Verhalen in de mist van tijd

.

.

Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan, aan die paal, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? (Je kunt ook luisteren naar het verhaal door de drukken op de knop onderaan.)

In mijn hangmat maak ik elke avond een deken vast, met vier touwtjes. Daar komt dan weer een schapenvacht in. Dan houd ik een warme rug, want ’s nachts kan het nog best koud worden. De volgende ochtend klauter ik er weer uit en ruim ik alles op. Ook deze ochtend is er dit ritueel, het oprollen van het dekbed, het losmaken van de touwtjes. Gisteravond was ik een touwtje kwijt. Daarom peuter ik nu een ander touwtje los. Het is een zwart koord, met een Jacobsschelp eraan. Ik heb het nog steeds vast, als ik naar buiten ga om de luiken te openen. Om één of andere reden doet het me goed, het weer in handen te hebben. Ik herinner mij de man die het me gaf, in dat piepkleine dorp aan de Waddenzee. Ik weet nog wat hij me zei: “Hier vlakbij, in St Jacobiparochie, begint de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. De pelgrims dragen deze schelp. Deze maakte ik zelf, van aardewerk. Ik geef hem aan jou. Ben jij niet ook een pelgrim?” Ik weet niet wat mijn antwoord was. Ik vond het een mooi geschenk. Ik wikkel het om mijn pols, om mijn handen vrij te hebben voor de luiken. Eenmaal buiten sta ik stil. De zon schijnt zacht door de ochtendmist, die de horizon verbergt. De sluier hangt laag boven het land, erboven wordt de lucht langzaam vaalblauw. Het belooft opnieuw een warme dag te worden.

Ik open de luiken en loop direct door, naar het Verhalenpad. Met deze mist zullen er vast veel slakken zijn. Ze houden van ontkiemde lupinen en smullen graag van de rammenas. Ik vraag me af, zouden de plantjes weten dat ik eraan kom? Zouden ze zachtjes roepen: “Kom, kom, anders ben ik al mijn blaadjes kwijt!” Ik weet het niet. Zo voelt het wel. Ik loop iets sneller, blote voeten door het bedauwde gras. Boven mijn hoofd hoor ik het geflapper van tientallen vleugels. Het zijn de houtduiven die in de wilgen de nacht door hebben gebracht. Ze zijn nog altijd bang voor mensen. Ook voor mij. Ze vliegen de Swette over, naar de akker aan de overkant en strijken neer tussen de bleke staken van de mais, die er vorig jaar stond. Ik rol mijn pyamabroek op om hem droog te houden. De lange halmen aaien mijn benen en hij wordt toch nat. Het is nog vroeg en helemaal stil. Vanzelf loop ik nu veel langzamer, om alles in me op te nemen. De boterbloemen en de donkere halmen van het bloeiende gras. De twee platgetreden paden die naar het hek leiden, een kleine en een bredere. Vroeger liep ik over het hazenpad, maar dat doe ik nu niet meer. Ik ga nu altijd over het mensenpad en heb respect voor het hunne. Vlak voor het hek vallen de paden even samen, maar daarachter gaan de dieren linksaf, terwijl ik rechtdoor ga.

Voor dat hek, daar sta ik nu. Het is een zwaar ijzeren hek, en het is altijd dicht. Ik ga eromheen, over het smalle randje beton, tussen de brandnetels door. Onder mij is de sloot en ik hoor kikkers kwaken als een koor. Je kan verschillende stemmen horen, zachte en harde. Terwijl ik daarnaar luister haal ik zonder nadenken het koord van mijn pols af. Ik hang het om de dikke paal heen, gemaakt van meerpalenhout. Zonder erbij stil te staan loop ik verder. Ik werk de hele dag door. Als ik het op de terugweg weer zie hangen, verbaast het me. De symboliek is bijna magisch. Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan,, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? Wat zal dit mij nog meer vertellen, in de mist van de tijd? Alles wat groeit ademt toewijding aan het leven. En ik maak er deel van uit. Hier. Trouw aan mezelf. Wat er ook gebeurt.

.

.

Ik ben geboeid door het verhaal achter deze schelp. Elk nieuw pad maakt een begin van iets. De Jacobsschelp is het symbool van geboorte of wedergeboorte. In het schilderij ‘De Geboorte van Venus’ van Boticelli zie je de mooie Venus. Ze stijgt op uit een schelp, die de edele delen van het vrouwenlichaam verbeeldt. De vrouw, die het leven baart. De betekenis van de Jacobsschelp komt dus voort uit een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite. Net als zoveel andere is dit door de katholieke kerk overgenomen. Er bestaat een legende over. Om het symbool voor zijn pelgrimstocht over te nemen moest Santiago iemand terug doen komen van de dood. Hij redde een ruiter die verdronken was in zee. Toen hij terug kwam met de man in zijn armen, was Santiago overdekt met deze schelpen. Zo werd de schelp het symbool van pelgrimage naar Galicië. De symboliek bleef ook op andere manieren in de Christelijke traditie bestaan. De schelp werd de doopschelp in de kerk. De pasgeborene werd met dit water verwelkomt in het leven. Zulke krachtige symbolen gaan ver terug in de geschiedenis van onze voorouders. Des te meer iets om te koesteren.

Snakken naar de dans

.

.

“Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” (Je kan ook luisteren naar dit verhaal, zie de knop onder de tekst!)

.

