Mijn leven met Mol

De mollen hebben het moeilijk. Bij mij woont er een en we leven vreedzaam samen. Ze maken de bodem los, zodat zaad kan groeien in luchtige grond.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De grond beweegt. Daaronder het oppervlak woont een blind dier dat zich continue een weg baant met zijn puntige snuit en graafhandjes. De mol. Zijn hele lijf doet mee, hij wurmt en wriemelt zich een weg en moeder Aarde koestert hem in haar schoot. Hij maakt de grond los en klaar om nieuw zaad te ontvangen. Zo was het. Maar hij heeft het moeilijk, de laatste tijd. Soms is het kletsnat, dan is het weer kurkdroog. De laatste weken was de kleigrond hard, doordat het wekenlang niet regende. Hij volgt de zandpaden die ik maakte en de grove graszoden die ik ernaast heb opgestapeld. Onder de stapel zoden is het nog vochtig en vol wormen. Het zandpad biedt hem een mooie route langs de beste snackplekken en daar vallen de wormen zo zijn gang in. Langs dat pad staan pas geplante boompjes, en ook die gaat hij af. Hij weet precies welke ik water geef. sporkehout doet niet moeilijk, maar houdt zijn blaadjes klein en groeit niet. Ik giet een volle emmer leeg bij eentje die het wel erg slecht getroffen heeft. Het water kolkt direct de mollengangen in, weg van de behoeftige wortels van de plant. Gauw duw ik proppen klei en hooi in de gangen. Ik druk de grond aan, naar de jonge struik toe, zodat hij op een bultje komt te staan. De mol kan er alsnog omheen om nog een wormpje mee te pikken. Er is genoeg te halen hier, voor mol. Op veel plekken groeit bosandoorn en bladkool, hun grote bladeren maken schaduw op de bodem. Een tapijt van gemaaid en uitgetrokken gras gaat de verdamping tegen en maakt ook dat dit een van de weinige plekken is waar hij kan leven. Ook de rij grote wilgen doen veel goeds. Hier is het nog enigszins vochtig. Tussen die pasgemaaide weiden vormt het een kleine oase. De grond van die weiden is keihard en kurkdroog. Er zit maar weinig organisch materiaal in dit gebied. De droogte maakt de klei bijna zo hard als steen. Hoe zou hij hier moeten overleven? Twaalf uur zonder eten en Mol is dood. Op de Swetteblom onder de bomen mogen ze hun gang gaan en er worden hier geen klemmen gezet en geen glasscherven in hun gangen geprikt. De mensen houden hier niet van die gemene dingen. Het is leven en laten leven. Dus zowat overal waar het maar mogelijk is vind je mollengangen. In de bosjes en langs de bomen, dat zijn favoriete plekken. Daar is de grond rijk aan humus en vol beestjes. Hier wordt de grond niet hard in droge tijden en ook niet zompig bij langdurige regenval. Regen is fijn voor Mol, maar als het teveel is loopt zijn hol onder water en verzuipt hij. Bomen en bosjes bieden hem overlevingskans, in droge en natte tijden. Doordat ik ze plant help ik wormen en mijn Mol. Hij weet mij dan ook goed te vinden. Het terrein rond mijn wagen ligt wat hoger en vormt in natte tijden een veilige haven. Overal zie ik omgewoelde aarde. We leven hier vreedzaam naast elkaar. Ik weet precies waar zijn gangen liggen. Daar stap ik netjes tussendoor, zodat ik niets plattrap en hij geen nieuwe hoeft te graven. Dat wordt immers steeds lastiger als het in de lente weer droger wordt.

Ik geef de mollengangen ook wel eens water. Dat trekt wormen aan. Ja, het gaat slecht met de mol, niet alleen omdat mensen een hekel aan hem hebben, maar ook door toenemende weersextremen. De mol mag daar net zo min de dupe van worden als welk ander dier of mens dan ook. Dus ik zorg goed voor hem. Mijn Mol.

.

.

Luister hier

Het boek zoekt een weg naar buiten

De volgende fase komt eraan. Wat is er om de hoek?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is zover. Het boek met werktitel: “De heilige traagheid der dingen” is klaar om naar uitgevers te worden gestuurd. Uitgeverij Atlas en uitgeverij Vonk kies ik. Kijken wat het wordt. Er is een prachtig voorwoord bij gekomen, waar echt moeite en aandacht voor genomen is. Ik ben blij dat Fransjan de Waard dit heeft willen doen. Dit, tezamen met de nu al een-en-zestig inschrijvingen geeft mij moed. Het is een bijzonder moment na al die maanden. Stukje bij beetje zijn er vijf jaar overheen gegaan om dit boek te schrijven. Ik neem je mee op het einde van de reis, de laatste wandelingen met de wagen, de laatste ontmoetingen op de weg. Dan de definitieve keuze om te blijven waar ik ben, om echt iets voor de aarde te betekenen. De grote succesvolle droom: rondreizen met mijn eigen gebouwde huis met eigen energievoorziening, opgeven voor een kleine droom. Maar wel een droom met wortels en de andere was gegrond met wielen op asfalt!
Nog steeds ben ik tevreden met die keus, hoewel het soms wel volhouden is. Maar wat een bevrediging geeft het. Als ik zie wat er allemaal is gaan groeien op deze plek, dat is prachtig.
Vier jaar ben ik nu intensief bezig.

