De paardenvrouw

blogtek paardenvrouw

.

“Kijk, dit is mijn bomendans.” Het is hoogzomer 2014, en ik doe een kleine opvoering bij de buren, die tijdelijk met een huifkar op de camping staan. Gerrit de ezel staat ernaast, vastgebonden aan een touw. Een stevige pin is het midden van een cirkel met lekker vers gras. Gerrit is opgehouden met eten en kijkt nieuwsgierig toe. Het liefst wil hij overal bij zijn, zoals de meeste ezels.

Ik begin laag op de grond en kom dan met een indrukwekkende zwaai van been en armen omhoog de lucht in. De ezel springt verschrikt achteruit. Een beetje beteuterd kijk ik hem aan. “Sorry ezel,” zeg ik. Een echte bomendans gaat kennelijk toch ietsje anders. Ezels schrikken niet van bomen.

Elke ochtend oefen ik, bij de warme kachel, als ik wakker ben en mijn spieren warm zijn. De dans is in de loop der tijd veranderd. Langzamer en meer boom. Soms met trillende spieren maak ik de trage beweging vanuit de grond, eerst stijf en houtig, dan steeds sierlijker. Verder groei ik naar het licht, verbeeld de stofwisseling binnenin de boom, het maken van knoppen, blaadjes en takken, omhoog, omhoog, en weer opnieuw. De vloer is glad en mijn pantoffels neigen te glijden. Dat is best lastig. Mijn benen zijn er een stuk sterker van geworden.
Zal de ezel nog steeds van me schrikken, vraag ik me soms af. Ik heb het niet meer geprobeerd.

Ik ben buiten, doe opnieuw mijn bomendans om te kijken of de ezel nog steeds van me schrikt. Dan zie ik iemand langsrijden op een schimmel, een goedlachse vrouw met lang blond haar. Ik stop met dansen en loop naar haar toe. “Ik ben Eva, de nieuwe buurvrouw” zegt ze. “Zullen we kennismaken? Kom maar eens langs!”

“Equitherapie” staat er op het bord in de tuin. “Therapie met paarden, betekent dat,” legt ze uit, als ze me rondleidt. “Laten we naar ze toe gaan”. We lopen tussen de bomen en struiken en ze opent het hek.
We lopen haar terrein op, dat overloopt in de rand van het bos. Onder de sparren staat een schimmel en iets verderop ligt een donkerbruine IJslander. Een vredig tafereel. Ik word er stil van. De schimmel blijft rustig staan als we naar hem toelopen en betast mijn handen met zijn snoet. De IJslander, een oud paard met trillende onderlip, blijft liggen waar hij ligt, starend over het weidse, zonnige  panorama achter de zwarte stammen. “Ga maar eens naar hem toe,” stelt Eva voor. Ik twijfel niet en loop langzaam dichterbij. Als ik vlakbij ben wil hij opstaan. Ik stop. Hij zakt terug in zijn oude houding, totaal ongeïnteresseerd in mijn aanwezigheid. Terug bij Eva zegt ze: “Wat gek, ze zijn nooit zo rustig met een vreemde erbij…” Ik kijk haar aan en glim. Dan heeft de bomendans toch effect gehad!

.

http://www.stalkelpie.nl/

.

 

Boetseren aan het plan

tekening kozijnmetofzonderlood 001

.

