De zompige tijd na verzending

En hoe je daar weer uit komt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het manuscript voor “De heilige traagheid der dingen” is af en verstuurd naar de uitgevers. Het werk is gedaan. Maar het moeilijkste stuk komt nu pas. Schrijven vind ik heerlijk om te doen en het verhaal lijkt als een loper voor me uit te rollen. Toen ik klaar was met schrijven, moest er een voorwoord komen, en toen het kwam was ik blij. Er moesten zeven schilderijen komen bij het boek, en ook die zijn af.

Het manuscript is verzonden naar twee uitgevers en de eerste afwijzing is binnen. Geen botte afwijzing maar een lovende, dat scheelt. Maar hoewel ik het min of meer had verwacht word ik er toch stil van. Ik vraag me af hoe het zal gaan met de tweede uitgeverij, de grootste. Hun boeken passen beter bij mij dan die van de andere uitgeverij, dat heb ik al wel gezien. Maar het is zelden dat een onbekende schrijver een “ja” krijgt, zeker bij zo’n grote uitgeverij.
Ik werk op het Verhalenpad, trek het gras weg tussen de zilverschoon en de bessenstruiken. Het meditatieve werk is ontspannend en geeft veel voldoening. Ik kan eindeloos kijken naar alles wat er groeit, zoemt en kruipt. Maar het is of het Verhalenpad iets zijn betekenis verliest, nu het boek met de verhalen stil ligt te wachten op een grote stapel, tussen talloze andere manuscripten. De stilte is dof en in mijn hoofd komen oude gedachten op. Kom ik er wel tussen? Is mijn verhaal wel goed en helder genoeg om te stralen in een boekenkast met andere inspirerende boeken? Misschien wil geen enkele uitgever me. Aan de ene kant is dat wel makkelijk. Dan hoef ik niet vol in de publiciteit om mijn boek te promoten, want dat vind ik best spannend. Ik kan het boek ook zelf uitgeven, zonder franje eromheen. Meteen wijs ik die gedachte af. Geen sprake van dat ik daaraan toe geef. Ik denk aan die ene keer, toen ik twintig was en met mijn studiejaar op een eiland zat. De opdracht was voor mij om een liedje te maken en laten horen. Ik besteedde er een hele ochtend aan en het was geloof ik best leuk, maar ik durfde het niet te zingen. Ik kreeg op mijn kop van de mentor: “Als je je werk niet laat zien kom je nergens.” Dus dat heb ik inmiddels geleerd. Spreken en trouwens ook zingen is geen probleem meer voor me. Ook niet in het openbaar, al is het toch spannend, als je niet weet wat er gaat komen. En toch, misschien komt er wel een gesprek op gang! Maar dan lees ik een boek van een hele goeie schrijver, waar ik echt van onder de indruk ben. En dan ga ik vergelijken. Zo gaan de gedachten rond in mijn hoofd, tot ik het zat ben.

Ik klim uit de hangmat. Eerst maar eens mijn ochtendoefeningen doen. Ik volg dezelfde routine als altijd en ga dan verder met een dansje. Dan kijk ik naar het symbool in de nok. De rode cirkel van de aarde, in vieren gedeeld, het diepe blauw van het universum er om heen. Het is of ik het kleine raampje opnieuw zie, en de symboliek die ik eraan gaf in goede tijden, keert nu bij me terug. De Aarde, het universum, het groeien. Wat ik geschreven heb moest geschreven worden en zal zijn dienst bewijzen. Elk verhaal is de moeite waard om te delen, zeker als er zoveel tijd aan is besteed. Ik zie mensen over hetzelfde soort onderwerpen schrijven, elk op zijn of haar manier, met veel waardering bij publiciteit. Daar ligt het dus niet aan. De betrokkenheid groeit en ook mijn verhaal zal er komen. Sommige dingen duren lang, maar dat is geen reden om de moed te verliezen. Lichaamswerk en dans doen goed. Als het maar blijft trillen. En die negatieve bijgedachten? Ach dat stelt niets voor. Van nu af aan ben ik Oost Indisch doof daarvoor. Als er niemand luistert dan verdwijnen ze vanzelf. En nu ga ik een flink stuk fietsen.

.

.

https://alowieke.blog/inschrijving-de-heilige-traagheid-der-dingen/

Lekker zeisen

.

