt. Een gelukkig 2024!
De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.
.
Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.
Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.
Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”
Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.
Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.
Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit. Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.
Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes. Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd. Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.
Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!
Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!
(Een bekend Perzisch spreekwoord.)
Luisteren? Klik hier.
Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.
Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029
De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.
Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?
De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?
Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.
Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.
Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.
Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.
Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.
Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.
Alles eindigt en begint de één verliest de ander wint de bal gaat naar de overkant waar hij in de sloot belandt
Hé wat draag je op je rug leg het weg en kom weer terug haal adem en blijf heel stil staan want straks komt de bal er weer aan
We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.
.
Voorbij het persoonlijke
Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren. Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig. “Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.” Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?” “Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze. “Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar. “Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.” Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.
Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.
We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.
“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.
Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.
De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.
We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.
Luister nog even naar het liedje aan het einde:
Ik ben waar ik ben en ik denk aan jou Ik weet niet of ik je ken of wat ik zeggen zou Maar ik geef de boodschap door Aan een ander luist’rend oor.
Ze weten niet hoe het was. Hoe het was, voor ze kwamen, de mensen. Drie grote tenten staan er, op het meest geliefde veldje van de hele streek. Het veld is maar klein maar het is een wild heiligdom, met de oude wilg aan het water. Het is geliefd, bij mensen en dieren. Het is omringd door bomen, maar je kunt tussen de stammen door kijken naar wat erachter ligt. Het ligt iets hoger ten opzichte van de weilanden. Als deze plek weer zee werd, dan was het mogelijk een eilandje. Zo heet het ook, “De Pôlle” is eiland in het Fries. Dorpelingen komen er graag even zwemmen. Heel even, er in en er uit. Ook sommige kampeerders doen het zo. Kleine tentjes, stil genieten. Die respectvolle bezoekjes vol stille bewondering, daar geniet ik van, evenveel als van de torenvalk. Die had zijn nest in de hoge populieren, aan de andere kant van het grote veld. Ik hoorde de jongen schreeuwen, heel hard. Kikikikikiki! Prachtig. Ze hebben heel wat muizen opgegeten en ze jaagden de kraaien weg.
Even bijzonder zijn de kramsvogels. Tot een week geleden waren ze er nog steeds. Je ziet ze niet meteen, maar je hoort ze. En als je dan opkijkt, vliegen ze op als een zwerm en zoeken hun toevlucht in dezelfde rij populieren als de torenvalk. Het is een stille hoek, waar niemand komt. In de vroege ochtendstond kijk ik lang uit het raam. Ik wacht met naar buiten gaan, want alles is vol leven, in de lente. De hazen lopen vlak langs mijn raam naar de Pôlle en verdwijnen onder de grote omgevallen wilg, met zijn gescheurde stam. Uit die liggende stam schiet een heel wilgenbos omhoog. Er fluiten vinken, karekieten en steeds weer hoor je het winterkoninkje. Er zitten houtduiven en andere vogels die het landschap even rustig willen bekijken zonder opgejaagd te worden.
En nu staan er die drie grote tenten. Het veld is helemaal vol en het lange gras vol fluitekruid en paarse dovenetel is plat. Verderop, op de weide, zijn drie, soms vier auto’s geparkeerd. Al op de eerste dag zijn de kramsvogels verdwenen. Ook de torenvalk kiest kennelijk het hazenpad, net als de hazen zelf. Ik hoor ze niet meer en zie ze niet meer. Maar de mensen genieten van de barbecue, en de kinderen kunnen lekker varen en ravotten in het veld. De merels fluiten in de vroege ochtend, vlak naast hun tent. Die laten zich niet wegjagen. Stil liggen de mensen in hun tenten. Ademloos liggen ze te luisteren, bij het ontwaken. Dat is het beste moment.