Op de markt hebben ze hele mooie aardperen. Speciaal daarvoor ben ik gegaan, vandaag. Ik weet dat deze twee keer zoveel kiemkracht hebben door een speciale veredeling. Nu staat mijn fiets tegen de bagagekar geleund en ik pak de schat uit de fietstas. Het is wel twee kilo, gehuld in een bruine kartonnen zak. Het is altijd een uitstapje, om naar de markt te gaan. Je spreekt boeren en handelaren en dat vind ik inspirerend. Ik ben net thuis en loop over het platgetreden pad, door het lange gras, naar mijn landje toe. Ik zet de zak pootgoed bij het hek en kijk om me heen. Na een grijs begin is de zon gaan schijnen. Het gras is nat, maar daar heb ik geen last van, met mijn hoge laarzen aan. De regen is eindelijk weggetrokken en de hoge halmen groeien hard en de brandnetels ook. Slakken hebben zich door het vocht sterk vermenigvuldigd en ik zie ze overal lopen, tussen het plant en zaaigoed, op het kronkelpad, en op de uitgetrokken bergen brandnetels en gras. Drie keer per dag ga ik overal langs om ze te vangen en bij de sloot weer uit te zetten. Ik weet nu waar ze vandaan komen. Onder de brandnetels groeit mos. Als je dat wegtrekt zie je witte glazige bolletjes. Ze lijken precies op de bolletjes die vroeger in de vullingen van onze vulpen zaten. We spaarden ze. Daarvoor moest je veel geduld hebben, want zo’n pen is niet zomaar leeg. Dit zijn er veel meer! Daar komen straks ontelbaar veel slakjes uit. Ik scheur een lap mos weg en ontdek nog zo’n kunstig bouwwerk van glazen bolletjes. Met mijn handen schep een hap grond weg inclusief het nageslacht van de slak. Dan gooi ik het ver weg, het veld in.

Op dat moment zie ik iemand bij het hek. Een bekende gast, al weet ik haar naam niet. Ze zwaait uitbundig en ik loop naar haar toe. “Héé hoe is het! Ja, wij zijn op vakantie, eindelijk kan het weer eens, het wordt prachtig weer hè?” Ik kijk naar hun camper, die verderop achter de bosjes staat. Ze vertelt verder. “Ik geloof dat ik alles series op Netflix zowat gezien heb, in het afgelopen jaar. Ik ben blij dat we dadelijk weer vrij onze gang kunnen gaan. Weg van het beeldscherm! En ga jij ook nog ergens heen? Friesland verkennen?” “Ik ben waar ik ben,” zeg ik vastbesloten. Ik wil haar meer zeggen, een blijk van herkenning geven, of een hart onder de riem. Ik zoek naar woorden. ,Ik begrijp je denk ik wel,” zeg ik haar. “Ik voel het ook trekken. Van de week keek ik voor het eerst sinds lange tijd naar een film. De landschappen waren geweldig. Toen het afgelopen was ervoer ik het contrast. Wat stelt het gewone leven nou eigenlijk voor, dacht ik. Slakken rapen en brandnetels wieden. Het duurt zo lang voor het paradijs er is, dat ik voor me zie! Het groeit traag en met tal van obstakels. In die film was alles er al. Met muziek en al. Heerlijk. Het is zo verleidelijk om daarin te vluchten!” Ik stop met praten. Ze kijkt me aan, in afwachting of ik nog meer ga zeggen. Haar donkere krullen wapperen in de lichte bries, die er hier bijna altijd is, in dit open weideland. “En jij?” vraag ik. Ze kijkt me verward aan. “Wat bedoel je?” Ik zoek naar woorden. “Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” Die vraag komt onverwacht. Peinzend leunt ze over het stalen hek heen en staart in de sloot ernaast. Een kikker kwaakt kneuterig voor zich uit, maar ik zie hem niet.”Ik weet het niet,” zegt ze. “Ik zou ook wel willen blijven waar ik ben. Net als jij. Heel geduldig. Maar mijn wereld is zo klein en er is zo weinig natuur. We snakken ernaar. En naar muziek en dansen op het strand. Het lijkt allemaal zo lang geleden!” Ik kijk haar aan. “Er zullen velen zijn zoals jij. Het duurt lang. Het leven is ingewikkeld geworden. De problemen zijn nog lang niet voorbij. Maar we zullen zien wat het ons brengt. Ik houd me in elk geval bij mijn voornemen.” Ze knikt bevestigend. “Ik wens je veel succes. Ik hoop dat ik dat ook kan, op een dag.” Ze is even stil en gaat dan verder. “Zullen we op een dag écht iets te vieren hebben? Dansend op het strand? Een dag dat alles goed is?” vraagt ze me en gaat door, zonder het antwoord af te wachten. “Ik hoop het,” zegt ze zacht. De kikker kwaakt hard terug, als een plechtig “Amen.”

.

Luister hier naar het verhaal.

.

.

Het leven dichtbij huis hoeft niet saai te zijn. Madelon Oostwoud laat zien wat een weelde aan eetbare planten je kan laten groeien in slechts een kleine stadstuin.

Leven dat groeit onder je voeten.

.

Vitale fossielen

.

.

Als deze oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. (Onder de tekst staat de knop om het verhaal te beluisteren.)

Er zijn plekken waar de tijd stil staat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

“Blijf”.

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt te voorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

.

.

.

De eerste meiregen

.

.

Ik kijk door de kier van de deur. Snel vliegen de wolken door de hemel, als witte droomboten met bollende zeilen. De hopi indianen zagen ze ook. Als het regende, zoals nu, dan werd het land gezegend door de wolkenmensen, die zo neerdaalden en rivierenmensen werden, die terugstroomden naar de zee, om dan weer op te stijgen, de hemel in, als waterdamp.

(Ga naar het voorgelezen verhaal door te klikken op de audiobalk onderaan.)

.

.

