Een nieuw lichtjaar is gekomen. De zon heeft zich gewend en de dagen lengen. Blijft u vooral vermenigvuldigen, vissen in de zee, kreeften op de bodem van de grachten en dieren van wie niemand weet. Beter water is op komst. Verheugt u ook in een betere bodem, gij pieren, kevers, springstaartjes. Ringmussen, blijf dansen in de lucht eet van het zaad dat rijkelijk zal groeien. Ganzen mogen gakkend overvliegen om te grazen in het land en te broeden aan verre kusten. Ik wil me verontschuldigen voor het vuurwerk, met nieuwjaar.
Het wordt een jaar dat alles mag blijven liggen. Alle mensen houden op met druk doen. Er wordt minder gereisd, meer tijd besteed aan de grond onder de voeten. Het zand in de zee mag blijven liggen en er varen bijna geen containerschepen. Ouders en jonge meiden maken weer zelf hun kleren en kinderen zullen tijd krijgen om samen zandtaartjes te bakken in de tuin. We zullen meer zaaien en minder graven, meer wandelen en minder leidingen leggen, meer genieten van weinig. Kleine mensen bouwen zandkastelen. Ze zien hoe de zee, de aarde en de wind alles weer mee neemt. Grote mensen zien het ook en zullen bescheiden worden. Ze bouwen alleen nog maar kleine huizen van hennep en leem. Er komt geen uitbreiding van wegen meer. Nieuwe bruggen hoeven ook niet, in het vervolg doen we alles per pont, lopend en op de fiets. De schipper krijgt een zoen van elke blije griet en een grijns van de buurman die eindelijk weer stromend water ziet. Vrienden nemen de tijd om samen naar de overkant te kijken, zonder er heen te hoeven. Het gras zal niet alleen maar groen zijn. Het zal overal bloeien van bloemen en kruiden en het zal fladderen en zoemen van vlinders en bijen. De regen zal zacht en groeizaam neervallen en de hele aarde zal zich hullen in een nieuw kleed van leven, dat iedereen zacht en tevreden maakt.
Ze beschermen de machtigste bossen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.
Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.
Voor mijn raam staat een man. Zijn haar is zwart, zijn huid is iets donkerder dan de mijne. Hij staat er al twee nachten. ’s Ochtends om half vijf wordt ik wakker en hij staat er nog steeds. Ik klim de hangmat uit, doe de deur open en ga naar buiten. Het is koud maar het waait niet. Maar de man is weg. Of zie ik hem toch staan daar, tussen de bomen? Hoe dan ook, hij blijft in mijn gedachten. Die man, dat is Davi Yanomami. In mijn verbeelding staat hij voor mijn raam en roept me. Hij is een sjamaan in Brazilië. Ze noemen hem Kopenawa, hoornaar, omdat hij zo strijdvaardig is. Hij vocht en vecht nog steeds. In 1985 begon de strijd voor de landrechten van zijn volk. Vier jaar later won hij de UN Global 500, als erkenning voor zijn strijd voor het regenwoud. In 1992 werd het gebied van de Yanomami eindelijk erkend door Brazilië. Het is meer dan 9,2 miljoen hectare groot, en er wonen 20.000 Yanomami.
Het land is een paradijs. Er leven tal van diersoorten en er groeien planten die je nergens anders meer vindt. Zelfs natuurparken halen het niet bij de diversiteit die er in hun gebied te vinden is. Zij leven allemaal samen in een “shabanos”, hun grote ronde huis. Sommige Westerlingen denken dat die manier van leven al honderden jaren geleden is uitgestorven. Al is het land van de Yanomami erkend in 1992, daarmee is de erkenning van hun bestaan helaas nog niet compleet. Onder president Lulu hadden ze het goed, hij beschermde hun rechten. Tot het moment dat er iets helemaal verkeerd ging. Er werd een grote oliebron gevonden in het land. Multinationals doken er meteen boven op. “Prima dat jullie komen helpen met oppompen”, zei Lulu “Maar de inkomsten zijn van ons.” Lulu wil tegelijkertijd alternatieve energiebronnen ontwikkelen en goed onderwijs in zijn land en gezondheidszorg. Dat geld kon goed gebruikt worden. Er kwam echter niks van terecht. Een slimme jurist hielp de hebberige zakenlui en wist Lulu in de gevangenis te krijgen op valse gronden. Bolsonaro kwam aan de macht en zijn invloed was desastreus. Hij trok zich niks aan van landrechten. De houthakkers en mijnbouwers konden hun gang gaan. Die inheemse mensen, die zijn alleen maar lastig, vindt hij. En die bomen van het Amazonegebied, die staan ook in de weg. De beste bomen zijn verhandelde bomen, zodat er ruimte komt voor mijnbouw en grote velden soja. De strijdlustige hoornaar staat nu machteloos aan de kant. Hij ziet hoe zijn volk ziek wordt, hoe het land in een gapend gat verandert dat steeds groter wordt. Hij wil het niet. Hij wil niet kwaad worden, maar hij kan niet anders.
Hij staat voor mijn raam. Ik heb het goed hier in mijn huisje. Ik weet dat ook ons land opnieuw moet worden hersteld, dat we moeten zorgen voor meer diversiteit. Maar hun zorgen zijn vele malen groter dan de mijne. Wat hen wanhopig maakt, bezwaart mij net zo goed. Want zij beschermen de machtigste longen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.
De volgende dag krijg ik bericht van een vriend. Of ik mijn naam wil zetten onder de politieke werkgroep, waar ik tien jaar geleden mee naar Den Haag ging. Ik staar uit het raam. . Politiek, dat is niet echt mijn ding. Maar dan denk ik aan de man, de man die voor het raam stond. En met hem tal van andere stamhoofden, sjamanen, lokale leiders en kleine boeren, die vechten voor gezond land, een gezonde aarde en voor hun volk. “Ja”, zeg ik. “Ik doe mee”.
.
Nawoord:
Lulu is dit jaar in maart vrij gekomen. De beschuldigingen waren onterecht. Volgend jaar zijn er nieuwe verkiezingen. Ik hoop dat hij wint en dat hij het land en de mensen opnieuw bescherming geeft. Ik hoop ook dat hij een streep zet door het Mercosurverdrag met Europa. Daarvoor strijdt ook onze werkgroep: “Klimaatrechtvaardigheid en voedselsouvereiniteit”. We hebben een petitie, die naar de tweede kamer gaat en de nodige ministeries. (Zie hieronder). Zulke handelsverdragen zorgen voor nóg meer houtkap en eindeloze soja-akkers. Ook voor onze eigen boeren is die concurrentie een ramp. Je kunt meer erover horen bij Zembla.Kijkbij zembla/artikelen/bord-vol-ontbossing.
