De vochtige bodem van stilte

.

.

Vochtige stilte

.

.
Het veld is verlaten. An en Jan zijn vertrokken naar onbestemde verten. Ik ben opnieuw alleen, maar toch ook niet. Er zijn steeds meer vogels, hoe langer ik hier woon. Ik geniet van hun gezang en leer ze goed kennen. Ik kijk door het open raam naar buiten. Maar dan zie ik wat anders. Vanuit een ooghoek beweegt iets, hier binnen, niet ver van mij af. Het muisje dat onder de vloer woont, komt onder het aanrecht vandaan. Rustig wandelt hij de kurkvloer op. Het is een mooi rond muisje, met kleine oortjes. Ik ken hem. Hij is alleen, net als ik. Razendsnel beweegt het puntje van zijn neus. Sneller dan ik ziet hij gemorste zaadjes op de vloer liggen. Hij pakt ze met twee pootjes beet, en peuzelt het op, net als een eekhoorntje. Als ik beweeg om hem beter te zien, richt hij zich op. Waakzaam, om daarna  rustig verder te scharrelen.

Het muisje is weer weg. Het is stil. De stilte is anders, als je weet dat je alleen bent. Anders dan wanneer verderop ook een schoorsteen brandt, of wanneer ik af en toe een heldere meisjeslach hoor. Erg? Nee, erg is het niet.

Ik hang uit het open raam. Het is avond en hier op het terrein is geen zuchtje wind. Het is of de wolkenlucht nu dichterbij is. Alsof ik zo mee kan rijden op hun zachte rondingen. Een tochtje langs het zwerk. O, dat zou fijn zijn. Zacht vallen de druppels van een lichte lenteregen op het natte groene gras, en op de witgetooide pruimenbomen. De rode bloesems van de ribes lijken nog roder dan ze zijn. Een donkerblauwe wolk rolt in gekrulde vegen over een zonnige avondlucht. Ik adem de vochtige lucht in. Het is als een glas geurige donkerrode wijn, of een muziekstuk dat me steeds weer onbekend is, en me telkens weer verrast.

Ik heb de stilte nodig. Deze winter heb ik mezelf helemaal gegeven aan het boek, Drakenlief. Nu ben ik moe. Ik hoef even niks meer. Helemaal niks. Zelfs de voortgang van de bouw kan wachten. Ik heb toch al een lekker huisje en een fijne kachel! Geen haast. De nieuwe wagen kan best even zonder mij.
Ik werp een blik door het achterraampje. Het gewapende plastic dat de wagen bedekt, zit nog steeds op zijn plek. Ik zie de contouren, het houten skelet voor wanden en dak. Alles is klaar voor de start. Straks is het zover. Straks, als de lentezon me weer helemaal opgeladen heeft. Het is bijna donker nu, de contouren vervagen en een laatste merel zingt in de verte.

De nieuwe wagen wacht op mij. Dit jaar komt het af. Ik ben verwonderd. Hoe kan het? Zoveel moois wat er achter elkaar uit mijn handen komt. Waar komt het vandaan? Ik denk dat het niet van mij is.  Niet vàn mij, wel dóór mij. Door mij gemaakt. Maar ik kan het niet alleen. Ik heb er mijn liefste vriend bij nodig. Hij komt als hem de gelegenheid wordt gegeven. Zoals een schuw dier dat bij je komt als je hem laat zijn. In rust laat hij zich vinden.

„Karakter en talent vormen zich in stilte“, heeft Goethe ooit gezegd. Ik hoorde deze uitspraak op mijn vijftiende en ik ben het nooit vergeten. Ik weet nu hoe waar het is. De stilte is mijn vriend. En ik waak voor hem. Want bescheiden gast als hij is snel verdwenen.

Drakenlief en Selderij

.

Drakenlief en selderij kl. frm

.

