Van plakband en karton

.

 

.

Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken. (Alowieke)

 

Ik loop de drogisterij van Middelbeers uit en wil mijn fiets pakken. Mijn afgeknipte spijkerbroek is vuil van vele weken werk, maar mijn hemd is fris en groen. De zon staat al twee weken te branden boven mijn hoofd en heeft mijn schouders bruin gemaakt. Ik schuif mijn hoed naar achteren, die ik maakte van een rieten lampekap. Hij moet mijn gezicht en nek beschermen. Het is een goede hoed en hij blijft stevig zitten als het hard waait. Zeker op de lange landweg tussen Haghorst en Middelbeers, daar kan het hard waaien.
Ik stop mijn net gekochte buitenthermometer in mijn fietstas. Ik wil weten hoe warm het is in mijn wagen. Die dorpse drogisterijen hebben van alles, je kan het zo gek niet bedenken. Zelfs thermometers!

Net als ik mijn been over de hoge stang van mijn grote Gazelle wil slingeren om weer naar huis te fietsen, zie ik een rek met slippers. Slippers van hard en zacht schuimspul, bont gekleurd, of zwart met een kraal tussen de tenen. Ik zet mijn been weer op de grond, zet mijn fiets op de standaard en loop terug. Zal ik het doen? Koop ik ze?

Het is elke keer een keus. Wat is mijn behoefte. Ik heb slippers nodig. In elk geval heb ik ze vandààg nodig. De dikke balken van mijn steiger worden gloeiend heet in de zon. Gisteren ging het nog net, maar vandaag wordt het te heet onder mijn blote voeten en met schoenen aan is ook niks. Dag na dag werk ik gestadig door aan het dak van mijn woonwagen en het wordt prachtig. Ik drink veel water tijdens het werk en mijn hoed beschermt me tegen de hitte. Maar mijn voeten willen òòk wat. Koop ik nu die slippers of niet? Sandalen zou beter zijn. Daar heb ik verder ook nog wat aan. Maar die hebben ze hier niet. En ja…. hoe vaak draag ik nou slippers??

Ik koop ze niet. Ik slinger mijn been over de stang en fiets weg. Thuisgekomen is de steiger nog heter geworden dan hij al was. Ik vraag me af hoe ik nu toch verder kan werken.

Dan zie ik een stuk karton liggen en een rol plakband. De oplossing ligt pal voor mijn voeten. Ik spring op en pak het stanleymes. Ik zet mijn voet op het karton, snijdt er met een ruime bocht omheen en bind het plakband om mijn voet en het karton. Het resultaat is een paar prachtige wegwerpslippers, waar elke zigeuner of stadsindiaan trots op zou zijn. Blij klim ik de steiger weer op. Ze werken net zo goed als echte slippers en het plakband blijft goed zitten. Hoera.

Leven in het klein maakt creatief. Steeds vaker ontdek ik dat het veel leuker is om niet alles te hebben en òveral in voorzien te zijn. Leven in het klein betekent leegtes creeëren. Ik bouw niet alleen een huisje, ik bouw ook aan kansen. Elke leegte is een uitnodiging! Laat de tijd zijn werk maar doen.

Ik ben er van overtuigd. Creativiteit is onze redding. Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken.

.

.

BEELDEN TIJDENS DE BOUW

.

Voor dat het dakrubber er op kon, moest ik nog een paar dingen bijwerken. Met deze lamellenschuurschijf op de haakse slijper gaat dat hartstikke snel, terwijl hij toch al flink versleten is en het eigenlijk tijd is voor een nieuwe.

.

 

Bij de verhuizing heb ik per ongeluk al mijn hoeden weg gedaan. Geen nood, ik vond een prachtige lampekap, die ik geschikt heb gemaakt om als hoed te dragen.

.

 

Als schoorsteendoorvoer heb ik een oude petroleumkan gebruikt.

.

 

.

 

.

.

.

Een schimmige schaduw

.

.

We gaan op tijd naar bed. Dick heeft mij verrast met een bezoekje, maar hij moet morgen vroeg weer op. Tevreden stap ik in het brede, net opgemaakte bed. Ik geniet nog steeds van het fijne hol, en de kleine raampjes waardoor ik naar buiten kan kijken, met mijn hoofd op het kussen. Ik wil net lekker gaan liggen, als ik vanuit een ooghoek een donkere schaduw zie.
Buiten tekent de bovenkant van het ijzeren hek zich af als een oplichtende streep en daar, op het hek, zie ik wat zitten. Het lijkt op een vogel. Zou het diezelfde zijn die ik net ook al zag? Ik liep net nog over het veld toen er iets groots over me heen scheerde. Ik kon het niet goed zien, hij vloog snel het kleine bos in, dat bij de vijver ligt. Hoge populieren torenen als donkere wachters boven de plas uit. Daar vloog hij heen. Zou hij toch weer terug gevlogen zijn?
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Volgens mij zit er een roofvogel op het hek,“ fluister ik tegen Dick en ben even stil. Dan praat ik verder. „Ik zag hem al eerder. Hij is nu op muizenjacht. In de buitenkeuken vallen wel eens kruimels op de grond en ik heb al een paar holletjes gezien daar. Misschien heeft hij dat ontdekt.“
„Zo dichtbij de wagen,“ mompelt Dick „dat is wel bijzonder.“ Hij vertrouwt mijn verhaal op mijn woord. Zijn zicht is zeer beperkt en in de schemering wordt alles voor hem één donkergrijze massa.
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Ik denk dat hij het is Dick…  Hij zit heel stil. Maar dat moet natuurlijk ook, anders zien de muizen hem bewegen,“ denk ik hardop. Ik zet mijn ogen op scherp. Zie ik nu zijn kop of is dat een vlek in de bosjes? Ik beweeg mijn hoofd heen en weer om beter diepte te kunnen onderscheiden. In het donker lijkt alles een tweedimensionaal vlak te worden. Hij zit inderdaad vlak bij de wagen en ik zie toch iets wat zijn kop zou kunnen zijn. Maar waar is zijn snavel dan? Ik begin nu toch te twijfelen. Ik ben stil en wacht.
„Hij blijft wel heel lang stil zitten,“ zeg ik tegen Dick „Is het wel een vogel?“
„Ja, dat weet ik ook niet,“ zegt Dick loom, hij slaapt al bijna.
Ik kan de deurtjes van ons bed open doen om te kijken of hij dan weg vliegt. Maar ik vind het ook jammer als hij er dan niet meer is, als hij het wèl is. Aarzelend blijf ik kijken, tot ik toch, heel voorzichtig de deurtjes open doe. De vogel roert zich niet. Ik houd het niet langer uit. Nou moet ik het weten ook.
„Ik ga even buiten kijken hoor,“ zeg ik tegen mijn vriend. Ik krijg geen antwoord meer. Ik spring uit bed en schiet de deur uit..