Ik zet mijn fiets op de standaard, naast de paal met het bord. “Wateridee” staat er op, wit met blauwe letters. Het historische vrachtschip ligt trouw aan de smalle oever, die zomers bulkt van bloemen. Hier ben ik thuis. Ik klop met mijn knokkels op het staal. Het ijzeren luik gaat open. Ik omhels mijn vriend John en klauter de steile trap af, de woonkamer in. In het midden van de ruimte staat een enorme werktafel. Het is lekker warm binnen. In de hoek, op het fornuis, staat een pan te dampen.
“Wil je soep?” vraagt John vrolijk, “Ik heb speciale Alowiekesoep gemaakt, met gember en nog veel meer.”
Terwijl hij roert, praat ik met Carolien. Zij heeft de hele opbouw van het schip uitgetekend, voor ze gingen bouwen. Op schaal, net zo gedetailleerd als ik het graag doe. Ik kijk haar genoeglijk aan en sla mijn dikke ontwerpboek open. John komt achter het fornuis vandaan en kijkt mee over mijn schouder naar een zonnig plaatje van een groene wagen. “Ga je hem schilderen? Kan natuurlijk, maar wel zonde, vind ik. Je wil toch red cedar gebruiken? Dat vergrijst zo mooi.. en dan heb je helemaal voor niets een ademende wagen gemaakt.”
“Verdorie ja, dan smeer ik er weer een huidje overheen.. ” Ik ben even stil. “Of zou er een ecoverf zijn die wél ademt? Vast toch wel!”
Carolien bladert verder in mijn ontwerpboek terwijl ik me afvraag of mijn wagentje nou wel of niet groen gaat worden.
Carolien tuurt naar een detailtekening. “Is dit het raamkozijn? Wat is dat voor strookje daar onderaan?”
“Dat is een loodlap die onder het kozijn doorloopt, tegen inwateren. Binnen sla ik het een centimeter om de rand heen.”
“Hmm.. ik hou niet zo van lood.”
“Waarom niet?” vraag ik, en meteen schiet het me te binnen. “Oh,  ik maak een koudebrug! Het lood neemt de temperatuur aan van de buitenlucht, gaat onder het kozijn door naar binnen en daar krijg je dan condens natuurlijk.” Ik ben even stil en Carolien kijkt me rustig aan terwijl ik nadenk. “Ik heb een beter alternatief,” weet ik opeens.”Kunstrubber, dat heb ik toch al, ik doe het ook op mijn dak. Is ijzersterk. EPDM noemen ze het. Veel beter dan lood. Dán heb ik geen koudebrug onder het raam.”
“Ik ken het.” zegt John, die de kommen soep op tafel heeft gezet.”Je kunt er zelfs met naaldhakken overheen lopen. Keigoed spul. Als loodvervanger, maar ook prima voor jouw dak, als je met je wagen door de bush rijdt met overal zwiepende takken. En nu de soep. Proef eens, wat vind je ervan?”

Dansen op de grens

dansenopdegrens 003

.

„Wil je ook koffie? “ vraagt Nicole. Ze komt achter de caravan vandaan en doet een paar passen in mijn richting. “Ja graag, of eigenlijk liever thee als het kan.” Ik trek nog een paar graspollen weg en doe een pas achteruit om te kijken. Ik heb het perk breder gemaakt. Heel langzaam help ik de natuur met uitdijen. De grens is duidelijk zichtbaar. Een strakke, licht golvende lijn van frisgroen gras steekt scherp af tegen de klaargemaakte zwarte grond. Strakke grenzen, dat snappen mensen. Dan weten ze, dáár is wat. . . Daarom doe ik het hier zo. Dat werkt tenminste.
De novemberzon schijnt met een laag, warm licht. Ik loop naar de regenton en was mijn handen.

Glimlachend neem ik het warme glas thee in ontvangst. Henk en Nicole hebben hun koffie op de witte kampeertafel gezet. Ik geniet van momenten van samenzijn. Tegelijk met een toenemende vloed aan bloemen, planten en insecten, keert het leven terug op de camping.
Nicole kijkt me vrolijk aan. “Ik heb zaad van mijn tuin in Amsterdam in het nieuwe perk gestopt,” zegt ze. “Zo leuk, die plek bij het ronde minihuisje!”
“Elke keer is er weer iets veranderd” zegt Henk “daarom vinden we het fijn om hier te komen.” Blij kijk ik hem aan. “Ik heb op meer plekken uitgebreid,” vertel ik opgewekt. “Naast het huis in aanbouw ook. De boomspiegels onder de pruimen zijn nu nog groter. Maar ik moet daar wel ophouden. Ton wil graag om het huis heen kunnen om er aan te werken.” Henk en Nicole knikken begrijpend.
“Eigenlijk is perk al wat te groot,” vervolg ik, “want misschien komt er in de toekomst weer een steiger. Maar nu staat er géén steiger. Dan kunnen de bloemen toch nog mooi even verder groeien en zaad maken, dacht ik zo. . .”
“Maar ik kan me voorstellen dat je wel wil dat het blìjft, wat je allemaal doet.”
“Nee hoor,” zeg ik, “Ik stel me er steeds op in dat er iets anders kan gebeuren. Morgen kan er opeens een steiger in mijn perk staan. Of zo. Het gaat om de beweging. Ik stel geen paal en perk, ik begin steeds overnieuw. Waar dan ook.”
“Ja,” zegt Henk grijnzend, “Mooi is dat.”