Met op de achtergrond het Verhalenpad, de eerste plantlocatie, waar ik tot twee jaar terug nog bomen bijzette.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De nieuwe zeis is aangekomen. In een hele grote doos zat hij, tjokvol papierproppen. Het is een graszeis, dun en verschrikkelijk scherp. Prachtig gereedschap is het. Als je hem goed blijft haren en hem alleen voor gras gebruikt, kan je er je leven lang mee doen. Het is heerlijk om in cadans het gras te zien vallen. De vogels fluiten, de hommels zoemen. Zo hoort het te zijn. Door te maaien kan je kunstwerken maken door sommige plekken wel te doen en andere plekken niet. Elk jaar weer anders. Je kan bloemen en kruiden laten staan, of juist heel kort maaien om de wortelgroei te stimuleren. Hoe meer je ervan weet, hoe interessanter het wordt. Hoewel het ritme van de zeis uitnodigt tot een trans waarin je op de automatische piloot verder gaat, doe ik dat dus niet. Dat maakt het nog veel boeiender. Ik zie hoe hommels en vlinders meteen de nieuwe ruimte gaan verkennen, tussen hoog en laag. Ze zoeken er beschutting als het waait. Maar meestal is het nog vroeg als ik maai, en windstil. De hommels zijn nog niet wakker. De vogels laten in elk geval wel van zich horen. Overal zijn nesten. Ik hoor de tjiftjaf, de winterkoning en een paar rietzangers. De merels, mussen en mezen nestelen bijna allemaal in het dichter beboste stuk, bij de boerderij. Daar is meer beschutting dan hier, hier moet alles nog groeien. Ik help daarbij, met mijn zeis. Het lange gras is nat van dauw, het scherpe mes glijdt er als boter doorheen. Ik strooi het gras onder de begroeiing, onder de bomen en struiken, vooral de jongsten. Het zou nog wel eens heel lang droog kunnen blijven, en een goeie laag mulch zal hen zonder stress door de moeilijke tijd heen helpen. Behalve het gras als strooisel te gebruiken, maak ik er ook een hoop van. Dat is voor de nieuwe boomgaard, een stukje verderop. Het gemaaide gras komt precies tussen de nieuwe aanplant in, aan de ene kant de elsen, zuurbessen en het sporkehout, aan de andere kant een laagblijvende haag van vlechtwilg. Daartussen is alleen nog maar gras. Daar moet de nieuwe boomgaard komen.

De bodem is keihard. Hier komen de twee rijen appelbomen en precies daar, waar ze moeten komen, gooi ik het gemaaide gras neer. De bodem heeft het nodig, als daar fruitbomen moeten groeien. Het zal wormen aantrekken en andere beestjes, die op zoek zijn naar vochtige grond. Die zullen de bodem losser maken. Ze trekken het gras de grond in en verteren het. Het houdt de groei van het gras tegen. Zo maak ik het klaar voor de dag dat de appelbomen worden geplant.

Wat ben ik toch blij met mijn zeis. Er zijn mensen die denken dat boerenwerk geestdodend is en vermoeiend. Dat het steeds maar hetzelfde is. Laten we daar robots inzetten, zegt onder andere Hidde Boersma, een voorvechter van ecomodernisme. Ik ben geen fulltimeboer. Maar ik zou het niet willen missen, mijn zeis niet, het werk niet, en ook niet alles wat ik zie en beleef. De wind te voelen, de structuur van de bodem, hoe het groeit, alles. En ook hoe bijzonder het is om te merken hoe helder mijn hoofd wordt. Zelfs als ik een keer slecht geslapen heb, mijn frisse blik keert terug zodra ik in de velden en tussen de bomen ben. Zouden we dit zinvolle werk over moeten laten aan machines? Ik dacht het niet. Dan komen de kinderen helemaal niet meer achter de laptop vandaan. Hun hele leven blijven ze daarachter zitten. We zouden als mensheid langzaam verschrompelen en wankel en bijziend de wereld ingaan. Dat wens je niemand toe. Kinderen mogen best weten hoe je met een scherp mes omgaat. Kennis en vaardigheden opdoen van al die dingen die een mens nodig heeft om echt te leven.

Liefdevol en voorzichtig strijk ik het natte gras weg, dat aan het mes zit gekleefd. Dan loop ik terug naar mijn schuurtje, pak een doek en veeg hem zo droog als ik kan. Even laat ik de zeis staan en als ik terug kom is het laatste vocht opgedroogd. In de hoek staat de lijnolie. Met de punt van de doek smeer ik het ijzer in. Zo blijft hij glanzend en glimmend scherp. Ik hoop nog vele jaren. Want de bedoeling is dat we er wat moois van maken. Dat heb ik beloofd. En daar heb ik mijn nieuwe zeis hard bij nodig.

.

.

Wil je het hele verhaal lezen van begin tot eind, met alle achtergronden, geef je dan op voor het boek: De heilige traagheid der dingen. Binnenkort kan het naar de uitgever, en dan is een lijst met belangstellenden mooi om mee voor de dag te komen.

Hier begint mijn verzet

.

.




Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral  andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet,  die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest.  Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap  ook.  De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert.  De nietsontziende drang naar dure  grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin.  Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.

.

Oranje mannen voor snelle dingen

.