Ik stap van het bordes en loop met mijn blote voeten in het vochtige gras. Ik loop rond de wagen naar de achterkant, waar de keuken is. Zachtjes kom ik dichter en dichterbij de donkere schim op het hek. Ik sluip erheen tot ik er vlak naast sta.

Dan moet ik lachen. Het is mijn klomp! De klomp waar een gat in zat en die ik toen maar aan het hek hing, om mijn bestek in te bewaren! En wat ik aanzag voor zijn kop, dat was de pollepel. Wat een mop. In het donker ontstaan de sterkste verhalen, dat is een ding dat zeker is.

 

Elke centimeter aandacht

.

 

 

Rustig aan,
dan breekt het lijntje niet.
Kijk waar je naar kijkt
en zorg dat je het ziet.

Hardlopers zijn doodlopers
en mensen die het toch blijven doen
zijn hardnekkige knieënslopers

Liever één vogel in de hand,
dan tien in de lucht
Liever hier zijn met verstand
dan met haastig hart op de vlucht

Maak wat moois van wat er is
weet alles heel dichtbij
zonder spinsels van gemis.
boetseer je dagen als met klei
meet je voeten met de rolmaat
elke centimeter aandacht
en nooit ben je te laat.

Ben waar je bent

Wat is,
dat is.

 

.

Ik heb een steiger gemaakt! Alles was er, de metselschragen die ik mocht gebruiken, de lange zware balken, Er was genoeg materiaal om van de steiger een stabiel geheel te maken. Had ik eerder geweten dat dit alles zo makkelijk te vinden was! Nu kan ik verder werken aan het dak.

.

.

 

 

 

 

 

 

.

.

Ik herinner mij vorig jaar maar wat goed. Wat was ik het zat, dat gewiebel op die keukentrap! Mijn wagen staat op een hobbelig grasveldje. De keukentrap had smalle lange poten. Elke keer als ik hem verzette, moest ik plankjes onder de poten schuiven om de ondergrond effen te maken en om te zorgen dat hij niet in de grond zakte. Ik ging op en af. Ik pakte de boor, klom omhoog, boorde een gaatje en klom weer naar beneden voor het volgende.

Ik ben heel wat naar boven en naar beneden gegaan en ik heb heel wat plankjes verschoven, onder die lange wankele poten. Een geweldige oefening voor benen en balans. Al balancerend maakte ik de goot, sloeg deuvels in dakspanten, zodat ze stevig vastzaten en schilderde het dakzeil groen. Het zeil, gemaakt van kunstrubber, vouwde ik aan de randen netjes in de goot. Nu kon het mooi afwateren. Ik maakte het vast met touwen, latten en lijmklemmen en klom voor de laatste keer naar beneden. Hoopte ik.

Ik keek op een afstandje naar mijn werk. Het zou vast nog flink gaan stormen, de herfst moest nog komen. Maar alles zat vast. Ik bekeek mijn werk van binnen en van buiten. Maar het was goed en er was niets dat lekte of wapperde. Voorlopig zou dit het dak zijn, al verdiende het geen schoonheidsprijs. Later zou ik wel verder zien. Opgelucht nam ik dat besluit en ging verder met de binnenkant, het bed, de zithoek, de afwerking, het schilderen. Als dat af was, dan kon ik er in de lente gaan wonen…

.

.

Boven de goot kan ik nog steeds een gat maken in het dak. Achter de isolatie zit niks. Alleen het dakzeil, dat ik hier heb weggeklapt. Ik vind het best geinig, zomaar een gat te kunnen maken, maar het geintje heeft nu lang genoeg geduurd.

.