Ik kijk naar wat beweegt en leg mijn oor te luister. Wat doe jij, wat doe ik? Het leven is een stroom, mensen, dieren, bomen, planten . . . Soms doe ik een brutale stap naar voren en help de natuur een handje. Maar het is niet altijd de natuur die wint. Mensen hebben ook tegels nodig en huizen. En wegen om te gaan. Waar nodig, trek ik me terug en laat ruimte in aandacht. Samen spelen we met grenzen, van de ene wereld met de andere.

Eeuwige dans die verder gaat
van stille eb tot volle vloed
steeds ben ik waar ik wezen moet
en kijk dan waar jij staat

.

.

Zoon van de molenaar

.

molenaarszoon 003

.

Ik ben bij mijn vader in het ouderlijk huis. Ik ken elke hoek en er is weinig veranderd in al die jaren. Alleen mijn moeder is er niet meer. Mijn vader redt zich prima, in zijn eentje. Hij rent drie keer per week hard, stoft en wast. Vandaag is hij vijfentachtig geworden. . .

De net nog zo volle kamer is bijna verlaten. Op tafel staan bloemen, de afwas is gedaan, de taart is op. Mijn vader staat met mijn broer bij het achterraam te praten. Ik zit met mijn nichtje Juul in de voorkamer.
Juul kijkt naar de twee mannen bij het raam. Ze buigt zich in mijn richting, haar sluike blonde haren vallen naar voren.
“Ik wil graag verhalen horen van opa, over vroeger..” zegt ze zacht. “Ja,” fluister ik terug en ga recht opzitten. Ik wacht tot het stil is in de kamer.
“Pa, wij willen graag verhalen horen over vroeger,” zeg ik stellig.
“Dan moet je een iets specifiekere vraag stellen,” zegt opa en komt onze kant op.
Ik hoef niet lang te denken. De vraag rolt van mijn lippen.
“Welke gebeurtenis is je het meest bijgebleven uit de tijd dat je in de molen werkte?”
“Dat is net een vraag van een journalist,” zegt opa lachend.
Peinzend staart hij in de verte. Hij laat zich lenig in een stoel zakken en begint te vertellen.

“De molen hoorde bij ons huis en we moesten natuurlijk altijd meewerken, in de weekends en in de vakanties. De grote houten as draaide op een zware motor, die naast de molen stond, in een apart hok. Er zat zo’n groot vliegwiel aan, dat er drie mannen nodig waren om hem aan te slingeren. Maar in de oorlog veranderde er veel. Er was geen olie voor de motor. De molen moest gerestaureerd worden, zodat hij weer op de wind kon malen. Na een tijdje bleek één wiek zo rot te zijn dat hij er af moest. En die andere natuurlijk ook, want de wieken zitten aan elkaar vast.”
“Kon je met twee wieken dan ook malen?” vraagt mijn broer.
“Ja hoor, het maakte weinig uit. We maalden gewoon door. Het was zwaar werk om de zeilen op te rollen, die om de wieken heen lagen, om meer wind te vangen. Je moest de loodzware stof met een krachtige zwiep naar de achterkant gooien en daar vastzetten.”
“Een molenaar was toch een belangrijk figuur vroeger?” vraag ik.
“Jazeker, de molen was een ontmoetingsplek. Boerderijen lagen wel een kilometer van de weg af. De molen lag wél aan de weg en de boeren kwamen er allemaal, om hun graan tot meel te laten malen. Er waren altijd mensen. Ik heb gehoord dat het op veel plaatsen zo ging,” lacht hij genoeglijk.
Mijn vader zwijgt even, om dan verder te gaan. “ Rond achttienhonderd gebruikten de mensen minder geld dan nu. De molenaar mocht toen een zestiende van het gemalen meel zelf houden, de rest ging terug naar de boer.”
Ik hoor veel wat ik niet wist. Mijn broer kijkt bedenkelijk. “Dat de molen op een motor draaide, dat wist ik niet. Ik vind het een stuk minder romantisch.”
“Ach,” zeg ik, “het aanslingeren van zo’n enorm vliegwiel, dat heeft toch ook iets. . met drie mannen notabene. .” Ik had ook een motor met vliegwiel, in een oude boot.
Nu hoor ik de stem van Juul, naast mij. “Ik vond het fijn om over de molen te horen, opa.”
Mijn vader glimlacht. Want zoon van de molenaar, dat is hij en dat blijft hij.