Voor deze ene keer heb ik AI gebruikt. Een snelle manier om een plaatje te krijgen. Ik had het nog nooit gedaan. Ik wilde het eenmaal uitproberen en zal het niet vaker doen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Er is een ding waar ik sjaggerijnig van word: Graafmachines. Prachtige oude grasvelden vol klaver en kruiden gaan omver. De orde van het bodemleven, wat onder is, wat boven, oude wormengangen, al jaren in gebruik door tal van beestjes, dit alles wordt om zeep geholpen. Als er iets is waarmee we de toekomst kunnen voorspellen, dan is het wel de staat van onze bodem. Het is de grond van ons bestaan.
Nu hebben we het geluk dat we hier op acht hectare oud weideland zitten. Als het aan mij lag, dan lieten we het altijd zo liggen. Maar dat kan niet. De waterleiding moet worden verlegd, de dijk moet verhoogd. Er moet een weg aan worden gelegd naar een nieuw huisje en ook één naar de windmolen. En dan is het nog niet eens klaar. Nu moet er weer een kabel worden gelegd, voor razendsnel internet. Voor al die snelle dingen wordt wat traag is opgebouwd, weer afgebroken. Er moet heel veel gebeuren, voor je iets snel kan hebben. Dagenlang zijn de mannen bezig in hun oranje hesjes. Twee kilometer van de openbare weg af, naar de boerderij. Ik zie ze vanuit de verte. Ze komen steeds dichterbij. Zolang de machine ver weg is kan ik het nog wel hebben. Maar dan zijn ze bij de boerderij. Ik zorg daar voor de koeien, breng brandhout naar het huis van Dick. Haal water. Het is mijn dagelijkse gang. Mij zien ze steeds. Ik lach vriendelijk naar ze. Ten slotte doen zij gewoon hun werk. Het zijn allochtonen. Aardige lui. Een van hen spreekt goed Nederlands. Hij lacht vriendelijk terug. Steeds lichten me ze in over de gang van zaken. Alsof ik vrouw of dochter des huizes ben. Dan willen ze overleggen met de boer, en ze vragen waar hij is. Ik roep hem wel even, zeg ik. Door de luide stemmen op het erf, worden de koeien onrustig. Vooral de jongste. Zeurderig klinkt het geloei in de stal. Elke keer weer. En dan komen de mannen weer terug, aarzelend, ze kunnen de boer niet vinden. In de keuken issie, zeg ik. En dat zijn dan meteen mijn laatste woorden. Ik smeer hem. Op de fiets. Op een dag zal het toch wel ophouden met al dat gegraaf. Vandaag zullen ze toch wel klaar komen.
Ik hoop dat 2025 een traag jaar wordt. Een jaar waarin er niet veel hoeft en we alle tijd hebben om de bodem te laten rusten. Wachten tot het groeit. Helpen, de bodem met lucht en leegte. Help met tal van nieuwe wortels en gangen. Wacht en kijk. Kijk en wacht. En zie de mogelijkheden groeien.

Ik ga nu eerst aan het werk. Opnieuw meer dan honderd struiken planten. Alles ligt paraat. Plantmateriaal en losse grond. Ik heb er een tijdje op moeten wachten maar nu is het er. Hele mooie grond. Het is nog veel werk. Geduldig ga ik door. Elke dag, tot het af is. Net als de oranje mannen graaf ik. Maar ik doe het traag. Veel trager. En met mijn eigen handen. Dat kan, ik heb de tijd. Dag mijnheer de Worm. Dag mevrouw Duizendpoot. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

.

.

Nootje na:

Eenvoudig leven is een voorwaarde om te kunnen leven in een kringloop met de natuur. Niet de graafmachine, maar de schep zal ons uiteindelijk redden. En de zaden, de bomen en alles wat daar uit voort komt.

Lees hier een stuk van filosoof, psycholoog en boerin Evelyne Janssens

https://www.mo.be/blog/denken-in-cirkels-de-logica-van-de-kleine-boer

Eenvoudig werken aan de droom

Een soort van nieuwjaarstoespraak.

.

Tekening uit mijn dagboek van 34 jaar geleden (1991)

.

Vanwege korte winterslaap geen luisterversie.

De wind blaast steeds weer anders. Dan weer hard en dan is het weer windstil. Maar meestal waait het wel. Sommige mensen zeggen dat ze altijd wind tegen hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat is alleen maar het gevoel, het ertegenop zien. Je kunt dromen van ergens te zijn, maar hoe moet je er komen. Die weg kan lang zijn. Heel lang. Soms duurt het tientallen jaren. Maar ik train mezelf met relatief kleine stukjes.
Ik moet een heel eind naar de stad, maar het went, op de fiets. Hoe vaker je het doet, hoe korter het lijkt. Gewoon blijven doen dus. Sterk en soepel houden, dat lijf. Hoe flexibeler ik blijf, hoe makkelijker het is om in te spelen op veranderingen. Want het zal niet hetzelfde blijven. Niets. Hoe zal het weer in de toekomst zijn? In welke omstandigheden zal ik diezelfde route nog honderden malen afleggen?

Ik las het in de krant. Geafenceerde AI modellen hebben laten zien dat we over vijftien jaar al 1,5 graad opwarming hebben, van de aarde. En daarna blijft het hard gaan, mogelijk wel 3 graden opwarming vóór 2060. Dat kan allerlei effecten hebben. Het kan warmer worden, maar in sommige gebieden ook eerst kouder, door al dat gesmolten ijs in de zee. Het gaat ook vaker stormen, zeggen ze. Het zijn maar cijfers, kun je denken. Ze lullen maar raak, hoor ik sommigen zeggen. En ze zijn het lang niet altijd eens, de wetenschappers. Maar ondertussen is er wel een duidelijke ontwikkeling, waar iedereen het over eens is. Veranderingen gaan steeds sneller dan gedacht. Verontrustend? Ja. We kunnen niet meer zeggen: dat maak ik toch niet meer mee. Het is aan de gang. Het is wennen aan die gedachte. Hoe ga je daarmee om? Sommigen zullen het gevoel hebben altijd wind tegen te hebben. Anderen zullen zich beter kunnen aanpassen.