Het is heel gewoon. Iedereen doet het, op vakantie gaan. Of fijn met de hele familie of vriendengroep eropuit. Soms ook alleen, naar een ver eiland barstensvol natuur. Je huurt een auto of een scooter en scheurt het hele gebied af. De natuur is heerlijk om in weg te vluchten, om op adem te komen. Je komt aan op een romantisch plekje en je denkt: “Zo is het hier dus.” Maar je weet niet hoe het was voordat je kwam. Je weet niet welke dieren gevlucht zijn omdat jij hier nu bent. Vakantie breekt de sleur. Maar het breekt ook iets anders, en dat is een levende gemeenschap die daar rustig zijn gang ging. Welke paden heb je zonder te weten doorkruist? Je denkt misschien dat je de plek kent, wellicht kom je er elk jaar. Maar je bent en blijft een gast, die eigenlijk maar heel weinig weet.
Het waren best aardige mensen. Toch haal ik opgelucht adem, nu de rust is wedergekeerd. Om mijn huis scharrelen de eenden weer en merels trekken wormen uit de natte bodem. Maar de torenvalken zijn na vier dagen nog steeds niet terug, en ook de kramsvogels niet. Misschien wilden ze toch al weggaan, en was dit wel een goede reden. Misschien komen ze nog terug. De kraaien hebben de plek van de torenvalken weer ingenomen. De hazen hebben zich teruggetrokken in de meest verre rietkragen. Stil sta ik voor het raam en kijk naar buiten. Ook ik ben een passant, te gast op aarde.
.
.
PS: Nog steeds denk ik wel eens aan de rondvaarten die ik vroeger deed. Dat was toch wel heel sympathiek, ook voor de natuur. Heel rustig laat je de mensen alles zien. Versiering met ballonnen daar doen we niet aan en ook harde muziek niet. Alleen akoestisch. De dieren schrikken niet meer, ze kennen de boot. Op het land blijft het rustig. Alles kan gewoon zijn gang gaan. Je houdt de mensen dichtbij elkaar. Je hebt een korte inspirerende ontmoeting, drinkt thee op het terras en dan gaan ze weer. De parkeerplaats is helemaal aan het begin, vlak naast de theetent. De mensen hoeven niet meer helemaal het terrein op. Er is plaats voor zestien auto’s en er staat een hoge heg omheen. Zo zie ik het voor me. Dit zou ik nog steeds liever doen dan een camping runnen. Dit, met mijn schippersverleden in gedachten. Maar ja, ik ben hier te gast!
.
NEDERLANDS
ENGELS
A group arrives at a beautifull wild place, with big tents. With so many stuff, do you still enjoy what lives there? I realize again, we are guests on earth. The simpler you live, the more you see.
Een Friese weidehaag, bestaat dat?Menige Fries wil het weideland open houden. En toch zijn er die een haag planten, richting huis of melkstal. Goed voor ’t vee en de bodem. Een Friese weidehaag, kan dat? Ik praat en peins bij mijn eigen Verhalenpad: Een boeiend experiment.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
“Onder de bomen is het gras hoger,” merkt boer Jochum op. We staan bij het weiland, dat grenst aan het Verhalenpad, de lange strook van honderd meter waar ik een struikhaag plantte. Tussen ons en het pad is een sloot. In die sloot ligt mijn zonnepomp. Het water loopt almaar door en vult de greppel, die in de hele lengte loopt, naast de jonge aanplant. Het wordt al best groot. Je zou niet zeggen dat ik hier nog maar twee jaar bezig ben. Ik hoop dat de bodem er steeds beter gaat worden. Boer Jochum kijkt nog steeds naar het gras. Mijn reactie komt wat traag. “Dat komt door het bodemleven” zeg ik “Daarom is het hoger. Er komt een uitgebreide gemeenschap aan bacteriën en schimmels die de groei ondersteunen.” Het is interessante kost, vind ik. “Zou kunnen,” zegt de boer, die er zich nog niet zo in heeft verdiept. Maar hij merkt het wel op. Ja, een haag is goed voor de bodem. Maar toch zit het er diep in. Het Friese weidelandschap moet vooral open blijven. Sommigen zeggen dat het altijd al zo geweest is, anderen zeggen dat het nu wel extreem kaal is, vergeleken bij de tijd van hun jeugd. Er zijn er die blij zijn met wat ik doe, maar anderen schrikken zich het leplazarus als ik zeg dat ik bomen plant. “Wat is dit toch een fijne plek!” zeg ik tegen Jochum. “Een echte oase. Ik geniet ervan om hier iets te laten groeien. Ik kwam laatst een jongen tegen die dacht er heel anders over. Hij zei: Jij dacht, ik ga eens naar Friesland om bomen te planten! Het is veel te kaal daar, dacht je zeker. Nou succes! Dat zei hij, een jonge vent was het met een ironische grijns op zijn gezicht.” De boer lacht, kort en bondig.