Ik had zelf een haas willen fotograferen, maar ik heb er geen één meer gezien, hoe vaak ik ook uit het raam kijk. Dus dit is een uitgeknipt exemplaar, van een oude vintagekaart. Het spijt me!
.
Ik heb grond nodig, om me betrokken te voelen. Zorg voor het land verbindt ons. Ik weet dat ik op aarde te gast ben om die zorg ook te dragen.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Vijf mannen jagen op de laatste paar hazen. Ik ontdek het, wanneer ze net precies langs de overkant van de sloot lopen, vlak langs mijn huisje. Als ze me zien nemen ze meer afstand. Goed zo. Ik blijf staan kijken terwijl ze een schot lossen. In één keer raak. Een man pakt het dier bij de achterpoten en loopt verder. Ik kijk hem na. Ik zie hem nog eens omkijken in mijn richting. Hee, een nieuwe bewoner. Die hebben we hier nog niet gezien. Ik denk hetzelfde. Ik heb de jagers hier ook nooit gezien. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mag dit wel? Dan hoor ik wat aankomen. Ik kijk om. Op het pad rijdt een auto. Hij is van mijn buurman. Ik steek mijn hand op en hij stopt. Hij draait zijn raampje open en we praten er over. We zijn het eens. Jagen als er een plaag is, okee, maar ze staan op de rode lijst. Mijn buurman denkt dat ze inmiddels beschermd zijn. “Nee”, zeg ik “Nog altijd niet. Maar..” Voor ik mijn zin af kan maken, komt er vanuit het niets een haas langs ons heen scheren. Gillend van angst rent hij de bocht om, onder de haag van wilgenbomen door, achter mijn huisje langs. Een vuilgele hond zit hem achterna, kwijlend van jachtdrift. Hij is nog maar drie meter van hem verwijderd. Grommend als een beer schiet ik toe. Ik hol hem achterna, het hele veld over en zwaai breed met mijn armen. De hond taait af, schichtig omkijkend naar dat woeste vrouwbeest. De buurman maakt het af. Met zijn auto zit hij de hond op de hielen, tot het begin van Jochumsreed.
Wat ontdaan loop ik even later het veld af. In de verte lopen de jagers, richting de sloot die naar Bears loopt. Ze lopen evenwijdig aan het land van Jochum. Dat is een lang smal stuk, van acht hectare, vlak langs de Swette. Ik zie nu dat ze niet één, maar drie honden hebben. Die kunnen met elkaar een drijfjacht houden, de hazen achterna het riet in. Oppassen! Ik loop gelijk met de jagers op, zo’n honderd meter van ze af. Ik zie dat ze naar me kijken. Vlak bij de Bearservaart blijft het groepje staan. Ik weet dat hier de meeste dieren zitten. Het is het verst van de weg, en er komen zelden mensen. Er is aan twee kanten water. In die dooie hoek, tussen het riet, kunnen dieren echt tot rust komen. Daarom voelt het voor mij des te meer als heiligschennis. De jagers hebben al zoveel hectare, laat dit hoekje dan met rust! Gelukkig heb ik een zwart leren jas aan. Dat oogt stevig en stoer. De honden staan rustig naast hun bazen. De vuilgele hond kijkt mijn kant op, de kop in de nek, alsof hij me ruikt.
Ik denk aan de Yanomami indianen in Brazilië. Hoe zij de grenzen van hun land bewaken, zoals ik nu doe. Ik stel me voor hoe ze kijken naar die mannen. Ook daar hebben ze geweren. Met één verschil, die kogels zijn voor hen gevaarlijker dan voor mij. Activisten verdedigen hun leefgebied, de planten en de dierenwereld. Meerderen zijn gesneuveld. Via onze bodem zijn wij met dat net verbonden. Zelfs al woon ik duizenden kilometers verderop.
De mannen kijken nog even mijn kant op en draaien zich om. Ze lopen steeds verder van Jochums land vandaan. Een enkel schot klinkt nog luid over de vlakte. Ik zie een haas de goede kant op rennen, naar ons stuk. Hij schiet de brede rietkraag in, die langs de Swette loopt. Die te bewaken, dat is mijn doel. Ik tuur naar de handen van de jagers. Hebben ze nog meer gevangen? Het lijkt van niet. Maar ze zijn al ver weg en ik weet het niet zeker. Verder lopen ze. De mist in, met hun geweren. Even later tref ik boer Jochum in de deuropening van zijn schuur. Ik vraag hoe het zit. Mag dit hier, jagen? Zijn antwoord is duidelijk. “Ik heb dit jaar de vergunning opgezegd. Ze mogen niet meer op mijn land komen. Het gaat slecht met de hazen. Niet door de jacht, maar door de agrarische monocultuur. En om nou voor de sport die laatste hazen te laten schieten, dat is mij te bar.” Hij praat erover zonder zich op te winden. Zijn leven lang al komen er jagers, hij is het gewend. “Ze zouden maar één keer komen, zeiden ze.” Ik zucht opgelucht. Terwijl ik terugloop denk ik aan de Yanomami. En aan alle anderen die geworteld zijn op grond, die deel uitmaakt van hun identiteit. Ze maken zich sterk en niet alleen voor zichzelf. Het gaat om veel meer. Is het genoeg? Al die mensen, hoe sterk zijn wij, met elkaar? Hoe sterk, en hoe verbonden?
.
De jagers die hier komen, beweren dat de populatie niet veel verandert, ze vangen elke herfst evenveel hazen, zeggen ze. Maar hazen, en ook konijnen, staan op de rode lijst. Toch mochten de jagers dit jaar weer jagen. Het gaat nu heel hard achteruit. Vergelijk het met een worst. Je kan er steeds een stuk afsnijden en zeggen dat er niet heel veel veranderd is, ten opzichte van vorig jaar.
In de politiek is er al jaren gesteggel over het wel of niet verbieden van de jacht. In 2013 was er bijna een verbod gekomen voor plezierjacht, maar dat ging niet door omdat de PvdA het toch weer uit zijn verkiezingsprogramma haalde. Nu is de tweede kamer vóór een verbod op het schieten van specifiek hazen en konijnen. Meerdere mensen vinden dat niet wijs. De hele plezierjacht moet stoppen, anders wordt het volgende dier de klos, zoals de wilde eend. Die mogen ze nog wel schieten. De traditie van de jacht al eeuwenoud en een eventueel verbod is een emotioneel beladen onderwerp.
.
Maar eh….. Kunnen ze niet op muggen gaan schieten? Of muizen? Daarvan hebben we regelmatig teveel!.
.
.
.
Bij een drijfjacht zit er voor de hijgende haas niks anders op dan de sprong het water in. Een passant uit Sneek zag ze, bij een andere gelegenheid. De één na de ander maakte een noodsprong. Het was een rotdag, zei hij. Dat begrijp ik. Er zullen er vast hazen verdrinken zonder dat iemand er acht op slaat.