Waar kun je straks beter wonen, in de stad of op het platteland? Misschien maakt het wel weinig uit. Misschien is het het beste als je kan zeggen: Het is zoals het is. Ik woon nou eenmaal hier. Dit is de plek waarin ik heb geïnvesteerd. Ieder op zijn manier. Hier zijn de bomen die ik heb geplant, hier verbeter ik de bodem. De notenbomen groeien goed en de bessen ook. De wilgen nog beter. Veel wilgen, dat is belangrijk hier. Belangrijk ook zijn de verhalen. Die worden steeds voller en rijker, en ook de schilderijen komen als rijpe appels van de boom vallen. Ik sta klaar om ze te vangen, de appels. Sociale verbindingen groeien ook. Dat is mooi, want van voedsel alleen kan ik niet leven. Het is een tijd om aan de gang te blijven. Ritme houden, ondanks verwarring of tegenwind. Blijven planten, blijven leren en bewegen. En lekker blijven fietsen, weer of geen weer. (Onze boer is 76 en hij doet het ook.)

Mijn voornemen voor de komende jaren: Het langzaam maar gestaag laten groeien. Hier. Met elkaar. Net zoals de droom 34 jaar geleden. Geen tijd is te kort, geen mogelijkheid te beperkt. Het kan. En nu ga ik eerst een middagdutje doen.

Uitgesteld verlangen

Als je ergens heel graag heen wilt, maar wacht op het juiste moment.

.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het lijkt op de huid van een oude olifant. De hoogvlakten van Schotland. Soms droom ik ervan, overdag, maar ook in mijn slaap. De ruige hoge heuvels, een waterstroom die het doorbreekt. De stenen die al heel oud zijn, rond en afgesleten. Het scherm op Google Earth kan nooit de grootsheid ervan verbeelden en de sfeer die ik daarbij voel. Ik verlang ernaar. Het is een lang uitgesteld verlangen en ik kan bijna niet geloven dat ik daar echt heen kan gaan. Ik staar naar de beelden voor me. Als een vogel vlieg ik boven het landschap. Een land met rafelranden. In dikke plooien steekt het uit, hoog boven het diepblauwe oppervlak van de zee. Scherp afstekende valleien, woest en met prachtige vergezichten. Op deze ruigtes waaien de winden nog harder en meedogenlozer dan hier. Maar ook de zon kan er fel en ongehinderd schijnen in een lucht die vele malen zuiverder is dan boven Europa. Het lijkt daarin op Friesland, hier merk je dat ook al, de schone lucht, het licht dat feller is dan in het zuiden. Er is nog een overeenkomst. De Schotten zijn even eigenwijs als de Friezen, heb ik begrepen. En net zo gesteld op hun onafhankelijkheid.
Maar het is niet alleen om zijn magische woestheid en de onafhankelijkheid van de mensen, dat het land me trekt. Er zijn daar ook verscheidene herbebossingsprojecten waar je vrijwilliger kan worden. Op die hoogvlakten kun je bomen planten waarvan je weet dat ze blijven staan. Ook als Antartica compleet afsmelt en de zeespiegel 57 meter hoger komt te staan. Dan zijn mijn boompjes in de Friese weiden allang verzopen. Misschien maak ik dat nog wel mee, als ik honderd word. Toch is het nooit zinloos, elke bijdrage aan het web van leven is belangrijk. Ik besef bij elk zaadje, elk insect en elke vogel die ik zie, dat er altijd iets is wat blijft en zich vermenigvuldigt. Hier blijven is beter, zeg ik, verstandig, tegen mezelf. En planten in eigen land nodig. In Schotland hebben ze al 20% bosoppervlak en hier maar 11%. Toch wil ik er graag heen. Ik zoek er redenen voor. Ja, daar is veel meer ruimte voor herbebossing dan in ons postzegellandje. En het kan blijven staan. Het land staat niet onder menselijke druk, en ook zal het weinig te lijden hebben onder klimaatverandering. O ja, als ik er nou eens echt naar toe ging. Dat ik mee kan werken aan dat bos, op een plek waar de rotsen en de bodem nog voor zichzelf spreken, en niet al duizend jaar zijn omgeschept en ingepolderd. Er tijd voor nemen. Veel tijd.