Toch sta ik nog steeds bekend als “Die vrouw die altijd maar rondtrekt met haar wagen.” Maf, hoe snel die beeldvorming gaat. Terwijl het maar drie maanden was, dat ik echt rondtrok. Dat zeg ik ook de hele tijd, maar dat maakt geen donder uit. Het was een hit en mensen blijven het zeggen. Terwijl ik de afgelopen vijf maanden maar een keer in de trein heb gezeten en nooit verder ben geweest dan Leeuwarden. In het dorp zijn kinderen die me naroepen. “Alowieke! Zwerver! Alowieke!” Het is mij een raadsel hoe ze mijn naam weten. Ben ik zo bekend? Blijkbaar wel. Gisteren fietsten ze me het hele stuk achterna, vanaf de huizen bij de melktap tot aan ons pad. Ik hoorde hun stemmen, maar keek niet. Toch was er iets veranderd. Ze riepen alleen nog mijn naam, zonder zwerver erbij. “Alowieke, Alowieke!” Misschien was het toch iets belangrijks. Ik stopte en keek met een ruk achterom. Daar stonden ze op een kluitje met hun fietsen. Met een hoop gegiechel en gilletjes keerden de kinderen zich gauw om. Ik haalde mijn schouders op en reed door. Kennelijk ben ik niet alleen bekend maar ook nog een spannend tijdverdrijf. Misschien moet ik ze maar eens met de hooivork achterna. Zullen ze vast leuk vinden.
Toch is het raar om bekend te zijn. Hoe mensen iets interpreteren dat weet je nooit. Dat hoort erbij. Laat ze maar denken. Het is geen reden om iets niet te doen. “Doch dyn plicht en lit de lju mar rabje” zegt een oude Fryske tegelwijsheid. Dus dat doe ik. En laat de kinderen zich maar vermaken. We maken er wat moois van. Als we willen is er immers zoveel mogelijk! We kunnen onze direkte omgeving transformeren tot een groeiende oase. Laat de inspiratie voortrollen als een golf, van de een op de ander, totdat niemand meer weet waar het vandaan kwam. Laat het protest tegen de rotgang der dingen zich naamloos en vanzelfsprekend transformeren in een overvloed aan tijd. En dat die tijd zich dan manifesteert als een prachtig paradijs, waarin alle leven een plek vindt om te groeien. Dat is mijn wens, die ik meegeef met het boek. Een boek zoals er vast meer zijn geschreven. Dat het bij elkaar komt als een rivier en stromen gaat. Dat wens ik.

.

.

Inschrijven kan nog steeds!

Het juiste moment

Het is net als in de Kleine Prins, wat je aandacht geeft, daar ga je van houden. Met liefde en transpiratie komt de transformatie.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het gras is nat, de lucht is helder. Het wordt weer warmer. Ondanks dat het wat geregend heeft is de grond is nog steeds hard en de mol heeft zich teruggetrokken in het gebied van de wadi’s en de greppels. De zonnepomp bevochtigt het stuk waar de nieuwe boompjes staan en een kikker neemt een duik in de modder, onderin de volgelopen kuil. De zwaluwen vliegen een stuk verderop. Ik zie ze in een vaart over het water scheren. Ze vangen kilo’s muggen en eendagsvliegen. Knap hoor! Ik pak mijn graszeis, die naast de ruigtezeis staat. Het wordt al een hele collectie. Dat is nodig ook, want de gepensioneerde man die kwam maaien heeft er steeds minder zin in, en loonwerkers zijn peperduur, zeker op dat hobbelige greppelland. Mijn aanschaf is dus niet alleen een cadeautje voor mezelf, maar dient ook een algemeen doel. Ten slotte is dit land wel acht hectare groot.Aan een spijker aan de muur hangt de sikkel, die ik voor riet gebruik. Met de zeis in de hand sluit de houten deur van het kleine schuurtje en loop tussen de wilgen door. Eerst door het Voorhof, tussen de jonge elzen door, verder naar het veld waar de nieuwe boomgaard moet komen. Elke dag een stukje zeisen, dat maakt de spieren sterk, en de band met het land groter. Het verhaal van de Kleine Prins vertelt het ons, waar je aandacht aan geeft, daar ga je van houden. Liefde met transpiratie, dat doet wat. De biodiversiteit groeit met de dag. Tussen de nieuwe aanplant kom ik niet met de zeis, daar trek ik het gras uit en ik gooi het neer. De begroeiing verandert. De moerasandoorn verspreidt zich het snelst. Die hoort hier echt thuis, ik vond hem een keer tussen het riet en de brandnetels. Daarna heb ik er nog een paar bij geplant. De daslook breidt zich ook uit, maar een stuk minder snel. De kleine boompjes doen het goed. Het is nog geen bosje maar dat wordt het wel. De elzen groeien en de zuurbessen en het sporkehout lopen zonder uitzondering allemaal uit. Ze hebben al drie maanden tijd gehad om te wortelen. Dan kunnen ze de droge lente goed aan en hoef ik weinig water te geven. Overal tussen de elsjes komt veldzuring op, die de harde grond perforeert met zijn penwortel. Al het leven werkt mee, om van dit land iets moois te maken. Er gebeurt hier veel. De grond heeft me nodig, heeft óns nodig. Soms speelt de verleiding om op avontuur te gaan, op ontdekkingstocht. Een droom die mij al lokt sinds mijn jeugd. Sinds ik op mijn veertiende zes weken door Noord Amerika reisde, met mijn ouders. Sindsdien speelt dat verlangen. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over bezoek aan indianenstammen en wereldreizen. Heb je niks te vertellen als je dat niet doet? Wat je van ver haalt is lekker. Maar wat dichtbij groeit hoort bij je. Al is het minder exotisch. Het is net zoiets als zacht spelen op een saxofoon. Een luide stem opzetten is makkelijker en iedereen hoort het. Zacht spelen is veel moeilijker en je valt minder op. Net zoiets is kiezen voor je eigen verhaal, en niet het exotische van ver weg. Juist thuis te blijven. In dit land, dat het jouwe is, al zijn er 18 miljoen die dat zeggen. Met elkaar is het ons land, een lappendeken waarop je steeds verder in kan zoomen. Nogal een uitdaging, om het zachte, subtiele spel toch vol te houden, ten midden van dit alles. Het gaat ook om beheersing, denk ik.

