Een nooit vergeten blaadje

Een nooit vergeten blaadje.
Ik ben in Middelbeers en heb mijn fiets neergezet bij het kaartenwinkeltje. Niet op slot. Hier in het dorp kan dat best. Ik geniet er nog steeds van. Ik loop naar binnen. „Heb je ook postzegels?” vraag ik aan de man. Hij is van mijn leeftijd en hij kijkt vrolijk.
“Nee, daarvoor moet je naar het postkantoortje in de Boerenbont. Woon je nog steeds in die pipowagen bij Haghorst?”
“Ja, daar zit ik nog steeds. Ik leer van alles. Zoek ook eetbare planten die hier thuishoren en in het wild overleven. Die kweek ik op in mijn tuin.”
Hij vertelt over zijn vakanties in Bali. Dat die mensen niet persé naar de supermarkt hoeven, want er is overal wel eten te vinden. “Hier is dat niet”, zegt hij spijtig. En hij praat over zijn tijd bij de scouting, lang geleden. Toen aten ze wilde spinazie. Plukten ze zo van de grond. “Mensen kijken me dan zo vreemd aan, als ik dat vertel.” zegt hij.
“Wat was dat dan voor spul?” vraag ik nieuwsgierig. Want mensen noemen al gauw iets wilde spinazie. Hij pakt een pen en een stukje papier en tekent een langwerpig blaadje. “Nou zo ongeveer”, Zegt hij en hij laat het me zien.
“Hoog?”
“Nee laag.”
“Bloemen?”
Nou dat wist hij allemaal niet meer. Het was al zo lang geleden.
“Maar het blaadje weet je nog wel! Als ik het weet dan ga ik er misschien iets mee doen.”
“Ja,” zegt hij en staart in de verte. “Als ik dit winkeltje niet had, dan deed ik misschien ook van die dingen. Maar ja,” zegt hij dan resoluut. “Het is goed, dat iedereen wat anders doet.”
Ik lach. Ja, dat denk ik ook.
“Nou dan ga ik weer, bedankt!”
“Okee, houdoe hè!”

Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.

Het land

.


De zon is fel en ongenadelijk. In de zinderende hitte klinkt ons gehak in een gestaag ritme.
We werken op een smalle strook, waar dit jaar niets is ingezaaid. De strook ernaast is paars en geel van de bijenbloemen, en het is een gezoem van jewelste. Wij werken op het lege stuk. In het zand en tussen de stenen staat evengoed van alles. Gras, smeerwortel, knoopkruid, wat brandnetel en pispotjes, en nog veel meer. Wij hakken ze allemaal af. We hoeven de wortels niet weg te halen. In deze hitte sterven ze snel. Ik heb de wijde witte blouse aan, die mijn moeder voor me maakte. Ik druip van het zweet en een lichte bries waait onder het linnen en koelt mijn warme huid. Een strooien hoed beschermt mijn hoofd. Naast mij werkt een jonge vrouw uit Avrig, een Roma. Ze zucht diep. Haar strakke paarse shirt heeft korte mouwen maar is toch te warm. Ze stroopt de pijpen op van haar lange zwarte broek, en gaat verder. Verderop zetten haar vriend en haar broer palen in de grond. Dat is nodig voor een hek, tegen wilde zwijnen. Die komen af en toe ongevraagd het land omploegen en dat wil onze boerin niet.
Net zo ongenadelijk als de zon brandt, hak ik door. Het warme staal ploft in het droge zand van de bovenste grondlaag. Ik zie een hele spinnenfamilie vluchten, en ik zie hun kleine holletjes in de grond, onder een graspol. Er groeit ook een vetplant, met kleine gele bloemen. In een roset bedekt hij de bodem met lange vlezige stengels. Ik hak het allemaal af. Ik zie de tere bloempjes van ereprijs en ook kamille. Ik voel hoe het zweet van me afdruipt en geniet van het harde werken en het gestage ritme waarin ik voortga. Toch spijt het me. Voor de spinnen. En voor de kleine ereprijs en de kamille. Ik had ze graag een langer leven gegund op deze plek. Maar het moet. Helaas.