.
Friese schapenwei
Ik heb niet de ambitie om de Friezen tot bos te bekeren, zoals de milieuactivist George Monbiot misschien. Die meent dat dat gedoe om de grutto hier te houden maar een sentimentele obsessie is. Hoe meer bos hoe beter voor de aarde, vindt hij. Maar dan ken je de Friezen niet. Er is een sterke band tussen de weidevogels en de Friezen en veel historisch besef. Maar kan je altijd blijven vasthouden aan wat was? Of moeten we mee veranderen? Het klimaat en de bodem geven steeds dringender aan dat het anders moet. “Door bomen en struiken krijg je betere grond, doordat er meer beestjes zijn,” ga ik verder tegen de boer. “Op het hoekje bij de buurman lag een berg schors en zaagsel. Het lag er al een jaar. Ik heb wel eens gedacht om het mee te nemen, mooi voor onder de bessen. De vermolmde houtresten vielen in mijn hand uit elkaar. Prachtig spul. Maar meteen schoten er een paar duizendpoten weg. Die moeten ook ergens wonen. Dit moest maar blijven liggen, vond ik. Er ligt al zo weinig voor ze. Maar deze week was het hoopje ineens weg! Opgeruimd. Waarom?” Jochum haalt zijn schouders op. Ik kijk naar de grote man naast me, grijs en gebonden aan het land van zijn ouders.. “Ik ben blij dat het hier niet zo opgeruimd is. Gezonde rommel maakt juist levendig!” lach ik naar hem. Boer Jochum grijnst. “Ja, we moeten wel genoeg laten liggen!” Hij staat even te peinzen. Dan keert hij zich abrupt om. Er is nog veel te doen.
De WUR zegt (Wageningen research): Bomen hebben een grote invloed op de bodemstructuur en de bodemvruchtbaarheid door bladval en doorworteling. Dit heeft weer een positief effect op het bodemleven die de nutriëntenkringloop en afbraak van organisch materiaal beheren. Bij bomen (en hagen) worden hierdoor vaker meer verschilllende soorten van pissebedden, duizendpoten, regenwormen, bodemschimmels en meer micro biotische activiteit gevonden” aldus de Factsheet Agroforestry. Het is ook de WUR die vlak naast mijn vorige woonstek, Frijlân, een project begint met agro forestry. Ik volg het met interesse.
.
De bult bij het Verhalenpad.
.
Ik loop verder naar het Verhalenpad. Elke dag ga ik even kijken. Controleer de plekken waar ik zaad strooide en trek een groepje brandnetels uit. Behalve als er rupsen of spinnetjes inzitten, dan laat ik het staan. Mijn aanplant is bijzonder in dit weidse land. Hier in het Friese weidegebied willen ze meestal geen grote bomen en houtwallen, al is het maar een laag bosje, zoals het mijne. Mijn buurman de Greppelkenner, vindt dat ook. Hij heeft een enorme passie voor het uitgestrekte golvende land, wat helaas bijna overal is geëgaliseerd. Toch volgt hij de groei van Verhalenpad met interesse. Misschien is er schrik voor al te veel aanplant. Maar we hoeven hier niet alles vol te planten. Wat een werk, alleen al! Nee, weinig is al genoeg. Een lage heg, of hier en daar wat wilgen en elzen, dat doet al heel wat. Er zijn boeren die voederhagen planten, langs het pad naar de melkstal. Kunnen de koeien er hier en daar wat aan knabbelen. Vlak bij de boerderij kan dat prima, zonder het karakter van het land al te veel aan te tasten. Soms liggen er lammetjes onder te schuilen, tegen de harde wind. Ik juich dat toe.