Ik stap het veld op. De dauw hangt aan de lange halmen. Het is goed dat het nat is, dan glijdt de zeis beter door het gras. Ik maai zoals ik geleerd heb. Linker voet vooruit, zeis naar achteren, zwaai naar voren. Een mooie lange beweging, bijna halfrond om me heen. Dan een volgende stap. Even gaat het bijna mis. Ik moet de zeis wel goed horizontaal houden, anders botst hij tegen de harde klei. Maar elke dag gaat het beter en ik raak ook niet meer buiten adem. Het gras valt neer en bedekt de bodem. Het zal het vocht vasthouden, de wormen voeden. Ik help de aarde. Elke dag is er wel iets wat om me vraagt. De wei, de wormen, de bijen, de bomen. Maar ook de boer of de buren. Ik zing mijn partij, subtiel en zacht, maar toch krachtig.

Het is een uitdaging om niet het meest spectaculaire of exotische te kiezen. Om rustig te wachten tot het zover is, gewoon dichtbij huis. En tot die tijd heel rustig door te gaan. Zwoesj, zwoesj, gaat de zeis. Het wordt een warme dag. Nog even en de zon droogt het gras. Maar nu is het nog vroeg en het veld glinstert van de dauw. En ik ben er. Precies op het juiste moment.

.

.

Van Sandy van Zeisles.nl, in Zeeland

Wandeling over het Verhalenpad

Het plantwerk gaat door en alles groeit.. De feeën spelen op een gouden bed van speenkruid.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. (Met verrassing aan het einde)

Ooit is het begonnen. Dit bomenlandje, hier aan de Swette, ver van de openbare weg. Veertig jaar geleden was het de boer die ermee begon. Voor zijn vader hier kwam om te boeren, was het een ruige plek met kleinvee en hij wilde dat wel weer zo. Destijds was er subsidie voor, voor bomen, en in heel Nederland is daar gebruik van gemaakt. Boer Jochum zal in het weidegebied een van de weinigen zijn geweest die zoveel bomen heeft geplant. En nu ben ik ook bezig op deze plek. Het Verhalenpad groeit. Het is niet alleen rijk aan allerlei bomen en struiken, maar ook steeds meer kruiden groeien er. En ik werk door. Tot twee keer toe komt er een opdracht bij. Er mag meer worden geplant, op andere stukken. Soms vraag ik me af: zal dit zo door gaan? Ik doe het met liefde. Het begint steeds meer een tweede natuur te worden. In de herfst wil ik bomen planten. Het is een sterke drang van binnenuit. Ik zoek binnen de wensen van de boer de hoeken waar ik vrijheid heb. Dat lukt prima. De variatie wordt groter en de samenwerking steeds beter.
Vandaag begin ik niet meteen met werken. Ik maak een rondje, gewoon om te kijken. De lucht is stralendblauw. De grond is droog maar niet zo droog als elders in het land. Het is een droge lente. De temperaturen lopen op, maar ondanks de warmte houden de bomen zich in. De essen, schietwilgen en andere grote bomen staan nog steeds in knop. Heel langzaam gaan ze open. Alleen de kleine bomen zijn stoutmoediger.

.

.