 

Een man keert terug van het werk
Een man keert terug van het werk

Voetnoot: we zijn om twaalf uur opgehouden. Daarna werd het nog warmer. Agnes had een heerlijke maaltijd voor ons gemaakt, geserveerd in een koele kamer.

Als het broeit bij spreeuwen

Foto uit florafauna.middendelfland

.

Deze week kreeg ik bezoek. Het was John uit Tilburg met zijn vriend Henk Kuiper. Ik had al veel over hem gehoord. De eerste keer is al langer dan twintig jaar geleden. Toen kreeg ik een boekje van hem in handen. „Huttonia” heet het. Henk heeft in een bakfiets gewoond en daar gaat het over. Hij houdt heel veel van de natuur en van eenvoudig leven, en was benieuwd naar me. En ik naar hem natuurlijk. Maar ze konden niet op de fiets komen, want Henk is erg ziek. Ze kwamen met de auto. Ik heb Henk het hele terrein laten zien en de tuin. Hij vond het prachtig. En alle vogels die er te horen waren ook. Hij was verrukt toen hij de wulpen hoorde. Die had hij al lang niet meer gehoord. Ik denk dat hij graag nog langer had willen blijven.
Toen we samen koffie dronken vertelde Henk een mooi verhaal. Soms zie je een hele groep spreeuwen in de kruinen van de bomen zitten. Tientallen, soms honderden. Op een gegeven moment wordt er eentje onrustig. Die begint met zijn vleugels te flapperen en te draaien en te wiebelen. Hij steekt anderen aan. Die beginnen ook te flapperen. Het worden er steeds meer. Het broeit. De onrust groeit en dat duurt lang, pas na een hele poos is de hele groep aangestoken en dan is het moment daar. De hele groep stijgt in één keer op. Adembenemend. Met mensen is het vast net zo, zegt Henk. Ik denk het ook.

 

PS. Niet lang daarna namen Henk zijn krachten af en hij werd zieker en zieker. Hij had kanker en overleed niet lang daarna. Ik ben blij dat ik hem heb kunnen ontmoeten. Helaas maar èèn keer. Een kennismaking en een afscheid tegelijk.

Maar groente komt toch uit de kas?!

.

e2-bk-randje-dra

Ik heb net de Smeerwortel water gegeven, die ik een tijdje terug in de berm heb geplant. Ik wilde hem graag in mijn buurt, het jonge blad is lekker om te roerbakken, en het is een prachtig kruid, ontstekingsremmend, verzachtend en genezend. Het zit tjokvol voedingsstoffen, en bevat twee keer zoveel kalium als stalmest. Dat zouden de boeren moeten weten, die ze rigoreus hun land uit werken. Tussen Esbeek en Haghorst is er maar een enkele te vinden.
Ik kijk nog eens tevreden naar mijn plant, hier tussen het nogal eentonige gras onder het jonge boompje. Hij doet het goed. Er zit een bijtje op. Een dikke wollige bij. Bijen houden ook van Smeerwortel. Hij kruipt in alle bloemetjes. Mijn fiets staat er naast, met een karretje eraan vast. Daarmee ga ik nog meer Smeerwortels halen, tien kilometer verderop, helemaal voorbij Esbeek. Daar staan er veel. Er komt een groep jongens voorbij, ook op de fiets. Eentje vraagt in het voorbijgaan wat ik doe. “Dit is een plant voor de bijen, die hebben hier helemaal niks te eten!” roep ik hem na. “Wat zou dat dan?!” roept hij verongelijkt, vanuit de verte.
Even later heb ik de groep ingehaald. “Gaat u nou dat hele eind fietsen voor een plánt?” vraagt hetzelfde jongetje. Ik houd vaart in en kijk hem aan. Hij is bijna thuis. De school is in Oirschot, thuis is in Diessen, vertelt hij. Dat is een heel eind. Toch begrijpt hij niet dat iemand het er voor over heeft om hetzelfde eind te trappen voor een plant. Ik leg hem nog eens uit waarom. “We hebben de bijen nodig voor de bestuiving, anders groeit er geen fruit en ook andere dingen niet.” “Maar groente en fruit komt toch gewoon uit een kas?” vraagt hij dan. “Heel veel niet”, zeg ik. “En overal in de natuur zijn bijen nodig. Ik wil niet alleen bijen in eigen tuin, ik wil overal bijen. En ik vind het zo leuk, dat gezoem van die beestjes…” zeg ik genietend. Hij lacht.