.
Artikel uit de Leeuwarder Courant, 26 dec 2021. Dit gebeurde niet ver hier vandaan, bij kennissen van ons.
Een deel van deze afbeelding komt terug in een ander verhaal: “De bestendigheidsgelofte.”
Een deel van mijn leven in vogelvlucht. Hoe ik woondeen watik mijn thuis noemde.Hoe ik de wet der wederkerigheid ontdekte, die ik niet alleen toepas op menselijke relaties, maar ook in relatie met de planten en dieren heel dichtbij, direct om mijn huis.Ze horen er allemaal bij.
Liever luisteren? Klik op de knop onder het tweede plaatje.
Er was een dag dat ik in een stenen huis woonde. Nooit had ik zorgen om de wind, de regen en er was niets wat weg kon waaien. Er was niets om vast te sjorren en een schoorsteenkapje hoefde ik niet te hebben want ik had CV. Het water en de stroom werd verzorgd door anderen en het huis werd onderhouden door de woningbouwvereniging. Dat is lang geleden. Wel vijfentwintig jaar. Hierna kwam ik in een eeuwenoude werfkelder terecht. Een heel romantisch plekje, maar je bent wel altijd bezig om je huis bewoonbaar te maken, en ook te houden. Een werfkelder vraagt ook veel energie. De stenen muren zijn tegelijkertijd het fundament van de huizen erboven. Daarom zijn ze een meter dik en warmen erg traag op. Ik moest de hele zomer blijven stoken op een laag pitje. Anders werd alles klam en vochtig en kleding begon te schimmelen in de kast. Ik heb geleerd mijn huis zo leeg mogelijk te laten zodat de lucht goed kan circuleren. Ik heb geleerd dat ventilatie erg belangrijk is en dat de wanden poreus moeten zijn en moeten kunnen ademen.
Uiteindelijk heb ik veel van de verworven wijsheden in de bouw van mijn kleine huis gestopt, met als gevolg dat ik vele malen minder hoef te stoken en altijd een heerlijk licht plekje heb. Het beddengoed voelt niet vochtig aan, de kleding schimmelt niet in de kast en ruikt gewoon fris. Een huisje klein maar fijn.
De basis is goed. Maar wat er van buiten op me af komt, dat heb ik niet voor het zeggen. Het kan stormen of de wielen zakken weg in de modder. Zo is het nu. Maar zo was het niet altijd. Ooit stond mijn wagen op een mooie ondergrond van beton. Om me heen had ik een glazen windscherm laten bouwen, op Frijlân. Dat was mijn eerste woonplek in Friesland. Ik had dat mooie scherm niet alleen voor mezelf. Dan had ik het nooit gedaan. Ik wist dat ik weer weg zou gaan. Het windscherm zou een cadeau worden aan de gemeenschap. Ik had veel aan de gemeenschap te danken, al was het dan in een andere plaats, op een ander moment. Dat was aan de Oudegracht, in die werfkelder. Het voelde als een ver verleden, de vuren op de werf aan het water, de muziek en de mensen van toen. Ik zou ze nooit van mijn leven meer bij elkaar kunnen krijgen, iedereen die er bij was. Maar dat hoeft ook niet. Ik heb geleerd dat je, wat je krijgt, niet per se aan dezelfde mensen terug hoeft te geven. Het netwerk is immers met vele lijnen aan elkaar verbonden en het voedt veel meer dan wat je kan zien. Ik weet nog dat iemand me dat uitlegde. Ik had het gevoel in het krijt te staan. Die man had zoveel voor me gedaan! “Ik vind je een mooi mens” zei hij, “En je bent met goeie dingen bezig. Daarom help ik je. Als je mij iets wilt geven, geef het dan aan een ander.” Ik voelde me verlegen en verbaasd dat ik daar nog nooit eerder bij stil had gestaan.
Het glazen windscherm wordt nu goed gebruikt. Er komen mensen bij elkaar en er wordt muziek gemaakt. Ik ben erbij, als het einde van het seizoen wordt gevierd. De trommels klinken prachtig tussen de glazen wanden, met de vloer van beton. Het is een perfecte klankkast. Overal zie ik lachende gezichten, er wordt gedanst en er worden oerkreten geslaakt. Even krijg ik kippenvel. De sfeer is precies als die ik achter liet. De feesten van toen, op de werf in Utrecht, hadden dezelfde muzikale openhartigheid als wat ik nu meemaak. Hetzelfde vuur. Is dit de wet der wederkerigheid? Dat alles bij je terugkeert als je durft te geven?
Mijn huis staat nu op een andere plek. Voor mezelf wil ik geen glazen windscherm, geen betonnen vloer. Ik hoef ook niet opgeborgen te staan in een schuur, zodat me niets kan gebeuren. Ik wil leven tussen het leven wat mij omringt. Glazen wanden geven mij het gevoel van gekooid zijn, dat ik in een aquarium zit, los van de rest. Ik maak het scherm nu van riet, dat ik rechtop tegen een wand zet. Die wand is van pallets gemaakt en goed gestut. Een windschut moet leven. Het moet langzaam vergaan, en terugkeren naar de bodem. Ik geniet er van om op die manier ruimte bieden aan andere levende wezens. Al is het maar een groep duizendpoten, die er beschutting vinden. Het is heerlijk om daar telkens weer aan te bouwen, en te zien wat er gebeurt. Ik maak er holletjes in voor de vogels. Ik zie hoe er na een uur al een hele zwerm kleine mugjes in woont. Als het winterkoninkje dat ontdekt, dan heeft hij weer eten. Maar ik heb hem nog niet gezien. Wanneer zou hij het ontdekken, mijn geliefde vogeltje? Al kijkende werk ik aan mijn plek. Vanuit mijn raam moet ik het zien. Juist wat dichtbij is, krijgt de meeste voeding. Doordat ik mezelf verzorg, verzorg ik de Aarde. Zoals ooit mijn geliefde zei: “We zijn niet alleen op de wereld.”
Het doet mij meer dan ooit beseffen: Het moet nu gebeuren. Hier, waar je bent. Op je eigen plek, en het liefst vlak voor je voeten. Het Web van Leven is overal.
.
.
Versterkt windschut met geoogst riet. Er zitten holletjes in voor insecten en voor de vogels. Doordat het jaar extreem vochtig was, was de rietoogst vele malen groter dan vorig jaar. Ik gebruik het ook voor paadjes, zodat het niet modderig wordt. Ik bouw met wat er is, ik leef samen met het leven dat zich vestigt. Ook muggen.
.
