De man op het laatste perron

.

.

Aan het einde van Nederland staat een man, een man met blauwe ogen en handen als kolenschoppen. Hij staat bij het absolute eindpunt, het perron dat eindigt enkele tientallen meters voor de zee.

Als je het hele land doorkruist hebt en alle grote steden zijn gepasseerd, dan kom je bij het wijdse Friese land. Voorbij Leeuwarden leidt het spoor, met het allerlaatste boemeltje van het land. Het eindpunt is Harlingen haven. Verder kan je niet komen met de trein.

Ik sta op het perron, na een paar dagen Vlieland. Ik ben op weg naar huis. De zon staat al laag aan de hemel op deze zonnige nazomerdag. Mijn groene rugzak hangt stevig op mijn heupen en aan mijn schouders.
Ik loop naar de wachtruimte. Van het bruine glazen hok zijn vier ramen gebroken. Grote sterren zijn vastgeplakt met kit, zodat het niet verder uit elkaar kan vallen. Ik ga met mijn wijsvinger over het wittige spul. Het voelt aan als plastik.
Er komt een man naast me staan. Hij is klein en breed en hij ziet er uit als een dokwerker, onder gespierde schouders hangen zijn stevige armen, de handpalmen naar voren gericht.
“Ja, dat was een flinke baksteen,” begint hij “Die jongelui vinden dat leuk, een beetje rotzooi trappen in het donker. Ik hoop dat ze het zelf moeten betalen. Het is gehard glas, dat kost ze vier keer vierhonderd euro.”
Ik knik bedenkelijk. “Zonde hoor.”
“Ik ben hier vaak.” zegt hij. “Ik help de conducteur. Ik houd het hier in de gaten.”
Ik kijk naar hem. Hij heeft grote blauwe ogen, als van een kind, zijn blauwe trui bedekt een strakke bolle buik. Zijn ronde gezicht kijkt me vriendelijk lachend aan.
“Bent u een schipper?” vraag ik.
“Ook,” zegt hij “En ik heb een harem, met vier dames. Sinds vier weken. Kijk maar eens naar de strootjes op mijn trui.”
“Vier dames?” Ik ben even stil en denk na. “Kippen?”
“Nee, ze zijn een stukje groter.”
“Lama’s?”
“Ook niet,” grinnikt hij “maar je zit in de buurt.”
“Kangoeroes dan!”
“Nee. Ik zal het zeggen. Het zijn vier kamelen. Ze zijn van een vriendin en ik zorg voor ze. Ze krijgen oud brood en stro. Poezelig lief zijn ze! Poezelig lief.”
“Wat een eer dat je ze mag verzorgen!” roep ik uit.
“Dat is het zeker,” knikt hij tevreden.
“En wat doe je nog meer?”
“Ik ben hier,” zegt hij rustig.
“Je helpt de conducteur,” herinner ik me.
“Ik heb er voor gezorgd dat dat afdakje er gekomen is, boven de automaat. Zo lastig, je zag helemaal niks van het scherm met dat licht erin. Formulieren in vullen dan maar hè? Naar de NS. Blijven invullen, die formulieren. Dan komt het er.”
Ik knik bewonderend.
“En ik zorg dat de fietsen op de juiste plek staan. En zeg ze dat het ene deurtje het niet doet en het andere wel.”
“Ik snap het.”
Ondertussen komt de trein aanrijden. “Ik moet nu instappen.” zeg ik “Bedankt voor uw verhalen!”
“Jaja, ik sta hier al twintig jaar…” mompelt hij trots.
De deuren openen zich. Ik stap in. Op het perron staat de kleine brede man met een blauwe trui. Hij is waar hij is. “Je doet goed werk!” roep ik hem na.
Hij glundert.

Doen wat je boeit

.

Peddelen-over-het-water-kl-frm-2

 