 

.

 

Ik geef ze weg

.

Hubbard pompoenplantje.

Het regent dat het giet. Dat is fijn voor de tuin, want er valt een hoop in te halen. De planten mogen nog best een stukje groeien van mij. Ik ben hard aan het werk geweest, er is nu veel te wieden. En niet alleen in de tuin is er werk, ik kweek ook zaden op in kleine kasjes. Ik heb ze gemaakt van houten groentekistjes, tegels, plastic, een oude ruit, een deur met een barst in het glas. Er zijn nu een heleboel planten opgegroeid. Pompoenen, citroenkomkommers, courgettes, blauwschokkers. Het zijn er veel meer dan er in mijn tuin passen. En de doos met zaden is nog lang niet leeg. Ik wil ze weggeven. Vooral de planten en zaden die je niet in elke winkel kan kopen. En ik hoop dat mensen ze ook weer doorgeven.
Dus wat ik graag wilde, dat gebeurde. Deze week gaf ik de eerste plantjes weg. Het was een spontane ontmoeting. Op een mooie zonnige dag fietste ik een stukje op met een man uit Moergestel. Hij had altijd en de stad gewoond en vertelde blij en trots dat hij vorig jaar voor het eerst zijn eigen aardappelen had geoogst. Hij wilde best een stukje omrijden voor een paar plantjes. Planten met een verhaal, dat zijn de mooiste, vond hij.
Ik heb de man uit Moersgestel een komkommerplantje en een pompoenplant gegeven. Het Is een Hubbard, die straks knoeperds van pompoenen maakt. De grond waar hij zoveel plezier in had lag pal achter zijn huis. Het was van de gemeente , maar die deed er niet veel mee en dus ging hij lekker zijn gangetje daar, op die veertig vierkante meter. Hij had ook aardpeer gekregen van iemand. `Nog nooit van gehoord , zei hij, maar ze groeiden goed. Het begrip stadslandbouw was hem vreemd. Maar de beste man begint gewoon. Omdat de kans er is, pal naast zijn huis nota bene. En het gebeurt steeds meer, want gemeenten hebben steeds minder geld voor onderhoud. Een goeie zaak. Grond in bruikleen geven aan burgers. Ik heb hem gevraagd het zaad van de planten door te geven. Dat vond hij vanzelfsprekend. Veel mensen vinden het leuk, zaden en plantjes ruilen. Ook deze man hield ervan. Het is gezellig. En als mensen steeds vaker met elkaar gaan kletsen hoe ze hun zaad vermeerderen en hoe ze hun composthoop bijhouden, dan ziet de wereld er al heel anders uit.

Ik wilde alleen dat ik hem iets meer had verteld over de plant, de verzorging en het zaad. De volgende keer geef ik er een verhaaltje bij. Het zou leuk zijn de man op de fiets nog eens terug te zien. Hier, bij Juffrouw Kolibri.

Wij doen niks meer

.

Heilig en stil als marmer

.