Opdracht voor de smid

Opdracht sm 3 002

Muren van grijze steen begrenzen een kale ruimte. Door de grote ramen zie ik het pand aan de overzijde, waar de secretaresse in wit licht achter haar computer tuurt. Tegenover me zit de smid van Warnsveld. Op tafel ligt een groot vel papier met de constructie tekening van mijn nieuw te bouwen wagen. Hij gaat voor mij het onderstel maken.

„Ga je er echt in wonen of is het maar voor kort?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan.
“Ik ga er in wonen. Het moet comfortabel worden. Ook wil ik door zand, bossen en door ruigtes kunnen rijden. Dus het moet makkelijk wendbaar zijn. En niet te groot en te hoog. Lastig kiezen, zo allemaal bij elkaar.”
“Je zal toch iets grotere wielen moeten nemen, die kleintjes schuiven het zand voor zich uit. Vroeg of laat zit je vast.”
“Ja daarom heb ik aan de achterkant een ingebouwde wielkast bedacht met grote wielen. Die steken uit boven de vloer.” Ik wijs het aan op de tekening. “De voorwielen zijn wèl erg klein. Moeten die groter? Ik hoopte de vloer zo laag mogelijk te kunnen houden. . Onder de laadruimte heb ik ook maar dertig centimeter tot de grond. Is dat te weinig, komen we dan met de onderkant vast te zitten?“
“Het is aan de krappe kant, als je door ruig gebied wilt trekken.”
Hij is even stil en kijkt door het raam.
”Ik zal je mee naar buiten nemen” zegt hij dan. “We kunnen eens kijken bij andere wagens. Dat is duidelijker dan een tekening.”
Het is fris en het waait en druppelt. Ik loop achter hem aan over het grind. Achter de gebouwen ligt een hectare grond. Verspreid over het terrein staan aanhangers, paardentrailers en een stapel pallets.
“Kijk,” zegt hij en staat stil bij een glanzend nieuwe aanhanger. “Dit is een mooi wiel.” Hij aait over het harde rubber. Ik zie een klein breed wiel, maar groter dan ik zelf had bedacht.
“Ik zal eens meten,” zegt hij en pakt de rolmaat uit zijn zak. Hij meet vanaf het zanderige grind tot de onderkant van het voertuig. “Vijfenzestig centimeter tot de vloer.”
“Dat is tien centimeter hoger dan ik bedacht had,” zeg ik. “ Twee-meter-zeventig wordt mijn nieuwe wagen dan.”
“Die paardentrailer is precies even hoog,” wijst hij.
Ik kijk en denk. Goeie wielen en genoeg ruimte in en onder de wagen, het is allemaal belangrijk. Maar dit alles wordt hoger dan ik hoopte. In een bos rijd ik snel tegen takken aan. Wat is belangrijk? Die vraag heb ik al vaak gesteld. Ik overweeg. Een tak die in de weg zit kan ik meestal wel afzagen. Maar een mul zandpad of uitstekend rotsblok in de weg, daar doe je weinig aan…
“Ik heb genoeg gezien.” zeg ik resoluut. “Dit wiel wordt hem.”
We lopen terug naar het kantoor en ik neem afscheid. De bouwtekening mag hij houden. Ik pak mijn rugzak en neem de vouwfiets. “Tot over een week of zes! “ roep ik. Hij lacht. Tevreden begin ik de terugtocht. Terug naar huis, naar Haghorst.

Ik heb lief en laat weer los

.

Ik heb lief 005

.