Die avond lig ik wakker. Ik wil er graag heen, maar het kan nog niet. Het boek en de schilderijen vragen al mijn aandacht. En de bomen. De opwinding over de reis zou al het andere doen verbleken. Tenslotte reis ik nooit, of zelden. Het is voor mij iets groots. Dit uitgestelde verlangen. Ik trek het dekbed hoog op tot in mijn nek. Mijn geweten knaagt. Schotland is een heel eind weg. Zomaar even heen en weer voor een paar weken is voor mij geen optie.
Reizen, anders dan te voet, per fiets of te paard, dat is per definitie niet duurzaam. Zeker niet omdat je een band kweekt met dat land, en er een stuk van je ziel achter laat. Daarna wil je er weer heen. En weer. Dat kost een hoop energie, in meerdere opzichten. Daar is niet tegen op te planten, hoe hard ik ook werk. Mijn verhaal dat ik hier aan het opbouwen ben, valt dan stil, voor zolang als ik er niet ben. En ook mijn eigen bomen laat ik achter. Ik zie ze voor me. De kuilen die ik graaf voor waterberging, de silhouetten van de berken, op de bult. Mijn gedachten lossen op bij het beeld van de ondergaande zon. Even dommel ik bijna in. Dan is er iets waardoor ik opschrik. Ik spits mijn oren en luister naar de geluiden buiten. Een kreet van een één of ander geschrokken beestje. Het is hier zo stil ’s nachts, je hoort alles. Ik ken de geluiden inmiddels als mijn broekzak. Ik ben ineens weer klaarwakker. Mijn gedachten gaan door op het zelfde spoor.
Als overtuigde thuisblijver is het logischer dat ik hier bomen plant. Elke plek heeft zijn eigen bodem, met alles wat daarop leeft. Thuis raken kost tijd. Het is als een goed glas wijn, dat je langzaam moet drinken om het te waarderen. Vanuit dat gevoel wil ik scheppen, leren, en planten. Maar ook de verschillen boeien me mateloos. Door te zien hoe het elders is, groeien de inzichten over de verbanden die er zijn. Zeker nu de wereld zo sterk verandert, is het nodig om dat te zien. Wat is groeizaam?

Een besluit moet rijpen. Ik ga het doen. Maar niet meteen. Ik doe het pas als ik er klaar voor ben. Als het boek er is: “De heilige traagheid der dingen.” Als de interviews en boekpresentaties gedaan zijn. Als de schilderijen die ik maakte hangen. En als de bomen die ik dit jaar plant, goed zijn aangeslagen. Niet eerder. Die gedachte geeft me rust. Als een blok val ik in slaap.

.

Luister hier naar het verhaal

.

.

De afbeeldingen zijn van het nieuwste schilderij, behorende bij het boek: “De heilige traagheid der dingen” Het is 100×120 cm en dit is een indruk, want de kleuren verschillen enigszins van het origineel.

Een eigenwijze verjaardag

Hoe vier je een feest? Sinds ik uit de Utrechtse werfkelder weg ben (12 jaar), komen veel genodigden niet opdagen. Tot nog toe dan. Dus ik ga niet meer zitten wachten en doe lekker waar ik zin in heb. Ook als ik zestig word.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Op 24 februari word ik zestig. Al een tijdje ben ik aan het nadenken wat ik dan ga doen. In Denemarken is die dag heel belangrijk. Daar woont mijn broer met zijn Deense vrouw. Ik was erbij toen hij zestig werd. Er zijn gedekte tafels met naamkaartjes bij de borden. Heel officieel. Maar een dergelijk feest past niet bij mij. Een feest met veel gasten, ja dat kan best leuk zijn. Maar ik heb nu meerdere malen een feest of bijeenkomst georganiseerd waar de geliefde genodigden maar matigjes op kwamen dagen. Soms kwam er maar één. (Hulde!) Of er kwamen anderen, die er toevallig wel waren. En nu nader ik de zestig. Ik ga het vieren. En dit keer ga ik het anders doen. Ik doe precies waar ík zin in heb en organiseer zo min mogelijk. En ik doe het niet in het weekend, omdat de meeste mensen dan wel kunnen, ik vier het écht op mijn geboortedag, op de meest onhandige dag van de week: maandag! Haha.

Op 24 februari ga ik naar Schiermonnikoog, mijn liefste eiland. Samen op de boot. Ik boek een kamer bij Hotel van der Werf, wat ik nog nooit gedaan heb, hoewel ik al vaak op Schier ben geweest. Om een uur of één komen we daar aan, denk ik. Dick en ik en wie er verder ook is. We toosten op de dag en de rest van mijn leven en ik zal een kleine spontane verjaardagstoespraak houden. Iedereen die op dat moment aanwezig is krijgt van mij koffie en gebak. Daarna wil ik huppelen langs de zee, schelpen zoeken, strandjutten en afval verzamelen. Als we dan honger hebben gaan we ergens een hapje eten. Het staat je vrij om ook naar Schier te komen voor het vieren van die dag. Een nacht slapen kost bij van der Werf 75 euro, dat is niet zo duur voor een mooi hotel. Er is een gezellige gelagkamer, waar we ’s avonds kunnen kletsen en spelletjes doen en we kunnen de volgende ochtend met elkaar ontbijten. Ik ga zelf dus maar één nacht. Als je langer wilt gaan, kun je ook een appartement huren bij Kampeerboerderij de Branding. Dat is niet duur, en het is daar gezellig op een rommelige manier. Het duurt nog even, maar ik zal het tegen die tijd nog wel een keer noemen.

Kome wie komt, we maken er wat moois van.

.

.

Vanuit het bestaande verdergaan

.

.