Ik loop naar de plek waar ik al vier jaar aan werk, het Verhalenpad. Het meeste is drie jaar geleden geplant. Het groeit hard, door mijn goede zorgen. Maar nu ben ik er al een tijdje niet geweest. Eerst loop ik het veld over, het hek door. Daar achter is het, de lange bult met de gecultiveerde wildernis eromheen. De sleedoorn bloeit wit, en over de grond ligt een goudgeel tapijt uitgespreid. Het speenkruid bloeit opgetogen. Al dat grastrekken heeft zijn vruchten afgeworpen. Het is een sprookje. Als een lentefee loop ik over de gele bloemen. Er komt hier bijna nooit iemand, het pad is bijna verdwenen. Verderop duik ik onder het wilgenbosje door. Daarachter, achter de wilgen, in het wilde stuk, is de sfeer heel anders. Hier bloeien straks tientallen kaardebollen. Paars, met veel bijen erop. Het staat nog vol dorre stengels van vorig jaar. Daartussen staat een wilde appel en een peer en diverse notenbomen. Hoog rijzen de bruine stengels, dor en droog, en de wilde appel en de walnoot staan er bijna onzichtbaar tussen in. Ook de wolmunt heeft een oerwoud aan oude stengels achtergelaten. Ze komen tot mijn borst. De oude stengels zorgen voor lichte schaduwen op de bodem. En de zon schijnt genadeloos, al dagen lang. Goed dat ze er nog staan, de stengels. Ertussen groeit de nieuwe munt, fris en opgewekt.

.

.


Het is een heerlijke plek. Verscholen tussen de wilde ruigte, ligt als een verrassing een wadi. Een door mij gegraven kuil, gevuld met water uit de sloot. Het nauwelijks te zien dat het door mij gegraven is, zo natuurlijk is het geworden. De pomp met zonnepaneel doet zijn werk, ik heb er nauwelijks zorg aan. De blauwe lucht weerspiegelt in het water en een jonge wilg buigt zich eroverheen. Hoog groeit het op, lange stengels, nieuw en oud. Als je hier zou worden heengeleid, geblinddoekt, dan zou je denken dat je in een moerasgebied stond. De kerspruim, wilg en zachte berk doen het goed in de vochtige  bodem. De groeigrage wilgen maken de grond geteed voor anderen. Hier beginnen de verhalen. Met deze beelden groeit de inspiratie. Daarom zijn dit soort plekken belangrijk, al is het in verhouding maar klein. Bronplekken, waar het in vrijheid kan groeien. En dat dan laten zien. Zodat het de wereld in gaat en zich vermenigvuldigt. Zo snel, dat het niet te volgen is. Laat het gaan. En ik ben hier, nu. Hier. De bronplek heeft me nodig.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

.

Klik op de knop voor de luisterversie. (Met verrassing aan het einde.)

Kiezen voor leven in een tijd van afbraak

Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is dubbel. Enerzijds is het een tijd om blij te worden. Het toverachtige stofje dat alles doet groeien staat op het punt om los te barsten. Alles is ervan doordrongen. De 730 bomen en struiken die ik plantte laten nog weinig zien, maar de wilgenroosjes, de zilverschoon en de smeerwortel ontvouwen hun eerste blaadjes boven de zwarte grond van het Verhalenpad. Op een andere plek ben ik ook bezig, vlak langs het openbare pad. Ik noem het “Het Voorhof”. Er groeien nu 200 struiken en bomen. Ze groeien langs een dicht op elkaar geplante rij wilgen, achter mijn kleine huis. Op de hoek staan ze zo dicht op elkaar, dat er nodig meer ruimte moet komen. Ik zaag een paar wilgenbomen om, de meidoorn en de kastanje kunnen hun takken nu vrij uitstrekken. Met veel genoegen stapel ik de takken op tot een houtril. Ietsje verderop loopt de wilgenrij weer gewoon door, de stammen dicht op elkaar, steeds hoger groeiend. Het is maar een klein hoekje, dat ik heb weggehaald. De stronken zullen opnieuw uitlopen en terugkomen als dichte struiken. Vogels en insecten zullen er beschutting vinden. Daarachter staat mijn gereedschapswagen, een aanhanger met deksel. Er zitten nog steeds zonnepanelen op, die stammen uit de tijd toen ik rondtrok door het Noorden van Friesland. Ernaast liggen de restanten van het vlot, dat ik maakte voor een documentaire, en daarna weer uit elkaar heb gehaald. Ik heb het zo opgestapeld, dat eronder ruimte is. Zo is het weer iets nieuws geworden. Het is het terrein van het winterkoninkje, een plek vol hoekjes om weg te kruipen en beestjes te vinden. Ik heb hem ook nog een eigen nestkast gegeven, die ik middenin de houtril heb verstopt. Ik hoorde het, toen hij het ontdekte. Een opgewonden gekwetter klonk vanuit de dichte berg takken.

.

.

Ik kan heel gelukkig worden van zulke ontwikkelingen. Alles te zien wat dichtbij is en groeit, waarvan ik de planter en de verzorger ben. Maar als ik kijk naar onze positie in groter verband, maak ik me soms zorgen. Rondom strekken de weilanden zich uit van boeren en de rijke paardenfokker en achter de Swette ligt de snelweg, de Haak genoemd. De snelweg, die ecologische leefgebieden doorkruist en veel kapot heeft gemaakt. Het is een economisch bepaald landschap, waar greppels worden dichtgegooid en drijfmest in de weiden wordt geïnjecteerd. De weg ligt er plompverloren ingekwakt en voor het land rondom is geen nieuw ecologisch plan gemaakt. Het is simpelweg opgeofferd, zoals er veel meer wordt opgeofferd. Soms word ik somber, en dan denk ik, wat doe ik hier, in dit land waar steeds meer kapot wordt gemaakt. Is het niet een eindeloze strijd, ik David en zij Goliath? Ben ik water naar de zee aan het dragen door het gras uit te trekken dat zich steeds maar blijft opdringen door de overmaat aan stikstof in de grond? En wat gebeurt er als ik er niet meer ben, verdwijnt het dan? Alles wat ik doe?