Als bij toverslag is het weer veranderd. Viel er gisteren nog een stortbui, vandaag verkwikt een zacht regenbuitje het land. Ik heb de kruiwagen aan de kant gezet, en zit op de drempel van een schaftkeet, die tijdelijk in de berm is gezet. Inmiddels is dat al een half jaar. Hij heeft maar twee wielen. De ingang is scheef omhoog gekieperd en mijn voeten bengelen de afgrond in. De deur hangt op een kier. De regen valt er tussendoor, nog net op mijn knieën. Het is maar een beetje, ik vind het niet erg. Ik luister naar de drukke karekiet in het riet en de ratelende rietzanger. Ik kijk door de kier naar de wolken. Ze zijn net zoals ik ze als kind al tekende, een platte onderkant en een wollige schuimkraag van boven. Ze vliegen snel door de lucht. Boven ons hangt een dikke grijze wolk leeg te regenen, maar aan de horizon zijn ze wit en talrijk als een glanzende kudde schapen.

Als zestienjarige keek ik naar de lucht met heimwee. Het leek of ik daar thuishoorde. Ik zou zo weg kunnen vliegen, het licht in van de ondergaande zon en me op de roze wolken kunnen vlijen. Maar ik wist, dit is niet het moment om weg te vliegen. Geboren worden is al heel wat. En nu werd ik volwassen. Ik moest leren landen met handen en voeten in aarde, zonder de wolken te vergeten. Opgroeien, als een boom.

Ook later heb ik de wolken gezien. Dat was na de dood van mijn grote liefde. Op dat moment leefde ik in een grensgebied, mijn hand reikte uit naar hem, die aan de andere kant was. Vooral in mijn dromen. Op een nacht liep ik over een luchtbrug, een hangbrug die nergens begon en nergens eindigde. Het had een leuning van zacht touw. Ik liep erover en opeens was daar het einde. Witte wolkenkoppen lokten me om in weg te zakken. Maar voor ik een stap verder kon doen, stond daar een man. Ik kon niet om hem heen. Hij schudde zijn hoofd. “Nee,” zei hij zonder woorden, “Jij nog niet. Jij hebt nog iets te doen.” Verbaasd werd ik wakker. Kippenvel.

Wolken zijn niets anders dan waterdamp. Water is leven. Wij mensen bestaan ook voor een heel groot deel uit water. De Hopi indianen geloven dat we, wanneer we dood zijn, opstijgen als waterdamp, en dat we dan wolkenmensen worden. De Hopi hebben vele duizenden jaren geleefd, dit gelovende, met respect voor al het leven. Als het regende, dan werd het land gezegend door hun voorvaderen, door de wolkenmensen, die zo neerdaalden en rivierenmensen werden, die terugstroomden naar de zee, om dan weer op te stijgen, de hemel in, als waterdamp. Snel vliegen de wolken nu door de hemel, als witte droomboten met bollende zeilen. Ik kijk door de kier van de deur. Langzaam wordt de regen minder. Ik ga naar buiten. Ik was mijn handen met het natte gras. En nóg een keer. Met mijn natte handen verfris ik mijn gezicht. Heerlijk. Het doet me goed. Dan loop ik terug, het Verhalenpad op, om aardperen te planten, reuzenriet en gele lupinen.

Die avond eten we rode kool met aardappelen van de markt. Opeens zegt mijn vriend Dick: “Weet je wel dat het 1 mei is? Het is Beltane. Jij hebt mij vertelt wat dat is. Een Keltisch vruchtbaarheidsfeest.” Langzaam dringt het tot mij door. Vandaag wás het! Er zijn twee feesten, Beltane in de lente, en Samhain in de herfst. Op die momenten is de grens tussen de wereld van de levenden en de doden het kleinst. De dauw die dan op het gras ligt is heilig en doet alles groeien. Was je met de zachte meiregen van de eerste mei, en het maakt je vruchtbaar en mooi, van binnen en van buiten. Op één mei zijn de wolkenmensen bij ons, als een voltallig orkest, om ons en de aarde te helpen om tot bloei te komen.

Wist ik dat? Terwijl ik daar zat en de regen bewonderde? Toen ik mijn handen waste en mijn gezicht? Vast! Ik geloof het. En daar kan de wereld nooit slechter van worden. Kijk naar de Hopi indianen, die duizenden jaren hun cultuur hebben kunnen behouden. Samen brengen wij de magie terug. Het water verbindt ons.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

Over de Hopi's.
De Hopi-indianen wonen al duizenden jaren in het noordwesten van Arizona. Hopi' kan worden vertaald als een vreedzaam persoon. Deze Zuidwest-Amerikaanse Indianen bewonen een gebied dat de Black Mesa wordt genoemd, een plateau dat 300 meter boven de omliggende graslanden uitsteekt en naar deze plek verwijst als het centrum van het universum. Ze zijn volledig omgeven door het veel grotere Navajo-reservaat.
Hopi woonde in pueblos of adobe-huizen gemaakt van gedroogde klei en steen. Ze hadden platte daken en meerdere niveaus waar je kwam via een ladder. Eerst had je een ondergrondse catacombe, genaamd een Kiva, bedoeld voor religieuze ceremonies. De bovenste verdiepingen bevatten appartementen zodat de hele familie in het huis kon wonen.
De Hopi-taal is een complexe en moeilijke taal die afstamt van de Azteekse taal en geen verband houdt met andere pueblo-talen. De taal staat bekend om zijn unieke uitdrukking van tijd- en ruimte, die totaal anders is dan onze Westerse tijdsbeleving. 
Land- en tuinbouw waren de hoeksteen van het traditionele Hopi-leven. Met meer dan twintig verschillende maïsvariëteiten, waaronder geel en blauw, was het het meest voorkomende gewas. Ze verbouwden ook pompoen, niet alleen om te eten, maar ook om instrumenten en gebruiksvoorwerpen van te maken. Pompoenen en bonen werden tussen de mais in gezet. De bonen klommen in de mais en gaven de voedzame plant zijn stikstof, en de pompoenen hielden de bodem bedekt en vochtig. Te samen noemt men ze ook wel “De drie gezusters”. Op die manier put je het land nooit uit. Ze verbouwden ook zonnebloem om kleurstoffen en oliën te maken en katoen en tabak.
De Hopi waren bekwame ambachtslieden en hadden een speciale flair voor het maken van aardewerk en ingewikkeld geweven tapijten.
Hopi-aardewerk is zelfs een van de meest herkenbare van alle aardewerkstammen met zijn levendige kleuren en duidelijke hiërogliefen. Het prachtige werk vereist veel aandacht voor detail en urenlang hard werken. Alles wat ze maakten werd gebruikt in het dagelijks leven.
Uit: Native American Indian facts.