…
Tijdens het opschonen van mijn mailbox kwam ik toevallig deze architect weer tegen. Anna Heringer. Niet voor niets had ik haar opzij gezet, ze is belangrijk voor me. Waar zij voor staat als architect, datzelfde draag ik uit in mijn verhalen. Ook zegt het iets over het feit waarom mijn buren zo belangrijk voor me zijn . En over hoe ik nu mijn windschut bouw en versterk . Door haar levenswerk een plek te geven in mijn blog, hoop ik mijn keuzes nog beter toe te kunnen lichten.
Voor Anna Heringer is ‘Het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven. Denk daar maar eens over na. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby. (Artikel 360 Magazine 1-10-2020 “Natuur en bouwsector moeten bondgenoten worden.”).
In dit filmpje kun je zien hoe ze samen met een heel dorp in Bangladesh een lemen school bouwde. De materialen komen uit de streek zelf.Het is zeker inspirerend, want modder hebben wij hier ookop deze oude zeebodem (Middelsee, N. Fryslân).Zelf heb ik diverse ervaringen met klei en het bouwen ermee.In deze beelden komt de titel van dit verhaal weer terug. Een levend thuis met echte buren.
Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.
Liever luisteren? Klik opde knop onderaan de tekst.
De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.
Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.
De mens graaft en weegt en wikt
De aarde slikt en slikt en slikt
We kunnen niet meer zonder
maar straks komt het gedonder
.
Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.
“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.
De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.
Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.
Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”
We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.
.
Het rijdende verhalenhuis
kwam in Bears tot stilstand
hier weef ik mijn verhaal aan één
met het bloeiend groots verband
van water, weiden, wilgen,
en mensen van het vlakke land
.
(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)
In het spinrag van gestolde tijd wemelt het van leven.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
En hier sta ik dan. Al negen maanden. In de gevlochten wilgenhaag rond mijn veldje zit spinmot en er vliegen steeds meer karekieten heen en weer. Een heel nest jongen heeft de weg gevonden naar de dichte takkenhaag achter mijn wooncocon. Mijn onvermoeibare vlechtwerk heeft veel gedaan en de lente was vochtig en groeizaam. Op de horizontaal omgebogen takken zijn overal verticale scheuten gekomen. Gaten worden gevuld met talloze buigzame groene loten, die ik opnieuw samen vlecht. Vliegjes en motjes zoeken die plekken op, het is lekker uit de wind. Ze vormen een voedselbron. Vogels vliegen af en aan. Ik kijk er steeds naar. Ja, ik ben tevreden over mijn werk. En toch leken de afgelopen dagen eindeloos saai. Buren en gasten rijden en lopen langs, twintig meter verderop. Ik hoor af en toe het knarsen van het grind en allen gaan hun gang. Ik kijk ze stilletjes na. Als je niks terughoort over het werk wat je doet, dan vraag je je toch wel eens af voor wie je het doet. Ondanks de karekieten. Snelle keuzes worden snel beloond. Soms, niet altijd. En àls het rolt dan rolt het als een trein, die van het één naar het ander rolt. Voor gewortelde keuzes is vaak meer geduld nodig, voor het langzaam maar zeker groter groeit en gezien wordt. En dan opeens blijken bezoekers vlak om de deur te staan, de één na de ander.
.
.
“Woon je hier nog maar negen maanden? Het lijkt alsof je huisje hier al veel langer staat. Het is een gezellig hoekje, dat je gemaakt hebt.” De jongen die naast me staat kijkt bewonderend naar mijn zelfgebouwde huisje en het driehoekje gras wat er achter ligt, keurig groen en gemaaid. Aan twee kanten wordt het minituintje omzoomd door de gevlochten wilgenwanden. Er zijn gele en paarse bloemen en er is een plantenkasje. Ook ligt er een hele dikke boomstam, om op te zitten. Er is in gehakt, kennelijk wilde iemand er ooit een beeld van maken. Ja, dit is nu mijn plek. Mijn Rijdende Verhalenhuis kwam hier in november aan. Het gras was nat, de bodem begon al wat zompig te worden. Ik moest hard door blijven rijden met die kleine wieltjes van de elektrische trekhond. En het begon ook nog te regenen. Als niet snel zou zijn en tempo zou minderen dan zou het gladde rubber gaan slippen. Ik had mijn oog op de bosjes gericht. Daar moest ik stoppen. Het liefst vlák ervoor. Het was de enige plek waar ik nog enigszins beschutting kon verwachten. Dat zou ik nog hard nodig hebben. Ik wist hoe heftig hij kan zijn, die zuidwestenwind, hier in het Noorden. In volle vaart stuurde ik haaks naar links en door die beweging was meteen de vaart eruit. Vlak voor de bosjes. De buurman keek toe. “Wil je niet wat meer ruimte bij je ingang?” Nee, zei ik. Het was goed zo. En dat is het nog steeds. In volle vaart is mijn Rijdende Verhalenhuis tot stilstand gekomen. De verhalen zijn bezonken in de klei en ontkiemen weer opnieuw, in de hete zon, in de donder en de bliksem of in weer en wind, aftastend naar ruimte en voedingsstoffen. In gestolde snelheid zijn tal van kleine groeisels ontstaan.
.
Sinds het hooien in mei, is de wilgenhaag al veel dikker en groener geworden.
.
De bezoeker kijkt tevreden en steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. “Het was geweldig om het eens in het echt te zien. Als je nog eens iemand nodig hebt, dan weet je me te vinden.” Ik knik en schud hem de hand. Ik zal het onthouden. Terwijl ik terug naar binnen ga, duikt er een groepje mussen op de zonnepitten, die ik vanmorgen op de boomstam heb gelegd. De rest van de dag is stil, maar toch anders. Die avond klim ik tevreden in mijn hangmat en de volgende dag wordt opnieuw een verrassing. Ik ga mee met een groep mensen die zich sterk maken voor herstel van het landschap, we trekken er op uit, determineren grassen en zoeken uit welke kruiden er staan. We praten erover, we zien donkere luchten over het weidse landschap trekken en de blauwe lucht erachter. We worden net niet nat en zijn tevreden dat we elkaar kunnen ontmoeten. We weten allemaal hoeveel werk het is, wat er ons te doen staat. “Als je weinig terughoort over wat je hebt gedaan dan is het goed. Dan klopt het in de omgeving,” zegt een jongen. Ik zucht opgelucht. Ik denk aan de wilgenhaag bij mijn veldje. De dag gaat voorbij en ik kijk naar de mensen terwijl ze in de verte verdwijnen op hun fietsen. Het is of het water een nieuwe bedding heeft gevonden, die daar altijd al lag. Alsof dit een stam is, waarin ik altijd al thuishoorde en die verspreid over het land met hun groene vingers de ruimte doen herleven. Ik weet dat ze er zijn.
.
.
Laat de tijd maar eens stilstaan. In het spinrag van gestolde snelheid gaat het wemelen van leven. Altijd. Dat is de wet van de natuur.