Ik stap net mijn nieuwe woonwagen uit om wat schroefjes te pakken, als er een jongen over het pad loopt. Hij kijkt reikhalzend de heg over, een meter of tien van mijn wagen vandaan. De heg scheidt het terrein van de openbare weg en erachter is een greppel, meestal staat hij vol in deze tijd, maar nu staat hij droog. Je kan niet zomaar naar de weg. De meidoorn zit vol stekels en de greppel is diep.
„Vind je hem mooi, mijn woonwagen? Of keek je daar niet naar,” vraag ik.
De jongen staat stil. „Ik kijk zomaar even naar dit terrein hier.“
„Het is hier rustig,” zeg ik, verlangend naar een praatje. “Ik ben deze wagen aan het bouwen.“
„Fijn zeg, op zo’n plek. En word je straks een reiziger?“
„Nee. Het lijkt me een heel onrustig bestaan, alsmaar trekken. Misschien doe je dat een jaartje of zo, .“
„Ja, dat herken ik wel. Ik heb ook een half jaar getrokken en toen verlangde ik wel naar een plek. En toen kwam ik in Thailand mijn vriendin tegen. Daar woon ik nu. Maar soms bekruipt me toch weer het gevoel dat ik wil reizen.“ Hij kijkt even stil voor zich uit. Door de kale meidoornhaag kan ik hem helemaal zien staan, op het natte asfalt van het fietspad. „Ik moet het evenwicht zien te vinden,” prakkiseert hij hardop.
„Ik begrijp die reiskriebel wel. Maar dat zit er voorlopig niet in voor mij, met deze wagen. Ik heb geen rijbewijs. Ik ben schipper en gids geweest en heb weinig ervaring met paarden en de weg.”
„Zou je met paarden willen trekken dan?“ vraag hij nieuwsgierig.
„Ja, het liefst wel, maar als dat gebeurt kan het net zo goed nog tien jaar duren, voor ik misschien zover ben. Ik zie het wel. Ondertussen laat ik me gewoon trekken, en kan ik me inzetten op allerlei plekken, voor langere tijd, mijn hart volgen en gaan waar ik wil.“
„Wat kan je dan, behalve timmeren?“
„Ik schrijf, dicht, teken, maak filmpjes. Ik zing graag meerstemmig. Ik tuinier en speel met permacultuurprincipes. Eigenlijk kan ik alles doen wat me boeit. Ik verdiep me erin, en concentreer me. Dan komt de rest vanzelf.“
„Ja, dat is wel belangrijk, dat je je werk leuk vindt.“
„Ja, het is stom om werk te doen wat je niet leuk vindt.“ Mijn stem klinkt uitdagend.
„Ja….“ zegt hij weifelend. Die stilte lokt bij me een vraag uit.
„Wat doe jij?“
„Ik heb een eigen bedrijfje met software, het leuke is dat ik dat overal kan doen. Maar soms wil ik wel eens echt wat anders. Maar wat dan? Ik weet het niet.“
„Ja het moet groeien hè… en blijf je in Thailand?“
„Weet ik ook niet. Mijn vriendin is een erg leuk bedrijfje begonnen, ze verhuurt een soort surfplank waar je staande op kan peddelen. Dat is erg mooi, je gaat heel stil tussen al die eilandjes door en kan er mooi over uit kijken omdat je staat.“
„Dat lijkt me prachtig. Ik hoop voor jullie dat het wat wordt.” Ik meen het oprecht.
„Ik hoop het ook.” Hij zegt het zo zachtjes alsof hij het bijna niet durft te geloven.
Het is even stil en allebei dromen we van stille rimpelingen van water in de zon en het geluid van bewegende peddels.
„Nou, ik ga weer verder,“ zegt hij uiteindelijk.
„Ik ook. Het ga je goed,” lach ik hem toe.
„Dank je.“ Hij knikt nog even en loopt dan met ferme stap door. Ik keer me om en duik onder de wagen om het bakje met schroefjes te pakken. Eerst maar eens de luikringen vastschroeven. Grip op de zaak, dat lijkt me een goed begin.

 

 

Hoe kan het toch

.

Stille-oude wei en wij

Midden in de grootste chaos zijn wij JUIST in staat, het paradijs te scheppen, op de plek waar we werkelijk zijn.   (Alowieke)

.

Ik ben er
Ik ben waar ik moet zijn
en jij
jij bent er ook

Weet je nog
die dag,
zo lang geleden

Samen zongen wij een lied
tussen oude stenen in een wei
wie weet was het wel deze
de stenen zijn verdwenen
weggesleept door een man
die uit zijn tractor kwam
terwijl een zware ploeg
ploeterde in de verte
in stofwolken van
zijn spoor

We zongen onder de eikenboom
midden in het land
en schepten koeienstront opzij
met onze blote handen
misschien was het wel hier
waar wij gingen zitten
in het stille gras van
grondige tijdloosheid
de wei die altijd ruikt voor mij
naar
vochtige aarde en mest

En hoewel alles er al was,
en in wezen nooit verdwenen is,
verrast het ons dat wij dan toch
na al dat geploeter
en eindeloze omwegen
dan toch
ten midden van de chaos
hier mogen staan
alsof er
niks veranderd is

En hoe kan het toch
dat ons lied weer licht is
spint van tevredenheid
sprankelend jong
en het gras dat groeit
voor onze vermoeide gezichten
bij elke ademtocht voller wordt
en dat de kievietsbloem bloeit

bloeit
als nooit tevoren

.

Onder de tekening, boven het gedicht, heb ik mijn gedachten kort en krachtig samengevat. Wie kan me aanvullen? Korte overpeinzingen lees ik graag. Citaten van anderen zie ik het liefst met bronvermelding.

 

Het hart beslist

.

.

Harten-Aas-kl-frm

.