Er was veel aandacht voor mijn vorige verhaal, over mijn bezoek aan de kunstacademie in Leeuwarden, en hoe verrassend dit bleek uit te pakken. Onverwachte wendingen scoren hoog. Iedereen ziet graag dat er om de hoek iets staat, wat je niet had opgemerkt, en wat je meteen blij maakt. Stel je voor, om elke hoek kan iets zijn wat je nog niet kende. Het is het nieuwe avontuur, dat het kind in jezelf weer omhoog haalt. Als meisje van acht zou ik er meteen inspringen. Leuk! Doen! Lekker spontaan. Achter mij zou het een enorme chaos zijn, van alles waar ik mee bezig was, voor ik opsprong. “Eerst opruimen!” zou mijn moeder roepen. Want ze kon er haar kont niet meer keren. Mijn spel domineerde de hele ruimte. Ja, ik was een enorme rommelkont als kind, vol ideeën en spontane spelletjes en heel creatief met materiaal. Niet iedereen vond dat leuk, dat merkte ik wel. Ik werd er onhandig van en vergat van alles. Als je dingen laat liggen, en tegelijkertijd in volle vaart aan iets nieuws begint, dan wordt het een puinhoop en als je dan niet een grote schoonmaak houdt, wordt die steeds groter.
Hoewel ik dus een rommelkont was, vond ik dat tegelijkertijd vervelend. Ik leerde uiteindelijk rustig te aarden, dingen af te maken en op te ruimen. Nu ben ik een redelijk geordend en opgeruimd mens geworden. Af en toe is het een rommel, als ik helemaal in mijn project zit. Als het klaar is ruim ik het weer op en dan ga ik er tevreden naar zitten kijken. Heel eenvoudig.
Iets nieuws waar ik enthousiast voor ben, hoeft niet meer met stel en sprong te gebeuren. Wat in het vat zit, verzuurt niet. Ik kan het nu rustig een tijdje opzij leggen, voor ik er aan begin. Het vuur onder de passie staat op een klein pitje. Zo doe je er lang mee, en het kookt het niet voortijdig over. Het is een fijn vooruitzicht, voort te kunnen, iets in het vizier te hebben waar ik me opnieuw op kan verheugen.
Terwijl ik werk aan het één, borrelt het volgende dus al in mijn gedachten, niet dominant, maar af en toe, tussendoor. Het komt en gaat, als een vis die onder het wateroppervlak naar vliegjes hapt. Het beeld van wat ik straks ga maken, raakt doordrenkt van de geur van het voorgaande. Knedend aan het één, krijgt het volgende ook gestalte. Zo wordt de schakel gelegd tussen het één en het ander. Zo maak ik verbanden, in wat ik doe. Het wordt een ketting, of misschien wel een spiraal, die rondcirkelt. Een cirkel, van binnenuit, steeds wijder. Elke stap is een steen in het spiraal. Een stapsteen in het labyrint, dat vanuit het midden begint. Dit vol te houden is mijn wens.

Zo ook zie ik deze nieuwe stap, de instaptoets voor de kunstacademie. Ik steek niet zo snel mogelijk over, al het andere vergetend. “Je mag er zo lang over doen als je wilt.” Dat zeiden ze. Hoe vaak krijg je die kans nou? Dat laat ik me geen twee keer zeggen. Een goed verhaal werkt alleen als het rond cirkelt, om dezelfde kern. De kern waar het om draait.

Helaas is onze samenleving barstensvol van pop ups. In advertenties duikt de ene na de andere rage op. Geen wonder dat de politiek ook een soortgelijk tafereel wordt. Dat mensen denken dat met één nieuw wondermiddel alles kan worden opgelost. Eén persoon die het zal doen. De grote verrassing om de hoek. Ze denken dat een nieuwe partij het beter zal doen en toch loopt dat elke keer op een teleurstelling uit. Inmiddels zou men beter moeten weten. Net als in het gewone leven, werkt goed gefundeerd beleid stap voor stap, steeds voortcirkelend vanuit het bestaande. Verrassingen om de hoek zijn niet meer dan pop ups, als dwaallichten die je ervan afhouden. Wat er is, dat heeft je aandacht nodig. Wat er is kun je misschien tussendoor al verbinden met het voortgaande. Als een vis die van onder water naar vliegjes hapt. Maar ondertussen: eerst afmaken, opruimen, dan verder. Als je dat negeert, wordt het een puinhoop. Net als bij mij, toen ik acht was. Het kan heel inspirerend zijn, dat kinderlijke enthousiasme. Ik voel het nog steeds. Maar sommige dingen zijn echt voorbij. En niet voor niks.

In wonderen geloven, met voeten in aarde. Zo kan er meer en meer.

.

Wij zitten te schemeren

De magie van het duister. Wie weet het nog dat oma zei: “Ik zit te schemeren?”

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het bijeenzijn in een groep, op een heel andere plek, maakt duidelijk welke verschillen we nog hebben te overbruggen. Of het nu een vrouwengroep is, of een mannengroep, of dat het gemengd is, we hebben allemaal onze eigen gewoontes en gedachten. In een groep op een andere plek pas ik me aan, en soms is dat een welkome afwisseling. Er is niemand die leeft zoals ik, hoewel mijn levensstijl bij sommigen sympathie vindt. Hoe dan ook, deze plek straalt in vele opzichten het tegenovergestelde uit van mijn dagelijks leven. We zijn in een boerderij vol luxe. Er zijn vier badkamers en een sauna. Er is een grote L- vormige kamer met een lange eettafel. In de andere hoek is een enorm plat scherm waarop je films kan kijken. Er is een gigantische glazen schuifdeur, die een hele wand beslaat. Ervoor hangen steenrode gordijnen, die net de grond niet raken. Voor even geniet ik, van die luxe, voor even.

