Dansen op de grens

dansenopdegrens 003

.

„Wil je ook koffie? “ vraagt Nicole. Ze komt achter de caravan vandaan en doet een paar passen in mijn richting. “Ja graag, of eigenlijk liever thee als het kan.” Ik trek nog een paar graspollen weg en doe een pas achteruit om te kijken. Ik heb het perk breder gemaakt. Heel langzaam help ik de natuur met uitdijen. De grens is duidelijk zichtbaar. Een strakke, licht golvende lijn van frisgroen gras steekt scherp af tegen de klaargemaakte zwarte grond. Strakke grenzen, dat snappen mensen. Dan weten ze, dáár is wat. . . Daarom doe ik het hier zo. Dat werkt tenminste.
De novemberzon schijnt met een laag, warm licht. Ik loop naar de regenton en was mijn handen.

Glimlachend neem ik het warme glas thee in ontvangst. Henk en Nicole hebben hun koffie op de witte kampeertafel gezet. Ik geniet van momenten van samenzijn. Tegelijk met een toenemende vloed aan bloemen, planten en insecten, keert het leven terug op de camping.
Nicole kijkt me vrolijk aan. “Ik heb zaad van mijn tuin in Amsterdam in het nieuwe perk gestopt,” zegt ze. “Zo leuk, die plek bij het ronde minihuisje!”
“Elke keer is er weer iets veranderd” zegt Henk “daarom vinden we het fijn om hier te komen.” Blij kijk ik hem aan. “Ik heb op meer plekken uitgebreid,” vertel ik opgewekt. “Naast het huis in aanbouw ook. De boomspiegels onder de pruimen zijn nu nog groter. Maar ik moet daar wel ophouden. Ton wil graag om het huis heen kunnen om er aan te werken.” Henk en Nicole knikken begrijpend.
“Eigenlijk is perk al wat te groot,” vervolg ik, “want misschien komt er in de toekomst weer een steiger. Maar nu staat er géén steiger. Dan kunnen de bloemen toch nog mooi even verder groeien en zaad maken, dacht ik zo. . .”
“Maar ik kan me voorstellen dat je wel wil dat het blìjft, wat je allemaal doet.”
“Nee hoor,” zeg ik, “Ik stel me er steeds op in dat er iets anders kan gebeuren. Morgen kan er opeens een steiger in mijn perk staan. Of zo. Het gaat om de beweging. Ik stel geen paal en perk, ik begin steeds overnieuw. Waar dan ook.”
“Ja,” zegt Henk grijnzend, “Mooi is dat.”

Ik kijk naar wat beweegt en leg mijn oor te luister. Wat doe jij, wat doe ik? Het leven is een stroom, mensen, dieren, bomen, planten . . . Soms doe ik een brutale stap naar voren en help de natuur een handje. Maar het is niet altijd de natuur die wint. Mensen hebben ook tegels nodig en huizen. En wegen om te gaan. Waar nodig, trek ik me terug en laat ruimte in aandacht. Samen spelen we met grenzen, van de ene wereld met de andere.

Eeuwige dans die verder gaat
van stille eb tot volle vloed
steeds ben ik waar ik wezen moet
en kijk dan waar jij staat

.

.