Een Friese weidehaag, bestaat dat? Ik wandel langs het plekje, waar munt groeit onder een kleine hazelaar. Watermunt. Er groeit spontaan een pol blauw gras naast. Er zitten salamanders. Hoe meer er bloeit hoe meer er leeft. Het Verhalenpad groeit en de wereld verandert. De tijd zal het leren, wat er mogelijk is. Maar ik geloof erin.
.
Lieve bodem, groei! (Dear bottom, grow!)
.
NEDERLANDS:
ENGELS:
Many Frisians want to keep the pastureland open. And yet there are those who plant a hedge towards their home or parlour. Good for livestock and the soil. A Frisian meadow hedge, is that possible? I talk and ponder at my own Story Path: A fascinating experiment.
Een gepensioneerde onderwijzeres komt langs wanneer ik onkruid wied. En terwijl ze toekijkt, ruk ik nou net de enige plant uit die ze bij naam kent.
.
Witte dovenetel, hondsdraf, speenkruid, en paardebloemen en meer.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Het is de eerste lentedag. Vannacht heeft het geregend, dikke druppels. En nu ik verbaasd de eerste stappen naar buiten doe, is de wereld omhuld in een zachte sluier van mist. De zon schijnt met een geel licht boven de horizon. De koude wind van de afgelopen dagen is helemaal gaan liggen en de vogels fluiten dat het een lieve lust is. Opgetogen kijk ik om me heen. Dit wordt een groeizame dag! Op de grote weg is het verkeer al helemaal op gang en de mist draagt het geluid ver. Maar dat kan mijn plezier niet bederven. Ik loop alle hoeken en veldjes af waar ik gezaaid heb. Langs het verhalenpad komen overal de eerste kiemen op van de twaalfjarige luzerne. In de zwarte grond staan overal rietstengels gestoken, om ze te beschermen tegen merels en muizen. Een begin maken, daar is veel geduld voor nodig. Dat weet ik inmiddels wel, op mijn acht-en-vijftigste.
Langs de onverharde weg is, wat ik noem, de Stenentuin. Een berg zand en puin zorgt voor een ideale plek voor bloemen en steenhommels. Voor het derde jaar is dit één van mijn groeiende paradijsjes. Ik hurk om een paar brandnetels tussen de dovenetels weg te halen en wat pollen gras. Verderop trek ik beginnend kleefkruid weg en een paar grote klissen. Ze zijn nu nog klein, maar het worden enorme planten. Maar wel heel mooi! De klissen mogen achterin, bij de greppel, onder de bomen. Fijn voor de bijen en vlinders,straks. Het kleefkruid mag bovenop de berg zijn gang gaan, daar kan het via de takken de boom in groeien. Het wordt een groen gordijn met miniscule witte bloemetjes. Alles heeft zijn plek en zijn charme. Balancerend op een steen kijk ik om me heen of ik nog iets nieuws zie. Dan zie ik iemand uit het dorp aankomen. Het is Marina. Ik weet dat ze vroeger onderwijzeres is geweest in Rotterdam. Nu is ze met pensioen en is ze verhuisd naar het Friese platteland. “Hallo!” roep ik vrolijk. “Heb je dit hoekje al bewonderd? Ik heb er maar een touwtje voor gespannen, anders zien de mensen niet dat het iets is. Zonde als er auto’s overheen rijden.” Ze staat stil. “Wat staat er al een hoop hè?” zeg ik enthousiast. “Ik houd het goed bij. Anders had je hier alleen maar brandnetels gezien!” Ik kijk naar de collage van paars, geel, groen en wit. “Ja” zegt ze, zonder mijn enthousiasme te delen. Ze tuurt naar iets herkenbaars in de wilde massa. “Fluitekruid” constateert ze dan, blij dat ze er eentje bij naam weet. Het is een hele hoge. Bloeit nog niet, maar hij staat midden tussen de dovenetel en spreidt zijn groene bladeren ver uit. “Die trek ik weg” zeg ik, en ik ruk het met blad en al eraf. Verontwaardigd kijkt ze hoe ik de afgerukte bladeren naar achteren gooi. Nu heb ik haar enige honk van houvast ontnomen. “Waarom??” zegt ze fel. Ik lach haar vriendelijk toe. “Fluitekruid, daar hebben we hier zoveel van! Alles is er mee bezaaid. Maar dit is een bijzonder plekje, op de stenenberg. Een