De mesthoop, restanten laten vergaan waar je bent. Het voedsel verteert en verandert in vruchtbare aarde. De restanten van mijn bestaan keren terug en ook dat van de dieren. Alles om voeding te maken voor het land, zodat een rijk palet aan nieuwe dingen groeien kan.Voor mij een symbool van bestendigheid. Ik offer mijn koffer open blijf.
.
Om te luisteren naar het verhaal, klik op de knop onderaan de tekst.
.
Het is koffietijd. Ik doe de deur open van het huisje dat Dick huurt. Hij is er. Hij is er bijna altijd, sinds hij aankwam. De kleine ruimte ligt vol kleren en dozen. Vrolijk kijkt hij me aan. “Kijk! Ik heb twee koffers gekocht in het theaterwinkeltje in Jellum,” zegt Dick. Een hele grote koffer ligt op de grond, een patroon met piepkleine groene ruitjes. Een kleine bruine ligt geopend op het bed. “Alles moet er in passen. De koffers laat ik hier. Alleen de rugzak neem ik mee.” Hij gebaart naar de stapels die hij bezig is te sorteren. “Ik heb veel te veel kleren. En weet je hoeveel washandjes ik heb? Wel twintig! Ik gebruik er maar twee.” Ik kijk en knik. Zo gaat dat. Van alles is veel te veel. Als je gaat verhuizen, dan kom je er pas achter. Een goed moment om weer eens te ontspullen. Want Dick gaat op pad. Zijn plan is om twee woongemeenschappen bezoeken en daar enige tijd te blijven. Hij zal meer dan drie maanden weg zijn.
Ik zit het somber in de leunstoel te bekijken. Mijn vriend is niet de enige die er op uit gaat. Ik denk aan Jeroen, die gaat fietsen in de bossen van Scandinavië. En Syds, die Deense dichters gaat opzoeken. Iedereen lijkt weg te gaan, met een hoofd vol mooie plannen. Ik niet. Mijn toekomst is leeg. Het enige wat ik zeker weet, is dat ik de pompoenen water zal geven. Ik ga zelfs niet met Dick mee, ook niet voor een week. Nee, ik blijf hier, bij de winterkoninkjes en de karekieten. Ik zucht. Het lijkt zo saai, te blijven terwijl iedereen vertrekt. Ik zal het koffiemoment missen en het samen eten. Toch twijfel ik geen moment. Ik herinner me de afspraak, toen die dag.
Ik was zestien en zat alleen op die picknicktafel in het bos, mijn benen onder me gevouwen in kleermakerszit. Het kleine grijze boekje lag naast me: ”Hoe kan je de lucht bezitten.” De woorden erin zijn gebaseerd op de toespraak van het opperhoofd van Seattle. Ik heb de woorden in me opgezogen als water in een droge spons. De toespraak is van heeI lang geleden, uit de tijd dat de blanke man de wereld verkende en in bezit nam. De dominante beschaving die zogenaamde “wildernissen” cultiveerde en natuurvolkeren uitroeide. Het is nooit opgehouden. Die expansiedrift ten koste van anderen, het moet ophouden. Het kwam als een diep besef. Mijn leven zou het tegenovergestelde zijn. Ik zou niet de wereld in gaan, maar me juist in dienst stellen van de aarde. Ook wilde ik geen romantische dichteres worden. Aarden en planten, daar ging het om. Vuile vingers krijgen. Ja, nu kan ik het goed verwoorden allemaal, maar toen was het alleen een gevoel. Ik tastte als een blinde in het duister en had slechts een vaag vermoeden van mijn toekomst. Eén ding was duidelijk: het zaad was in goede aarde gevallen. Het boekje kwam in een stoffige kast terecht. Het raakte kwijt, maar niet vergeten. Het liet me niet meer los: Ik wilde net zo geaard worden als de Indianen uit dit boekje. En nu kijk ik naar Dick, die T-shirts inpakt. De koffers raken voller en voller. Ik voel me leger en leger. “Ik kom wel terug hoor!” zegt Dick. “Dat beloof ik.”
Okee, zo is het. Mensen komen en gaan, maar ik blijf. Als een steen in de rivier.
(Deze week heb ik mij officieel ingeschreven op het adres waar ik woon. En de koffer heb ik na de foto weer weggehaald. Hij lag daar niet om te verteren, maar om de tegenstelling van bestendigheid en vluchtigheid te laten zien.)
Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan, zoals deze kennismaking met de karekiet het begin daarvan illustreert. (Je kunt ook luisteren naar dit verhaal. Klik op de link onder de tweede foto in deze tekst.)
Het is zomer aan het worden. De Swetteblom wordt steeds meer bezocht door stadsmensen, die het drukke leven moe zijn. De rust die deze plek uitstraalt is weldadig en steeds meer mensen weten het te vinden. Er zijn weekendgasten en soms mensen die hier langere tijd verblijven. Het veldje naast de Swette is erg populair. De hele winter liep ik daar om naar de aangrenzende steiger te gaan, voor mijn dagelijks bad. Nu doe ik dat niet meer. Niet nu er mensen staan. In plaats daarvan heb ik een geheim paadje gemaakt, verderop, dwars door het riet.
Het is half acht in de ochtend. Ik haal de kleden weg die mijn kleine huis verduisterden voor de nacht en open de deur. De zon schijnt met een zacht licht. In de verte hoor ik het heldere gefluit van de winterkoning. Ik denk dat hij een tweede nest heeft in de oude wilg. Ik wikkel de handdoek om mijn heupen en zet het vast met een ijzeren knijper. Nu heb ik een groen rokje aan. Met blote voeten in de klompen stap ik het bordes af, loop om mijn wagen heen en kruip door het poortje in de wilgenhaag. Nu het veld steeds vaker bezet is door gasten, heb ik mijn eigen paadje gemaakt, naar de weg. Zachtjes loop ik over het veld, mijn klompen pletten de harde stengels van het gemaaide gras. Ik steek Jochumsreed over, de zandweg vol stenen en kuilen, die naar de boerderij leidt. Ik speur naar de plek waar ik moet zijn. Een inheemse berenklauw markeert de ingang van mijn spoor door het riet. Het is maar heel smal en omlijst door een paar brandnetels, om nieuwsgierigen af te schrikken. Het paadje gaat direct de bocht om. Mocht iemand iets opmerken, dan lijkt het net alsof het daar al ophoudt. Alleen ik weet het te vinden. Daar, in die brede strook riet, daar komt nooit iemand.