Het is bijna twee uur. De lage herfstzon schijnt door kale takken van de bomen. Er is geen wind en ik hoor alleen het opgewekte gekwinkeleer van koolmezen en een winterkoning, die in mijn buurt naar beestjes zoekt.
Ik sta op het punt om het laatste scharniergat in de deurpost uit te hakken. Met de dag word ik blijer, want o, wat wordt het mooi. Zes weken geleden begon ik met het maken van de deuren, acht in totaal, vier voordeurtjes, vier achterdeurtjes, allemaal geïsoleerd en met raampjes erin. Aanvankelijk verloor ik bijna mijn hoofd, bij het klaarmaken van de meer dan honderd onderdelen die ik allemaal precies op maat moest zien te krijgen. En dat was nog maar het begin. Mijn wagen komt tjokvol deurtjes, luiken en luikjes en het gaat allemaal piekfijn passen. Straks kijk je je ogen uit, zoveel is er te zien!
Mijn beitel is vlijmscherp geslepen, de houten klopper ligt klaar om te pakken. De zon is heerlijk. Nu ik zoveel buiten ben, besef ik de kracht er van en hoe opwekkend het is om al dat licht in me op te nemen en de frisse lucht in te ademen. Ik wilde de klopper pakken, maar halverwege de beweging draai ik me om en geniet met volle teugen van de zon in mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen net niet dicht en kijk door een spleetje, als een kat die zich koestert.

Dan hoor ik mannenstemmen. „Hallo, is daar iemand?“
Ik kom achter de woonwagen vandaan. „Ja! Ik hier!“
„Wij zoeken Alowieke.“
„Dat ben ik!“ Vrolijk kijk ik ze aan. „Dan moeten jullie Jaap en Dennis zijn.“ Ik steek mijn hand uit ter kennismaking.
Ze wilden komen kijken. En ideeën op doen. Ze hebben taart meegenomen. Ze willen zelf óók een wagen bouwen en misschien het wonen in een huis voorgoed de rug toekeren. Jaap kan met paarden omgaan en is handig. Hij loopt meteen een rondje om mijn wagen en kan zijn ogen niet afhouden van de stalen onderkant. „Mooi onderstel!” Hij zakt door zijn knieeën om eronder te kijken en knikt nog eens vol bewondering. Zijn vriend Dennis kijkt afkeurend naar zijn kont. „Niet alleen het onderstel is mooi hoor!“ Dennis is de meest artistieke van de twee. Ik lach naar Dennis, blij met het compliment. „Ik snap het wel, dit is waar Jaap nu mee bezig is, dus dat interesseert hem het meest.“ Dennis knikt.
„We moeten een sterk onderstel hebben en sterke paarden,“ verklaart Jaap. „Dennis gaat mee op één voorwaarde. Zijn harp moet óók mee. En die weegt wat. Maar het geheel moet zo licht mogelijk worden!“
Ik help de jongens met informatie en beantwoord hun vragen. We eten taart bij de warme kachel en voor we het in de gaten hebben is het schemerig. „We moeten weg Dennis! We willen nog meer zien vandaag.“
Ze verdwijnen over het veld. Ik wuif ze na tot ik ze niet meer kan zien.

Ze zijn niet de enigen met plannen. Handen beginnen te jeuken. Fantasieën, voorheen nog als een ei in een nest, beginnen nu haarfijne scheurtjes te vertonen. Als een ongeduldig kuiken dat het krappe ei zat is, maar nu naar buiten wil en licht wil zien. Er wordt gebouwd aan kleinere huisjes om eenvoudiger te leven. In Nederland ontstaan op veel plekken buurttuinen. In steeds meer landen worden hele wouden ingepland, zoals in India en Ethiopië en er worden voedselbossen ontworpen. Er wordt hard gewerkt aan alternatieve energie en ook ik kan vol trots de panelen op mijn dak laten zien. De schaduw van de oude wereld met zijn grote verzwelgende voetafdruk is nog steeds groot. Maar de kiemen van een nieuwe wereld zijn er al. Het borrelt! Wat zullen al die geïnspireerde acties met elkaar teweeg brengen?
Ik ben heel nieuwsgierig naar het komende jaar, 2017!

.

Harten Aas

Hoe zwarter de schaduw, hoe sterker de bron
kijk waar je bent
want altijd
ergens is de zon

Vergeet voor even het verstand
en vind een hart, gezond als wat
want dat begrijpt in welk verband,
kiest zonder twijfelen haar pad

Het is niet bang en vol vertrouwen
zal het ontvangen en weer geven
en altijd kiest zij
zonder aarzelen
voor leven.

.

Het thema “Volg je hart”, komt dit jaar op allerlei plekken terug. Het is de tijd ervoor. Ook Marc Siepman geeft workshops en lezingen over dit onderwerp. Doe wat je hart je ingeeft, en werk niet alleen om geld te verdienen. Wij zijn er dankzij de planeet Aarde. Hoe kunnen wij voor haar zorgen?

https://marcsiepman.nl/workshop-voor-wat-hoort-niks/

 

Vlinder op reis

 

.

 

Vlindertrek

.

.