Herfstwerk

herfstwerk 0002

De lucht is grijs als een grauw laken. Het motregent. Ik ben klaar met ontbijten en de dagelijkse oefeningen. Wat nu? De grijze stilte maakt me traag. Ik besluit om eerst een rondje te gaan lopen, voor ik aan het werk ga. Om mijn woonwagen scharrelen bruine kippen en wit-met-zwarte, op zoek naar zaad en beestjes in het gras.
Ik loop het trapje af van het bordes en verder het gras over, tussen de bosjes door, het zandpad op. Het monotone geluid van landbouwmachines, dat pas nog onophoudelijk klonk, is gestopt. De horizon verdwijnt in een mistige verte. Waar deze zomer uitgestrekte maisvlaktes lagen, zie ik nu omgeploegde akkers met her en der uitstekende stompjes stengel. De zanderige grond is donker van de regen. Er vliegt een groepje kauwtjes, verder is er geen beest te zien. Als ik langs de wei van de manege loop, schrik ik op van een koppel patrijzen, dat de vlucht kiest. Maar konijnen zie ik nergens, geloof ik. De jagers hebben goed hun best gedaan.
De vochtige kou doet mijn vingers verstijven. Ik trek aan de mouwen van mijn jas, tot ver over mijn vingers. Het begint iets harder te regenen en ik loop stevig door. Ik wil graag nog een tak uit het bos halen, voor die kletsnat geregend is. Ik wil geen nat hout in mijn kachel. De onderkant van mijn klompen is ook vochtig en geeft wat mee, als ik op een takje of steentje stap. Ik zal er binnenkort wel doorheen gaan.
Even later ben ik bij het bos. De tak die ik heb klaargelegd, ligt achter een bos grote varens. Ik neem hem op mijn schouder en wandel terug. De beboste oase van de camping is van verre te zien, over de rechte weg. Daar is de grinderige oprit al. Ik loop door naar het natte veld. Aan de rand ervan, tegen een bosje, staat mijn roestrode woonwagentje, nog steeds omringd door bloemen. Mijn thuis. De tak leg ik te drogen onder de wagen.
Als ik binnenkom straalt een heerlijke warmte mij tegemoet. Mijn kachel is een beste. Hij gééft warmte en houdt het nog vast ook. Want mijn huisje doet dat niet. Het zijn maar dunne wandjes.
De nieuwe wagen wordt anders. Zo’n zware kachel neem ik echt niet mee op reis. Dus er komt een dikke laag schapenwol die kou buiten moet houden. Wol neemt vocht op en laat het ook weer los. Zo heb ik geen last van condens en eventuele schimmels.
Op mijn witte werk- en eettafel ligt een dik boek vol tekeningen en berekeningen. Soms wel vier of vijf keer herzien. Vorige week heb ik drie dagen besteed om al het soortelijk gewicht op te tellen, van de materialen die ik nodig heb. Inclusief kachel. Ik was er duizelig van.
Ik ben al zolang bezig. . . Mijn blik glijdt van het boek naar het raam. De kippen schuilen onder een afdakje, samen met een klein konijntje.
De herfst is echt begonnen. Grauwe luchten, regenval, het is me best. Het werk ligt klaar op tafel, de kachel gloeit knus en warm. Ik ga er wat moois van maken.

Ontwerpboek wiekieskolibri 001

Wakker worden met een droom

.

Overstroomde rivier met muildier 001

.

Ik ben maar één nacht weggeweest. Perplex kijk ik naar de drastische verandering in het rivierlandschap. Ik sta op de dijk en kijk naar het snel stromende water. Stijgt het nog steeds? Ik weet het niet. Tot mijn verbazing stroomt de rivier niet naar zee, maar landinwaarts! Is er iets met de waterkering? Ik wist dat de nood hoog was, maar zó hoog… De uiterwaarden staan blank, maar de dijkhuizen staan er nog. Mensen met lieslaarzen aan hebben hun tuinmeubilair veilig gesteld. Aan een lang touw drijven de keurig gelakte houten stoelen in een sliert mee met de stroom. Het einde van het touw zit vast aan de paal van een pergola. Ze waren er vast trots op. Nu stappen ze in de auto en rijden weg. De evacuatie is in gang gezet.
Hoe zou het met mijn makker Gerrit zijn, mijn trouwe roodharige muildier? Hij stond daar vlakbij, in de wei. Snel fiets ik verder naar de nabij gelegen brug. Als ik er boven op ben, kijk ik naar beneden. Het water, anders metersver weg in de diepte, kolkt nu een stuk dichterbij, onder mijn trappers. Aan de overkant gekomen, zie ik Gerrit meteen. Hij klimt net omhoog, het droge op. Ik haast me naar het druipende dier toe, en droog hem met hooi en mos uit de berm. Hij raakt me aan met zijn fluwelen snoet alsof hij wil zeggen: “Waar wàs je nou?” Maar we kunnen niet te lang blijven staan hier. Mijn wagen staat nog steeds langs de kronkelende dijkweg. Tijd om te vertrekken. Niet overhaast, wel snel. Ik span Gerrit in.

Langzaam dringt het geluid door van een paar kwetterende koolmezen. Een ezel balkt. Om mij heen is het schemerig, want de luiken voor mijn bedderaam zitten nog dicht. Ik droomde. . . In gedachten laat ik de beelden nog eens aan me voorbij gaan, zonder duidelijke emotie en zonder oordeel. Alleen bij het muildier sta ik even stil. Zou dit werkelijk mijn trekdier worden? Of ga ik het anders doen? Maf dat ik dit kennelijk belangrijker vind dan het schrikbeeld van een overstroming. Een overstroming lijkt ver weg. Toch kan het. En misschien wel eerder dan computermodellen voorspellen. De werkelijkheid gedraagt zich immers altijd grillig en niet altijd ten gunste van de mens, die alles bij het oude wil houden. Ik trek het warme wollen dekbed over mijn blote schouder. Het schapenwollen dekbed, dat mijn moeder ooit voor me maakte. Ik voel me warm, tevreden en gelukkig. Kome wat komt.