Bekijk hier hun verhaal: https://www.pbs.org/video/hopi-origin-story-dc0awe/

.

.

.

Scheur

.

.

“Crack.” Listen here to the spoken story of twelve minutes
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna dertien minuten

.

Ongerepte natuur en menselijke activiteiten zijn onverenigbaar, zo besloten Amerikaanse mannen in 1864. Zo dacht men anderhalve eeuw lang, op het noordelijk halfrond. Misschien komt er nu een scheur in die gedachte. Een scheur waar het licht door valt. Net zoals de zon, die grauwe herfstsluiers doorbreekt.

Al dagenlang hangt er een mist over de weilanden. De meeuwen, wulpen en kieviten houden zich stil. In een wereld die vlak voor je voeten ophoudt, valt er weinig te vertellen. Je soortgenoten zijn onzichtbaar en je vijanden ook. Er is alleen maar het grote niets, het einde van de wereld. Voor mij is dit een heilig moment, zo vlak voor de zonnewende. De tijd staat stil. Als een dik velours gordijn dat gesloten blijft tot het grote moment aanbreekt. Maar ondanks de stilte ben ik onrustig.
Ik lig in mijn hangmat en kan niet slapen. Al uren lig ik klaarwakker te wezen. Mijn armen en benen hebben eerder zin in rennen en zwaaien dan in rusten. Ik kan er beter uit gaan. Ik doe het licht aan. Het is vier uur. Als ik de deur open, is het mistgordijn nog dikker dan anders. Er is geen zuchtje wind. Het is stil. Doodstil. Zelfs geluiden van de auto’s op “de Haak,“ de grote weg vanuit Leeuwarden, ontbreken. Er is niets en niemand dan ik. Ik stap met blote voeten in mijn klompen en loop door het gras in een wereld van wolk. Ik loop naar de steiger, glad van vocht, en loop voorzichtig naar het water toe. Zacht glinstert het me toe, als een beslagen spiegel. De Swette maakt me rustig. Ik loop terug en ga weer naar binnen en val meteen in slaap.

De volgende dag breekt langzaam de zon door. Door sluierwolken heen wordt het steeds helderder en alles leeft op. Het dierenleven laat opgetogen van zich horen. Op het weiland barst een orkest aan geluiden los, de wulpen, die op doorreis zijn, roepen elkaar van alle kanten. En ik, ik voel me geroepen, net als zij! Ik wandel het pad af. Een gans vliegt gakkend op, weg van het groepje ver weg in de wei. Met uitgestrekte halzen staan ze naar mij te kijken. Aan de andere kant van het pad zijn de meeuwen. Ze schreeuwen weer net zo balorig als twee weken geleden, voor de mist alles in sluiers verhulde. Ergens in de sloot kwaken gemoedelijk een paar eenden, tot ze mij opmerken en geschrokken wegvliegen. En dan hoor ik de ijle stem van de graspieper. Het kleine vogeltje vliegt hoog over mij heen, deinend als op golven. Ik loop langzaam, met trage stappen, in de hoop dat ze zich niet aan mij storen. Dat helpt maar gedeeltelijk. Ze blijven op hun hoede. Ik ben immers een mens.

Weten die dieren het nog wel? Niet alle mensen zijn zo luidruchtig en alleen op hun eigen doel gericht. Ik ben niet de eerste die zo stil loopt. Ik moet nog flink oefenen om het zo goed te kunnen als mijn voorgangers. Dát ze dat deden, dat lees ik in het boek, dat thuis op de vensterbank ligt: “Conservation refugees.” Tenminste vierduizend jaar leefden er andere beschavingen en culturen, die op een heel andere manier met het leven op aarde omgingen dan wij nu. Sommigen noemen we indianen. Die bedoel ik. Want die konden pas stil lopen! Hun voetstap was niet zwaarder als dat van een vogel. Het waren geen figuren uit een romantische mythe. Ze waren er en ze zijn er nog steeds. Talloze antropologiestudies laten zien dat er veel aarde gerichte culturen ruw naar de zijlijn zijn geschoven. Culturen die volkomen duurzaam leefden en voedsel verbouwden in een kringloop met de natuur.
Maar Columbus kwam en de Conquistadores volgden hem. Ze reden te paard door Zuid Amerika, en lieten zich op gruwelijke wijze gelden. De VOC werd opgericht. Europeanen veroverden de wereld. In de negentiende eeuw ging het hard, tegelijk met de stoommachine verhief zich één beschaving boven de rest. Steden en gebouwen groeiden en de expansiedrift werd er alleen maar door aangewakkerd. Blanke mannen verklaarden hun cultuur als de beste. Unieke methodes van voedsel verbouwen werden stap voor stap weggeveegd om plaats te maken voor allemaal dezelfde akkers. Kleine boeren werden gedwongen om moderne landbouwmethodes over te nemen en raakten diep in de schulden. Vruchtbare aarde viel uitéén tot stof. Duizenden natuurparken werden aangelegd uit angst dat de mens het resterende leven op aarde zou vernietigen en daardoor uiteindelijk zelf ten onder zou gaan. De mensen die er woonden moesten vertrekken. Miljoenen waren het. Er werd een scheiding getrokken tussen geïdealiseerde ongerepte natuur en menselijke bedrijvigheid. Want dit was onverenigbaar, zo schreef J.P. Marsh al in 1864 en velen waren het met hem eens. En zo dacht men anderhalve eeuw lang.