En nu woon ik er. Maar het dak vraagt steeds luider om aandacht. Het is nog niet af. Dus ben ik weer begonnen. Ik ga de hobbels en bobbels egaliseren met super buigzame plaat en er is meer wat om afwerking vraagt. Op de steiger staat een waterdichte box met al mijn gereedschap. Ik hoef maar één keer omhoog en ik vind wat ik nodig heb. Ik word er net zo blij van als ontbijt op bed. Een cadeautje voor mezelf. Het is wat meer werk voor je kan beginnen, maar het is het waard. Staande op mijn stevige steiger kan ik zien wat ik gedaan heb, ik kan zien of het goed is en wat ik nog wil doen. Dit is nog eens werken! Zonder veel gedoe heb ik overzicht. Daar ga ik van genieten!

.

.

Het dak met het zeil omhoog geslagen, zodat ik aan het werk kan. Hier is het gat te zien, wat ik voor de gein heb gemaakt en wat van binnenuit zichtbaar is op de vorige foto. Er naast het eerste klusje,  cedarhouten plankjes plaatsen, ter afdichting.

.

.

De essenhouten dakspanten zijn niet allemaal van dezelfde kromming. Ze zijn heet en nat gestoomd en daarna gebogen en ze zijn niet zo krom geworden als ik wilde. Om het verschil in hoogte te overbruggen heb ik deze lat gemaakt.

.

.

.

Hier kun je de inkepingen zien, voor elke boog anders. Het meten ervan is een kunstje dat ik leerde bij de bouw van het Statenjacht in Utrecht.

.

.

Deze plaat buigtriplex is zò gemaakt, dat je hem in deze richting  extra ver kan buigen. Aan de binnenkant zijn ribbels uitgezaagd wat dit mogelijk maakt. Daardoor is hij ook lichter van gewicht.

.

.

En toch moet ik de rust verstoren

.

.

Wij hebben elk ons nest. De kwikstaarten en ik. Ze zitten zo vlakbij me, dat ze me wel mòeten vertrouwen. Hun nest is verscholen onder een plaat triplex, die een grote stapel bakstenen afdekt. Er komt steeds gepiep onder vandaan. Ik zou zomaar hun dak eraf kunnen halen. Dan zijn de kraaien er meteen bij. Weg kroost. Maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik hou van ze.

Alles valt of staat met een dak boven het hoofd. Dat geldt ook voor mij.
Mijn dak doet wat het moet doen. Daar ben ik blij om. Toch kan ik het zomaar weghalen. Net zo makkelijk als de plaat boven de kwikstaarten.

.

.

.

Het is avond, de late zomerzon schijnt door de ramen met een oranjegeel schijnsel. Mijn vriend Dick en ik zitten stil op de bank te kijken en nemen kleine slokjes van onze koffie. De lichte deuren en de witte muren weerkaatsen het licht, dat bij elke wolk van kleur verandert.
„Wat een mooi huisje hè..“ zegt Dick en hij kijkt me glimmend aan, „een mooi huisje en een mooi meisje.“ Ik lach. „Ik geniet altijd zo van dit licht“, zeg ik. Ik sta op en kijk door het raam. Het hele terrein ligt al in de schaduw. „Wat bof ik! Nergens op de camping is de zon nog, alleen bij mij. Heerlijk, hè Dick?“

.

Ik geniet van mijn huis. De kozijnen van de ramen zijn nu wit geschilderd en afgewerkt. Als je erdoor kijkt, is het als de paspartoe van een kleurige tekening, alles wat je ziet wordt er mooier door. De vensterbank houd ik expres leeg. Er staat alleen een merkwaardig gevormde geluidsinstallatie op van doorzichtig plastic. Maar dat stoort niet.  Onder de vensterbank met de wonderlijke stolp, dààr is een tweede plank en dat is de plek waar alles op staat. Het is er een aangenaam rommeltje en als je op de grond zit, is er veel te zien.

.

.

„Wel raar dat het dak er straks weer af moet,“ zeg ik peinzend tegen Dick. „Nu alles zijn plek heeft gevonden…“
„Ik kan me voorstellen dat je dat een raar idee vindt.“ Dick kijkt omhoog, naar het plafond, naar het hout van de essen bogen en de witte stugge katoen, die er zacht overheen bolt, in een gelijkmatig ritme. Hij weet net als ik, het ligt er los op, samen met de isolerende wol. Weghalen is zo gebeurd. Dat moet ook, straks. Ik wil het dak verbeteren.

.

.

Een heerlijk hoekje onder het zachte plafond, tussen zachte wanden. Nu is het een zithoek. Maar het ophijsbare middenblad is neer te halen met touwen. Met het resterend stuk matras er op, maak ik hier elke avond mijn heerlijk brede bed.

.

Binnenkort komt het buigtriplex. Dit triplex is zó gemaakt, dat je er een flinke bocht mee kan maken. Ik kan de onregelmatigheden bovenop het dak mooi egaal maken, ik kan het dakrubber goed vastplakken en er komt meteen een extra luchtlaag onder. Maar het wordt nog een flinke klus en een stoffige bende. Bovenop het dak moet ik vier-en-veertig inkepingen op maat gaan slijpen. Ik schraap mijn moed opnieuw bijeen. Gelukkig is het de laatste kloteklus. En je weet niet, misschien valt het mee.

.

Eén van de dingen die een plekje vonden, in mijn nieuwe huis. Dit schip komt uit mijn vorige leven. Mijn man Michiel en ik hadden een grote droom. Het schip origineel maken, zoals ze was in haar glorietijd, hier op de foto te zien. We zouden een varend bestaan gaan leiden en weekends organiseren met gasten. Na zijn dood moest ik die droom laten varen en is het schip uiteindelijk verkocht. Ik was de foto helemaal vergeten. Toch, ik hoefde er niet eens bij na te denken, toen ik het hier ophing. Ik zal het straks goed onderdekken, voor aanvang van de stofbende.