 

Zoon van de molenaar

.

molenaarszoon 003

.

Ik ben bij mijn vader in het ouderlijk huis. Ik ken elke hoek en er is weinig veranderd in al die jaren. Alleen mijn moeder is er niet meer. Mijn vader redt zich prima, in zijn eentje. Hij rent drie keer per week hard, stoft en wast. Vandaag is hij vijfentachtig geworden. . .

De net nog zo volle kamer is bijna verlaten. Op tafel staan bloemen, de afwas is gedaan, de taart is op. Mijn vader staat met mijn broer bij het achterraam te praten. Ik zit met mijn nichtje Juul in de voorkamer.
Juul kijkt naar de twee mannen bij het raam. Ze buigt zich in mijn richting, haar sluike blonde haren vallen naar voren.
“Ik wil graag verhalen horen van opa, over vroeger..” zegt ze zacht. “Ja,” fluister ik terug en ga recht opzitten. Ik wacht tot het stil is in de kamer.
“Pa, wij willen graag verhalen horen over vroeger,” zeg ik stellig.
“Dan moet je een iets specifiekere vraag stellen,” zegt opa en komt onze kant op.
Ik hoef niet lang te denken. De vraag rolt van mijn lippen.
“Welke gebeurtenis is je het meest bijgebleven uit de tijd dat je in de molen werkte?”
“Dat is net een vraag van een journalist,” zegt opa lachend.
Peinzend staart hij in de verte. Hij laat zich lenig in een stoel zakken en begint te vertellen.

“De molen hoorde bij ons huis en we moesten natuurlijk altijd meewerken, in de weekends en in de vakanties. De grote houten as draaide op een zware motor, die naast de molen stond, in een apart hok. Er zat zo’n groot vliegwiel aan, dat er drie mannen nodig waren om hem aan te slingeren. Maar in de oorlog veranderde er veel. Er was geen olie voor de motor. De molen moest gerestaureerd worden, zodat hij weer op de wind kon malen. Na een tijdje bleek één wiek zo rot te zijn dat hij er af moest. En die andere natuurlijk ook, want de wieken zitten aan elkaar vast.”
“Kon je met twee wieken dan ook malen?” vraagt mijn broer.
“Ja hoor, het maakte weinig uit. We maalden gewoon door. Het was zwaar werk om de zeilen op te rollen, die om de wieken heen lagen, om meer wind te vangen. Je moest de loodzware stof met een krachtige zwiep naar de achterkant gooien en daar vastzetten.”
“Een molenaar was toch een belangrijk figuur vroeger?” vraag ik.
“Jazeker, de molen was een ontmoetingsplek. Boerderijen lagen wel een kilometer van de weg af. De molen lag wél aan de weg en de boeren kwamen er allemaal, om hun graan tot meel te laten malen. Er waren altijd mensen. Ik heb gehoord dat het op veel plaatsen zo ging,” lacht hij genoeglijk.
Mijn vader zwijgt even, om dan verder te gaan. “ Rond achttienhonderd gebruikten de mensen minder geld dan nu. De molenaar mocht toen een zestiende van het gemalen meel zelf houden, de rest ging terug naar de boer.”
Ik hoor veel wat ik niet wist. Mijn broer kijkt bedenkelijk. “Dat de molen op een motor draaide, dat wist ik niet. Ik vind het een stuk minder romantisch.”
“Ach,” zeg ik, “het aanslingeren van zo’n enorm vliegwiel, dat heeft toch ook iets. . met drie mannen notabene. .” Ik had ook een motor met vliegwiel, in een oude boot.
Nu hoor ik de stem van Juul, naast mij. “Ik vond het fijn om over de molen te horen, opa.”
Mijn vader glimlacht. Want zoon van de molenaar, dat is hij en dat blijft hij.

Opdracht voor de smid

Opdracht sm 3 002

Muren van grijze steen begrenzen een kale ruimte. Door de grote ramen zie ik het pand aan de overzijde, waar de secretaresse in wit licht achter haar computer tuurt. Tegenover me zit de smid van Warnsveld. Op tafel ligt een groot vel papier met de constructie tekening van mijn nieuw te bouwen wagen. Hij gaat voor mij het onderstel maken.