Ik houd mijn adem in, wanneer ik tussen de brandnetels door loop. Ik leerde het van mijn moeder. Houd je adem in, dan prikt het niet. Voetje voor voetje loop ik over het klomp-brede pad, de bocht om en verder. Het riet strijkt langs mijn lichaam. Dan ben ik er. Daar, aan het water, heb ik een open plek gemaakt. Het is maar een vierkante meter, en het hoge riet vormt een dichte wand rondom mij, die hoger is dan ikzelf. Er ligt een dikke laag hooi. Het is een heel fijn nestje. Een nest dat niemand weet. Niemand? Dat dacht ik maar.
Ik trek mijn shirt uit. Dan hoor ik een zacht fluitje, vlak bij mijn hoofd. En daarachter klinkt geritstel. Heel langzaam draai ik mijn hoofd om. Het zijn twee karekieten. Ze komen steeds dichter bij en gluren naar me, tussen de rietstengels door. Nog trager dan net ga ik op mijn hurken zitten. Ik kijk naar hen en zij kijken naar mij. Heel lang, want niemand heeft haast. Tot ik me herinner dat ik ging zwemmen. Ik buig me naar voren. In het water staat een trapje, diep in de modder gedrukt. Ik span mijn spieren om heel langzaam die grote stap te nemen. Via het trapje glijd ik, traag en geruisloos als een krokodil, het water in. Er is nauwelijks een rimpeling. Ik glijd tussen de drijvende plompebladeren door, zoals ik dat leerde met kunstzwemmen: de benen gestrekt en strak als een duikboot. Mijn armen houd ik dicht bij mijn lichaam en mijn handen bewegen heen en weer als de vinnen van een vis. De karekiet gaat in een rietstengel verderop zitten en fluit zijn liedje. Boven het water vliegen talloze mugjes en een klein vlindertje. Overal hoor ik karekieten. Ze zitten ongeveer om de twintig meter en sommigen vliegen al fluitend steeds heen en weer naar de overkant. Stil kijk ik om me heen. Het water is niet heel koud meer maar nog wel fris. De kou trekt langzaam door mijn armen mijn lijf in. Langzaam drijf ik terug. Net zo geruisloos glijd ik terug naar het trapje. Traag als een oosterse butohdanser kruip ik terug de wal op. Ik ben een wandelende boom, zeg ik tegen mezelf. Je ziet bijna niet dat ik beweeg. Het hooi veert onder mijn blote voet. Het is warm en zacht. In het riet hoor ik opnieuw geritsel. Kleine kraalogen gluren naar me, tussen de stengels door.
Zo kan het zijn, wanneer we plekken behouden voor de dieren. Het riet is van de karekiet, ik ben hun eerste menselijke gast. Hij vertrouwt me, want het vertrouwen is nog nooit beschaamd. Zo kan het zijn. In het drukke mensenland zijn er nog altijd plekken als deze. Kleine stroken buiten onze paden. Stroken van soms maar een paar meter breed, zo begroeid dat niemand eraan denkt het te verkennen. Soms is het een kreek, een moddersloot, en maar weinigen zullen zich vuil willen maken om te zien wat daar is. Natuur en mensen kunnen heel goed met elkaar. Als je maar stil bent. Als je maar weet dat je te gast bent, op deze wondermooie aarde. Mensen zijn geen vernietigers. Maar alleen als we onze voetstap klein houden en onze bewegingen langzaam en betrouwbaar. Tevreden zijn met niets.
Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan. Die weten op welke stukken land we de baas zijn, en waar niet. Mensen die ecologische vrijplaatsen aan kunnen wijzen en zich daarover met anderen kunnen verhouden. Met elkaar kunnen we leren hoe dat moet, hoe we ons als gast kunnen gedragen. Wat is daar? Op die paden, buiten de onze? Een verkenningstocht is prachtig. Maar mysteries moeten er blijven. Met respect voor het nest van de buren. Hoe kan je dat respect hard maken?
Wereldwijd zijn er 369 initiatieven gestart om rechten toe te kennen aan de natuur. De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Boven alles hoop ik, dat wij met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. Wil je hier meer over de rechten van de Aarde lezen, ga dan hieronder verder.
.
TIP …. Kom vanavond om half zeven naar het Hofplein bij het gemeentehuis in Leeuwarden. We demonstreren tegen de nieuwe woonwijk, die pal tegen een vogelweidegebied aan komt te liggen. Er is een milieurapport geweest. De gemeente moet driehonderd meter afstand houden, maar vertikt dat. Wij willen laten weten dat dit niet kan.
In Ecuador wordt de natuur gezien als uiting van Pachamama, de Inca-vruchtbaarheidsgodin. Je zou haar kunnen zien als “Moeder Aarde”. In de GalaposIn 2008 werd als eerste land ter wereld in de grondwet opgenomen.om de rechten van de natuur op te nemen. Pachamama heeft niet alleen bestaansrecht, maar ook het onderhoud en herstel wordt vanaf nu in de gaten gehouden. Het gaat om levenscycli, structuren, en evolutionaire processen. In 2011 was er een eerste rechtszaak, aangedragen door de bewakers. Het ging om de Vilcabamba-rivier, die had geleden onder puinophoping van een wegverbredingproject. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de rivier. De rechten van Pachamama werden wettelijk gehandhaafd. Andere landen waar de wet voor de natuur al is aangepast, zijn: Colombia, Australië en de VS. Thomas Berry, een Amerikaanse cultuurhistoricus heeft er diep over nagedacht. Wetten van de samenleving horen volgens hem voort te komen uit de wetten van de natuur. Het universum is een gemeenschap van levende onderwerpen, niet een verzameling objecten”. Ook Christopher Stone, professor in de rechten aan de Universiteit van Zuid-Californië, schreef uitgebreid over dit onderwerp in zijn baanbrekende essay, “Should Trees Have Standing”. Overal ter wereld zijn er mensen die hier over na denken en aktie ondernemen. In Bangladesh was het de Tourag rivier die nu mag bloeien en vloeien met alle rechten die erbij horen. De rivier was aan het verdwijnen doordat bedrijven en overheden zand en vervuilde grond in de rivier stortten om daarop industriële gebouwen te realiseren. Daar is nu een stokje voor gestoken. Het kan! En ook in India heeft de Ganges rechten gekregen. Lokale gemeenschappen hebben zich daarvoor ingezet. De Indische bevolking vond de vervuiling van de Ganges onacceptabel, te meer omdat ‘Ganga’ de Hindoestaanse godin van zuivering en vergeving is. Vandana Shiva komt uit India. Zij is een activistische geleerde. Ze heeft veel goeds te zeggen. Zij heeft uitgebreid geschreven over de rechten van de Aarde en Earth Democracy, De verantwoordelijkheid van lokale gemeenschappen is in haar visie erg belangrijk. Vooral de vrouw kan volgens haar verantwoordelijkheid terugnemen. De vrouw wil immers haar kinderen goed en gezond voedsel geven. Dat is eeuwenlang haar rol geweest. En gezonde kinderen kunnen alleen maar opgroeien uit een gezonde Aarde. Vandana Shiva is dan ook een prominent vertegenwoordigster van het eco feminisme. Ik ben het met haar eens dat lokale gemeenschappen belangrijk zijn. Van daaruit komt veel kracht. Ook in Nieuw zeeland is de gemeenschap druk bezig geweest. Het is voor elkaar: De berg Taranaki is nu een rechtspersoon. Ook hebben inheemse Maori voorgesteld om rechten aan de Whanganui Rivier toe te kennen. Zij wilden zeggenschap hebben over de visrechten in de Rivier. Overexploitatie kan nu een halt toe worden geroepen. Maar er zit nog een diepere motivatie achter. De Rivier wordt als een spirituele entiteit gezien en zij noemen deze ‘Te Awa Tupua’, dat is: ‘Rivier van heilige kracht’. De Rivier wordt gezien als een levend wezen en als een voorouder en levensbronnen voor de Maori’s. De Maori’s geloven dat hun welzijn en dat van de Rivier een en dezelfde zijn. Zij voelen er zich in hoge mate verantwoordelijk voor en ermee verbonden. Daar kunnen wij nog van leren. En natuurlijk zijn er meer succesvolle wetten gelanceerd voor de Aarde, in Bolivia, Mexico, Uganda. En dan heb ik nog niet eens alles genoemd.