Komt er nu een scheur in die levensbeschouwing? Alles vraagt er om. We lopen immers tegen grenzen aan, op allerlei gebieden tegelijkertijd.

“The challenge is not to preserve “the wild”, but peoples relationship with the wild.” Bill Adams, Cambridge University.

De chaos van de wereld is in fel contrast met de rust van dit moment. Ik laat alles voor wat het is. Rutte kondigt de lock down af. Demonstranten joelen en fluiten achter de ruiten. Ik laat het. Ik ben nu hier en de zon is mijn vriend. Mijn boek, vol pijnlijke geschiedenis, ligt thuis op de vensterbank. Stil genietend wandel ik verder. De zon schijnt door een sluierwolk heen en komt dan helemaal tevoorschijn. Wat ik zie is onbeschrijflijk, de laatste restanten van het grauwe gordijn breken open. Het natte gras schittert in de zon en de horizon verdwijnt in een blauwgrijze donkere mist. Wat ben ik klein, in deze uitgestrektheid van het land! Ik sta stil en haal diep adem. Het is alsof ik het bèn, het weiland, de vogels en de glooiingen in het veld.
Uiteindelijk loop ik terug naar mijn warme wooncocon en open de deur. De zon verdwijnt weer. Ik til het deksel op van de kachel. Daar gloeit de laatste houtskool. Aansteken? Nee, laat nog maar even. Ik staar uit het raam en denk aan alles wat vastloopt in onze wereld. Hier sta ik dan. Wat kan ik doen? Ik zucht. En terwijl ik zo stil sta voel ik diep verdriet. Wat is dit? Waarom? Een stille stem in mij geeft antwoord. Wees waar je bent. Kijk. Voel de aarde onder je voeten. Het is wat het is. In de verte roepen de meeuwen. Jaaaa! Jaaa! Jaaa! En ik ben hier en luister. Ik kijk op en begrijp het. Alleen zo kan er iets nieuws wortelen, iets dat veel dieper gaat dan wij ooit kunnen bedenken. En dan voel ik langzaam tevredenheid stromen, vanuit mijn tenen omhoog. Het komt. Het komt. Het is er al.

.

.

Een mooie hoopvolle aanvulling over oude methodes van voedsel verbouwen: https://decorrespondent.nl/11883/waarom-de-toekomst-van-de-landbouw-zomaar-in-het-verleden-kan-liggen/3040831287747-068d4c0b

U boft maar

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

Ik gun mezelf een paar dagen ontspanning. Ik lees en wandel. Vandaag maak ik het rondje aan de overkant van de brug, door de weilanden. Ik kniel bij de koeien, die me gebiologeerd aan blijven kijken met hun zachtmoedige ogen. Ik sta weer op en loop door tot langs de kerk.  Uiteindelijk kom ik op de dorpsweg uit. Daar is een vrouw aan het werk in haar tuin. Ze is al oud. En haar tuin is eigenlijk meer een zandbak. Er groeien hier en daar wilde viooltjes. Een enkele veldkers heeft dapper zijn stengeltje boven de grond uitgestoken. De kleine witte bloemetjes zijn nauwelijks zichtbaar, zo armetierig staan ze erbij. Met een schoffel woelt ze het warme zand om. Het ziet er uit als plantjes pesten. De veldkersjes zullen er vast ook aan moeten geloven. Het werk gaat moeizaam maar gestaag. Ze heeft al twee vierkante meter klaar van de zestien.

„Dag mevrouw,“ zeg ik „Wat heeft u een mooie viooltjes in de tuin, zijn die er vanzelf gekomen?“ Ze schuifelt naar me toe. Ik zie nu pas dat ze een kruk bij zich heeft, die op het einde uitloopt in drie pootjes. „Ja,“ zegt ze „Ik heb het aan mijn knie. Die is geopereerd. De dokter heeft er iets mee gedaan. Nou doet het minder zeer.“ Ik toon mijn medeleven met een glimlach en een knik. „Gelukkig heb ik mijn kleinzoon, die me helpt,“ ze wijst naar achteren. Aan het einde van de oprit staat een rode auto. Ernaast staat een jongetje te spuiten, zijn mollige witte armen houden de tuinslang stevig vast. Hij gaat lekker door met zijn waterballet. Is die auto nou nog niet schoon? Wat een verspilling zeg, denk ik bij mezelf, en dat in deze tijden van almaar toenemende droogte. Maar dat zeg ik niet tegen een vrouw die al zo oud is.  „Fijn dat hij u zo goed helpt,“ lach ik opgewekt „U boft maar!“ Terwijl ik dat zeg komt er een man aanlopen met een bol gezicht. „Dat is mijn zoon,“ zegt ze „Hij helpt me ook.“
„De vader van de jongen?“
„Ja.“ Ze kijkt me aan met grote grijze ogen.
„Echt fijn dat ze u helpen. En dat u nog in dit huis woont. Er zijn zoveel oude mensen die nu opgesloten zitten.“
Ze knikt. „Ik ben al negentig,“ zegt ze trots. Ze leunt tijdens het praten op een gemetselde zuil van een meter hoog, waar het hek aan vast zit. De bovenkant is van cement. Er lopen een paar mieren op. Eén voor één drukt ze ze dood met haar duim. Wreed en zinloos. Ik kijk er maar niet naar. Als ik er niet naar kijk dan houdt ze er misschien mee op. De jongen en de vader zijn nu allebei aan het poetsen. „Jullie hebben het maar gezellig hier,“ merk ik op. Ze knikt en kijkt me strak aan met haar enorme kijkers. „Ik heb een nieuwe lens,“ zegt ze. „Ik moest weer naar het ziekenhuis maar dat kon niet.“
„Voor controle zeker. En kan u nu alles weer zien?“ vraag ik belangstellend.
„Jaaaa! Heel erg! Nou die knie nog.“
Ik knik haar nog eens vriendelijk toe. „Ik wens u heel veel sterkte. En nu ga ik weer verder. Als ik nog eens een rondje loop, kom ik weer een praatje maken.“
Ze glimlacht en knikt, alsof ze niets anders verwacht had. Dan draait ze zich om, en pakt de schoffel. Ik kijk nog eenmaal om, en zie haar woelen in het warme zand. Op naar de volgende vierkante meter. Geduld is een schone zaak. Ook voor mij.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Een stille mijlpaal van lang geleden