.

„Wil je me straks helpen om de platen op het dak te hijsen,“ vraag ik aan Dick.
Ja, dat wil hij wel. Dat is alvast fijn om te weten. Ik kijk naar buiten en denk aan de kwikstaarten, die nu rusten, na een drukke dag van fladderen en tientallen vliegjes vangen. Zij weten niet, dat ik hun dak er zomaar af kan halen. Het zou een hoop stress geven. Ik begrijp het best. Ik zou mijn eigen dak er ook liever op laten zitten. En toch moet het. En toch moet ik de rust verstoren. Het is een goed dak. Maar het kàn beter!

.

De eerste en de laatste foto zijn gemaakt door Dick Verheul

.

.

.

.

.

 

Er zit een beestje in

.

.

.

De smalle groene weg gaat recht omhoog. Mijn pootjes passen er precies op. Ik word getrokken naar het heldere geel, dat afsteekt tegen de blauwe lucht. Omhóóg gaat de smalle lijn en omhoog ga ik. Tot ik er ben. Ik ben geel en ik zit op geel. Ik zit op geel, zacht aan mijn pootjes. De wind wiegt mijn wiegwieg.

Het is er opeens. Het is iets enorms. Een grote schok beweegt mij en mijn gele wereld en ik vlieg. En dan, met een kleinere schok is het weer stil. Doodstil. Stiller dan ooit. Ik zit op geel, maar ken het niet. Het is slap en beweegt niet. Waar is mijn wiegwieg? Ik vind de smalle groene lijn. Ik loop hard. In godsnaam, de uitweg!! Daarlangs, daarlangs is de veilige wereld. Ik ren. Maar dan knal ik aan tegen een hete zwarte leegte, een afgrond die mijn wereld als een strop omknelt. Ik snel terug naar het vertrouwde geel. Maar het kwijnt. Er is geen bries die wiegt en waait. Waar kan ik heen? De grenzen van het niets omsluiten me. Terug, gauw weer terug. Misschien is het er nog nèt, een klein stukje wereld waarlangs ik naar mijn oude wiegwieg kan. Misschien is het er. Ik ren. Maar het einde hangt in dode lucht. Ik kan niet verder. Er is alleen maar einde. Overal. Ik zoek en zoek. Terug langs de groene lijn. Terug naar mijn wiegwieg. Waar kan ik heen? Oooooo…….

.

Ik zit bij mijn vader in de auto. De rit gaat naar Denemarken, mijn broer woont er, daar gaan wij heen. Af en toe stoppen we om te rusten. Op één van de rustplekken zie ik een Italiaanse familie. Hun haren zijn zwart en hun nummerbord is Italiaans. Ze kamperen onder de groene bomen, op het grasveld van de parkeerplaats. Ik kijk uitgebreid rond. Er zijn tentjes en overal langs het terrein hangt wasgoed. Ze koken soep op de picknicktafel. Kinderen zitten op hun knieën in het zand. Het ziet er gezellig uit, maar ik denk niet dat het mag. Nou ja, ze doen maar.
Ik ga in de auto zitten en sluit de deur. We gaan bijna weg. Eén van de mannen zag mij kijken en nu loopt hij naar me toe, tot vlak bij onze auto. Met brede glimlach nodigt hij me uit, terwijl hij me kushandjes toe werpt. Ik schud van nee, en blaas een kusje terug.

 .

Dan bukt hij zich. Er staan twéé wilde viooltjes in het gras. Hij bukt en plukt er één. Met een breed gebaar geeft hij het viooltje aan mij, door het openstaande raampje. Ik lach, maar het spijt me voor het viooltje. Had hij hem maar laten staan.
Ik sluit het raam. We vertrekken. Terwijl mijn vader de parkeerplaats af rijdt, tuur ik naar het bloempje. „Er zit een beestje in“, zeg ik tegen mijn vader, die inmiddels flink gas geeft en de snelweg op rijdt. „Maak maar dood,“ zegt hij. „Nee,“ zeg ik „Ik maak geen beestjes dood. Tenzij ze ziek zijn.“
Ik leg het verwelkende bloempje op het dashbord. Ik leg het neer en kijk. Het is een heel klein beestje, lichtgeel van kleur. Ik denk niet dat het vliegen kan. Het rent heen en weer, een rondje op de snel verdorrende bloem en dan het slappe stengeltje op, tot vlak voor het zwarte dashbord. Daar houdt hij abrupt stil, als bij een afgrond. Hij doet het keer op keer. Hij kan er niet mee ophouden. De eindeloze zwarte vlakte van kunststof lijkt ontoegankelijk.

.

Mijn vader is een aardige man, maar voor kleine beestjes stopt hij niet. Later, als we langzamer rijden, draai ik het raampje open en ik gooi het miniscule diertje eruit, samen met het dode bloempje. Het verdwijnt in het kielzog van de auto, weg in de harde wind. Liever was ik er voor gestopt. Maar het is in elk geval beter dan doodgaan op een dashboard.

 

Voor elk levend wezen

geldt hetzelfde ding

Een ieder kent ellende

na ontworteling

.

.

.

Wees trager, kijk langzamer. Hèèl in het klein gebeuren schitterende dingen. Wat horen wij nou, wat zien we eigenlijk? Neem nou de krekels. Die kunnen zingen! Neem de tijd en luister langzaam. Je beweegt je zomaar op de golven van het krekelkoor, dansend het heelal in, bij dit filmpje van Jim Wilson.