Rechten geven aan de Waddenzee?
De gemeente Nord East Fryslan heeft een motie aangenomen, om rechten toe te kennen onze Waddenzee. Ook aan de universiteit in Nijenrode wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om dit uit te voeren. Miljoenen trekvogels komen er ieder jaar langs, het gebied bulkt van biodiversiteit. Het is een uniek getijdengebied, dat is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Toch wordt het bestaan ervan regelmatig bedreigd door een oprukkende economie. Een pijpleiding of kabel is belangrijker voor onze bestuurders. ze moeten nog veel leren. Want het moet en kàn anders. “Laten we ervoor zorgen dat ook toekomstige generaties van dit gebied kunnen genieten”, zegt professor Tineke Lambooy.
De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Milieuspecialist Jessica den Outer is één van hen. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Jessica den Ouden: ‘Met anderen pleit ik in een aantal artikelen voor het oprichten van een nieuwe publiekrechtelijke rechtspersoon, het Natuurschap. Een rechtspersoon is een juridische constructie, waardoor bijvoorbeeld een besloten vennootschap of een provincie rechten kan uitoefenen. Ook voor kleinschalige betrokkenheid is men bezig zich te organiseren. “Het nieuwe instituut” werkt aan een nieuwe organisatievorm, waarin mensen kunnen strijden voor niet-mensen. “Zoöp” gaat het heten. Het biedt handvaten om als gemeenschap aan het werk te gaan. Al is het maar voor een stuk braakliggende grond bij jou in de buurt. Juist plekken waar niks mee gebeurt, kunnen veel leven ontwikkelen. (Artikel uit Waag, met Klaas Kuitenbrouwer.)
Ik hoop dat dit alles iets teweeg gaat brengen. Dat wij gaandeweg met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. En dan hoef ik ook niet meer te schrijven. Dan kan iedereen het zelf meemaken. Toch? (Belangrijkste bronnen: IVN nieuws, Nijenrode nieuws, Wikipedia en Waag.)
Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan, aan die paal, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? (Je kunt ook luisteren naar het verhaal door de drukken op de knop onderaan.)
In mijn hangmat maak ik elke avond een deken vast, met vier touwtjes. Daar komt dan weer een schapenvacht in. Dan houd ik een warme rug, want ’s nachts kan het nog best koud worden. De volgende ochtend klauter ik er weer uit en ruim ik alles op. Ook deze ochtend is er dit ritueel, het oprollen van het dekbed, het losmaken van de touwtjes. Gisteravond was ik een touwtje kwijt. Daarom peuter ik nu een ander touwtje los. Het is een zwart koord, met een Jacobsschelp eraan. Ik heb het nog steeds vast, als ik naar buiten ga om de luiken te openen. Om één of andere reden doet het me goed, het weer in handen te hebben. Ik herinner mij de man die het me gaf, in dat piepkleine dorp aan de Waddenzee. Ik weet nog wat hij me zei: “Hier vlakbij, in St Jacobiparochie, begint de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. De pelgrims dragen deze schelp. Deze maakte ik zelf, van aardewerk. Ik geef hem aan jou. Ben jij niet ook een pelgrim?” Ik weet niet wat mijn antwoord was. Ik vond het een mooi geschenk. Ik wikkel het om mijn pols, om mijn handen vrij te hebben voor de luiken. Eenmaal buiten sta ik stil. De zon schijnt zacht door de ochtendmist, die de horizon verbergt. De sluier hangt laag boven het land, erboven wordt de lucht langzaam vaalblauw. Het belooft opnieuw een warme dag te worden.
Ik open de luiken en loop direct door, naar het Verhalenpad. Met deze mist zullen er vast veel slakken zijn. Ze houden van ontkiemde lupinen en smullen graag van de rammenas. Ik vraag me af, zouden de plantjes weten dat ik eraan kom? Zouden ze zachtjes roepen: “Kom, kom, anders ben ik al mijn blaadjes kwijt!” Ik weet het niet. Zo voelt het wel. Ik loop iets sneller, blote voeten door het bedauwde gras. Boven mijn hoofd hoor ik het geflapper van tientallen vleugels. Het zijn de houtduiven die in de wilgen de nacht door hebben gebracht. Ze zijn nog altijd bang voor mensen. Ook voor mij. Ze vliegen de Swette over, naar de akker aan de overkant en strijken neer tussen de bleke staken van de mais, die er vorig jaar stond. Ik rol mijn pyamabroek op om hem droog te houden. De lange halmen aaien mijn benen en hij wordt toch nat. Het is nog vroeg en helemaal stil. Vanzelf loop ik nu veel langzamer, om alles in me op te nemen. De boterbloemen en de donkere halmen van het bloeiende gras. De twee platgetreden paden die naar het hek leiden, een kleine en een bredere. Vroeger liep ik over het hazenpad, maar dat doe ik nu niet meer. Ik ga nu altijd over het mensenpad en heb respect voor het hunne. Vlak voor het hek vallen de paden even samen, maar daarachter gaan de dieren linksaf, terwijl ik rechtdoor ga.
Voor dat hek, daar sta ik nu. Het is een zwaar ijzeren hek, en het is altijd dicht. Ik ga eromheen, over het smalle randje beton, tussen de brandnetels door. Onder mij is de sloot en ik hoor kikkers kwaken als een koor. Je kan verschillende stemmen horen, zachte en harde. Terwijl ik daarnaar luister haal ik zonder nadenken het koord van mijn pols af. Ik hang het om de dikke paal heen, gemaakt van meerpalenhout. Zonder erbij stil te staan loop ik verder. Ik werk de hele dag door. Als ik het op de terugweg weer zie hangen, verbaast het me. De symboliek is bijna magisch. Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan,, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? Wat zal dit mij nog meer vertellen, in de mist van de tijd? Alles wat groeit ademt toewijding aan het leven. En ik maak er deel van uit. Hier. Trouw aan mezelf. Wat er ook gebeurt.