 

De tekening is van 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min. En vergeet niet naar de onderstaande dagboekfragmenten te kijken, na afloop.

.

Het is heerlijk rustig in huis. Ik hou van de wind, als ik erin fiets, of aan de dijk sta. Ik neem hem voor lief, wanneer hij dagenlang tegen mijn kleine huis aan beukt, precies vanuit het zuidwesten, waar geen beschutting is. De dikke deken, die nu voor mijn achterdeur hangt, beweegt dan zachtjes. Ik ben blij dat ik de wind buiten kan houden, dat ik een huisje heb. Maar nog blijer ben ik als de wind is gaan liggen.

Ik wil me opnieuw concentreren voor de volgende fase van mijn boek. Hoe meer ik me concentreer, hoe beter het wordt. Dat is de hele clou. Dus ik klap de laptop dicht en kijk bewust niet naar de nieuwsberichten. De afgelopen dagen is er weer veel stof opgewaaid, ik heb de discussies gevolgd en meegedaan, ik heb gezegd wat ik wilde zeggen en laat het nu bezinken. Ik hoef niet al het nieuws op de draad te volgen, liever kijk ik af en toe, zodat ik op gepaste momenten een beeld kan maken van het geheel en mijn aandacht niet vervliegt in de stormen van deze tijd. Niemand heeft wat aan me, als ik gespannen in bed lig te staren en me druk maak om iets, waar ik op dat moment niks aan kan doen.

Mijn interesse gaat bijna altijd over de aarde en hoe we daar mee om gaan. Het gaat over boeren en het gaat over bouwers en waar ze hun grondstoffen vandaan halen, het gaat over water, of we het vasthouden of laten vloeien, het gaat over mensen die zich verbonden voelen met hun grond en die ze maar al te vaak moeten verliezen. Ik heb niet veel met reizigers, die zoveel mogelijk indrukken willen opdoen, overal en ergens. Ik bewonder het rijke palet aan culturen en luister naar wat er elders gaande is. Maar ik hoef er niet per se naar toe. Mensen noemen mij een reiziger, denken dat ik dat ben. Ik denk dat ik dat helemaal niet ben. Mij boeit de band die mensen hebben met wat er híer is. Met elkaar moeten we het klaarspelen. Wij hier, zij daar en altijd wetend van elkaar. Ik heb dit vanaf mijn pubertijd beseft en ik wist ook dat het niet makkelijk zou worden. Ik herinner me één speciaal moment.

Het is 1981, ik ben zestien en loop door het Emmeloordse bos, over het brede grindpad. Ik loop langs het gras naast de eendevijver en het hertenkamp. Mijn lange haar licht op in de zon, sinds ik van meisje tot vrouw opgroeide, werd het tot mijn verassing opeens twee keer zo dik. Niet dat ik er de show mee steel, ik houd me daar niet mee bezig. Nee, het is iets anders wat me boeit. Ik heb een boekje, lichtgrijs met subtiele rode letters, een heel klein boekje, van Tagore. Ik vond het in de weggeefmand van de bieb en nu heb ik het heel vaak bij me. Het past precies in mijn jaszak. Tagore is een dichter en filosoof uit India en er staan korte tekstjes in die me de wereld laten zien alsof ik een vogel ben of een vlinder. Maar ook maakt het inzichten bij me los. Ik denk er graag over na en weet dat ik slechts te gast ben op deze aardbol.
Ik voel het boekje in mijn zak en loop naar het kleine veld verderop. Ik stap tussen de bloeiende paardebloemen door naar de picknicktafel, die in het midden staat, ik klim  erboven op en ga op het randje zitten. Mijn benen bungelen naar beneden.
Ik kijk over het veld en sta stil bij het moment. Ik kijk naar de zon die boven de bomen uitklimt, hoger en hoger in zijn baan. Wie ben ik? Ik was een creatief kind met veel vriendinnen. Nu zit ik hier, alleen, als dromerige tiener en ik heb nog maar weinig meegemaakt. Langzaam zie ik hoe de wereld is, kaalslag, oorlog en vluchtende volkeren, het smerige geld waar alles om draait. Het maakt me stom van verbazing en ik kan er niet over uit dat het is zoals het is. Maar toch wil ik hier mijn weg in maken. Ik heb iets te doen, al weet ik nog niet wat. Wat moet ik nog veel leren, denk ik, wiebelend met mijn benen over de rand van de dikke tafel. Ik zie hoe de zon achter een kleine wolk verdwijnt en mijmer. Ik kan een dromer blijven, denk ik bij mezelf, en altijd op picknicktafels naar de zon, het bos en het water blijven staren. Maar dat wil ik niet. Ik kies ervoor om te leven en ik zal elke uitdaging aangaan, die ik nodig heb. Even houd ik mijn adem in. Tjee, denk ik, dat is nogal wat. Ik kruip naar het midden van de tafel toe en leg mijn benen in kleermakerszit. Een tijdje sluit ik mijn ogen, geniet van de zon in mijn gezicht en luister naar de wind in de boomtoppen. Dan pak ik het boekje uit mijn zak en sla ik het open. Op de kleine bladzijde staat maar één ding.