 .

Tom Waits hierover: “Wilson, he’s always playing with time. I heard a recording recently of crickets slowed way down. It sounds like a choir, it sounds like angel music. Something sparkling, celestial with full harmony and bass parts – you wouldn’t believe it. It’s like a sweeping chorus of heaven, and it’s just slowed down, they didn’t manipulate the tape at all. So I think when Wilson slows people down, it gives you a chance to watch them moving through space. And there’s something to be said for slowing down the world.”

.

.

Onze bermen hebben meer bloemen nodig, voor de beestjes. Doe mee met deze campagne van Floron en de Vlinderstichting

Klik om toegang te krijgen tot floron-zoekkaart-nectarplanten.pdf

De kus

.

.

Ik ben blij dat ik twee-en-vijftig ben. Eén van de mooie dingen is, dat ik veel meer plezier heb in wat ik bereikt heb. Ik kan rustiger werken en tegelijkertijd genieten van wat ik doe. Vroeger was dat anders. Als ik ergens mee begonnen was, dan ging ik door, alles moest wijken tot ik het af had. Er kon geen praatje van af, een bezoeker kon slechts stil toekijken, terwijl ik werkte aan mijn project. En als ik het af had, dan ging ik uitgeteld drie dagen zitten kijken naar hoe mooi het was geworden. Maar dat kon ik niet altijd, want soms stond ik dan stijf van de hoofdpijn van het harde werken. Dat is lang geleden, gelukkig. Genieten tussen de regels door vergroot het geluk en maakt dat je langdurige projecten langer vol kan houden. En het is heerlijk om te delen, wat je al wèl klaar hebt.

Ik woon nu al meer dan drie weken in mijn nieuw gebouwde woonwagen. Af is het nog niet. Maar er in slapen is al heel erg fijn.

Het is vroeg in de ochtend. Ik lig in bed met ogen dicht. Als ik ze heel even open doe, zie ik door het daklicht dat het nog schemerig is. In mijn halfslaap heb ik gemerkt dat Dick er al uit is. Voor dag en dauw staat hij op om terug te fietsen naar zijn huis en werk in Eindhoven. Dat weet ik. Zo gaat het al vijf jaar, op menige maandagochtend. Het lijkt al uren geleden dat ik wakker werd omdat hij opstond. Zou hij al weg zijn? Hij zal toch niet vergeten zijn me een zoen te geven, denk ik slaperig. Dat zou wel heel vreemd zijn. Lomig luister ik en dan hoor ik hem rommelen bij zijn fiets. Ik haal opgelucht adem. Dan zal hij zo wel komen.
Ik lig met mijn hoofd bij de achterdeurtjes, waarvan er plotseling eentje opengaat. Achter het deurtje staat Dick, die recht het bed in kijkt naar mijn slaperige gezicht. Hij kijkt lachend en vertederd. Ik krijg een zoen en nog één en nog één. „Goeie reis,“ zeg ik hem, veel wakkerder dan ik me voel. „Nee, jíj een goede reis. Je gaat toch naar de verjaardag van je broer in Denemarken,” zegt hij. Ja, dat is zo. Ik heb een broer in Denemarken. Die wordt zestig en ik ga daar heen. Lang denk ik er niet over na. Het deurtje gaat dicht en als een blok val ik weer in slaap.

Het is verrukkelijk. Te genieten van dingen die al af zijn. Al van te voren had mijn vriend gezegd hoe hij zich verheugde om van buitenaf het deurtje te openen, waarachter hij mijn hoofd op het kussen kon zien liggen. Zijn ogen glommen bij het idee om mij dan in bed gedag te kunnen zoenen. En elke keer als dat gebeurt denk ik, wat een heerlijk huisje heb ik toch gemaakt. Voor die momenten doe je het toch?
Ik wel! Ik voel me nog mooier dan Doornroosje.

Almaar lichter

.

De verf van mijn nieuwe buitenkeuken is nog zacht, maar ik wil koffie zetten, met verse geitenmelk. Alles is zo nieuw!  Daar sta  ik, voelend waar de wind vandaan komt, voor het gasstel, met in de andere hand de aansteker.

.

Met twee lege flessen in de hand, sta ik bij de open deur van een kleine koele ruimte. Het is er wit betegeld en schoon. Vóór mij staat een grote roestvrijstalen tank, waarin geitenmelk is opgeslagen. De boer komt aanlopen, een veertiger met rode krullen. Ik groet hem en geef hem mijn flessen. „Ik hoef in het vervolg maar twee liter melk, want ik heb geen koelkast meer,“ zeg ik terloops. Hij kijkt zo verbaasd alsof hij een geit ziet vliegen. „Tja, ja, eeeh… “ stamelt hij, „Het kàn natuurlijk wel…. als het niet goed meer is proef je het wel!“ Ik moet stilletjes lachen om zijn gezicht. „De nachten zijn koud en ze staan in de schaduw. Als het warmer wordt maak ik een kuil,“ zeg ik.
Hij kijkt nog steeds een beetje aarzelend. „Tja, toch zal het wel niet voor niets zijn uitgevonden. Dan moet het vast handig zijn, zo’n koeling.“ meent de boer.
„Vast,“ bevestig ik zijn woorden.“Maar ik vind het leuk om uit te vinden wat er nou écht in de koelkast moet. Het valt reuze mee. Groenten kun je op een koele plek leggen met een natte doek erover. Bladgroenten kunnen in een vaas of kleine emmer met water. Dat gaat prima. Mensen doen tegenwoordig bijna álles in de koelkast! Dat vind ik zwaar overdreven.“
„Ja dat klopt. En sommige dingen mògen helemaal niet zo koel,“ is hij het met me eens.
„Zoals komkommer en banaan,” vul ik aan.
Hij lacht.