Met de klopper en een stuk hardhout sla ik een blokje op zijn plek. Het zit in de hoek, tussen de deurpost en de lange onderwand. Die bestaat uit twee planken die over de hele lengte van de wagen lopen. Het wiebelde daar nog ietsepietsje en dat wilde ik niet. Daarom heb ik een blokje gemaakt, dat ertussen past. Ik sla nog eens, keihard. Het blokje is zo mooi op maat gemaakt, dat ik het er met kracht in moet slaan. Het geluid draagt ver in het stille land.
Ik werk hard. Nu de woonwagen vorm heeft gekregen, een mooie lichte constructie, zoek ik naar zwakke plekken. Daar komen stevige blokken. Soms is het een hardhouten balkje, als dat zo uit komt. Ik versterk waar het nodig is. Het blokje, dat nu zo netjes op zijn plek zit, ziet eruit als een puzzelstuk. Het past precies. Dat moet ook. De basis moet goed zijn. Als de basis okee is, dan blijft de rest ook op zijn plek. Dàt is constructief bezig zijn!
De lijm kruipt uit de naden. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Dit zit in elk geval zo vast als een huis. Gelukkig maar, want het wòrdt ook mijn huis! Er komt een dag dat ik ga rijden. En een huisje op een hobbelweg heeft heel wat te verduren, reken maar.

Op het moment dat ik de houten klopper neerleg komt buurvrouw Nicole aanlopen. Ze kijkt vrolijk en opgetogen. „Weet je wat we gezien hebben? Een Koninginnepage! Hij was wel zò groot!“ Met haar handen geeft ze de maat aan. Hij moet zo groot als een winterkoninkje zijn geweest.
„Waar zag je hem?“ vraag ik met grote ogen. Nog steeds ben ik verwonderd bij elke nieuwe ontdekking.Toen ik hier kwam, vier jaar geleden, zag ik steeds vier wollige bruine hommeltjes. Die zaten op de witte en paarse dovenetel. Hier en daar stond een bloemetje. Dat was het dan. Toen er bomen in bloei stonden, eerst het fruit, een hele poos later de tamme kastanje en de linde, op dat moment waren er even hèèl veel honingbijen, maar die verdwenen gelijk weer zodra de bloei voorbij was.
Ik heb hard gewerkt in die jaren, voor meer diversiteit. Op allerlei plekken bloeien nu bloemen. Er zijn niet alleen steeds meer vogels, maar ook steeds meer hommels en vlinders. En nou een Koninginnepage!
„Hij zat daar, bij de majoraan.“ Nicole wijst naar de kruidige tuin, die vol staat met tijm, de volle donkerroze majoraan, blauwpaarse dropplant, witbloeiende appelmunt, bergsteentijm, gele klaverzuring en nog veel meer. Een paradijsje is het, nu alles geurt en bloeit. Ik kan me voorstellen dat de vlinder er een bezoekje aan bracht.
Nicole gaat weer weg. Ik kijk de hele dag uit naar de Koninginnepage, maar hij laat zich niet meer zien. Met welke bestemming is hij verder getrokken? Ze zeggen wel dat vlinders fladderige types zijn zonder doel. Maar daar geloof ik niks van. Ook vlinders weten precies wat ze zoeken. Zeker weten.

.

De Koninginnepage is vooral een trekvlinder. Ze laten zich met gunstige wind meevoeren naar plekken waar het weer beter is en waar meer voedsel is. Ook met tegenwind zijn er voorttrekkende vlinders gezien. Ze kunnen wel twee kilometer hoog vliegen als ze eenmaal onderweg zijn, maar meestal vliegen ze laag. Soms bevalt een stek zo goed dat ze niet verder gaan, op de plek blijven en zich daar voortplanten.
De rups van de Koninginnepage leeft van schermbloemigen. Wilde peen, wortel, karwij, melkeppe, en vooral knolvenkel. Een volwassen exemplaar kan wel zeven-en-een-halve centimeter breed worden. De vlinder heeft een sterke voorkeur voor roze bloemen. Daarom zat hij natuurlijk bij de majoraan en de dropplant!

.

.Als ik er een dans voor maak, dan komt hij misschien terug!

.

.

.

Bouwen

Dit is het hoekje waar ik hier mee bezig ben…

De linker deurpost.

.bouwen puzzelstuk .

.

Het puzzelstukje in de hoek bij de deurpost.

De rechter.

Puzzel op zijn plaats. kl frm.

.

.

Noestig hout en bezoek van goud

 

.

noestbezoek

.

.

Nog steeds wacht ik met het dichttimmeren van mijn nieuwe wagen. Rustig kijk ik, werk het één en ander netjes af en luister af en toe naar commentaren. Een belangrijke fase.
„Zou je die uitstekende hoek niet wat extra versterken?“ zegt iemand. Verrek, hij heeft gelijk, denk ik en ik zoek een paar sterke balkjes. Ik vind een aantal met fijne nerf, die zijn sterker en harder. Ik leg ze bij elkaar, vier zijn het er. Ik bekijk ze één voor één. Ik pak de twee die vrijwel zonder noesten zijn. Ik streel het hout, het zijn mooie. Jammer dat ze straks niet meer te zien zijn, want dit is het binnenwerk. Maar ook het binnenwerk moet goed zijn, het is net zoiets als botten. Ze moeten hard zijn, sterk en stevig op de ene plek, als knieën en ellebogen. Ze moeten flexibel zijn op andere plekken, als een wervelkolom. Hout met noesten gebruik ik zo min mogelijk. Daarom zijn mijn dakbogen ook van gestoomd essenhout. De ronde vorm is oersterk, en de stokken zijn compleet zonder noesten. Noesten zijn plekken waar een tak heeft gezeten, toen het een boom was. Het maakt het hout zwak. Als je er tegenaan ramt breekt het altijd bij een noest.
Natuurlijk ga ik er niet van uit dat ik een botsing krijg, maar ik wil op alles voorbereid zijn. Het kan een brede tractor zijn of een boom of een krappe hoek in een smal straatje.