Ik sta op het bordes en snuif de vochtige warme lucht op. Het wordt een heerlijke dag, herfstig en zomers tegelijk. Hoewel twee kersenbomen al kaal zijn, bloeit er nog van alles. Rode klaprozen, blauwe korenbloemen, steeds weer nieuwe zonnebloemen, oost indische kers, het energieke komkommerkruid en goudsbloemen zo groot als chrysanten.
Ik loop het trapje af en sta met blote voeten in het bedauwde gras. Vanuit een ooghoek zie ik een klein konijntje, verderop, achter de vlierstruik. Hij snuffelt aan een paars bloemetje van het hoog opgegroeide kaasjeskruid. Op zijn gemak peuzelt hij het op en huppelt dan verder.
Plotseling schiet het beestje overeind, kijkt ergens naar en rent dan weg de bosjes in.
Er komen twee mensen aangelopen over het veld, opgewekt en met energieke tred. Het zijn mijn buren. Ze komen elk weekend, helemaal uit Amsterdam. Ze lachen als ze me zien en groeten me hartelijk. “Elke keer als we hier terugkomen genieten we van ál die bloemen. Je hebt zo’n goeie invloed hier, je mag niet weggaan hoor!” Ik lach terug en zeg dat ik voorlopig nog wel even blijf. Ze lopen verder naar hun caravan.
Ergens roept een klein kind. Een meisje komt het hoekje om gerend en holt naar me toe. Het is Olwen, mijn nieuwe buurmeisje. Ze is nog maar één en kan al vertellen welke planten eetbaar zijn, en hoe ze heten. Haar moeder komt glimlachend achter haar aangelopen, maar kijkt oplettend als ze ziet dat het kleine knuistje iets omklemt. “Wat heb je daar?” vraagt ze. Het meisje doet haar hand open. Het is hetzelfde paarse bloemetje dat het konijntje ook zo lekker vond. “Dat is goed. Eéntje maar hè!” zegt ze. Tevreden stopt Olwen het in haar mond.

Soms denk ik: Waarom ga ik hier eigenlijk weg straks? Het wordt hier steeds leuker. Tegelijk weet ik het antwoord al: dat was immers de bedoeling. Helpen het steeds leuker te maken, en dan verder gaan. Ik heb lief en laat weer los.
Jaren geleden had ik een droom. Ik droomde dat ik een ketting reeg op de aarde, van bloemen, bomen en struiken . Als een bij zoemde ik van plek naar plek, een vruchtbare wereld achter me latend. Daarom is het, dat ik verder ga, straks. Alleen of niet.

.

.

Een brede beek zie ik nu stromen
’t komt uit zoveel bronnen
vol is ze met tal van dromen
die zomaar ergens zijn begonnen

Aan haar oevers, mannen, vrouwen
duizenden en toch alleen
zij wilden zo graag verder bouwen
Een mens, een plek, ging van hen heen

Tot een bries een adem zacht
hun teder kietelt, wars van pijn
het water in de beek dat lacht
en spreekt met golfjes, lief en klein

Al wat is, zal nooit verdwijnen
alle dromen neem ik mee
in mijn stroom tot aan de einder
bevloei de aarde, vul de zee.

.

.

.

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.

Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

Ezel

Ezel 002
.
Het is al laat als ik uit bed stap. Al negen uur. Mijn lijf is nog wat zwaar en loom van alle inspanning van deze week. Maar daar is wat aan te doen. Zonder aarzelen ga ik op mijn rug liggen en adem in en uit. Heel geconcentreerd doe ik de eerste oefeningen. Langzaam word ik frisser en wakkerder. Als ik bij de vierde oefening ben hoor ik gebalk. Het is Ezel. Elke ochtend knip ik beukentakken voor hem. Van de beukenhaag. Hij wil ze, nu! Het duurt hem vast veel te lang. Ik maak rustig de oefeningen af en ga naar buiten.
Ezel beukt met zijn grijze borst tegen het hek aan, als hij me ziet. Het lijkt er op dat hij er uit wil. Soms mag hij dat. Ikzelf heb het nog niet eerder gedaan. Ik weet dat hij erg sterk is en niet gecastreerd. Soms is hij baldadig en dan is er geen houden meer aan. Dan rent hij bokkig het hele terrein over. Maar ik heb geen zin om langer terughoudend te zijn. Ezel is een maatje geworden en ik wil graag wat voor hem doen.
Om zijn hals hangt een riem, met een oog er aan. De ketting en de pen liggen voor me, in het gras, met een haak eraan vast. Ik neem de musketonhaak in mijn hand. Dan open ik het hek en in één beweging zit de ezel vast aan de haak. Met moeite druk ik de pen in de keiharde, natte bodem. Genietend begint ezel te grazen. Terwijl hij met zijn lange tanden het heldergroene gras afsnijdt en kauwt, kijkt hij al vast waar het volgende hapje staat. Ik kijk met hem mee. Er staat raaigras, kweek, witte klaver zonder bloemen en blad van de kruipende boterbloem. Ezel eet dit allemaal, maar toch het meest gras. De grond is zompig van de vele regen. Rond de kleine hoeven komt het vocht omhoog, de grond uit. Zijn hoeven zijn vol nat en opgedroogd zand. Ze zijn een beetje rafelig aan het uiteinde, maar nog niet alarmerend. Ik zou ze graag willen voelen, die hoeven. Hoe hard zouden ze zijn? Als ik mijn hand naar zijn linkervoorpoot richt, wendt ezel zich af. Nu niet. Een andere keer misschien.