Oersterk kronkelt de dikke houtige stengel omhoog, de lucht in. Om zich heen heeft hij een menigte aan piepkleine plantjes gezaaid. Het is de selderij, die ik ooit zaaide.
Zo’n klein zaadje heeft het allemaal in zich. Alles om groot en sterk te worden! Verbazingwekkend. Naast de indrukwekkende plant staat de Margriet, ook een kei in het winnen van terrein. Vlak boven de grond wriemelen haar kinderen met gladde, donkergroene blaadjes kris kras door elkaar, met gegolfde randjes. Het lijkt wel een wedstrijd wie het hardst de zon kan begroeten. Ook het grote onverwoestbare Roemeense duizendblad staat als een dappere strijder klaar om kale vlaktes te beheersen, in dit vreemde land. Tussen deze sterke lieden door weet een aardig bloemenstruikje nog net een plekje te vinden.
De grond van dit perk, twee jaar geleden nog gazon, is in korte tijd doorweeft met een ondoordringbaar pakket aan wortels. Dat moet ook. Planten moeten hier sterk zijn, boordevol levenskracht. Ze zijn er om aarde en vocht vast te houden, om leven te scheppen en mogelijk te maken. Je zal zien hoe snel ze een woestijn kunnen bedekken. Als ze maar de kans krijgen!

Ik kijk met bewondering naar de enorme selderijplant. Zo wil ik ook zijn. Zo vol energie. Met allemaal kleintjes om me heen. Ik sta hier. Ik ben. Ik volg het groeien en draag zorg. Ik creëer. En nu heb ik een boek geschreven. Ik hoop dat het een boek is als de selderij, fris, sterk, vol levenskracht. Mijn boek komt voort uit zaad. Zo zal ook dit boek op zijn beurt zaad afwerpen. Hoe dan ook.

.

Agremone Drakenlief boek Hoofdstukembleem

Het boek heet „Drakenlief“.
Ik werkte er drie maanden aan
maar eigenlijk langer.
Handgeschreven, getekend en gekleurd,
met de concentratie van een monnik.
Staande achter de lessenaar.

Het boek telt 58 dikke pagina’s waar de prenten
mooi op uit komen.
Van de eerste druk heb ik er 50 gemaakt.
Elk boek wordt met de pen genummerd en gesigneerd.

Het kost 20 euro excl. verzendkosten 4 euro.
Interesse?
Mail naar: tt.alowieke@gmail.com
Dan volgt de rest vanzelf.

Begin mei ben ik ook in Utrecht met de boeken. Datum laat ik zo snel mogelijk weten.

.

Dit is de boektrailer. Over het verhaal, waarom ik het schreef, en wat het me doet.

.

Scheppingsverkeer

.

.

Scheppingsregels

.

Aloïsius kijkt
naar het werk
van zijn handen
een grote E
met blauwe randen
Eerste letter
van het blad
Sierlijk straalt de
gouden krul
van verse inkt
nog nat

Hij weet

„God schiep de wereld
in zes dagen en Hij keek
en Hij zag dat het goed was
en rustte op de
zevende dag.“

Maar

Dat was vroeger
voor de wereld van cijfers
het beeld ging domineren
O, ik weet
niet meer
wat ik zie

Ik tekende en vulde
vijftig vellen vol
vele lieve letters
op stralend wit papier
ik stopte ze in mijn toverdoos
vlijtig als een mier

Ik poetste en ik werkte door
goochelde met beelden
ik keek ernaar en ja
ik dacht
dacht echt dat het goed was
toen ik het
de deur uit mailde

Warm van ’t werk verwacht ik nu
de grote dag
van publicatie
ik dans en vrolijk lach ik

De dag die na de zevende
zie ik mijn mooie schepping dus
gelijk terug
in de brievenbus

Verkeerde resolutie

.

Laat het zijn, het antwoord is er

.

Rustig door tuinieren kl frm.

.

Ik sta in de open deur van mijn pipowagen. De zon schijnt en de lucht is blauw. Vóór mij, op het bordes, staan tientallen plantjes. Die heeft de postbode vanmorgen gebracht, in een hele grote doos. Straks, als de zon weer warmer wordt, dan zullen ze groeien en bloeien. Er zijn veel dingen om blij van te worden vandaag. En toch ben ik droevig. Hoe komt dat nou, vraag ik me af. Ik weet niet.