“Je kunt de zee niet oversteken door alleen naar het water te staren.”

Ik kijk getroffen op, klap het dicht zonder er bij na te denken en haal diep adem. Ik staar naar de grijze kaft. Tagore slaat de spijker op zijn kop. Ik kijk weer op, aan de overkant van het veld loopt een man voorbij, hij kijkt niet op of om. Ik stop het boekje terug in mijn zak en klauter van de tafel af om verder te lopen, het veld in, het pad op. Er is net onderhoud gepleegd en het grind knerst onder mijn schoenen. Knersend gaan mijn voetstappen voort, de bekende bocht om en verder, tot waar ik niet meer kijken kan.

(Wordt vervolgd)

.

Hier volgen verschillende dagboekfragmenten uit 1980 (Ik was toen vijftien en letterlijk met stomheid geslagen toen ik me bewust werd van de wereld waarin ik terecht gekomen was.)

.

.

 

.

 

.

.

.

https://www.ad.nl/opinie/boer-komt-klem-te-zitten-door-vrije-wereldhandel~a520c8cc/

.

Als tegenhanger van deze serieuze kost luister ik naar een voorleesboek van Roald Dahl: De GVR

Een zee van ongekende verhalen

.

 

.

Ondanks toenemende transparantie, groeit de vloed aan ongekende verhalen. Het vormt een ingewikkelde  berg spaghetti die blijft liggen op het strand en die almaar verder groeit. Elk ding dat ik koop of vind, vertelt me iets. Ik wil het weten! De feiten die ik bij nader onderzoek op mijn bord krijg, zijn niet mals. Het vraagt om aandacht en rust om er in te duiken en het te verwerken. Dat kan ik alleen opbrengen als ik eenvoudig leef.

.

Ik sta voor de stal. De ruimte waar de os en de koe in de winter staan, is nu gevuld met fietsen. Langs de muur, in het stof, staat een spade en een bezem. En erachter, onder een dekentje, staat mijn elektrische trekkertje, dat ik aan de hand mee kan voeren. Het is een mooi ding, waar ik straks mee de hort op ga met mijn Wandelhuisje. Maar toch is er iets. Er zit een bijsmaak aan. Elektrisch is beter voor het milieu, zeker als ik ze laad met eigen zonnepanelen. Maar ik heb wel twee zware gelaccu’s, met lood erin. Jakkes. Wat gebeurt daarmee als ze uiteindelijk waardeloos worden? Daar ben ik niet bij.

Accu’s met lood, mijnbouw voor grondstoffen in verre landen, ik kijk naar die dingen. Ik bestudeer het verhaal achter de spullen in mijn leven. Ik voel me net een arts die de ongezonde situatie bestudeert. Alleen als ik ernaar kijk, kan ik bedenken wat er aan te doen. Ik weiger om er depressief van te worden of om te gaan mopperen dat alles zo ingewikkeld is dat ik het ook niet meer weet. Ik ben niet verslaafd aan spullen. Ik kan dingen ook laten, als het moet. Liever iets te laten, dan rond te lopen met een rotverhaal, dat ver van mij plaatsvindt, maar waar ik rechtstreeks mee te maken heb. Ik doe wat ik kan.

Er zijn meer dingen waar ik niet bij ben, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen. Voor de energie in huis heb ik een andere accu, die ik zelf heb gekozen. Hoewel het volgens mij de minst slechte keus was, weet ik niet waar de grondstoffen vandaan komen. Ik heb uitgerekend dat mijn milieuvriendelijke lithiumaccu zeer waarschijnlijk wèl een dikke kilo kobalt bevat. Dat is een hoop! Hoeveel tijd kost het om een kilo kobalt te winnen? Wie heeft mijn kobalt in handen gehad? Was het een kindslaaf uit Congo? Ik weet het niet. Het zou kunnen dat zijn huid nog steeds geïrriteerd is en dat zijn longen pijn doen bij het ademen, door dag in dag uit in de mijnen te kruipen. Het kan zijn dat er voor de aanleg van de mijn mensen uit hun huizen zijn gezet. En dat ze nu ontheemd op onvruchtbare bodem staan, wachtend op de vervulling van loze beloften. Er is geen leefbaar bestaan voor teruggekomen. De mijnbouw plundert meer en meer land, en wat er overblijft is steeds minder. En dan is er nog de zee. Daar zit nog zes keer zoveel kobalt onder dan op land. Dat willen ze straks ook hebben. Ik kijk naar mijn mooie rooie trekding, dat daar stil in de stal staat. Ik kijk naar de zonnepanelen op mijn dak en de accu onder mijn bed. Ik denk aan de verhalen, die ik met mij meedraag, alleen al door een kilootje kobalt. En er is nog zoveel meer dan ik weet!

Zeer waarschijnlijk is mijn kilo kobalt getransporteerd naar China en daar, door wie dan ook, omgetoverd tot de accu. Ik ben er blij mee. O ja! Maar er zit toch een luchtje aan.