„Ga je er echt in wonen of is het maar voor kort?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan.
“Ik ga er in wonen. Het moet comfortabel worden. Ook wil ik door zand, bossen en door ruigtes kunnen rijden. Dus het moet makkelijk wendbaar zijn. En niet te groot en te hoog. Lastig kiezen, zo allemaal bij elkaar.”
“Je zal toch iets grotere wielen moeten nemen, die kleintjes schuiven het zand voor zich uit. Vroeg of laat zit je vast.”
“Ja daarom heb ik aan de achterkant een ingebouwde wielkast bedacht met grote wielen. Die steken uit boven de vloer.” Ik wijs het aan op de tekening. “De voorwielen zijn wèl erg klein. Moeten die groter? Ik hoopte de vloer zo laag mogelijk te kunnen houden. . Onder de laadruimte heb ik ook maar dertig centimeter tot de grond. Is dat te weinig, komen we dan met de onderkant vast te zitten?“
“Het is aan de krappe kant, als je door ruig gebied wilt trekken.”
Hij is even stil en kijkt door het raam.
”Ik zal je mee naar buiten nemen” zegt hij dan. “We kunnen eens kijken bij andere wagens. Dat is duidelijker dan een tekening.”
Het is fris en het waait en druppelt. Ik loop achter hem aan over het grind. Achter de gebouwen ligt een hectare grond. Verspreid over het terrein staan aanhangers, paardentrailers en een stapel pallets.
“Kijk,” zegt hij en staat stil bij een glanzend nieuwe aanhanger. “Dit is een mooi wiel.” Hij aait over het harde rubber. Ik zie een klein breed wiel, maar groter dan ik zelf had bedacht.
“Ik zal eens meten,” zegt hij en pakt de rolmaat uit zijn zak. Hij meet vanaf het zanderige grind tot de onderkant van het voertuig. “Vijfenzestig centimeter tot de vloer.”
“Dat is tien centimeter hoger dan ik bedacht had,” zeg ik. “ Twee-meter-zeventig wordt mijn nieuwe wagen dan.”
“Die paardentrailer is precies even hoog,” wijst hij.
Ik kijk en denk. Goeie wielen en genoeg ruimte in en onder de wagen, het is allemaal belangrijk. Maar dit alles wordt hoger dan ik hoopte. In een bos rijd ik snel tegen takken aan. Wat is belangrijk? Die vraag heb ik al vaak gesteld. Ik overweeg. Een tak die in de weg zit kan ik meestal wel afzagen. Maar een mul zandpad of uitstekend rotsblok in de weg, daar doe je weinig aan…
“Ik heb genoeg gezien.” zeg ik resoluut. “Dit wiel wordt hem.”
We lopen terug naar het kantoor en ik neem afscheid. De bouwtekening mag hij houden. Ik pak mijn rugzak en neem de vouwfiets. “Tot over een week of zes! “ roep ik. Hij lacht. Tevreden begin ik de terugtocht. Terug naar huis, naar Haghorst.

Ik heb lief en laat weer los

.

Ik heb lief 005

.

Ik sta op het bordes en snuif de vochtige warme lucht op. Het wordt een heerlijke dag, herfstig en zomers tegelijk. Hoewel twee kersenbomen al kaal zijn, bloeit er nog van alles. Rode klaprozen, blauwe korenbloemen, steeds weer nieuwe zonnebloemen, oost indische kers, het energieke komkommerkruid en goudsbloemen zo groot als chrysanten.
Ik loop het trapje af en sta met blote voeten in het bedauwde gras. Vanuit een ooghoek zie ik een klein konijntje, verderop, achter de vlierstruik. Hij snuffelt aan een paars bloemetje van het hoog opgegroeide kaasjeskruid. Op zijn gemak peuzelt hij het op en huppelt dan verder.
Plotseling schiet het beestje overeind, kijkt ergens naar en rent dan weg de bosjes in.
Er komen twee mensen aangelopen over het veld, opgewekt en met energieke tred. Het zijn mijn buren. Ze komen elk weekend, helemaal uit Amsterdam. Ze lachen als ze me zien en groeten me hartelijk. “Elke keer als we hier terugkomen genieten we van ál die bloemen. Je hebt zo’n goeie invloed hier, je mag niet weggaan hoor!” Ik lach terug en zeg dat ik voorlopig nog wel even blijf. Ze lopen verder naar hun caravan.
Ergens roept een klein kind. Een meisje komt het hoekje om gerend en holt naar me toe. Het is Olwen, mijn nieuwe buurmeisje. Ze is nog maar één en kan al vertellen welke planten eetbaar zijn, en hoe ze heten. Haar moeder komt glimlachend achter haar aangelopen, maar kijkt oplettend als ze ziet dat het kleine knuistje iets omklemt. “Wat heb je daar?” vraagt ze. Het meisje doet haar hand open. Het is hetzelfde paarse bloemetje dat het konijntje ook zo lekker vond. “Dat is goed. Eéntje maar hè!” zegt ze. Tevreden stopt Olwen het in haar mond.