Ik wil graag muildieren leren kennen en ezels. Overal zijn ezels. Toch is er maar ééntje hier. Dus met hem begin ik. Met de onze. Ik kijk naar hem. Al heeft hij nooit iets geleerd en zal hij nooit een wagen kunnen trekken. Daar gaat het nu niet om. Ik kijk en ik ben er. Naast Ezel.
.


Hier geef ik de dieren appeltjes. Ezel komt aan de beurt in de derde minuut.

Revolutie van de kolibri’s

 

.revolutievdkolibries 001

Revolution of the hummingbirds
. . . .

 

Mijn vriend Kees is er. Fijn. Het was al een jaar geleden dat ik hem zag.
„Moet je eens zien wat er allemaal veranderd is,” zeg ik opgewekt, terwijl ik naast hem langs de bedden loop. Van alles gaat langs onze voeten voorbij. De witte bloemschermen van wilde en tamme peen, oranje oost-indische Kers, blauwe borage, de snel groeiende takken van een wijnbes, de zich voort slingerende pompoenen en courgettes, de kruiden die overal tussen in staan en nog zoveel meer.
“Alles is één groot paradijs,” zegt Kees, een tikkeltje afwezig. En even later, wat verontwaardigd:
“Toch is het idioot, hiernaast zijn ze ik weet niet hoeveel hectares grond aan het platwalsen, openscheuren, pletten, door elkaar gooien en nog eens en nog eens. En jij bent hier hele dagen aan het tuinieren op maar honderd-en-zestig vierkante meter.”
“Iets meer,” zeg ik. “Hier en daar legde ik eilandjes met andere planten aan. Waar alleen maar gras staat of brandnetels. Vlier, Grote Klis, Smeerwortel, en Koningskaars zijn goed aangeslagen. Het effect daarvan is niet uit te drukken in vierkante meters, Kees. Ik noem het guerillagardening met nazorg.”
“Ja,” zegt hij wat somber, “Maar toch…”

Als Kees weg gaat is hij blij en uitgerust. “Het heeft me zo goed gedaan, hier even te zijn,” zegt hij. “Ik krijg allemaal goeie gedachtes.” Ik glim.
Als Kees op zijn fietsje de hoek om is, ga ik voor het raam zitten. Buiten, vlak voor het venster staan grote zonnebloemen. Er vliegt een pimpelmees langs en hij landt op een stevige bladstengel. De enorme bloem wiegt een beetje. Dromerig kijkt het meesje om zich heen en vliegt dan verder. De zon schemert vaag door sluierwolken. Ik laat de afgelopen dag aan mijn geest voorbij gaan.
Terwijl ik denk aan Kees zijn verontwaardiging, zie ik een kleine wollige hommel. Hij kruipt in een witte bloem van de pronkboon, die zich in de reuzenstengel voor mijn raam omhoog slingert. Zo’n klein beestje die zulk mooi werk doet… Die boon, díe groeit straks wel! Al wordt hij omringd door kale vlaktes.

Ooit bracht iemand me op een site van een collega-Kolibri. Het was een Franse site. Helaas is mijn frans niet best, dus kon ik het niet goed lezen. Maar ik begreep de strekking.
“Revolutie van de kolibri’s” las ik. Zo zie je maar, dacht ik toen. Ik ben niet de enige kolibri. Er zijn vast miljoenen bezige kolibri’s, op de hele wereld. Allemaal kleine eilandjes van bruisend leven. En als mieren bergen kunnen verzetten omdat ze met veel zijn, dan kunnen wij dat ook. Misschien is het er al, en groeit het. Zelfs zonder revolutie.