Het weg doen van de koelkast is maar één ding. Er is veel meer wat weggaat. Het zijn keuzes die dieper gaan. Vanaf mijn dertigste ben ik veel met materialen en machines bezig geweest. Mijn handen wisten steeds beter wat ze moesten doen en mijn inzicht in de materie groeide. Deze wagen is de kroon, de afsluiting van die tijd en tegelijk een nieuw begin.
Nu mijn wagen bijna af is, rijst de volgende vraag. Wil ik dit blijven doen? Bouwen, schroeven, schaven, zagen en schuren? Wil ik het gereedschap en ijzerwerk, alles wat ik al zolang met me meedraag nóg langer meenemen? Het is een zware last. Een deel ervan is nog afkomstig van de werkplaats van mijn overleden man.

Ik weet het eigenlijk best. Ik kies voor licht. Elke keer weer. Ik geef weg wat ik niet meer kan gebruiken. Handige verzamelaars zijn er blij mee. De oude ELU schaafmachine, de nieuwe cirkelzaagtafel, een paar grote lijmklemmen en de gietijzeren slijpmachine. Ik heb het allemaal in mijn handen. Uiteindelijk komt de Japanse kettinglier aan de beurt… Het is dezelfde waarmee we ooit onze prachtige tuindersvlet van de bodem hebben gehesen en gered. De boot waarmee ik vijftien jaar rondvaarten deed.
Ik kies en kies nog eens. Ik houd de basis bij me. Het moet genoeg zijn voor het dagelijkse werk rond de wagen en in de tuin. Maar ook een zware werkriem met een grote musketonhaak en het lange touw gaan mee. Ik hoop toch nog eens een hut te bouwen in een mooie boom.

Telkens denk ik, nou stop ik met weg doen. En toch blijkt het elke keer nog steeds te zwaar, te veel, wat ik heb. Bij alle keuzes die ik maak, bepaal ik mijn toekomst. Door het één uit te sluiten, worden andere wegen geopend. Ik verlang ernaar licht te zijn, met gemak te kunnen bewegen. Liever deel ik al mijn ervaringen in ideeën, tekeningen en verhalen, dan om verder te trekken als een rijdende werkplaats. Dit doel wil ik scherp houden. Dàt is belangrijk. En bij elke kist die ik wegdraag, komt mijn volgende bestemming dichterbij.

Als ik het moeilijk vind, dan denk ik dit: Er zijn mensen die kiezen voor lichtheid en anderen zijn verzamelaars. Mocht ik ooit helpen bouwen aan een natuurtempel, gemeenschapshuis of huttendorp, dan is mijn ervaring en souplesse méér waard dan dat ik allerlei materiaal meesleep. Bovendien kan ik kijken en luisteren en heb geduld. De verzamelaars hebben de spullen. Zo heeft iedereen zijn taak. Dit te beseffen, dat helpt mij kiezen. Samen dóen we het.

.

Kiezen is niet mijn liefste ding
maar een springer kiest voor matiging
De piste schoonmaken is wat ik doe
om straks en ik zal weten hoe,
op beide voeten klaar te staan
en voor de volgende sprong te gaan!

                        .

                        .

                       .

                       .

Een bed in een huis als een buik

.

.

.

Ik kan niet slapen
lig met open ogen
naar boven te kijken
naar essenhouten bogen

Ik heb geen bed
in lineaire tijd
waar ik verloren zoek
naar geborgenheid

Ik heb geen bed
in een huis dat echoot
mijn nest omarmt me
als een zachte schoot

Mijn bed is warm
mijn dak is zacht
mijn wand is stof
mijn engeltje lacht

Met ogen halfgesloten
zo duik ik met een gaap
in koesterende warmte
tot ik werkelijk slaap

.

.

.

Zomaar verhuisd

.

 

De lente is de tijd van nieuw begin. Dromen, in de winterstilte uitgegroeid tot plan, breken open als een dikke knop van een jonge loot en beginnen te groeien. Onafgesproken komt alles tegelijkertijd.

Ineens is het gebeurd. Het leek zo te moeten. Ik ben verhuisd. Het was helemaal niet mijn bedoeling, het was kennelijk zo ver. De stoffeerder heeft de kussens gebracht. En toen ze er lagen, was het gelijk een echt huis. Het huis lokte mij. „Weet je wat,” dacht ik, „ik breng er vast wat boeken naar toe.“ En na de boeken dacht ik, ik kan er ook wel wat kleren heen brengen. Zo ging het.

Met armen vol loop ik heen en weer over het veld, van mijn ene wagen naar de andere. De nieuwe is veelbelovend en blauw als de lucht van een winterse zonsopgang. De oude ziet er een beetje haveloos uit. Hier en daar bladdert de roodbruine verf en de ramen zijn vuil. Ik heb haar de laatste tijd verwaarloosd. Mijn eigengebouwde huis werd almaar mooier. Hoe dichter bij de verhuizing, hoe meer ik het verval negeerde van dat, wat ik achter zou laten. Ik verlangde naar mijn nieuwe leven.