ideale plek voor een bloemenparadijs. Nu zijn er de dovenetels. Witte. En er komen ook een paar kleine paarse, zie je? En in die berg puin daar woon een steenhommel. Die haalt hier zijn nectar uit.” Nog steeds balancerend op mijn steen sta ik te wijzen, blij dat er eens iemand meekijkt. Ik kijk om, om haar reactie te zien. Maar ze is al doorgelopen, trots rechtop. Ik praat tegen dovemansoren. Denkt ze dat ik een weet-al ben? Wat maakt mij het uit of je weet hoe het heet. Fluitekruid of dovenetel. Ik houd ervan om onder die groene blaadjes ineens al die witte bloemetjes te zien. En dat daar dan een dikke hommel rond zoemt. Misschien zag ze ze wel niet, die bloempjes. Veel mensen zien alleen de blaadjes, en die lijken erg op die van de brandnetel. Biodiversiteit omarmen is vooral houden van wat je ziet, en het leuk vinden om daar onderscheid in te maken. Dan hoef je de naam nog niet eens te weten. Als je alles bij naam wilt kunnen noemen, dan wordt het leven pas zwaar. Je zou nog een hekel aan krijgen aan een berm vol groeiende verscheidenheid. Want dan kom je erachter dat je helemaal niet veel weet.
.
Paarse dovenetel
Marina loopt nu bij de grote oude wilg. “Daar staat een heel veld van die paarse onder,” roep ik. Ze kijkt even opzij. “Ja heel mooi,” zegt ze braaf en haar blik gaat richting de rietkraag. “En daar groeit vergeetmijniet!” Blij dat ze nog iets herkent. Het lilablauw is duidelijk te zien, een heel klein polletje is het. Ik had hem al gezien. Hier tussen de stenen staan er sinds kort een hele massa, maar die bloeien nog niet, want die staan in de schaduw. Ik was blij verrast, toen ik gisteren de blaadjes herkende. Twee jaar selectief wieden werpt zijn vruchten af. “Hier ook vergeetmijnieten! Heel veel!” roep ik, nog steeds verheugd, maar de vrouw heeft mij definitief haar rug toegekeerd. Ik had natuurlijk moeten zeggen: “Goh ja, echt?” In plaats van er nog veel meer aan te wijzen. Dat is niet didactisch verantwoord. Zeker niet voor een juf met pensioen, die nog nauwelijks onderscheid ziet, in de weelde van de wildernis.
Ik ga weer op mijn hurken zitten. Er wriemelt wat. Een pissebed zoekt een schuilplek. Ik heb zijn graspol uitgetrokken en nou is hij dakloos. Gauw leg ik een stuk schors over hem heen. Er zijn miljarden beestjes en bloemen. Stel je voor dat je die allemaal moet zien en bij naam kennen. Dan zou je subiet een tegelplaats aanleggen. Ik begrijp het best, die biodiversiteitsstress. Alles stap voor stap.
.
Ook in de mist kun je alles wat je weet vergeten en je laten betoveren door het niets.
.
NEDERLANDS:
ENGELS:
A retired school teacher comes by when I’m weeding. And as he watches, I rip out the only plant she knows by name.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Elke lente nadert het moment waar ik naar uitzie. De onthulling van het heiligdom. De heilige erker in de nok, het mooiste plekje van mijn huis. Dit is het meest verstilde hoekje, als slotakkoord van een zwaar proces. Want zwaar was het, het bouwen van de woonwagen. Maar vol inspiratie. Het kreeg alles. Het werd stoer en lieflijk tegelijk. De engelenvleugels bij mijn deur ontvangen me nog steeds elke dag met warmte. Maar het meest bijzonder werd dit. Een heilig erker in de nok. Aan het einde van het daklicht, daar zit het. Een klein glas in loodraam. De rode bol, in vieren gedeeld, als symbool van de Aarde. De steel en het blad eronder als het groeien. En dan, bovenop de rode bol, de kelk die zich opent naar de kosmos. Het heldere blauw omringt alles. Ik heb het de hele winter niet gezien. In de erker zit een prop schapenwol, want in de winter tocht het. Die mag er straks uit. Dat is de onthulling. Als het warmer wordt. Als de lente doorbreekt mag het symbool weer stralen. Maar tijdens het wachten daarop, gebeurde er iets bijzonders.