Ik loop naar de kassa van de C1000 in Middelbeers. Ik heb honing en rijstemelk in mijn mandje, voor de koffie. En fruit, want dat was op. Ik ben moe. Gisteren heb ik zestig kilometer gefietst, om acht vierkante meter Red Cedar op te halen, helemaal voorbij Helvoirt. Het zijn schroten, voor de kast die ik ga bouwen, voorop de wagen. Dwars door de Campina ging de tocht, met mijn fietskarretje. Dat zijn een hoop bochtjes op smalle paadjes. Het ging best. Heb de twee meter lange stapel maar eenmaal opnieuw hoeven aansjorren. Dat was gisteren. Toen was ik niet moe. Dat kwam vandaag pas.
Ik kijk vermoeid welke kassa ik zal nemen. Ze zijn allemaal in werking. Het gepiep dat er vandaan komt, maakt me dof en onverschillig. Net als een oud wijf die niks meer hoeft en niks meer wil. Op dit moment ben ik helemaal niet de levenslustige vrouw van 48, die net een nieuw leven is begonnen. Ik wil het liefst zo snel mogelijk de winkel uit. Maar eerst moet ik in de rij staan. Daar ontkom ik niet aan.

Voor me staat een vrouw van tegen de zestig, met geverfd haar. Ze heeft een lange rok aan van ruwe ongebleekte katoen en bloemen erop geborduurd. “Mooie rok heeft u aan.” zeg ik. Ik vind het leuk dat er toch nog iets moois te zien is hier. “Dank je! “ zegt ze, “Hij is al zeker tien jaar oud. Maar wij verslijten niet zoveel meer hè?” Ik kijk haar niet begrijpend aan. “Op onze leeftijd,” zegt ze “Wij doen niet zoveel meer”. Ik grinnik. “Ik verslijt nog best wel eens wat,” zeg ik en ik denk aan de maillot, die ik gisteren nog gemolestreerd heb door er mijn haakse slijper in te zetten, tijdens een staalborstelkarwei. Er was niet veel van over, maar mijn been zat er gelukkig nog aan. Ik heb toch maar even mijn zaagbroek aangetrokken. Ik knik begrijpend en geef dan eindelijk antwoord. “Ach nee, zoveel doen wij ook niet meer.” Ziet ze het, de glinstering in mijn ogen? Ik geloof van niet.

Aarde, zweet en hamerslagen

.

.

Het is weekend. Paasweekend. Ik ben een paar dagen ergens anders, Dick is ook mee. Een plek waar mensen zijn, en waar wordt gebouwd. We zijn net aangekomen in Olst. Langzaam verrijst daar, aan de rand van het dorp, iets bijzonders. Grenzend aan boerenakkers wordt de ene na de andere wand gebouwd. Dikke wanden, gemaakt van autobanden. Een heel rijtje mensen staat met hamers de ene na de andere band vol te stampen met aarde. Het worden aardehuizen.
We lopen over het terrein. Een vriendelijke man laat ons alles zien. Verderop zijn de eerste huizen al klaar. De voorgevels zijn geïsoleerd met stro en bestreken met leemstuk. We mogen binnen kijken, in een van de huizen. Het is een aangename verrassing. Het is lekker warm binnen en het zonlicht schijnt overvloedig door de grote ramen. Ik zie een oud boerenvenster in een lemen binnenwand en een prachtig mozaïek met parelmoer. Het licht wordt erdoor weerkaatst en ik word er rustig van als ik ernaar kijk. De bewoners hebben er met passie aan gewerkt, dat zie je zo. Dit soort details kiezen de mensen zelf, voor hun huis. Dat zijn de leukste dingen, zegt onze gids opgewekt. Dan gaan we weer verder, naar de kast met werkschoenen. Het is tijd om te beginnen.