Ik sta er niet lang bij stil en spring van het trapje af. Er is werk te doen. Ik pak acht plantjes beet, acht lange sliertige takken, oersterk, taai en buigzaam. In totaal heb ik er honderd, die de grond in moeten, allemaal in zwarte plastic potjes. Het zijn dwergmispels, een kleine soort cotoneaster. Parken staan er vol mee. Er rennen kinderen in rond om hun voetbal terug te pakken en meer van dat soort ongein. Maakt niet uit. Ze overleven alles.
Ik pak de lange dunne takken beet. De potjes bungelen er onder. Zo loop ik naar de plek waar ze de grond in moeten. Er staan al een paar bessenstruiken, allerlei bloembollen, munt en tijm, rond een jonge kweepeer. Ik laat de potjes op het gras zakken en kijk naar de naakte zwarte aarde in het perk. Die wil ik zoveel mogelijk bedekken.
Vóór ik hier vandaan ga, wil ik er zeker van zijn dat dit kleine bolwerk van diversiteit sterk genoeg is. De dwergmispels zullen daar zeker bij helpen en de andere planten beschermen. Er zijn konijnen, kippen een rondscheurende grasmaaier en een trekker. Ik wil dat alles wat ik in de grond zet het overleeft. En ook de andere perken die ik aanleg, onder de kersenbomen. Straks wil ik kunnen zeggen: „Het is goed zo, ik ga. Groei maar lekker door tuintjes! Mijn zegen heb je.“
Tuinieren is fijn. Ik wil de wereld mooier maken. Ik kijk, volg de vlucht van vogels rond mijn huisje en zie waar ze hun voedsel zoeken. Ik zie de eerste hommel zoekend rond zoemen. Hoe meer er groeit, hoe meer er bloeit. Mijn handen zijn zwart van aarde. Het maakt niet uit dat de grond niet van mij is. De aarde is van niemand. Die is van zichzelf. Ja, ik kan donateur worden om de wereld te redden met een handvol goede doelen. Maar veel liever stop ik mijn bijdrage hier in de grond. Dan kan ik zien hoe het groeit, en naar de beestjes kijken. Veel leuker.

Aan het eind van de dag doe ik de radio aan. Lex Bohlmeijer op radio 4. Hij vertelt met aangeslagen stem wat er is gebeurd is in Brussel. Een explosie van geweld. Ach.. was dàt het, vanmorgen? Kan dat, verdriet voelen wat massaal gevoeld wordt, waar ik nog niks van weet? Het is erg. Maar wat kan ik anders dan doorgaan. Planten en zaaien, kleine paradijsjes maken voor bijen en vogels. En bloemen om ogen te strelen. Laat het zijn, het antwoord is er. Hier.

.

Nergens is het paradijs als
nog ergens oorlog is
Maar ik blijf rustig
en ik meen
niemand
is werkelijk
alleen

.
Nootje na: De volgende dag zat ik te staren op de bank, half aanwezig, mijn lichaam traag als stroop, als was ik in de rouw. Ik heb een gevechtsdans gedaan, buiten. Dat luchtte op zeg! Echt een aanrader. Doe maar wat. Alles is goed.

Twee manieren om te reizen

.

Twee manieren om te reizen

.

 

De man naast mij staat met een schepje in de hand. Hij groet me vriendelijk. „Hoe is het met je nieuwe wagen,” vraagt hij. Ik kom overeind en stop een handvol dorre blaadjes in de emmer die naast me staat. Verderop in de tuin zijn anderen aan het snoeien. Het is de tuin van de Kloosterhof van Gestel in Eindhoven. Mijn vriend Dick woont daar. Hij werkt al jaren voor Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling. De tuin is voor iedereen die in het klooster zijn werk heeft gevestigd. De mensen van Omslag zorgen er voor. Vandaag is het tuindag en iedereen mag helpen.
„Met mijn nieuwe wagen is het goed.“ antwoord ik. „De bouw staat in de winter stil. Dan schrijf en teken ik, of studeer. In de lente begin ik weer met buitendingen.“
„En ga je op reis als hij af is?“
„Nee hoor. Ik heb totaal geen ervaring met trekdieren. Er zijn er genoeg die dat doen, er een paard voor zetten en gaan. Leren doe je onderweg wel, denken ze. Nou, mij niet gezien. Ik leer liever stap voor stap. Als ik dieren aanschaf zou ik eerst een goed weiland willen huren, op een plek waar ik ook kan werken voor de kost. Maar voorlopig kies ik er nog niet voor. Het is een grote zorg. Ik moet er volledig van overtuigd zijn dat ik het wil, anders doe ik het niet.”
„O.. Dat klinkt heel anders dan ik dacht..“

Een paar dagen later. Het is een zonnige dag, binnen is het warm, buiten waait een koude wind. Ik sta te schrijven aan mijn werktafel. Ik denk aan de man in de tuin.
Waarom ben ik een wagen gaan bouwen, waarom ook al weer? Ik aai met mijn hand langs een dikke plank. Het is lichtgeel hout en gezaagd in vorm van een puntig boomblad. Het zijn er twee. Ze staan naast mijn schrijftafel. De gladgeschuurde ronding voelt heerlijk zacht. Kunstige daksteunen worden het. Ze zullen straks deel uit maken van het voorportaaltje.

