Wakker worden met een droom

.

Overstroomde rivier met muildier 001

.

Ik ben maar één nacht weggeweest. Perplex kijk ik naar de drastische verandering in het rivierlandschap. Ik sta op de dijk en kijk naar het snel stromende water. Stijgt het nog steeds? Ik weet het niet. Tot mijn verbazing stroomt de rivier niet naar zee, maar landinwaarts! Is er iets met de waterkering? Ik wist dat de nood hoog was, maar zó hoog… De uiterwaarden staan blank, maar de dijkhuizen staan er nog. Mensen met lieslaarzen aan hebben hun tuinmeubilair veilig gesteld. Aan een lang touw drijven de keurig gelakte houten stoelen in een sliert mee met de stroom. Het einde van het touw zit vast aan de paal van een pergola. Ze waren er vast trots op. Nu stappen ze in de auto en rijden weg. De evacuatie is in gang gezet.
Hoe zou het met mijn makker Gerrit zijn, mijn trouwe roodharige muildier? Hij stond daar vlakbij, in de wei. Snel fiets ik verder naar de nabij gelegen brug. Als ik er boven op ben, kijk ik naar beneden. Het water, anders metersver weg in de diepte, kolkt nu een stuk dichterbij, onder mijn trappers. Aan de overkant gekomen, zie ik Gerrit meteen. Hij klimt net omhoog, het droge op. Ik haast me naar het druipende dier toe, en droog hem met hooi en mos uit de berm. Hij raakt me aan met zijn fluwelen snoet alsof hij wil zeggen: “Waar wàs je nou?” Maar we kunnen niet te lang blijven staan hier. Mijn wagen staat nog steeds langs de kronkelende dijkweg. Tijd om te vertrekken. Niet overhaast, wel snel. Ik span Gerrit in.

Langzaam dringt het geluid door van een paar kwetterende koolmezen. Een ezel balkt. Om mij heen is het schemerig, want de luiken voor mijn bedderaam zitten nog dicht. Ik droomde. . . In gedachten laat ik de beelden nog eens aan me voorbij gaan, zonder duidelijke emotie en zonder oordeel. Alleen bij het muildier sta ik even stil. Zou dit werkelijk mijn trekdier worden? Of ga ik het anders doen? Maf dat ik dit kennelijk belangrijker vind dan het schrikbeeld van een overstroming. Een overstroming lijkt ver weg. Toch kan het. En misschien wel eerder dan computermodellen voorspellen. De werkelijkheid gedraagt zich immers altijd grillig en niet altijd ten gunste van de mens, die alles bij het oude wil houden. Ik trek het warme wollen dekbed over mijn blote schouder. Het schapenwollen dekbed, dat mijn moeder ooit voor me maakte. Ik voel me warm, tevreden en gelukkig. Kome wat komt.

 

Ik voel het aan mijn water

.

Water, beweging, licht

.
De regen is begonnen. De hele nacht door klettert het op mijn dak. De paarden staan nat in de wei, en de vogels zitten nat in de boom. Sommigen hebben een droog plekje gevonden. Het zwijntje heeft in zijn hok een flink bed gemaakt van perzikkruid, het enige op zijn terrein wat hij niet lust. Hij is nu ook niet meer zo vaak buiten en dat begrijp ik best. Ik zit nu ook binnen, in mijn pipowagen. Als de regen stopt en de zon doorbreekt, komt iedereen tegelijk naar buiten. Vogels uit de bosjes, konijnen uit hun hol, het zwijntje uit zijn nest. Ik loop op het gras, dat alweer groener wordt en geniet van de frisse lucht. Maar al gauw begint het opnieuw, met flinke druppels valt het uit de lucht. De twee vijvers worden weer voller en voller. Zo is het wekenlang kurkdroog, zo valt al het water in één keer.
Ik zie boeren in het prille voorjaar door enorme plassen rijden. Vaak wijken ze uit naast het pad omdat de plassen op de zandwegen te diep zijn geworden. Ik zag ze deze zomer dagenlang hun stoffige land beregenen. Het weer lijkt steeds extremer te worden.
Hoe is dat in het verre oosten van Europa? Ik sprak er over, met Roemeense vrienden. Ook zij zien verschil met vroeger. Nog niet zo lang geleden waren de winters er hard en streng, maar nu blijft het een hele tijd kwakkelen, voor het in januari eindelijk eens gaat vriezen. Het vriest dan ook niet zo hard meer als vroeger, maar er is wel veel meer neerslag, in vorm van sneeuw. In de zomer zijn er lange periodes dat het niet regent. Net zoals hier steeds vaker gebeurt. Bij hen komen de invloeden van twee kanten. Het landklimaat begint pas echt achter de bergrug, maar in Transylvanie voel je het al wel. Achter de Karpaten, daar begint de vaste regelmaat van strenge winters en warme zomers pas echt.