Toch ga ik door. Want het is zeker niet zinloos. De manier waarop ik het doe, ruig en divers, met hollingen en bollingen, dat doen er maar weinigen. Het is ook niet alleen ellende. Zeker niet! Het is voor mij als kunstenaar een heerlijke bezigheid, om het land te herscheppen. Het land vraagt om hogere en lagere delen. Wat vocht wil plant ik laag, wat geen natte voeten wil komt hoog. Ik zie hoe duizendpoten, pissebedden en kleine bruine rupsen hun schuilplaats vinden waar het hoger is en de grond losser. En hoewel ik veel genoegen schep om dit alles te zien groeien, komt die vraag steeds weer terug: Hoe levensvatbaar is dit, op lange duur? Iets is levensvatbaar als het op kan gaan in een groter geheel. Als er grond is waar nieuw zaad verwelkomd wordt, en niet per se gemaaid, omgehakt, of uitgetrokken. Als ik er niet meer ben, zal er dan nog iemand zijn die er met liefde voor zorgt? Of zal het met wortel en kluit worden uitgerukt omdat het in de weg staat?

Mijn positie is nogal opstandig. Ik heb letterlijk een groen opstandje, midden in de vlakte. Met opstandjes kan van alles gebeuren. Soms worden ze weggeveegd, soms inspireert het anderen en groeit het juist. Maar als je ermee kapt gebeurt er sowieso niks. En terwijl de mezen en de winterkoninkjes opgewonden hun vogelhuisjes inspecteren, groeit mijn beslissing om taai te blijven en blijmoedig door te gaan. Als we allemaal doorgaan op de plek waar we zijn, dan alleen hebben we kans dat het zal groeien. We hebben overal te maken met dezelfde waarden. Zolang de groei-economie en concurrentiestrijd het belangrijkste is, is de continuïteit van het leven ondergeschikt. Dat is overal zo. Dus ik ga door. Hier, want dit is de plek waar ik me mee verbonden heb. Misschien duurt het nog een tijd, voor de mensen beter met het land om zullen gaan. Maar ondertussen vertellen we elkaar onze verhalen. We wisselen zaden uit en stekken. Soms moet je er een eind voor fietsen. Ruimte blijven maken, in je eigen tijd en ook op het land, dat anders overwoekerd raakt door stikstoflievende gasten. Kiezen wat je ervoor in de plaats zet, wellicht iets dat de ruimte kan vullen, overvloedig en rijk. Na elke keuze weer kijken, wat gebeurt er. Misschien duurt het lang. Misschien blijven de slakken komen, de mollen en de hazen en de woelmuizen, het kweekgras en de horden brandnetels die in snel tempo verder kruipen over het land. Misschien groeit het tergend langzaam, waar je aan begonnen bent. De diversiteit, het voedsel voor mens en dier. Maar elk jaar is er iets wat overleeft. En dat wordt steeds meer. Voeden wat levensvatbaar is. Hoe de toekomst zal zijn dat weet ik niet. Dat weet niemand. Maar wel weet ik: Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar. Zelfs in een tijd van dood en afbraak, dan juist is het je plicht om te kiezen voor de kant van het leven. Als het fiere gefluit van de winterkoning op een grijze stille dag. Zo zie ik het.

.

.

.

Klik hier voor de luisterversie:

.

PS: Zojuist sprak ik de boerin die woordvoerder is voor agroforestry Fryslan. Zij zegt dat steeds meer boeren zich aansluiten. Moedgevend!

Hier begint mijn verzet

.

.




Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral  andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet,  die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest.  Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap  ook.  De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert.  De nietsontziende drang naar dure  grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin.  Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.

.

Eerst zij, dan ik

Een bosje voor de dieren

.

Dit is het andere bosje voor de dieren, bij het Verhalenpad, dat ik de afgelopen jaren plantte.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is voorbij, het plantwerk. Terwijl de vorst in de nachten over het veld kruipt en alles wit maakt, wortelen de bomen. Ik ben vrij. Voor even. Heerlijk is het weg te kruipen in mijn warme hol met een boek. Lang doen we over het eten koken, samen, en dan, aan tafel, nemen we met elkaar de dag door en het nieuws. De zuurbessen en het sporkehout staan er in. “Waarom plant je geen kruisbessen en zwarte bessen? Dat is toch veel lekkerder?” opperde een man van Staatsbosbeheer. Hij deed mee aan heggenvlechten in Menaam. Een tijdje later is het de boer die ongeveer het zelfde zegt. “Is er niks voor ons bij?” Nee, dit keer weinig. Van die zure bessen zullen we niet veel eten. En het sporkehout is hooguit te gebruiken als aanmaakhout. Maar dat is niet de bedoeling. Dit bosje is voor de aarde. Het dode hout is om te verteren en bodem op te bouwen. Niet om te stoken. En het levende hout, de bladeren en de bloesems zijn voor de talloze insecten. Het sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, bloeit rijk en lang. Van mei tot september! Het wordt een paradijs voor bijen, hommels en vlinders. Er komen rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder. Ik verheug me op de geurende gele bloemen van de berberis. En daarna zal het er barsten van de bessen. Van een afstand zal je het zien als een rode waas aan het einde van de weilanden. Alles voor de vogels. Er is genoeg voor de mensen. Mensen nemen steeds meer ruimte in. Ik denk dat het een kunst is om bescheiden te blijven. Te weten dat je niet de enige bent op de wereld.