Ooit begon ik te bouwen met een reden. Langzaam is die verdwenen, het oude doel is niet meer dan een vage schim op de achtergrond. Ik werk. Dag in dag uit. Ik geniet. Een heerlijk huisje op wielen maak ik. En in de winter schrijf ik en maak kleurige prenten bij de warme houtkachel.
Gà ik wel op reis, vraag ik me wel eens af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Misschien wordt het wel een reis in de geest. Er zijn genoeg schrijvers, kunstenaars en musici die wilden reizen, maar zich uiteindelijk hebben gevonden in het grote avontuur van hun talenten. In hun kunst vonden ze een schat aan landschappen die de fysieke wereld evenaarde.

Waarom wilde ik reizen? Ik wilde mobiel zijn. Ik wilde overal kunnen werken en mijn huis bij me hebben zoals een slak. Mijn handen kunnen al spelend eetbare tuinen maken met bloemen, kruiden, struiken en bomen. Ik kan werken met aarde, hout en stenen, kijken wat zich voordoet en vandaar uit creatief zijn. Samen met anderen.

Maar werken doe je op één plek tegelijk. Daarvoor hoef ik niet persée te reizen.

Ik weet wat het wél was. Niet om te laten zien hoe stoer ik ben met een zelfgebouwde wagen en twee muildieren. Nee, ik wilde tekeningen maken en nieuwsgierig zijn. Verhalen verzamelen van mensen en de natuur die hen omringt. Mensen, dieren, bomen, planten, heuvels, bossen, zon en regen, alles voor het landschapsboek, vol tekeningen, gedichten en verhaaltjes. Maar kom ik daar wel aan toe dan? Ik zie hoe druk buurman Jan het heeft met zijn paard en ezel en dan is hij niet eens onderweg. Ik denk dat het heel veel is, alleen op weg, verantwoordelijkheid voor twee dieren en ook nog een boek maken. Zelfs als ik ervaring had, dan nog is het veel.

Voorlopig ben ik aan het bouwen en ik zie wel. Elke stap is een ontdekking.

.

LINKS
Plantenboekje met tekeningen: https://alowieke.wordpress.com/reis-en-woonwagenverhalen-met-juffrouw-kolibri/

Werken in de tuin bij Omslag in Eindhoven: http://www.omslag.nl/nieuws/00976.html

Werk aan de winkel

 

.

Drakenlief op de bank kl frm.

.

De hele tafel ligt vol velletjes papier. De bank is ook al vol en het aanrecht, dat ik heel zorgvuldig schoon en droog heb gemaakt. Want één spatje kan een hoop verpesten aan een mooie prent. Buiten waait een gure oostenwind. Terwijl talloze daklozen en vluchtelingen zich maar moeten zien te redden, zit ik in een huisje op wielen dat wiegt in de wind, terwijl de kachel zachtjes brandt.
Ik werk. Omdat ik rust heb, kan ik iets moois maken en het laten zien. Dat is nodig, rust. Al is het nog zo shockerend, grensverleggend of baanbrekend wat je naar buiten brengt, als de grond onder je voeten vandaan wordt gehaald sta je sprakeloos tussen de puinhopen en is de meest getalenteerde professor, schrijver of kunstenaar gelijk aan een vuilnisman.

Wat een voorrecht, te kunnen werken in stilte. Hoewel er van alles is dat mijn aandacht kan afleiden, laat ik het niet toe. Ik koester de rust als een vruchtbare bodem en voed die met aandacht en discipline.
Mijn boek is bijna af, “Drakenlief“. De velletjes liggen overal, twee bij twee. Van elke linker is er een rechter pagina die erbij hoort. De hele wagen is gevuld met het regelmatige handschrift en kleurrijke tekeningen. Hoe zal het zijn om het boek straks in handen te hebben, gedrukt en wel? Het is vast een bijzonder moment, dat ik zeker zal vieren. Ik laat het zien als het er is. Ik ben zo benieuwd!