Ik meet alle hoeken en gaten. Ik teken af wat het moet worden, tot op de millimeter. Ik controleer mijn decoupeerzaag, of het zaagje haaks is en niet krom. Ik zaag en maak alles passend. Het is een hoop gepuzzel om alles precies te laten kloppen.
Buurman Henk komt aanlopen. „Ha! Fijn je te zien!“ roep ik. Ik had hem niet verwacht want Henk zit in de lappenmand en zit het hele weekend in zijn caravan te lezen. „Oh… wat wordt het mooi! Ik weet niet wat je gedaan hebt, maar het ziet er steeds robuuster uit.“
„Dank je Henk, “ zeg ik glimmend.
„Dat is het mooie hè, niet snel alles af hoeven te raffelen, maar de tijd te nemen. Het is heerlijk om zo rustig te bouwen en dat je alles piekfijn kan laten kloppen met elkaar.“
Ik kijk hem lachend aan. Fijn, hij begrijpt het.

Alleen zijn is goed, je kan ongestoord een superconcentratie opbouwen. Maar soms is bezoek goud waard. Het zijn mensen die rustig meekijken, meedenken om dan weer hun gang te gaan. Ik ben blij dat ze er zijn.

.

.

.

noest

Ontmoeting in de warmtetuin

.

.

Warmtetuin Teuge kl frm

.

Liefde is grenzeloos
en toch,
gaande langs
gebaande paden,
zo trof ik de
warmtetuin
geheel omringd met rozen

Spelend met grenzen
maken wij iets nieuws

.

Ik loop het betegelde voetpad op, naar het theehuis van de Levenstuinen waar ik al zoveel over heb gehoord, de Levenstuinen van Teuge. De stenen zijn heet onder mijn blote voeten. Ik loop op mijn tenen, dan gaat het net. Gelukkig is het theehuis dichtbij de ingang. Ik ga naar binnen. Ik loop door de serre, waar het felle zonlicht sfeervol en diffuus wordt, en dan naar het donkerder binnengedeelte. De vloer is heerlijk koel.
In het midden staat een sober opgemaakte houten tafel. Erop ligt het jaarboek van Kahlil Gibran, het ligt open bij 4 en 5 juni, de dag van vandaag. Ik ruik wierook.
Achter de toonbank staat een tengere grijze man. Ik vraag om een entreekaartje en koffie en kwarktaart. Ik pak 50 euro uit mijn rode sok met geld. „Heeft u niet kleiner“, vraagt hij. Zijn blik is helder en levendig. „Nee“, zeg ik. „Bent u één van de twee makers die hier ooit mee begonnen zijn?”
„Ja, dat ben ik.” Hij kijkt even op.
„Zo had ik u me precies voorgesteld. Ik dacht, dat is hem.”
Een vrouw, die achter hem staat, kijkt naar hem, met glimmende ogen waar trots in blinkt. Ik bedank, draai me om en loop weg. Achter me staat een lachende zestiger. Ik groet hem.
Ik kies een tafeltje bij de vijver en geniet van kwarktaart met echte bosbessen. Terloops bekijk ik de routekaart die ik gekregen heb. Ineens ontdek ik dat er een visitekaartje bij zit. “Dirk van der Glind”, staat er op. Hoe kom ik daar aan, vraag ik me af.
Een vrouw komt bij me zitten, op de andere stoel. Ze is wat ouder en heeft een fris gezicht.
„Is het lekker?“ vraagt ze belangstellend.
„Ja“, zeg ik. „Wel zoet, maar de ingrediënten zijn heel puur. Bent u hier vrijwilliger“, vraag ik er gelijk achteraan.
„Nee geen vrijwilliger, ik ben hier met mijn man“, vertelt ze, „Hij is docent levensbeschouwing en heeft net een boekje uitgegeven.“ Ze wijst op het kaartje dat op de tafel ligt, het visitekaartje dat ik ineens in mijn handen hield. „Dat is van hem“, zegt ze. Ik kijk. Er staat een tekening op van een boom, met een knalrode zon erachter. Onder de boom zit een klein figuurtje op een bankje. Er vallen blaadjes uit de boom in vorm van muzieknoten. Zoiets zou ook in mij op kunnen komen, die noten. Grappig.
„Zijn tekeningen zijn vergeleken met de kleine Prins, dat is een groot compliment voor hem.”
Verbaasd kijk ik haar aan. „Dat is gek, ik heb ook net een boek uitgegeven. Dat is ook vergeleken met De Kleine Prins.”
Opeens komt er kleine donkere vrouw aanlopen. „Waar moet ik heen?“ vraagt ze, „Er zou hier een schrijver zijn om zijn boek te signeren.“ De vrouw naast mij vertelt dat hij in de tuin van de Liefde zit.
“Is hij dan híer met zijn boek,” vraag ik verrast. „Ik ga er meteen heen.“ Ik sta op en pak mijn spullen.