.

Het verval van het oude, verlangend naar nieuw leven

.

Wat voor de één een vervagend leven betekent, is voor de ander een unieke kans. De vernieuwing van mijn oude wagen staat al op de drempel. Er is iemand wiens handen jeuken om aan de slag te gaan, te krabben en te schuren en blauwe luchten en bloemen er op te schilderen.
Want de oude wagen is eigenlijk al niet meer van mij. De nieuwe eigenaresse wacht tot ik klaar ben. Hoeveel geduld heeft ze nog? Terwijl ik steeds vaker heen en weer loop komt ze bij toeval aanlopen. „Mag ik even in de wagen zitten om te voelen hoe het is?“ vraagt ze „Dan kan ik vast een beetje aarden.“ Ik zeg lachend dat ik het prima vind en dat ze precies op het juiste moment komt. Ik roep haar na dat het al een stuk leger is, daar binnen.

Leegte is belangrijk voor het fantaseren. Ik houd van leegte en gun iedereen die stille veelbelovende en uitnodigende ruimte. Ruimte om dromen uit te werken.

 

Kristallen voor het raam

.

De lente is de tijd van nieuw begin. Dromen, in de winter sterk geworden, breken open als een dikke knop van een jonge loot en beginnen te groeien. Onafgesproken komt alles tegelijkertijd. Het is als dominostenen, die met zorg zijn neergezet door een onzichtbare hand. Ineens beginnen ze te vallen. Eerst eentje. Dan de volgende. En dan gaat het opeens snel. Dat is het moment. Zonder veel moeite kan er veel tot stand worden gebracht. Gewoon, omdat het er de tijd voor is. Ik ben één zo’n steentje in een heel groot veld, nietig als een zandkorrel maar tegelijkertijd is mijn bestaan net zo essentieel als een zonnestraal. Ik sta precies op de juiste plek en waarom dat weet ik niet. Ik maak er wat van, zie alles als een uitdaging en geniet. Ik werk, ik kijk, ik schrijf. Ik ben.

 

Zithoek te transformeren tot bed. Ontbrekende deel hangt er boven, met de transparante plaat er in, is het ook te gebruiken als tafel. Het ontbrekende stuk matras staat rechtop onder de linkerbank, net te zien op eerste foto.

.

Alles werkt zoals ik het bedacht had, alleen moet er hier en daar nog wat bijgewerkt worden. Als dingen in gebruik genomen worden, blijkt het soms net ietsje anders uitvallen dan berekend. Zo zakt de bedbalk iets meer door dan ik dacht, waardoor het ene kastdeurtje klemt als er iemand op zit. Het zijn maar een paar dingetjes.

Inmiddels is een groot gedeelte van de spullen over, vooral boeken en kleren. Het is verbazingwekkend hoeveel ik kwijt kan zonder dat je er iets van ziet. En ik heb nog steeds een hoop ruimte over! De grote kast onder de vloer is nog steeds helemaal leeg. Daar komen straks gereedschappen en kampeerspullen. De keukenuitrusting moet ook nog, maar daarvoor maak ik een lichte kist, die ik open kan klappen tot buitenkeuken.

 

.

Nu ik ben verhuisd en de lampjes kunnen branden, lijkt het of het af is. Maar er is nog steeds veel te doen. De raamluiken, het egaliseren van het dak, het verbeteren van het energiesysteem en nog veel meer. Iets wat klein is, een huis of een ander ding, is niet per definitie minder werk. Zeker niet als het een huis is dat 23 luiken of deurtjes heeft die open kunnen. Alles moet perfect kunnen sluiten en niets mag elkaar in de weg zitten! Bijna ongelooflijk dat dat kan, in een huis van zes vierkante meter!

.

.

.

Diepe duizelingen

Het omhelzen van de draak

.

.

Hoe heb ik mijn vrijheid gevonden? Het is een opéénvolging van keuzes, die het schier onmogelijke omhelzen. Als angsten duvels blijven die gedood moeten worden, leren we ze nooit echt kennen. Maar wanneer we ze uitnodigen in hartelijk licht en liefde, blijkt er iets wonderlijks te gebeuren. (Alowieke)

.
Ik word wakker. De zon staat al hoog aan de hemel en ik zie dat het kwart over acht is. Zonder aanleiding krijg ik een gedachte. Dat heb ik vaker ’s ochtends, als ik nog niet in beslag genomen wordt door dagelijkse bezigheden.

Ik schrijf het gelijk op, voor de gedachte weg is. Het is als één van de appelen aan een boom. Ze hebben mijn leven lang gerijpt. Nu ik de vijftig ben gepasseerd hangen de appels glanzend en met rode wangen aan de takken. Ik neem de tijd om ze te plukken. Niet voor niets heb ik radicale keuzes gemaakt, ben ik een volkomen nieuw leven begonnen. Ik deed het om tijd en ruimte te maken. En nu? Ik pluk en geef ze een plek om ze te delen.

 

Het omhelzen van de draak

.
Misschien is dat het verschil wel
tussen die dagen van vroeger en nu.
Toen gaf de koning het bevel
de draak te doden aan ridders te paard
die stortten zich dan in een vurige hel.