Ik houd van de lange wintertijd. De mist, de rust op het land, de ruimte die de dieren dan hebben. Ik houd mijn pas in om te luisteren. Want straks kan ik dat wel vergeten. Straks, als het weer hoogzomer is. De zomer is een hectische tijd. Iedereen is bezig met leuke dingen doen, en elk paadje wordt belopen, elk plekje moet worden ontdekt. Ik ben steeds meer van de winter gaan houden. De mistige tijd, dat de paden verborgen blijven en de mensen rustiger zijn. Pal naast mijn huis is een klein veldje. Ik schreef er al vaak over. Een grote wilgeboom is daar neergevallen, zijn drie groten takken liggen als een ster uitgespreid op de grond, en van daaruit groeit een nieuw bos. Vanuit die oude takken de nieuwe takken. Erachter is de steiger met het water van de Swette. Het magische plekje wordt steeds meer ontdekt en drie maanden per jaar wordt het volledig overgenomen door grote groepen kampeerders. Mede daarom heb ik het nieuwe bosje geplant. Vijftig vuilbessen en vijftig stekelige zuurbessen. Voor de vogels en de dieren. De Vuilbessen worden bovendien dichte struiken waar je niet doorheen komt. De zuurbessen hebben de meest akelige stekels die je maar kan bedenken. In drukke tijden is het een toevluchtsoord. Ik heb er twee open plekken in gemaakt, die straks alleen nog maar bereikbaar zijn voor de vogels.

Goed voor mezelf zorgen is voor mij eerst goed voor de aarde zorgen. Het is prachtig om te zien hoe het hier steeds meer fladdert, krabbelt en kruipt. Ik hoor het tjilpen, piepen, een kreet in de nacht. Zo hoort het te zijn. Straks, als het bosje groot is, wordt het daar nog drukker. In de lente om te broeden. In de zomer om te schuilen voor de drukte. In de herfst voor de bessen. Dat is niet alleen goed voor hen, maar ook voor mij. Want hoe meer zij van de voor hen begeerlijke rode bessen eten, hoe meer er overblijft van mijn gele herfstframboos. Door geheel te dienen, heb ik er zelf profijt van. Dat heet: de wet der wederkerigheid. De aarde heeft ons veel te bieden, als we haar met liefde behandelen. In zo’n wereld hoef je niet meer overal naar toe. Alles is er al. Zeker als we onze handen uitsteken.

.

.

.

.

Dwaze bazen en kleine kanjers

.

Verhalenpad, het achterste deel dat voor de dieren bestemd is.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is bijna half januari. De lucht wordt lichter. Het is een tijd van glorende hoop. Ondanks de donkere luchten in de politieke contreien, mannen, macht, kapitaal, oorlog. Maar de zon keert terug en met dat de dagen langer worden, komt ook de energie weer terug. De bodem is nat en staat vol plassen. De klei is blubberig. Als je daar steeds doorheen loopt stamp je alle luchtigheid eruit, en als het dan opdroogt is het keihard. Zo gaat dat met klei. Nog even en er komt een droge periode aan. Dan ga ik weer planten. Ik houd me stil en wacht op precies het juiste moment. Ik heb het niet voor het zeggen. Het is de aarde, de zon en de regen. Nog even. Als het licht komt, kom ik ook. Ik laat me niet afleiden door wat voor tumult dan ook.

En nu is het er. Het licht. De plassen beginnen op te drogen.Langzaam strek ik mijn nek uit. Het heeft vannacht gevroren. De lucht is helderblauw. Er ligt een waas van vorst over het veld, waardoor het ritme van de greppels wordt versterkt. De lage zon legt een warme gele gloed over het landschap, die mij mij verheugt en verwarmt. Niet ver van mij af ligt het Verhalenpad, de silhouetten van de kale bomen en struiken steken af tegen de hemel. Een paar kramsvogels vliegen op met een knerpend geluid, als een trage ratel. In de sloot klinkt het gefluit van de smienten. Dit is de plek waar ik voor zorg.