Ik loop over kronkelende bospaadjes en kijk zoekend rond. Onder de bosjes groeit bonte dovenetel, met zijn zilverachtige blad. Ik kom langs een bamboebosje met dicht opéén groeiende, hoog opgeschoten stengels. Ik zie een eiland met een tempeltje erop. Waar is de tuin van de liefde?
Ik vind het priëeel. Het staat bij een grasveld met rozen omgeven. Ik zie al een paar witte rozen bloeien, maar heb er niet veel aandacht voor. In een stoel aan een tafeltje zit een man. Het is de man die achter me stond, bij de toonbank.
„Ik zoek Dirk“, zeg ik.
„Dat ben ik!“, zegt hij vrolijk.
„Maar ik heb u al ontmoet!”
Hij lacht. „Ja, dat is mijn kaartje.” Hij wijst naar mijn hand. „Ik dacht, dat is een vrouw die er vast wel wat aan heeft. Ik heb het er stilletjes bij gestopt toen je stond te praten.”
Hij laat zijn boek zien. De tekeningen horen echt bij de teksten, vertelt hij. „Lieve mens, wees wat je bent“ heet het. De plaatjes lijken soms een beetje op die van mij. “Ik heb ook net een boek laten drukken, ” vertel ik. Ik kijk nog eens naar de omslag van Dirk’s boek. Op de kaft staat dezelfde boom als op het visitekaartje.

Ik vertel dat ik in een middeleeuwse kelder woonde aan de gracht. “Daar stond net zo’n boom als op jouw tekening. Wel honderd jaar oud. Ik keek graag naar de boom. Door het water van de gracht ben ik met de hele wereld verbonden, zei ik altijd. De wortels lopen door, ver onder de vloer van het huis. Ze nemen het water in zich op en zo brengen ze de hele wereld tot aan mijn voeten.”
„Wat mooi,“ zegt Dirk. Hij legt zijn hoofd in de nek en knijpt zijn ogen halfdicht. „Ik ben heel benieuwd naar je boek,” fluistert hij.
Er zijn mensen de tuin in gekomen, veel mensen. Ze staan vlak voor ons, in twee rijen langs het pad. Ze zingen, zacht en stemmig. Het lijkt een ritueel. We kunnen niet meer vrijuit praten.
Ik neem zachtjes afscheid en schiet de liefdestuin weer uit, om van de andere tuinen te genieten.

Ik had een bijzonder weekend vol ontmoetingen. Maar het treffen van deze man bleef mij het meeste bij. Ik heb zijn boek meegekregen en in ruil stuur ik hem het mijne. Het boek van Drakenlief.

.

Link naar het boek van Dirk: http://www.dirkvandeglind.nl/lieve-mens-weacuteeacutes-wat-je-bent.html

Link naar het boek van mij: https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

Het groeit uit het papier

Blogtek KrachtvandePen kl frm

.

De wind giert langs de schoorsteen, terwijl ik mijn pen op het papier zet. Harde windvlagen schudden de wagen zachtjes heen en weer, al dagen lang. Toch schrijf ik door met vaste hand, staande achter mijn lessenaar, letter voor letter. Ik schrijf een boek met echte inkt, bijna als een monnik. Langzaam volgt mijn hand de woorden die zich al lijken te vormen vóór ik er ben. Alsof ze langzaam uit het papier groeien, wazig nog, tot de zwarte inkt de opkomende regels bevestigt. Het regelmatige handschrift is sierlijk, maar even leesbaar als een drukletter. Ik ben één en al pen en heb mijn tong tussen de tanden.
Het boek dat straks gedrukt wordt, heet „Drakenlief,“ de koosnaam van Agremone. Ik ben nu bij hoofdstuk twee. Ze is op een plek gekomen waar geen bloemen zijn en maakt een weelderige tuin. Mensen komen en zien het. Ze willen mèèr, nog meer bloemen! En wanneer liefdevolle handen haar werk voortzetten, weet ze dat het tijd is. Het is moeilijk om afscheid te nemen. Toch, haar taak is gedaan en ze moet gaan. Want Agremone is een pionier, een vrouw die leven brengt op plekken waar niets of weinig is.

Als ik de laatste woorden heb opgeschreven staar ik voor me uit. Zou het hier nèt zo gaan als
in dit sprookje? In mijn verbeelding zie ik de camping als een groeiende oase, maar er moeten wèl handen voor zijn. Ja, er zijn mensen gekomen. An en buurman Jan kunnen het samen goed vinden. An is kruidenvrouw en Jan is handig als tuinman. En Nicole is er in de weekends. Zal het echt doorgaan als ik straks weg ben?

Ach, komt zoals het komt, besluit ik en ik kijk naar de waterpot. Ik heb dorst maar er zit geen druppel meer in.