Als vrouw van de eenvoud houd ik het gewoonlijk graag sober. Dat doet iets met al het leven om je heen. Sommige dingen zie je, andere dingen niet. Zo zat er op een dag een man bij mij in de kamer. Het zal een klant zijn geweest voor een rondvaart, die wat langer bleef hangen. We spraken over koetjes en kalfjes. Toen staarde hij opeens naar buiten, waar achter het raam de oude kastanje staat. “Er woont een deva in die boom” zei hij toen opeens. “Die vind je soms bij mensen die eenvoudig leven. Het is een goed teken.” Hij zei het achteloos, in de stilte van een gesprek, dat heel ergens anders over ging. Hij staarde naar buiten, schudde even zijn hoofd en ging verder met het voorgaande gesprek.
De oude kastanje aan de Oudegracht, zijn stam was vol scheuren en holtes, en klimop slingerde zich er overheen. Daar ergens tussen, sliep de winterkoning. Vaak staarde ik naar die wereld boven mijn hoofd, de dieren die er woonden, het licht dat door de bladeren scheen.

Nu woon ik in mijn kleine zelfgebouwde wooncocon in het Friese weidegebied. In de avond beweeg ik me tussen de vertrouwde wilgenbomen door, die mij tegen de harde wind beschermen. Dan sluit ik de luiken. Het liefst vóór zonsondergang. De schemering moet stil zijn, dat is het moment dat de dieren een plek zoeken voor de nacht, en langzaam tot rust komen. Ik wil ze niet opschrikken in dat moment, dat ze stilte en bescherming zoeken. Als mijn luiken dicht zijn, is het buiten heel donker. Ik ben trots op dat donker. Ik help het in stand houden. Hier kan dat. Hier wel! Het dichtstbijzijnde licht komt van de snelweg, de bocht in de Haak, waar lampen staan. Daar heb ik geen invloed op.

Binnen brandt er een klein lampje, voor het slapen gaan. Ik ga al vroeg naar bed. De winternachten zijn lang en ik pas mijn ritme aan, met de verandering van het licht. Als het donker is, komt de rust. Maar dit keer ben ik niet thuis. Ik ben ergens anders, met dertien vrouwe
De schemering valt. Buiten kleurt de lucht van helderblauw naar groenblauw en roze. Hier zijn geen lampen die de horizon benadrukken, als witte stippen in het duister. De lucht is ongestoord zichzelf. De lampen staan al aan en de kamer baadt in het licht. Het raam is een donker gat. Bij de tafel staan twee vrouwen te praten. Ik vang de laatste zinnen op. “Ja, ik houd ook altijd de gordijnen open. Dan voel ik me veel dichter bij de natuur.” Ik schrik op. Hier denk ik vaak over na. Ik doe een paar stappen in hun richting. “Hoezo dichter bij de natuur?” merk ik op en ik probeer mijn stem niet al te scherp te laten klinken. “Ik maak mijn huis graag zo donker mogelijk. Zo kunnen de dieren buiten in alle rust slapen en schrikken niet op bij elke beweging die ik maak. Ik denk aan de insecten, die niet anders kunnen dan zich doodvliegen bij zo’n zee aan licht. Het donker is nodig. De natuur heeft het nodig en er is al veel te veel licht, overal.” De vrouwen kijken me aan met rechte ruggen. In hun blik iets van verbazing. Maar er is niets in hun houding waaruit blijkt dat ze in verwarring zijn gebracht. Ik haal mijn schouders op en ga aan tafel zitten. Ik denk aan thuis. Aan mijn kleine donkere stolp, zo anders als dit. Hoe heerlijk is het om stil naar de geluiden te luisteren, die van buiten komen, uit het duister. De schreeuw van een kerkuil, vlak boven mijn dak, het roepen van kieviten in de nacht. En soms, als ik laat ben met het sluiten van de luiken, kijk ik naar de schemering vanuit mijn warme kamer. Ik kijk naar de eerste sterren. Ik wacht tot de dieren tot rust zijn gekomen. Pas dan doe ik mijn laatste ding. Met een klik duw ik de luiken dicht. Lichtblauw met een paars randje. Dan ga ik naar binnen en maak me klaar voor de nacht.

.

In de grote kamer staan alle lichten aan. Ik sta weer op van mijn stoel en doe ze allemaal uit, één voor één. “Kijk zo kan het wel” zeg ik tegen de vrouwen. “Vroeger noemden ze dat schemeren.” Aan tafel zitten nog drie vrouwen. Een levendig mens met grijs haar roept vol herkenning: “Ja, dat weet ik nog van mijn grootmoeder, zij deed dat ook!” Naast haar zit een jonge Vlaamse te handwerken. Ze kijkt me nieuwsgierig glimlachend aan. “Goh, daar heb ik nog nooit van gehoord, ” zegt ze. “Schemeren! Dat ga ik onthouden.” Buiten wordt het langzaam donker en we bewonderen de kleuren in de lucht die steeds veranderen, het silhouet van die ene boom die afsteekt tegen de wolkenloze hemel. De glinstering van het water in de vaart, nog net te zien als een smalle kristallen draad. De twee vrouwen door wie dit in gang kwam doen het licht niet meer aan. Ze weten: Ook dit hoort erbij, net zo goed als een bezoek aan de sauna of een half uur yoga in de ochtend. Er komen steeds meer mensen binnen. “Wat zitten jullie hier in het donker!” klinkt het verbaasd. De handwerksters kijken op. “Ja, we zijn aan het schemeren,” zegt de jonge vrouw enthousiast. Het ontgaat de binnenkomers. Meteen gaan alle lichten weer aan en het is een drukte van belang. Maar het geeft niet, het was toch al zo goed als donker. Ik sluit de gordijnen, denkend aan de dieren buiten. De harde wind doet de grote lappen stof een beetje bewegen. Tocht, door de kieren die je onwillekeurig hebt, ook bij dubbele ramen. Het wordt een koude nacht.