Ik vind water fascinerend. Het is onvoorspelbaar en wisselt steeds van vorm. Misschien is het ook een reden, dat ik me aangetrokken blijf voelen tot dit land, waar ik geboren ben. Het water. Het rijst op en trekt zich terug. Het verdampt en daalt zachtjes neer op de geurende grond, vriendelijk als een lichte lenteregen. Of het stort naar beneden als een wolkbreuk, stof en aarde met zich mee sleurend, de zee in. Water kan alles om zich heen transformeren. Ons land is ervan doordrongen. Onze bodem is vol verhalen erover, al zijn de meeste allang vergeten.
En nu. De dagen worden korter en de avonden langer. Na langdurige droogte is de lucht weer zwaar van vocht. Ik zie sommigen plannen maken om te vertrekken naar zonniger en drogere oorden. Ik niet. Ik zal deze winter samenzijn met mijn vriend, de tegelkachel. En ik weet niet wat er verder gaat gebeuren. Maar dat ik hier wil zijn, dat voel ik aan mijn water.

Vroeger was de beek mooier (dorp in Transsylvanië)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is elf uur in de ochtend. Ik sluit de poort achter me. Met een
klik valt de deur dicht. Ik sta stil en kijk om me heen. Alle huizen
hebben een schutting om het erf, of een muur met een hoog gietijzeren
hek erin. Dat is om paarden en vreemde honden uit de tuin te houden.
Vlak naast me, voor de stenen muur die hun erf begrenst, zitten twee
oude vrouwtjes op een bankje. Ze kijken naar de oever, waar iemand
puin heeft gestort. Kapotte stenen en grind tussen grote bossen
watermunt. Ernaast staat één van de vele pruimenboompjes. Een hond
loopt over de verwilderde oever naar het water, en drinkt gulzig.

`Vroeger zag de beek er mooier uit dan nu,` klaagt de ene vrouw,`het
werd veel meer onderhouden.` De bewoners van elk huis zijn
verantwoordelijk voor het stuk van de beek wat eraan grenst. Zo was
het bij ons ook, drie eeuwen geleden.
Aan de overkant loopt een lange man met verende tred. Hij kijkt niet
op of om. Het is Costica, zijn zeis hangt over zijn schouder en aan
het uiteinde bungelt een tas. Het is hooitijd. De mensen werken hard.
Velen werken om hun huis te onderhouden en voor meer spullen. Het
liefst ook nog een auto. Of ze sparen voor een reis. Wie jong genoeg
is, gaat naar het westen. Daar is meer te verdienen dan hier. De
partner blijft alleen achter.
Ik snap best, dat de beek minder aandacht krijgt. Er wonen bijna geen
gezinnen meer. Toch zie ik in de verte een paar kinderen spelen met
keien. Ze maken een dammetje, om een klein zwembadje te maken. Die
kinderen logeren bij oma´s en opa´s. Maandenlang zie je ze, in de
zomer. In de winter zijn ze weer weg. Papa en mama wonen al jaren
ergens anders.
Ik kijk nog eens naar het stromende water. Ik vind de beek mooi. Ook
zoals hij nu is.