Ik loop over het grasveld naar het wasgebouw met twee waterpotten in mijn armen. Buurman Jan dweilt de vloer en ziet me aankomen. Hij gaat rechtop staan en lacht me breed tegemoet.
„Ik ga de vorige plek van jouw wagen helemaal inzaaien met bloemen.“ zegt hij. „Het lijkt me zo mooi! Voorlopig staat daar toch niks… Dan wordt het een prachtplek, met jouw oude tuin er ook nog naast!“

Ik vul mijn potten terwijl buurman Jan verder uitweidt over zijn plannen. Even later loop ik voorzichtig, met gevulde potten terug naar mijn woonwagen. Ik glim. Misschien word ik straks uitgezwaaid door een heel stel handen, zwart van aarde, met overal bloemen. Net als in het verhaal. Maar… eerst de wagen afbouwen!

Wie het boek “Drakenlief” wil hebben kan nu al reageren, dan zet ik je op de bestellijst. Je kan ook nog even wachten. Ik laat het eerste proefdruk zien als het er is, met de prijs erbij. In het boek komt niet meer tekst, maar wel wat aanpassingen en meer illustraties dan in het verhaal op internet.
Mail naar: tt.alowieke@gmail.com.

Dit is de link naar het verhaal op internet…..https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

 

De castratie van Ezel

.

Blogtek ezel operatie

.

Ezel wordt gecastreerd. Vier jaar is hij nu. Hij was niet te houden. In zijn mannelijke grillen heeft hij al een kip en een schaap gedood en een ooi kreupel getrapt. Daarom staat hij meestal alleen. Als hij heldere kinderstemmen hoort loopt hij luid balkend naar het hek. Maar kinderen komen niet dichtbij hem.  Want iedereen weet, Ezel kan heel hard bijten. Lieve, lastige Ezel. Het was een moeilijke keus. Maar we besloten het te doen. We deden een inzameling om zijn operatie te bekostigen.


DE OPERATIE (Als je er niet tegen kan, kan je beter niet verder lezen denk ik.)

Met zijn vijven staan we op de parkeerplaats. Ton, Jan, de dierenarts, Ezel en ik. Buurman Jan knuffelt Ezel, die rustig staat te kijken en houdt hem vast, terwijl de arts op de borst tussen de dikke vacht woelt, op zoek naar de ader. Als hij hem gevonden heeft drukt hij erop. „Zo zwelt hij op.“ zegt hij. In de andere hand heeft hij een spuit. „Dat is een joekel!“ zegt Jan. Met ontzag kijk ik naar de gevulde hand van de dokter, die boven de borst van de staande ezel hangt, klaar om te prikken. „Wat zit er in?“ vraag ik nieuwsgierig. „Een opiaatachtige,“ zegt de deskundige, terwijl hij even opkijkt. „Oei boft hij even!“ lacht Jan, en haalt Ezel nog eens extra aan.
De spuit gaat er even snel in als eruit. Al gauw begint het dier te wankelen. Ik ondersteun hem aan zijn linkerzijde, terwijl Jan de nek van het hijgende dier omhoog houdt. Het is zwaar, we kunnen het in elkaar zakkende dier bijna niet meer houden. „Laat hem maar liggen, dat heb ik nog liever,“ zegt de dierenarts.

We laten los, en Ezel zakt langzaam door zijn poten. Nu ligt hij rustig op zijn zij en zijn open ogen krijgen een dromerige blik. De arts bindt één been vast, zodat die naar voren ligt en niet kan trappen. Nu kan hij er goed bij. Ezel krijgt nog een spuitje, een kleinere. „Dit is de plaatselijke verdoving.” merkt de arts op. Het dier ligt helemaal voor pampus en laat het allemaal gebeuren.
De arts werkt rustig verder. Terwijl hij met de ene hand respectvol èèn van de tere delen pakt, heeft hij in het andere een haarscherp mesje. Vol verwondering kijk ik toe. Heel fijn en zorgvuldig maakt hij een sneetje in het vel en eronder komt glazig wit tevoorschijn. Alsof het een bijzondere exotische vrucht is, zo pelt hij het af. Ik voel me vereerd en verlegen tegelijk, dat ik dit mag zien. Een witte vrucht, blauw dooraderd, net als kronkelende beken die de heuvels afstromen.
De arts stroopt het huidje omhoog tot een dikke bleke streng zichtbaar wordt, die in de buik van Ezel verdwijnt. Hij duwt het roze omhulsel ver omhoog, zover mogelijk. „Kan je hem ook te laag afsnijden?“ vraag ik. „Ja, dat kan“ antwoordt hij, „Maar dan heb je de kans dat de bijbal blijft zitten. Dan is de castratie niet gelukt. Soms doen ze dat bij hengsten, zodat ze nog iets stoers blijven houden. Maar ik doe het nooit. Want dan is hij niet gecastreerd.“ De arts pakt een tang en knijpt in de streng. „Hier ga ik het doorknippen, de plek is nu beurs geworden.“ Hij pakt een andere tang. Ik kijk toe en hoor hoe de tang dichtknipt en dan heeft hij ineens iets in zijn hand. Wat zoëven nog zo mooi bij de ezel hoorde, is nu niet meer dan een stuk vlees, dat iets weg heeft van een blinde vink. „Zou het lekker zijn,“ vraag ik me hardop af. Jan lacht zachtjes. „Ja ik heb het wel eens gehad. Het is heerlijk. Maar deze wil ik niet.“ Ik kijk van Jan naar Ton. Die schudt ook zijn hoofd. En ik hoef ook niet. Ik eet geen vlees. En zeker niet van Ezel.