Er kunnen oorlogen zijn of komen. Continenten en zogenaamde wereldleiders kunnen elkaar afgunstig land willen aftroggelen. China, Amerika. Europa, Rusland. Land voor grondstoffen. Voor strategische geopolitieke locaties. Maar ik zorg voor deze plek. In een wereld waarin groot-machtig-meest door dwaze bazen en oligarchen het belangrijkste wordt gemaakt, is dit mijn verantwoordelijkheid. En ik vertrouw erop dat er anderen zijn die hetzelfde doen. Die hun licht laten schijnen. Lekker vieze handen maken. Opkomen voor de rechten van de Aarde. Al is de situatie niet altijd even best, wij doen in elk geval wat we kunnen. Ten slotte heeft de aarde, de wilde wereld, de zon en de wind geen eigenaar. Geen enkele baas kan de baas meer spelen, als een zonnestorm het leven ontregelt. Of een overstroming het land opvreet als een waterwolf. Aan de andere kant slaat opnieuw een brand uit. Dat houdt geen rekening met links of rechts. De dwaze bazen staan als verbijsterde jongens aan de kant. Bij overmacht is er geen onderscheid meer tussen rijk of arm. Degenen die kunnen samenwerken zijn het beste af. Het gaat zoals het gaat, en dat is altijd anders dan gedacht. Ik sta klaar en kijk. Misschien is het vijf voor twaalf. Maar het wordt lichter. Nog even, dan kan ik de vuilbessen en berberissen gaan planten. Dat die gaan groeien, dat is wél een ding dat zeker is! Ze doen het graag bij mij. En hoe meer mensen eraan werken, een groeizame aarde, hoe mooier het wordt. Stil sta ik te wachten, tot het tijd is. Het begint al te kriebelen. Mijn dromen zijn bevolkt met bezige mensen. Allemaal kleine kanjers, die de basis leggen. Een voorbode, voor wat komt.

.

Eenvoudig werken aan de droom

Een soort van nieuwjaarstoespraak.

.

Tekening uit mijn dagboek van 34 jaar geleden (1991)

.

Vanwege korte winterslaap geen luisterversie.

De wind blaast steeds weer anders. Dan weer hard en dan is het weer windstil. Maar meestal waait het wel. Sommige mensen zeggen dat ze altijd wind tegen hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat is alleen maar het gevoel, het ertegenop zien. Je kunt dromen van ergens te zijn, maar hoe moet je er komen. Die weg kan lang zijn. Heel lang. Soms duurt het tientallen jaren. Maar ik train mezelf met relatief kleine stukjes.
Ik moet een heel eind naar de stad, maar het went, op de fiets. Hoe vaker je het doet, hoe korter het lijkt. Gewoon blijven doen dus. Sterk en soepel houden, dat lijf. Hoe flexibeler ik blijf, hoe makkelijker het is om in te spelen op veranderingen. Want het zal niet hetzelfde blijven. Niets. Hoe zal het weer in de toekomst zijn? In welke omstandigheden zal ik diezelfde route nog honderden malen afleggen?

Ik las het in de krant. Geafenceerde AI modellen hebben laten zien dat we over vijftien jaar al 1,5 graad opwarming hebben, van de aarde. En daarna blijft het hard gaan, mogelijk wel 3 graden opwarming vóór 2060. Dat kan allerlei effecten hebben. Het kan warmer worden, maar in sommige gebieden ook eerst kouder, door al dat gesmolten ijs in de zee. Het gaat ook vaker stormen, zeggen ze. Het zijn maar cijfers, kun je denken. Ze lullen maar raak, hoor ik sommigen zeggen. En ze zijn het lang niet altijd eens, de wetenschappers. Maar ondertussen is er wel een duidelijke ontwikkeling, waar iedereen het over eens is. Veranderingen gaan steeds sneller dan gedacht. Verontrustend? Ja. We kunnen niet meer zeggen: dat maak ik toch niet meer mee. Het is aan de gang. Het is wennen aan die gedachte. Hoe ga je daarmee om? Sommigen zullen het gevoel hebben altijd wind tegen te hebben. Anderen zullen zich beter kunnen aanpassen.

Waar kun je straks beter wonen, in de stad of op het platteland? Misschien maakt het wel weinig uit. Misschien is het het beste als je kan zeggen: Het is zoals het is. Ik woon nou eenmaal hier. Dit is de plek waarin ik heb geïnvesteerd. Ieder op zijn manier. Hier zijn de bomen die ik heb geplant, hier verbeter ik de bodem. De notenbomen groeien goed en de bessen ook. De wilgen nog beter. Veel wilgen, dat is belangrijk hier. Belangrijk ook zijn de verhalen. Die worden steeds voller en rijker, en ook de schilderijen komen als rijpe appels van de boom vallen. Ik sta klaar om ze te vangen, de appels. Sociale verbindingen groeien ook. Dat is mooi, want van voedsel alleen kan ik niet leven. Het is een tijd om aan de gang te blijven. Ritme houden, ondanks verwarring of tegenwind. Blijven planten, blijven leren en bewegen. En lekker blijven fietsen, weer of geen weer. (Onze boer is 76 en hij doet het ook.)

Mijn voornemen voor de komende jaren: Het langzaam maar gestaag laten groeien. Hier. Met elkaar. Net zoals de droom 34 jaar geleden. Geen tijd is te kort, geen mogelijkheid te beperkt. Het kan. En nu ga ik eerst een middagdutje doen.

Uitgesteld verlangen

Als je ergens heel graag heen wilt, maar wacht op het juiste moment.