.
.
Ik ben geboeid door het verhaal achter deze schelp. Elk nieuw pad maakt een begin van iets.De Jacobsschelp is het symbool van geboorte of wedergeboorte. In het schilderij ‘De Geboorte van Venus’ van Boticelli zie je de mooie Venus. Ze stijgt op uit een schelp, die de edele delen van het vrouwenlichaam verbeeldt. De vrouw, die het leven baart. De betekenis van de Jacobsschelp komt dus voort uit een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite. Net als zoveel andere is dit door de katholieke kerk overgenomen. Er bestaat een legende over. Om het symbool voor zijn pelgrimstocht over te nemen moest Santiago iemand terug doen komen van de dood. Hij redde een ruiter die verdronken was in zee. Toen hij terug kwam met de man in zijn armen, was Santiago overdekt met deze schelpen. Zo werd de schelp het symbool van pelgrimage naar Galicië.De symboliek bleef ook op andere manieren in de Christelijke traditie bestaan. De schelp werd de doopschelp in de kerk. De pasgeborene werd met dit water verwelkomt in het leven.Zulke krachtige symbolen gaan ver terug in de geschiedenis van onze voorouders. Des te meer iets om te koesteren.
“Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” (Je kan ook luisteren naar dit verhaal, zie de knop onder de tekst!)
.
Op de markt hebben ze hele mooie aardperen. Speciaal daarvoor ben ik gegaan, vandaag. Ik weet dat deze twee keer zoveel kiemkracht hebben door een speciale veredeling. Nu staat mijn fiets tegen de bagagekar geleund en ik pak de schat uit de fietstas. Het is wel twee kilo, gehuld in een bruine kartonnen zak. Het is altijd een uitstapje, om naar de markt te gaan. Je spreekt boeren en handelaren en dat vind ik inspirerend. Ik ben net thuis en loop over het platgetreden pad, door het lange gras, naar mijn landje toe. Ik zet de zak pootgoed bij het hek en kijk om me heen. Na een grijs begin is de zon gaan schijnen. Het gras is nat, maar daar heb ik geen last van, met mijn hoge laarzen aan. De regen is eindelijk weggetrokken en de hoge halmen groeien hard en de brandnetels ook. Slakken hebben zich door het vocht sterk vermenigvuldigd en ik zie ze overal lopen, tussen het plant en zaaigoed, op het kronkelpad, en op de uitgetrokken bergen brandnetels en gras. Drie keer per dag ga ik overal langs om ze te vangen en bij de sloot weer uit te zetten. Ik weet nu waar ze vandaan komen. Onder de brandnetels groeit mos. Als je dat wegtrekt zie je witte glazige bolletjes. Ze lijken precies op de bolletjes die vroeger in de vullingen van onze vulpen zaten. We spaarden ze. Daarvoor moest je veel geduld hebben, want zo’n pen is niet zomaar leeg. Dit zijn er veel meer! Daar komen straks ontelbaar veel slakjes uit. Ik scheur een lap mos weg en ontdek nog zo’n kunstig bouwwerk van glazen bolletjes. Met mijn handen schep een hap grond weg inclusief het nageslacht van de slak. Dan gooi ik het ver weg, het veld in.
Op dat moment zie ik iemand bij het hek. Een bekende gast, al weet ik haar naam niet. Ze zwaait uitbundig en ik loop naar haar toe. “Héé hoe is het! Ja, wij zijn op vakantie, eindelijk kan het weer eens, het wordt prachtig weer hè?” Ik kijk naar hun camper, die verderop achter de bosjes staat. Ze vertelt verder. “Ik geloof dat ik alles series op Netflix zowat gezien heb, in het afgelopen jaar. Ik ben blij dat we dadelijk weer vrij onze gang kunnen gaan. Weg van het beeldscherm! En ga jij ook nog ergens heen? Friesland verkennen?” “Ik ben waar ik ben,” zeg ik vastbesloten. Ik wil haar meer zeggen, een blijk van herkenning geven, of een hart onder de riem. Ik zoek naar woorden. ,Ik begrijp je denk ik wel,” zeg ik haar. “Ik voel het ook trekken. Van de week keek ik voor het eerst sinds lange tijd naar een film. De landschappen waren geweldig. Toen het afgelopen was ervoer ik het contrast. Wat stelt het gewone leven nou eigenlijk voor, dacht ik. Slakken rapen en brandnetels wieden. Het duurt zo lang voor het paradijs er is, dat ik voor me zie! Het groeit traag en met tal van obstakels. In die film was alles er al. Met muziek en al. Heerlijk. Het is zo verleidelijk om daarin te vluchten!” Ik stop met praten. Ze kijkt me aan, in afwachting of ik nog meer ga zeggen. Haar donkere krullen wapperen in de lichte bries, die er hier bijna altijd is, in dit open weideland. “En jij?” vraag ik. Ze kijkt me verward aan. “Wat bedoel je?” Ik zoek naar woorden. “Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” Die vraag komt onverwacht. Peinzend leunt ze over het stalen hek heen en staart in de sloot ernaast. Een kikker kwaakt kneuterig voor zich uit, maar ik zie hem niet.”Ik weet het niet,” zegt ze. “Ik zou ook wel willen blijven waar ik ben. Net als jij. Heel geduldig. Maar mijn wereld is zo klein en er is zo weinig natuur. We snakken ernaar. En naar muziek en dansen op het strand. Het lijkt allemaal zo lang geleden!” Ik kijk haar aan. “Er zullen velen zijn zoals jij. Het duurt lang. Het leven is ingewikkeld geworden. De problemen zijn nog lang niet voorbij. Maar we zullen zien wat het ons brengt. Ik houd me in elk geval bij mijn voornemen.” Ze knikt bevestigend. “Ik wens je veel succes. Ik hoop dat ik dat ook kan, op een dag.” Ze is even stil en gaat dan verder. “Zullen we op een dag écht iets te vieren hebben? Dansend op het strand? Een dag dat alles goed is?” vraagt ze me en gaat door, zonder het antwoord af te wachten. “Ik hoop het,” zegt ze zacht. De kikker kwaakt hard terug, als een plechtig “Amen.”
.
Luister hier naar het verhaal.
.
.
Het leven dichtbij huis hoeft niet saai te zijn. Madelon Oostwoud laat zien wat een weelde aan eetbare planten je kan laten groeien in slechts een kleine stadstuin.