Nu de eerste bal weg is, volgt de tweede. Door de vrijgekomen ruimte gaat het snel en al gauw is de operatie klaar. Tevreden bekijkt de arts het resultaat, terwijl zijn vingers over de losse vellen gaan. „Hij moet veel bewegen, anders gaat het wondvocht verkleven en dan kan het vocht in de wond niet meer weg. Als dat gebeurt kan je het zien aan een zwelling. De komende tien dagen elke dag wandelen. Dat is het beste.“
„Dat doen we met alle plezier! Ik mag het dier graag.“ verzekert Jan de dierenarts.

De arts pakt zijn spullen en rijdt het erf af. Jan loopt met Ezel terug naar de wei. Aandoenlijk leunt het dier tegen hem aan. Nu mag hij bij de merrie in de wei en bij Schaap en Koetje. Veel gezelliger. Ik ben blij voor hem.

Achter ’t zeil gebeurt het

Bouwen voor montage 003

Ik heb bezoek. „Dag!“ lacht de weelderige blondine, die voor mijn deur staat „Ik ben Wieke“
„Dat is leuk, zijn we naamgenoten“ zeg ik „ Kom binnen.“
Ik open de deur zodat ze mijn woonwagen kan in stappen. Op de mat blijft ze staan. “Oh, wat een mooi plekje!“ roept ze „En de kachel brandt al lekker. Fijn!“ Achter haar staat een lange jongen met lang donker haar. Hij kijkt over haar schouder mee. „Dit is nou echt een plek waar ik zou willen wonen.“ droomt ze verder „ Ik heb altijd gehouden van kleine coconnetjes. Ik hoef niet groot te wonen, wat moet ik met al die ruimte… “

Af en toe komt er iemand langs, die mijn verhaaltjes leest, en die ook graag op een andere manier wil leven. Mensen die houden van de knusse gezellige eenvoud van kleine behuizing, jong of ouder. Iedereen is welkom.
Met Wieke en Bas maak ik een rondje over het terrein. We lopen langs de tuin en ik laat ze de nieuwe wagen zien. „Je bent al ver!“ zegt ze bewonderend. „Jahaa,“ knik ik grijnzend, terwijl ik het doorzichtige zeil oplicht om er onderdoor te kruipen. „En er gaat nog veel meer gebeuren. Kijk, dit is een raamkozijn met spatlap. Helemaal klaar voor montage.“ Wieke knikt.  „Ik heb het gelezen op je blog.“
„Het is de vraag hoe het zal gaan, deze week“ denk ik hardop. „Ik wil alle onderdelen in elkaar gaan zetten. Erg spannend want je weet maar nooit. Sommige verbindingen zijn op kurkdroge zomerdagen uitgehakt en zullen in de vochtige herfstlucht flink zijn uitgezet. Dat zal nu niet meer passen.“ Bas knikt „ Er komt altijd meer bij kijken dan je van te voren kan bedenken.“ Ik lach hem toe. „Gelukkig komt mijn vriend Dick. Ik kan veel alleen, maar dit is te veel en te zwaar. En zo fijn dat ik een paar dagen met hem kan overleggen!“
„Het wordt mooi. Je hebt het goed voorbereid..“ zegt Bas terwijl hij zijn hand langs het hout van de wagen laat gaan. Ik knik. „Laten we verder gaan, “ stel ik voor. We kruipen terug onder het zeil door, het veld op van de minicamping. De ezel balkt vanuit de verte en de honden van Jan springen enthousiast heen en weer, als we naderen. We bekijken een paar woonwagens en de prachtige Tinker achter het hek met zijn harige witte sokken. “Het bevalt me hier!” zegt Wieke. “Ik kom vast en zeker terug!” Gelijk heeft ze. Dit is een fijne plek.

.

Bouwen voor montage 012

Het is een beetje improviseren, maar het gaat best.

.

Bouwen voor montage 004

Het raamkozijn met spatlap van EPDM, kunstrubber, komt ook op het dak.

.

Bouwen voor montage 005

Raamkozijnophanging aan lange lat bovenaan.

.

Bouwen voor montage 020

Constructie van versterkte dakboog in het midden.

.

Bouwen voor montage 023

Fijn halfhoutverbindinkje in vensterbankplank.

.

Bouwen voor montage 009

Dakbogen en deurpostbevestigingspalen met alle verbindingen.

.

Bouwen voor montage 014

Gereedschapsplek  onder de werkbank als ik bezig ben.

.

Bouwen voor montage 008

Isolatiemateriaal, Schapewol van Doscha 8 cm dik.

.

Bouwen voor montage 001

Dakkap onder zeil. Komt als hoogste punt in het midden, in de gleuven van de dakbogen.

.

Bouwen voor montage 010

Dit komt straks pas, maar staat ook al klaar.

.

Link naar de camping: http://www.denbobbel.nl/deontginner/1.1.php