Een paar uur later hebben we onze spieren flink gebruikt. We zitten in de loods. Hier is een gezellige zit- en eetruimte gemaakt. De tafel staat vol met leeg gegeten borden. We hebben hard meegewerkt en de lekkere soep smaakt er nog beter door. Het werk bestaat op dit moment vooral uit aarde in banden stampen, tot een zwaar stabiel geheel. Van afgedankte autobanden worden dikke muren gemaakt. Ze worden in lange rijen opgestapeld, en moeten stijf en keihard opgevuld worden met zand. Achter de bandenwanden komt straks een heuvel. Maar zover is het nog lang niet. Er ligt nog veel werk te doen. In totaal worden er 23 huizen gebouwd, voornamelijk met vrijwilligers, en de toekomstige bewoners zelf. Ik vind het leuk en interessant om hier te zijn. Gezellig ook.
Tegen de wand aan is een rocketstove gebouwd, een soort leemkachel, met een bank eraan vast, die een heerlijk warmte afgeeft. Op de warme lemen bank zit een man met een stuk of wat kinderen om zich heen. Hij speelt gitaar, terwijl hij ook nog een dreumes op schoot heeft.
Ik praat met Ruurdje, een van de initiatiefneemsters. Net vertelde ik over mijn woonwagen en de tuin waarmee ik begonnen ben. We hebben het over het verschil tussen het woord verplichting, een taak die van buiten af wordt opgelegd, en het engelse woord “commitment”. Je maakt met jezelf een afspraak om ergens mee door te gaan, om iets waar te maken, zegt Ruurdje. Voor mij gaat het over toewijding, besef ik. Ik ben me ervan bewust hoe klein mijn projectje is vergeleken bij het hunne. En hoe overzichtelijk. Ruurdje vertelt over de tegenslagen die ze moesten verwerken terwijl ze hun droom wilden realiseren, en al de concessies die ze moesten doen. En nog steeds. Alles wat gebouwd wordt, gebeurt uit naam van de vereniging, die bestaat uit de toekomstige bewoners. Er moet over veel zaken vergaderd worden. Ik heb bewondering voor ze. Voor haar en de mensen die hier al die jaren aan werken en zullen werken. Ik kom graag een keer terug.
Ik ben hier maar even. Straks ga ik weer naar mijn eigen stekkie. Mijn woonwagen in Brabant. De tuin roept me. Mijn eigen kleine project. Ik ben er al druk zat mee. En wie weet wat hier mijn rol is. Soms groeit iets wat klein bedoeld is onverwacht groot, soms ben je daar blij mee, soms minder. Daar hebben we lang niet altijd iets over te beslissen. Het gebeurt. Als zaad goed terecht komt. Wie zal het zeggen. Het is maar goed dat we het niet allemaal van te voren weten.

.

Een werker op weg over bandenwand in aanleg.

 

De smid en de voerman

Stap voor stap ga ik verder. Het afscheid is geweest, en ik heb er van genoten. Utrecht liet ik met tevredenheid achter. Zo’n afscheid is als een dam. Het water blijft er stilstaan, voor het weer verder stroomt. En daarna gebeurt er het één na het ander.

Er liggen veel plannen en klussen in het verschiet, maar we zijn begonnen met de bok, oftewel het verlengen van het onderstel. Alles was er klaar voor. Een geluk was het, dat Bas de metaalbewerker uit Middelbeers even tijd had. Hij is een bezet man. Het was een prachtige dag. Het gras was droog en de grond nog niet zompig, zoals anders in de herfst. Bas kon met zijn wagen het veld op rijden zonder ook maar een spoor achter te laten en zo trokken we de wagen rustig van het veld af. We reden langs de weegbrug in Diessen.

Het ziet er uit als een betonnen plaat in de bestrating. Ergens in de muur is een hokje, waar de man met de overal in duikt. Ik vraag hem of ik mee mag en ga hem achterna. Er zit een meter in. Een rood verlicht beeldscherm zal laten zien waar ik al die tijd zo nieuwsgierig naar was. Zou de wagen niet te zwaar zijn om door paarden te laten trekken? Dat is mijn allereerste vraag. Dan komt de uitkomst te voorschijn. Het gewicht is ongeveer wat ik dacht. Niet onmogelijk om te laten trekken door paarden, al moeten het er wel twee zijn en geen kleintjes. Leuk om te weten, maar ik laat het idee meteen weer los. Eerst eens rustig verder zien. Ik sta aan het begin van een heel nieuw spoor en er kan nog van alles gebeuren.