Soms komt er een beeld langs, dat een kettingreactie veroorzaakt. Zo ging het mij toen ik een klassiek schilderij zag, waarin God verbeeld werd als een zwarte vrouw. Nu heb ik een gereformeerde opvoeding gehad, maar ben in mijn pubertijd geïnteresseerd geraakt in andere culturen en religies. Het soefisme uit India, het boedhisme uit Tibet, het animisme van natuurvolkeren, de Droomtijd van de Aborigionals, de dichter Tagore. . . Nooit heb ik me het me echt eigen kunnen maken, het geloof waar ik mee opgroeide. Er ontbrak iets. Dit schilderij, met God als zwarte vrouw deed me wat en onmiddellijk ging ik op zoek. Ik tikte twee woorden in. “God” en “Vrouw”.
Er is een heel oude versie van Genesis, gevonden in Alexandrië. Maar de eerste woorden zijn anders. Het is een klein verschil. Wat kan dat uitmaken! “In den Beginne schiep God de hemel en de Aarde.“ Zo kennen we het. Maar wat staat er hier? “Met Begin schiep God …”. Met? Een andere aanwezigheid! Wat voor kracht speelde er nog meer mee, dat hier Begin genoemd werd? Het gaat hier om de vrouwelijke oerkracht. Het is de robuuste kiem van alles! Precies wat ik altijd gemist heb. Het verhaal gaat verder. Het was de zesde dag. En ze zagen dat het goed was en rustten op de zevende. Niet om zich voor altijd terug te trekken, nee ze bleven deel uitmaken van de schepping. Vooral Sophia, de Moederschepper bleef als oerkracht, midden in de schepping staan. De mensen hielden van haar en vereerden haar. Haar vruchtbaarheid was heilig. Je kan het terugzien in talloze Venusbeeldjes, die we pas nu beginnen te begrijpen. De vrouwelijke oerkracht is net zo heilig als de hemel met de engelen. Heilig waren ook de koeien in India en de katten in Egypte. Heilig was het woud en het water. Maar Pan Sophia raakte steeds meer vergeten en verguisd. De God als Heer bleef en werd steeds groter, in onze Westerse wereld. Tot nu.
Maar ook de Geest was heilig. Niet alleen de goede geest, maar ook de geest die overheersen kon en alles in abstractie ging vertalen. Heilig werd het intellect. God werd buiten de schepping gezet, aan de rand van het heelal. “Ik denk dus ik besta.” Een vloek en een zegen was het. Voorname mannen namen het voortouw. Heilig werd de wetenschap en alles wat daaruit voortkwam. De machine, de tractor en de auto. Heilig werd het geld. Het vliegtuig en de bank. De techniek die almaar sneller gaat. Een wereld overheerst door geobsedeerde mannen raakt zijn heiligheid kwijt. Waar is Moeder Schepper? We hebben haar nodig! En verdraaid, ze is er nog. Natuurlijk. Want zonder haar leefden we niet. We moeten terug. Herinneren wat was. Dus dit is mijn heilige symbool, dat zijn plek heeft in de nok van mijn huis. De heilige erker dat ik binnenkort opnieuw onthullen mag. In zijn geheel herinnert het aan Pan Sophia, de oerkracht, Moeder schepper. Maar dat niet alleen. Het eindeloze blauw is als de Vaderlijke hemel die haar omgeeft. Ze zijn verbonden met elkaar. Net als in de I Tjing. Het zijn de twee krachten die onze schepping belichamen, in allerlei vormen, niet óf het één óf het ander, maar als een verbondenheid van beide. Ook ik heb het allebei. Het mannelijke is de geest, het denken, de expansie. Het vrouwelijke is de kiem, het groeien, de explosie van cellen. Het is het wortelen en zorgen voor wat er is.