.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het lijkt op de huid van een oude olifant. De hoogvlakten van Schotland. Soms droom ik ervan, overdag, maar ook in mijn slaap. De ruige hoge heuvels, een waterstroom die het doorbreekt. De stenen die al heel oud zijn, rond en afgesleten. Het scherm op Google Earth kan nooit de grootsheid ervan verbeelden en de sfeer die ik daarbij voel. Ik verlang ernaar. Het is een lang uitgesteld verlangen en ik kan bijna niet geloven dat ik daar echt heen kan gaan. Ik staar naar de beelden voor me. Als een vogel vlieg ik boven het landschap. Een land met rafelranden. In dikke plooien steekt het uit, hoog boven het diepblauwe oppervlak van de zee. Scherp afstekende valleien, woest en met prachtige vergezichten. Op deze ruigtes waaien de winden nog harder en meedogenlozer dan hier. Maar ook de zon kan er fel en ongehinderd schijnen in een lucht die vele malen zuiverder is dan boven Europa. Het lijkt daarin op Friesland, hier merk je dat ook al, de schone lucht, het licht dat feller is dan in het zuiden. Er is nog een overeenkomst. De Schotten zijn even eigenwijs als de Friezen, heb ik begrepen. En net zo gesteld op hun onafhankelijkheid.
Maar het is niet alleen om zijn magische woestheid en de onafhankelijkheid van de mensen, dat het land me trekt. Er zijn daar ook verscheidene herbebossingsprojecten waar je vrijwilliger kan worden. Op die hoogvlakten kun je bomen planten waarvan je weet dat ze blijven staan. Ook als Antartica compleet afsmelt en de zeespiegel 57 meter hoger komt te staan. Dan zijn mijn boompjes in de Friese weiden allang verzopen. Misschien maak ik dat nog wel mee, als ik honderd word. Toch is het nooit zinloos, elke bijdrage aan het web van leven is belangrijk. Ik besef bij elk zaadje, elk insect en elke vogel die ik zie, dat er altijd iets is wat blijft en zich vermenigvuldigt. Hier blijven is beter, zeg ik, verstandig, tegen mezelf. En planten in eigen land nodig. In Schotland hebben ze al 20% bosoppervlak en hier maar 11%. Toch wil ik er graag heen. Ik zoek er redenen voor. Ja, daar is veel meer ruimte voor herbebossing dan in ons postzegellandje. En het kan blijven staan. Het land staat niet onder menselijke druk, en ook zal het weinig te lijden hebben onder klimaatverandering. O ja, als ik er nou eens echt naar toe ging. Dat ik mee kan werken aan dat bos, op een plek waar de rotsen en de bodem nog voor zichzelf spreken, en niet al duizend jaar zijn omgeschept en ingepolderd. Er tijd voor nemen. Veel tijd.

Die avond lig ik wakker. Ik wil er graag heen, maar het kan nog niet. Het boek en de schilderijen vragen al mijn aandacht. En de bomen. De opwinding over de reis zou al het andere doen verbleken. Tenslotte reis ik nooit, of zelden. Het is voor mij iets groots. Dit uitgestelde verlangen. Ik trek het dekbed hoog op tot in mijn nek. Mijn geweten knaagt. Schotland is een heel eind weg. Zomaar even heen en weer voor een paar weken is voor mij geen optie.
Reizen, anders dan te voet, per fiets of te paard, dat is per definitie niet duurzaam. Zeker niet omdat je een band kweekt met dat land, en er een stuk van je ziel achter laat. Daarna wil je er weer heen. En weer. Dat kost een hoop energie, in meerdere opzichten. Daar is niet tegen op te planten, hoe hard ik ook werk. Mijn verhaal dat ik hier aan het opbouwen ben, valt dan stil, voor zolang als ik er niet ben. En ook mijn eigen bomen laat ik achter. Ik zie ze voor me. De kuilen die ik graaf voor waterberging, de silhouetten van de berken, op de bult. Mijn gedachten lossen op bij het beeld van de ondergaande zon. Even dommel ik bijna in. Dan is er iets waardoor ik opschrik. Ik spits mijn oren en luister naar de geluiden buiten. Een kreet van een één of ander geschrokken beestje. Het is hier zo stil ’s nachts, je hoort alles. Ik ken de geluiden inmiddels als mijn broekzak. Ik ben ineens weer klaarwakker. Mijn gedachten gaan door op het zelfde spoor.
Als overtuigde thuisblijver is het logischer dat ik hier bomen plant. Elke plek heeft zijn eigen bodem, met alles wat daarop leeft. Thuis raken kost tijd. Het is als een goed glas wijn, dat je langzaam moet drinken om het te waarderen. Vanuit dat gevoel wil ik scheppen, leren, en planten. Maar ook de verschillen boeien me mateloos. Door te zien hoe het elders is, groeien de inzichten over de verbanden die er zijn. Zeker nu de wereld zo sterk verandert, is het nodig om dat te zien. Wat is groeizaam?

Een besluit moet rijpen. Ik ga het doen. Maar niet meteen. Ik doe het pas als ik er klaar voor ben. Als het boek er is: “De heilige traagheid der dingen.” Als de interviews en boekpresentaties gedaan zijn. Als de schilderijen die ik maakte hangen. En als de bomen die ik dit jaar plant, goed zijn aangeslagen. Niet eerder. Die gedachte geeft me rust. Als een blok val ik in slaap.

.

Luister hier naar het verhaal

.

.

De afbeeldingen zijn van het nieuwste schilderij, behorende bij het boek: “De heilige traagheid der dingen” Het is 100×120 cm en dit is een indruk, want de kleuren verschillen enigszins van het origineel.