We rijden verder naar zijn bedrijf in Middelbeers. Bas Timmerman blijkt een ware vakman, het verbaast me niet dat hij het altijd druk heeft. Hij is niet gewoon een lasser, maar ingenieur. Ze fabriceren in sneltreinvaart iets wat zo mooi en degelijk is, dat heb ik nog nooit gezien. De werkplaats is van de allerbeste machines voorzien. Zijn boormachine stopt hij in een kolomboor met een supermagneet. Die plakt hij onder de wagen en zo hoeft hij niet plat op zijn rug boven zijn macht te werken en de gaten worden kaarsrecht.

De vloer is voorzien van vloerverwarming. Aan de zijkant staat een enorme machine, bedoeld om meterslange stukken staal in de juiste hoek af te zagen. Hij kan de machine op een tiende millimeter afstellen en er metershoge constructies mee voorbereiden. Ik geniet van de technische bezienswaardigheden en zie dat mijn woonwagen het beste van het beste krijgt, en beter dan ik zelf had kunnen verzinnen. Bas en zijn maat vinden het helemaal niet erg dat ik de hele dag foto’s maak en honderduit vraag. Nu heb ik de kans.

Er komt een oudere man uit de een zijdeur. Hij blijkt de vader van Bas te zijn. Hij heeft gehoord dat ik geïnteresseerd ben in paarden en wil mij zijn trots laten zien, een prachtige zwarte fries, die ons met sierlijke draf tegemoet komt rennen. “Wat mooi!” roep ik uit, en glunderend kijkt hij naar zijn prachtige ruin en steekt van wal om een uur lang te blijven vertellen over paarden, en van alles wat hij meemaakte met deze bijzondere dieren. Hij komt uit een voermansfamilie, en hij leeft met ze van jongs af aan.
Als we verder lopen laat hij me een wagentje zien, waar je een paard voor kan spannen. Hij moet het nodig weer eens doen, maar heeft weinig tijd, zegt hij. Ik ben meteen oog en oor. In korte tijd kom ik toch weer het één en ander te weten. Dat een paard veel drinkt, dat wist ik al. Dat had ik al aan een koetsier in Utrecht gevraagd, die met twee enorme zwarte Shires achter het stadhuis stond. Nu vraag ik hoeveel een paard eet. Hij kijkt even in de verte, voor hij antwoord geeft. Als het dier prestaties moet leveren heeft hij extra krachtvoer nodig, vertelt hij me. Als hij de hele dag in een kruidige wei staat, dan is dat niet nodig. Een sportpaard kan vijf of zes kilo krachtvoer per dag eten. Maar dat verschilt en de een doet het anders dan de ander. Als meneer Timmerman de volgende keer weer gaat rijden, dan mag ik mee.
Ik besef hoe mooi alles vandaag weer samen komt. De smid en de voerman ontmoet ik in één dag. Alle kennis die ik zocht is hier aanwezig. Het onderstel is vandaag verlengd, en er ligt een prachtig vloertje klaar om op te bouwen. De as met de wielen en de draaikrans waar de dissel aan vast zit is naar voren gezet.

As met wielen en draaikrans

We hebben de wagen zonder ongelukken teruggebracht. Er moet nog veel gebeuren. De remkabel moet verlengd, de rem in de dissel gereviseerd, de gasslang, waterslang en elektrische kabel moeten worden verlegd, het onderstel moet schoongemaakt en behandeld, de banden moeten worden vervangen, de luchtvering opnieuw aangesloten, de knipperlichten moeten gemaakt. En dan al het timmerwerk nog. Op het fonkelnieuwe vloertje wil ik een kast bouwen, over de hele breedte van de wagen. Het zal tegelijkertijd ook dienstdoen als bankje. Zal het ooit zover komen dat we het als bok gaan gebruiken, of wordt het toch een tractor… Misschien wordt het wel een  heel andere wagen dan deze… We hebben de tijd, voor die vraag een antwoord krijgt. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet.

Ps: Uiteindelijk heb ik besloten een heel nieuwe wagen te bouwen die veel lichter is. Lees alle verhalen bij de categorie “Bouwen”.