Ondertussen is er meer werk, dat wacht. Als het boek klaar is, komt ook de bouw in de slotfase. De prille lente is een mooi moment om lijstjes te maken. Dit is die van mijn nieuwe woonwagen.

Wanden
plafond
ramen
deuren
isolatie
het bed
kastjes
de markies en
energiesysteem bouwen
met zonnenpanelen.
Kortom, nog heel wat te doen!

Straks, als de lente losbarst, dan komt de kwast en de zaag weer tevoorschijn! Ik verheug me er op.

Wat hier groeit is de oogst van een rijk leven en een paar jaar werk in stilte. Een eigen gebouwd huisje zal glimmen in de zomerzon. En een boek vol verhalen en platen ligt er, op de nieuwe vensterbank. Straks. Ik wil er met volle teugen van genieten, elke hamerslag, elke kwast- of pennestreek. Zeker weten.

Omdat ik besta

.

Aarde, maan en het bestaan

.

Precies op mijn verjaardag komen ze binnen. Vijf hoogstambomen en acht struiken bessenhulst. Ik ga ze planten. Want ik besta. Ik neem en ik geef. Een cadeautje voor de aarde is het, op mijn geboortedag. Eigenlijk kan ik het best elk jaar doen. Nu ben ik hier, dan weer daar. Het kan overal.

Een paar dagen later staan de bomen parmantig rechtop, verspreid over het terrein. De struiken gaan vandaag de grond in. We moeten er ruimte voor maken, kappen, hakken en graven. We maken ons klaar voor een flinke klus.
„Hé Dick, de stroom ligt er uit.“ Ik sta bij de werkbank, die ik achter mijn wagen heb gebouwd, samen met een flinke berging, waarin veel van mijn gereedschap ligt. Ik heb net een spade geslepen. De schep ligt nu in het nog half bevroren gras. Trots kijk ik naar de glimmende rand. Haarscherp fonkelt hij in de zon, scherp genoeg om dikke stronken uit de stijve zwarte grond te hakken. Een rij donkergroene struiken staan glimmend te wachten. Die moeten er straks in.
De elektrische kettingzaag hangt in mijn hand. Maar hij doet niks meer. Ik kijk naar Dick, die aan komt lopen. „Misschien was hij vastgeroest en liep hij warm,“ opper ik „ik heb WD40 bij de ketting gespoten, nou loopt hij soepeler.”
„Doet de slijpmachine het ook niet?”
„Nee,” antwoord ik. „De prik is er af.”
„Waar is de stroomkast?” vraagt Dick. Ik wijs.
Samen lopen we naar het kleine grijze kastje, aan het einde van de rij coniferen. Het deurtje staat half open, maar we worden geen wijs uit de rij gele, blauwe en groene knopjes en schuifjes. „Ach, ik bel Ton wel en dan neem nu de snoeizaag,” zeg ik onverschillig.
Even later sta ik bij een dikke conifeer. Ik kap wat kleine takjes weg en zet de vlijmscherpe zaag in de stam. Mijn arm maakt een lange beweging heen en weer. Bij het trekken zet ik kracht. Ik geniet van het ritme. Binnen de kortste tijd ligt de boom om. „Die stroom heb je helemaal niet nodig!“ grijnst mijn vriend.

We werken hard. We hakken de stronken weg met scherp geslepen spades. Grote kuilen van zwarte grond blijven over. Nu de compostaarde. Bij het veldje van de dieren ligt een grote berg, die dagelijks groeit. We halen er heel wat volle kruiwagens weg. Ik zet één van de struiken in een gat. Rond en onder de wortels stop ik fijn materiaal uit de kruiwagen, kleine takjes, losse grond en verrotte blaadjes. Fijn voor de struik, dan kan hij haarwortels maken. Er bovenop maak ik een dikke laag van rot blad. Er zit paarde- en ezelmest doorheen.