Soms denk ik: Waarom ga ik hier eigenlijk weg straks? Het wordt hier steeds leuker. Tegelijk weet ik het antwoord al: dat was immers de bedoeling. Helpen het steeds leuker te maken, en dan verder gaan. Ik heb lief en laat weer los.
Jaren geleden had ik een droom. Ik droomde dat ik een ketting reeg op de aarde, van bloemen, bomen en struiken . Als een bij zoemde ik van plek naar plek, een vruchtbare wereld achter me latend. Daarom is het, dat ik verder ga, straks. Alleen of niet.

.

.

Een brede beek zie ik nu stromen
’t komt uit zoveel bronnen
vol is ze met tal van dromen
die zomaar ergens zijn begonnen

Aan haar oevers, mannen, vrouwen
duizenden en toch alleen
zij wilden zo graag verder bouwen
Een mens, een plek, ging van hen heen

Tot een bries een adem zacht
hun teder kietelt, wars van pijn
het water in de beek dat lacht
en spreekt met golfjes, lief en klein

Al wat is, zal nooit verdwijnen
alle dromen neem ik mee
in mijn stroom tot aan de einder
bevloei de aarde, vul de zee.

.

.

.

Voor aanvang

breincorset creatieve 001

Na verhalen over paarden en theater zou ik opnieuw een spetterend stuk kunnen schrijven. Ik zou een kleurrijke menigte kunnen schilderen, verhalenvertellers, muzikanten. . . Ik zou op dit moment een festival kunnen bezoeken, drie dagen lang. De zon schijnt, alles nodigt uit om er aan mee te doen. Maar ik doe het niet. Ik blijf hier. Sterker nog, ik zit binnen. De witte, katoenen gordijnen zijn gesloten. Waarom?

Gefladder tussen bloem en tak lokt mijn blik naar buiten. Ik zie niet alleen vogels, ook zweefvliegen, vlinders, hommels en  bijen. Het worden er steeds meer nu het palet aan kleuren en geuren groeit. Het trekt me. “Kijk eens, ruik eens, proef eens!” lijkt het te roepen. Maar dat wil ik niet. Niet nu.  Daarom heb ik de gordijnen dicht gedaan. Anders komt er niks van.

Dit is het. Nog twee weken en dan geef ik de smid in Warnsveld definitief de opdracht. Hij zal het onderstel voor mijn nieuwe wagen bouwen. Het boek met tekeningen ligt voor me. Nog steeds dicht. Ik wil ermee verder, maar de gedetailleerde tekeningen duizelen voor mijn ogen, als ik het open doe. Dus ik heb het weer gesloten. Ik kijk voor me uit, naar de ruwe witgeschilderde planken boven mijn aanrecht. Het rolgordijntje erboven is dicht, net als de andere gordijnen. Eigenlijk is mijn huisje nu een soort breincorset. Daar moet ik eerst weer inpassen, voor ik verder kan. Anders snap ik de gortdroge en abstracte getallen en lijnen niet. Al heb ik ze ooit zelf getekend, het zit toch in een andere hersenhelft dan die waarin ik me zomers gewoonlijk bevind, als de wereld zich zo uitbundig en sensueel manifesteert.

Leger en leger wordt mijn hoofd. Af en toe zie in gedachten een beeld. Een kleine woonwagen rijdt door een gevarieerd landschap. Ik zie mezelf lopen, met  twee muildieren. Of zijn het ezels? Bouwen zal ik, deze wagen. Hout en schroeven zal ik inslaan. Grote stugge lappen katoen voor de binnenkant en dikke rollen schapenwol voor isolatie. . . Moet ik de kasten onder de vloer afwerken met een flinke rand gaas, vraag ik me af. Goede ventilatie voorkomt die hele populatie aan schimmels. Liever voorkomen dan genezen. . Dan verdwijnt de gedachte weer.