Maar tegenwoordig, de dag van vandaag
hangt aan elke grote klok
kent ieder het antwoord op de vraag
hoeveel koppen, ogen, werveltjes…
Verstand smoort doodsangst in de maag

Toch begint alles anders te lijken
Langzaam lijken de duisters te wijken
zo vraag ik mij verwonderd af

Stel dat die draken konden zingen
met stemmen uit al hun zeven koppen
als al die draken zingen gingen
hun schubbige schouders in liefde omarmd
hun lied omringt dan de lelijkste dingen

Stalen stoerheid kan vervagen
ridders met hun heldendom
ze winnen niet, zijn niet verslagen
hun harnassen zijn zwaar en stom
niemand die ze nog wil dragen

De warme bas van de drakentong
O, laten we de draken vragen

Om te zingen!

 

.
Dit gedichtje, zo licht en speels van aard, heeft diepe gronden. Het vertelt  over het transformeren van schaduwkanten. Als onze angsten duvels blijven die gedood moeten worden, leren we ze nooit echt kennen. Maar wanneer we ze uitnodigen in hartelijk licht en liefde, blijkt er iets wonderlijks te gebeuren.

Ik zag mijn draak onder ogen toen ik vijf-en-twintig was.

Op nieuwjaarsochtend 1991 om acht uur werd ik frontaal aangereden op een totaal verlaten Lucasbolwerk in Utrecht. De weg was leeg, ja. Behalve die éne auto. Ik had een lange emotionele nacht gehad en was met mijn hoofd ergens anders. De klap kwam vanuit het niets. Van het ene moment op het andere lag ik schreeuwend van pijn op de weg en ik zag mezelf liggen. Ik hoorde mij gillen alsof het een ander was.
Ik kwam plat op mijn rug in het ziekenhuis terecht. Ik had een arm en een been gebroken en ik werd geconfronteerd met mijn angsten, die zich als een draaikolk aan me opdrongen. Dagenlang lag ik op mijn rug met mijn been omhoog in een stelling. Ik kon er niet aan ontkomen. Ik probeer uitdrukking te geven aan wat ik voelde.

Ik keek in de diepte van een duizelingwekkend ravijn met donkere poelen zonder einde. Er was iets daar. Iets donkers en duisters, als een afzichtwekkend monster of gedrocht. Muren kwamen op me af en ik kon geen kant op. Dit was het einde.
„Okee dan!“ riep ik vanuit mijn diepste wanhoop. „Ik kan niet anders.“ Ik slingerde die woorden het universum in en wierp me blind in de diepte waar ik iets had verwacht wat erger was dan de dood. Maar wat ik er aan trof was ongelooflijk. De sprong bracht mij in de armen van mijn eigen draak. Een diepe ontspanning spoelde langs mijn benen omhoog, alsof ik gedoopt werd in stil en heilig water. Het omspoelde me van mijn kleinste teen tot kruin. De duistere poel bleek het warmste bad te zijn dat ik ooit heb gekend. De draak was mijn eigen kloppende hart.

Ik heb dit verhaal nog vaak verteld. En dan blijkt dat ik niet de enige ben, die zo’n levens veranderende klap heeft gehad. Het is een zeer grondige inwijding in het kiemkrachtige kern van het leven en een sprong in de groei naar jezelf zijn, met al je mogelijkheden en speelse nieuwsgierigheid naar de wereld en anderen.

 

Kierkegaard: “Angst is de duizeling van de vrijheid.”

.

Het breken van duister gaat vaak geleidelijk, zoals Henriëtte Holst hieronder beschrijft. Arm en rijk, nomaden of stedelingen, de Inuït op de Groenlandse ijsvlakten of een autonome Afrikaanse boer in de Savanne, iedereen leeft en leert. Wie durft te vallen, staat weer op met nieuwe inzichten. En het mag allemaal. We mògen het, keihard vallen en fouten maken! Wat een kans toch, zo’n leven op Aarde, de planeet die dat alles maar verdraagt… Boffen dat we er zijn!

Al die mensen onderweg, al die bijzondere verhalen, sterken mij in de overtuiging dat uiteindelijk, alles goedkomt. (Zelfs in Nederland, waar vallen eigenlijk niet mag. Misschien ben ik daarom wel hier.)

 

Henriëtte Roland Holst:

 

Over de rustige vastheid die ik vond

De mensen zijn in twijfel gevangen
’t gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
Ik kan bemoediging zijn voor de bangen,
de klare stem die altijd rustig spreekt,
omdat mijn hart dat geen angstvallig hangen
aan wolken kent, ziet wat door wolken breekt.

Ik werd geboren met een aard die sterk
van zelf gaat naar de kern van alle zaken
maar veel stond tussen mij in en mijn werk.
Groeiende, heb ik dat opzij gezet:
het werd al lichter, alle duisters braken
en ik zag liefde als de levenswet.

Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952)
uit: Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven (1896)

 

.

Toen ik verder zocht naar meer filosofieën hier over, ontdekte ik een Vlaming, in wiens woorden ik wel iets herken. Psychiater en hoogleraar Damiaan Denys is gespecialiseerd 
in angsten en woont in Nederland. Nederland is een bang land, constateert de Vlaming. ‘Maar angst is juist het deurtje dat ons de vrijheid toont.’

Overigens mis ik iets in zijn visie. Hij onderzoekt de hersens en spreekt niet over het hart. De verwoording van dichters omvat daarin meer dan die van wetenschappers. Het zijn twee manieren om de werkelijkheid te benaderen. Ze kunnen naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen en verrijken.

https://www.vn.nl/psychiater-filosoof-damiaan-denys/

.

 

.