Ik leef eenvoudig. Dat is niet alleen voor mijn eigen rust en concentratie. Het is meer. Ik wil dat, wat ik gebruik, zoveel mogelijk van dichtbij halen. Wat ik mijn bezit noem, daar zit veel energie in. Energie van anderen die de tol betalen. Het zit ook in mijn laptop en in mijn mobiele telefoon en in veel meer. Maar ik doe mijn best. Het is een zoektocht en een avontuur, om een weg te slaan in de jungle van deze technologische tijd.

Mijn leven zal steeds eenvoudiger worden. En hoe meer mensen er meedoen, hoe makkelijker het gaat. Nu gebruik ik de computer om deze verhalen te schrijven. Maar in de toekomst heb ik dit medium misschien helemaal niet nodig. Ik zou een nieuwsbrief uit kunnen geven in plaats van een blog, ik zou een boek kunnen schrijven. En er zouden veel meer momenten zijn om elkaar te ontmoeten en om bij te praten in plaats van te chatten of te Whatsappen.
Ik zie was- en koelhuizen. Ik zie dorpstuinen, coöperaties en hereboeren die zorgen voor het landschap en het voedsel. Ik zie droogzolders. Ik zie leraren, studenten en ambachtslieden die je ter plekke tegenkomt, precies wanneer je ze nodig hebt.
Als meer mensen meedoen, wordt het steeds makkelijker om een andere weg in te slaan, letterlijk en figuurlijk. Er kunnen wegen en rustpunten worden aangelegd voor trekdieren in plaats van grondstoffen en parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Degenen die ons land zijn ontvlucht vanwege kaalslag, opgedrongen technologie, de onvruchtbaarheid van de regelgeest, iedereen kan terugkomen. Het kan lang of kort duren, het maakt niet uit. Maar dit is het pad dat ik bewandel en ik ga niet weg. En ik ben niet de enige die richting kiest. Wie gaat er nog meer mee?

.

Losmaken wat vastzit

.

.

 

Er zijn maar weinig mensen die het leuk vinden om brandnetels te rooien. Trekken, met wortel en al. Je erin vastbijten om de bodem lucht te geven, ruimte voor alle andere kiemen die eronder liggen en die geen kans krijgen. En al prikt de netel stiekum in het stukje blote vel, precies in de kier van je handschoen en je mouw, je laat je niet weerhouden. Het geeft een opgeruimd gevoel van ritme om elke ochtend, als er nog niemand is, weer een stuk te doen.

 

Op mijn modderige klompen sta ik te kijken hoe het licht speelt in het fijne blad van het fluitekruid. Ik kniel bij een stukje zwarte grond en zie hoe het Kruipend Zenegroen ontkiemt, dat ik zaaide. Maar ik zie nog veel meer.Wat zou het allemaal zijn? De bodem is prachtig, hij is donker en vochtig, het is los en rul gemaakt door de uitgetrokken wortels van de brandnetels. Als ik een zaadje was, dan wist ik het wel. Ontkiemen, wortelen en blaadjes maken, en dan omhoog, omhoog! O, wat gebeurt er nu veel op deze groeizame dagen van de lente. Ik kijk naar de bodem als een ander naar Netflix, maar het vervult me tot in mijn tenen, dat is het grote verschil. Ik maak er zelf deel van uit. Zelfs een week vol bewolkte dagen maakt mij niet meer bedrukt, in deze heerlijke lente.

Ja, de bodem bevat ongelooflijk veel mogelijkheden. En als de eerste bloemen zijn uitgebloeid zal ook de lucht vol van zaden zijn, verlangend naar een plek om te ontkiemen. Die plek moet er zijn. Vruchtbare bodem maken, luchtigheid en ruimte creëeren, het is een taak op zich.

Ik heb die ruimte! Het zit in mijn adem, in mijn borst en in mijn geest. Het zit in het genieten van mijn voeten die lopen kunnen en in nieuwsgierigheid naar al wat is.
Ik loop terug naar mijn kleine wandelhuisje. Niets houd me tegen om te gaan. Maar nu ben ik hier, in Friesland, op Ecocamping de Swetteblom. Het is hier goed, ik ben hier nodig. Ik plant bomen en maak plek voor iets anders, in de schuur en op het land. Anderen zien het en doen mee. Mogelijkheden vermenigvuldigen zich, verder dan ik kan kijken.

Ik doe de deur van mijn huisje open en geniet van de lichte wooncocon die ik heb gecreëerd. Hoewel het buiten fris is, is het er behaaglijk warm. De zon komt onder een wolk vandaan en schijnt op de vensterbank. Ik pak het kopje dat er staat en zet het aan de kant op de plank. Ik wil voorkomen dat het dicht slipt met alledaagse dingen. Ik ga zitten op de schapenvacht en vouw mijn benen op, zodat ik mijn koude voeten kan warmen met mijn eigen lichaam. Stil kijk ik naar buiten, waar de bomen steeds groener worden. Het licht dat door het raam naar binnenvalt weerkaatst op het warme hout. Het licht, de leegte, het wast me schoon van binnen. Dan sta ik op, mijn voeten zijn weer warm. Ik doe mijn klompen aan en stap het bordes af.

Er zal een dag zijn dat ik weer verder ga. Maar nu is het tijd om brandnetels te rooien, ruimte te maken voor het nieuwe dat zich steeds meer openbaart. De Swetteblom zal tot bloei komen. Dan ben ik klaar en ga ik. Op een rollende steen groeit geen mos, zei ooit één van mijn drie broers. Dat ben ik nooit vergeten. Beweging en ruimte, ik heb het nodig. Alleen zò kan ik creëren. Stap voor stap, als een ketting die ik rijg met mijn handen, samen met wie er is.