Gelukkig zijn er meer mensen met hart voor het donker, vooral op het platteland. Ik heb veel sympathie voor het werk van Nynke Rixt Jukema, zij is architect en geboren in een van de donkerste plekjes van Nederland. De betekenis van de nacht boeit haar mateloos, en ze ziet hoe belangrijk het is voor ons en voor de flora en fauna. Zij zet zich ervoor in, op het Friese platteland. Verscheidene plaatsen zijn door haar initiatief in het donker gezet. Ook is hier het eerste station in Nederland, waar ’s nachts de lichten uit gaan, Mantgum. Het was niet makkelijk om dit te bereiken. Hoewel alle omwonenden het er volmondig mee eens waren, zijn er veel barrières om gewoon alleen maar het licht uit te krijgen. Maar het is gelukt. Er zijn steeds meer mensen die zien hoe belangrijk het is. Maar ik denk dat vooral de stedelingen, niet anders gewend dan bakken vol licht, het helemaal opnieuw moeten leren. De gordijnen die ik sloot zijn een kwartier later alweer helemaal opengeschoven en alle lampen staan aan. Maar ik heb hoop.

Het duister, de zachte mantel van de nacht die al het leven omhult. Het ritme van licht en donker. Ons leven op deze planeet, waarvan je maar zo weinig weet. Beleef de nacht, wees klein in het grote donker. Doof het licht en zie meer. Wees één met de nacht en weet: Het meeste gebeurt waar je niet bij bent. Daar, vlakbij soms, in het verstilde duister. Hoe donkerder de nacht, hoe warmer het licht dat gloeit in mijn hart, het zachte licht dat ik uitdraag.

.

.

Het hart van de wijze

Aarde voedt het wijze hart
Het wijze hart de wereld

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Het hart van de wijze voedt de wereld”

Dit zegt de Taoistische filosoof Zhuang Zi, drie eeuwen voor Christus. Het was een andere tijd, die anders werd gemeten en anders werd gedacht. Een tijd die misschien dichter bij mij staat dan bij de stedeling in de Randstad. Hier, aan het einde van de onverharde weg, gaat het leven zijn gang. Het is een tijdloze plek, vooral in de herfst en de winter. De bomen verdiepen hun wortels, de vogels kunnen zeven maanden ongestoord hun gang gaan, tot de campinggasten weer arriveren en vijf maanden lang het reilen en zeilen domineren. De bomen groeien gretig door. Mijn aandacht gaat uit naar hen. De bomen zijn mijn familie. Kruiwagens vol zwarte aarde breng ik naar de bodem, die hen draagt en voedt. En elke keer als het lente wordt, voel ik me weer een kind van twaalf. De groene knoppen die als een sluier over de jonge bomen ligt, die ik één voor één heb geplant. Ik zorg voor hen, zij zorgen voor mij. Door hen vind ik altijd nieuwe energie voor daadkracht, vind ik inspiratie om mijn voorstellingsvermogen te voeden en ten toon te spreiden aan wie het ook wil zien. En omdat ze mij zoveel geven ben ik het nooit moe, voor hen te zorgen. Mijn familie, de bomen. De bomen voeden mijn hart, en mijn hart voedt de wereld.

Morgen komt er een berg teelaarde, en compost. Het is wel tien kuub, in totaal. Echte biologische natuurcompost. Voedsel is het, voor de bodem. Om wortels te laten groeien en het leven in de bodem te laten krioelen. De levende aarde groeit, en breidt zich uit. Ik hoef alleen maar een begin te maken, een begin, op deze harde bodem van klei. En dan, als de maand februari hoopvol haar eerste tekenen geeft van vernieuwing, begint er zachtjes iets te stralen. Ik sta klaar. Ik zorg dat gebeurt wat gebeuren moet, op de juiste plek. Dit is de mij toegewezen plek, die ik kan beschermen en uitbreiden tot een heilig en inspirerend voedselbos. Een afgelegen plek voor de vogels om te broeden. De watersalamanders kunnen zich nestelen tussen de wortels, zonder dat iemand hun veilige bed omver schept. Het Verhalenpad kan groeien, en ik pluk ze, de verhalen. Hoe vaker ik alleen ben, hoe beter ik het zie. Stilte doet broeien. Broeien om te laten groeien. Er is voedsel voor alles en iedereen. Er is alleen geduld voor nodig en bescheidenheid. Hoe minder ik neem, hoe meer het wordt. Ik voed de aarde en de aarde voedt mij. Ik pluk de vruchten, alleen wat ik nodig heb en zie de rijkdom. De rijkdom die mij jong maakt. Alles groeit. Wacht af, en de beloning wordt almaar groter.

.

.