Erop uit gaan is stoer. Stoer doen trekt de aandacht. “Al die willen te kaper varen, moeten mannen met baarden zijn.” Echte mannen vangen walvissen en ontdekken nieuwe werelden. Het is ook stoer om een vrouw met ballen te zijn. Om je eigen huis te bouwen, erop uit te gaan, te reizen en daarover een boek te schrijven. Steeds weer vragen mensen mij “Wanneer ga je weer?” of “Wat ga je hierna doen?” Zelfs de beste interviewers, vooral mannen, vroegen me dat. Elke keer opnieuw werd ik in beeld gezet als de vrouw die het hele land afreist met haar wagen. Dat is niet zo, het was Friesland dat mij trok. Ik wilde wortelen. En mijn antwoord is nu steeds hetzelfde. “Ik ga niet zomaar weg. Ik laat iets groeien hier.” Toch komt dat antwoord vaak niet aan. Dat zie ik aan de wezenloze blik van de vragensteller. Toch is het dat, waar het mij om gaat. Het heilige dat wortels nodig heeft om te kunnen groeien. Het heiligdom in de nok herinnert mij. Van begin af aan heeft het zijn plek gehad. Ik wist: De reis is alleen een manier om aandacht te trekken. Aandacht voor de stille, maar o zo krachtige vrouwelijke pit. Het is moeilijk om aandacht te krijgen voor het verborgene, voor de veel langzamere kracht, die de basis is van alle leven. Alles wat snel gaat en beweegt, dat trekt. Maar de stille kiem, het contact met de heilige oerkracht raken we kwijt, in al de herrie die we maken. Daarom is het belangrijk dat de symboliek zijn plek terug krijgt. Dat we ons herinneren waarom het gaat. De terugkeer van Pan Sophia, de vrouwelijke oerkracht.
.
The symbol from the shrine
.
NEDERLANDS
ENGELS:
.
Every spring I unveil the sanctuary in the ridge of my house. But While waiting for it, I made a discovery
Het is als een muziekstuk met talloze partijen. Sommige ervan speel ik, anderen volbrengen de rest.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Ik sta voor de zoveelste keer in de kas te kijken. Van de bloemkolen zijn er maar drie opgekomen. Waarom? De maand maart was donker. Misschien is het zaad verrot in de te natte bakjes. Ik ben niet de baas, als het niet mee zit doe je er niks aan. Dat willen mensen graag. Dat de natuur zich aan hun wensen voegt. Tot in de puntjes. Het opkweken van voedsel is daarvan het meest extreme voorbeeld. Ik ben pas laat begonnen met zaadjes in bakjes stoppen. Plantjes die zo kwetsbaar en afhankelijk zijn, daar moet ik aan wennen. Maar ook dat er een doel is. Het doel is bloemkolen eten. Van de honderd-en-dertig kolen zijn er maar drie opgekomen. Ben ik dan een slechte tuinierster? Nee natuurlijk niet. Want ik ben niet de baas over ze. Die zaadjes hebben hun eigen leven, waar ik maar een piepklein beetje van weet. Daarom heb ik dat doel “Ik wil jouw opeten” maar op de tweede plaats gezet. Veel mooier vind ik het om de natuur te volgen, dan om haar mijn wil op te leggen. Dat is een waar avontuur. Al meerdere mensen heb ik enthousiast gemaakt door tuinieren van die kant te belichten. Ik struin door de weiden en langs de wilgen. Ik trek een veldje brandnetels weg, waar paarse dovenetel zich bescheiden een weg omhoog probeert te maken. De ruimte wordt met graagte ontvangen. En dan zien hoe het paars zich uitbreidt. Elke dag weer even kijken. Ook dàt is tuinieren! Ik volg en ik grijp in. En dan laat ik het weer. Het is net een spel. Ik loop langs de rietkragen. Ik speur de oevers af van sloten en kuier door de natte greppels. Ik maak paadjes in het riet en de grote bossen die dat oplevert, stop ik in mijn fietskar. Hele bergen heb ik meegenomen en je ziet nauwelijks dat er wat weg is. Ik leg ze neer rond de perken, om de planten en het zaaigoed te beschermen. Ik vlecht het riet achter mijn huis, tot een schutting. Doordat ik er ben verandert het om mij heen. En