Ik loop langs het zandpad naar het noorden. Daar houden de huizen op,
en beginnen de velden. Het pad volgt nog steeds de stroom. Van een
afstandje zie ik hier en daar iets uitsteken, midden in de hoge
oeverbeplanting. Het lijken grote dingen. Grote gele blokken tussen
weelderig groen. Ik vraag me af wat het is. Als ik dichterbij kom zie
ik dat het koelkasten zijn, waarvan de metalen buitenplaten zijn
afgesloopt. Wat ik zie is het gele isolatiemateriaal, oud en goor.
Ik loop verder naar beneden, daar is de begroeiing niet meer zo
torenhoog. Ik baan me een weg over een berg plastic. Dan zie ik water
over keien stromen. Het is niet diep. Orchideeën groeien weelderig
naast een berg oude schoenen en ingedeukte pannen. Ik hurk ernaast en
laat het frisse water tussen mijn vingers door spoelen. Ongelooflijk
zo helder.

Net als ik terug wil lopen zie ik iets. Een oude spanband. Precies wat
ik nodig heb. Het scharnier van het kippenhok is kapot.

Lang leve de vuilnishoop.

Luije kippenhok

Een melkbusje vol water

.

Een melkbusje van aluminium met vier liter water

.

 

Het is vrijdagmiddag half vier. Over het grasveld komt Dick aanfietsen, mijn vriend. Helemaal uit Eindhoven. Hij heeft een grote lach op zijn gezicht, een spiegel van de mijne, want we zijn allebei blij elkaar weer te zien. Het was alweer tien dagen geleden dat we afscheid namen. Een warme omhelzing. Ik zet koffie van het laatste water. Dick pakt het lege melkbusje van het aanrecht om water te halen. Hetzelfde busje heeft vroeger ook al dienst gedaan als fooienpot, in de werfkelder, tijdens bijeenkomsten. En nu zit mijn watervoorraad er in. Even later komt Dick terug met de gevulde bus, en ik zet het terug waar het stond. Ik hang de soeplepel weer over de rand heen. Daarmee kun je je glas vullen als je dorst hebt. Of het kommetje water verschonen, waarin je je handen kan wassen.
Naast de waterbus en de gootsteen zit ook een kraan en een knop. Toen ik hier net introk, kwam er water uit die kraan, als je op de knop drukte. Dat water kwam van onder de wagen weg. Daar stond een jerrycan met twintig liter erin en een pomp er aan vast. Die pompte het omhoog en zo leek het net een echte keuken zoals in een gewoon huis.
Ik kwam er al gauw achter dat ik daar helemaal niet zo blij mee was. Ik kon niet zien hoeveel water ik nog had. Net op momenten dat ik er niet op zat te wachten was het op. En als je je handen wast, gebruik je automatisch veel meer. Het lijkt in overvloed aanwezig te zijn. Dat ben je zo gewend, als je een kraan hebt. Opendraaien en uitgebreid laten stromen. Mensen die langskomen hebben het ook niet door. Maar het is toch maar twintig liter wat er in zo’n vaatje zit en een grotere wil ik ook niet, dat kost alleen maar ruimte. Bovendien, hoe meer ik ergens van hebt, hoe meer ik gebruik. Ik vind het ook fijn om het water te zien. En het is ook handig als ik kan zien hoeveel ik nog heb. Het melkbusje is niet te groot en niet te klein. Een leuk ding, vind ik. Er zit vier liter in, en in mijn eentje doe ik er anderhalve dag mee. Twee keer per week ga ik twee minuten onder de douche van de camping en was ik mijn haar.

Al doende merk ik wat ik echt nodig heb en leef met veel minder water. Ik heb een mooi compostemmertje, dus ik hoef ook geen drinkwater door de plee te spoelen. Het liefst zou ik mijn water zelf uit een put halen. Leuk, dat hijsen met een emmer. Maar die hebben we hier niet. Dus haal ik het maar gewoon uit de kraan van de campingkeuken. En als ik dan met Dick mijn vers gezette kopje koffie drink, dan geniet ik.

Vlak voor wij de koffie drinken....