Ik neem een slok water uit het glas, dat naast me staat en staar voor me uit. Er rijst een stil vermoeden. Dit zou nog wel eens een vruchtbare tijd kunnen worden. Ik dank iedereen die het in al die jaren mogelijk heeft gemaakt, dat ik dit nu kan doen. Alleen had ik het nooit gered.

Naar het theater

Een voorstelling over Sicco Mansholt . . .

theatermansholt 003

.

Een grote kas met een eenvoudig houten decor. Er staat een telefoon en een oude radio. Achter het decor, grote bakken afgedekt met zwart zeil. Er zitten vissen in, zegt iemand. Langzaam stromen de rijen stoelen vol. Vier vrouwen op de tweede rij wachten op het begin van de voorstelling. Drie elegante dames en ik.
Als een bontgekleurde bohemien zit ik tussen vriendinnen in brons met kralenkettingen. „Zal ik mijn hoed afdoen?” vraag ik aan de mensen achter me. Ze lachen me hartelijk toe als ik mijn zwarte bolhoed voor ze af neem en op schoot leg. Dan wordt het stil. De voorstelling gaat beginnen.
Het verhaal van Sicco Mansholt.

Een jonge vrouw op het toneel zet de radio aan.
“Wat is er met u gebeurd, mijnheer Mansholt?” vraagt een krakerige stem.
“Ik heb mij laten corrumperen door het kapitalisme.”
“Maar is dat niet hetzelfde kapitalisme als datgene wat u in de EEG belichaamt?”
“Dat is volkomen juist. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de grote vraagstukken van deze tijd, zoals het milieu, de Noord-Zuid tegenstelling, de macht van de multinationals, niet meer zijn op te lossen binnen het kapitalistische systeem. Tegelijk stel ik vast dat ook de socialisten geen antwoord hebben. Ze komen niet verder dan een kleinzielige strijd over de verdeling van de welvaartskoek.”
Ik luister met volle concentratie. Het stuk begint serieus en valt met de deur in huis. Goed opletten. Hier gaat het over. Dit is de dramatiek van deze man, die zijn leven lang meewerkte aan een steeds grootschaliger landbouwsysteem. Tot hij er, vlak voor zijn pensionering, spijt van kreeg.
Hij komt het toneel op. Een oude man, in grijs gekleed. Acteur Helmert Woudenberg. Nu als Sicco Mansholt. Hardop vertelt hij wat hij ziet, als hij met zijn auto door het landschap rijdt. Kleine weilandjes, boeren op het erf waarvan hij weet hoe conservatief ze zijn. Bungelend boven de afgrond zijn ze het taaist, zegt hij.
De ene na de andere personage komt op. Sicco Mansholt omringd door zijn tweede man, zijn vrouw, zijn secretaresse. Ook is er zijn liefje, een jonge vrouw van 24, die hem zeer bewondert, nu hij het roer volkomen wil omdraaien. De man werkt zich bijna dood. Was het eerst om het systeem op de rails te helpen, nu is het om datzelfde systeem ter discussie te stellen. Uiteindelijk ligt hij afgepeigerd met een hartaanval in het ziekenhuis. Als hij er uit komt wil hij niets meer dan een oude droom tot leven brengen. Hij bouwt een boot en gaat de oceaan op. In zijn eentje.
Het toneelstuk sluit met een gedicht, dat ik in het Engels het mooiste vind.

The World stands out on either side
No wider than the heart is wide,
Above the World is stretched the sky,
No higher than the soul is high.

In gedachten zie ik mijzelf, de eenvoud van de kleine wagen waar ik woon. En straks, rijdend in een huifkar, dat mijn huis zal zijn. Storm mag woeden, machten werken zich te pletter voor goud. Maar ik ben waar ik ben.
De spelers komen glimlachend het toneel op. Het publiek klapt, juicht en gaat staan. Ik pak mijn hoedje en gooi hem in de lucht. Maar niet te hoog. Anders ben ik hem kwijt. Als het applaus is weggeëbd, lopen we tussen de rij stoelen door naar de uitgang. Daar is vuur. En bier en wijn. Tevreden warmen we ons bij de vlammen.

.  .  .  .  .  .

Klik op deze zin voor meer info over het Mansholt-theater.

Onlangs bekend: In 2015 komt er een vervolgtour op locaties in het oosten en het zuiden van het land.

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.