niet omdat ik alles omploeg. Maar omdat ik kijk. Twee jaar lang was dit kleine hoekje wildernis. Maar nu grijp ik in, hier en daar. Ik trek brandnetels uit en kleefkruid. Niet alles, maar genoeg om het andere ook een kans te geven. Het look zonder look ziet nu eindelijk het luchtruim, en ook het zevenblad groet mij. Ik grijns naar ze. Groeien jullie maar lekker door. Jullie zijn sterk zat, om de brandnetel aan te kunnen. Als ik dan af en toe een paar blaadjes mag? Het lijkt me een goede ruil. Brandneteltoppen, zevenblad en look zonder look, ik eet ze graag. Waarom zou ik keihard vechten om een paar tere kropjes sla te verdedigen? Je houdt alleen maar kale grond over. Ik houd niet van kale grond. En ik heb die sla ook helemaal niet nodig, eigenlijk. Maar kool wèl… Het is mooie stevige kost, voor de winter. Daarom ben ik ze toch aan het bestuderen. Het hoeft niet meteen te lukken. Misschien duurt het wel twee jaar voor het uit mijn handen komt. Maar het begin is er. Vlak naast mijn kas staan de eerste drie miniscule koolplantjes, net uitgeplant. Je kan zien waar ze staan, want ik heb er rietstengels omheen geprikt, tegen de vogels. Het werkt goed. Ze staan er nog steeds.
Tuinieren en landschapsbeheer, het is prachtig. Het is als een muziekstuk met talloze partijen. Sommige ervan speel ik, anderen volbrengen de rest. Er zijn klinkende trompetten, tedere fluitpartijen en stemmen als nachtegalen. Ik luister en ik dien. En soms, heel soms ben ik de baas. Maar meestal niet.
Dit is mijn land hoever strekt de grond waar het zaad dat ik strooide zich spreidt in het rond Hoe meer dat ik laat, hoe meer dat het groeit, Hoe meer dat ik luister, hoe meer dat er broeit.
Ook interessant is wat de Vlamingen vinden, en het verschil tussen hun wat rommelige aanpak en de grootschalige werkwijze van de Nederlandse natuurorganisaties. Wat is beter?
Nature is like a piece of music with countless parts. Some of them I play, others accomplish the rest. (Alowieke)
Song of diversity
This is my land how far does the soil extend where the seed I sowed spreads around despite the drought The more that I let the more it grows, The more I listen the more it glows. And our brightful laughter is like the needed water
.
I always try to trace my blogs to a deeper source. This time I got my inspiration from this article, which Jeroen de Ditches connoisseur sent me, exactly when I was looking for a theme for my new story. The philosopher Eric Higgs is a Canadian environmental philosopher. He distinguishes between two ways of land restoration. The technological approach and the focal. The latter explicitly focuses on the connection between man and nature. In other words, creating committed relationships between people and ecosystems. And that is exactly what my stories are often about: https://www.naturetoday.com/nl/nl/nature-reports/message/?msg=30604
Also interesting is this story by Glenn Deliège. He is affiliated as a research fellow of the FWO at the Higher Institute for Philosophy of the KU Leuven. He is currently working on a dissertation on a philosophical interpretation of conservation practices, paying particular attention to nature conservation as meaning and to nature conservation which brings about the continuity of meanings in the lifeworld. In this article he carefully distinguishes between two archetypes of nature conservation in Flanders and the Netherlands, with a view to the question of how well they succeed in establishing that continuity. The difference between the somewhat messy bottom-up approach and the large-scale approach of the Dutch nature organizations that is directed from above. What is better? About the need for stillness in nature management: https://edepot.wur.nl/148759