Het gaat veel sneller dan gedacht. We zijn bijna klaar als Ton de stroom komt aanzetten. De rij coniferen is nu onderbroken door hulst. Ze zijn net boven de knie, maar zullen groeien. Vogels vliegen nieuwsgierig door de ontstane gaten en pikken in de smeuïge bedjes compost. Op het veld ligt een berg gesneuvelde coniferen. „Sorry coniferen,“ mompel ik verontschuldigend. Tenslotte heeft alles recht om te bestaan. Ook coniferen. Maar deze mochten niet. Zoals veel zaken in het leven moesten ze wijken voor de menselijke wil.

Ik wil zorgvuldig zijn. Ik luister en kijk. Hier en daar grijp ik in, haal iets weg of voeg iets toe. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Het gaat niet om mij, gelukkig niet. Het gaat om iets anders, groter dan ik kan overzien. Ik help een handje bij het groeien. Heerlijk vind ik dat. Wat het ook mag worden.

.

INFORMATIE, over de bomen en hoe ze het deden.

Ik was op minicamping de Ontginner in Haghorst, zandgrond in Brabant, met zeer wisselende waterstanden. ‘s Winters nat, zomers droog. Hier heb ik twee soorten kersenbomen geplant. De eerste is “Prunus Bigarrea Napoleon”

Een kleine gele kers, zelfbestuivend, weinig gevoelig voor ziektes. Twee van de drie gingen dood. De eerste stond midden in  keiharde platgereden grond, waar elke winter een enorme plas staat. Ik heb een grote kuil gegraven, humusrijke grond toegevoegd, de grond rond de boom iets opgehoogd, maar dat heeft allemaal geen zin gehad. Hij ging dood. Ik heb mijn broer gevraagd hoe het bij hem ging, hij is boer in Denemarken en heeft 2000 kersen geplant. Ook bij hem zijn alle bomen die te nat stonden dood gegaan. Op zo’n natte plek wil een prunus het kennelijk niet doen en de volgende keer zal ik op zo’n locatie geen kers planten, zelfs niet als iemand er om vraagt. Tenzij iemand komt met een uitzonderlijk soort, die er tegen kan.
De tweede stond pal naast een muurtje, waar veel mieren hun nesten hadden onder de stenen. Omdat er naast het muurtje gereden moest kunnen worden met de trekker en om woonwagens te slepen, werd hij er strak naast geplant en kreeg weinig ruimte. De boom deed het eerst heel erg goed, maar ging plotseling dood. Mierennesten hebben de wortels blootgelegd met tal van gangen. Ik heb dat vaker gezien. Dus geen boom planten pal naast een muurtje met mieren eronder.
De derde staat midden op het veld, op een plek die minder nat is, maar nog steeds met een behoorlijke compactie van de bodem. Hij leeft nog, maar groeit na anderhalf jaar nog steeds niet verder.

De tweede kers heet “Prunus a Kordia”.

Pluktijd half juli. Een grote hartvormige vrucht, diep donkerrood met een goede smaak. Lange vruchtsteel. Zelfbestuivend.
De twee bomen groeien ontzettend goed. Ze hebben allebei een betere plek gekregen dan de andere drie, daarom is moeilijk uit te maken of het veel sterkere groeiers zijn, of dat het komt door omstandigheden. De één staat mooi hoog, op losse bossige grond, naast een tegelplaatsje, met een diverse ondergroei. De tweede staat bij de ingang. In de winter kan ook daar veel water staan, maar toch heeft deze kers daar totaal geen last van gehad. Misschien stond hij net in een beter stukje, of kan deze boom toevallig wèl tegen wat nattere grond.
Wie hier ervaring mee heeft, vertel het!

 

 

Een-en-vijftig!

.

.

51 jaar!

.

„Het verval komt nog wel. Dat kun je mooi zien als je elk jaar een foto maakt.“ zegt mijn vriend Dick vrolijk, als ik me afvraag hoe het is om zeventig te zijn. „Nee hoor, niks daarvan“ zeg ik eigenwijs. „Het velletje wordt misschien wat minder strak, maar de spieren houden de rest goed bij elkaar! Van afstand zie je over tien jaar nog steeds geen verschil, en over twintig jaar ook niet. Wedden?“
„Ach joh,“ zegt Dick „Ik vind je altijd mooi.“
Ik ben vandaag één-en-vijftig geworden. Toen ik vijftig werd heeft Dick het beeld van mij vastgelegd, bij de vijver. Dat was vorig jaar. Het was een hele koude dag en in mijn Eva’s kostuum ben ik gauw weer naar binnen gerend toen de foto gemaakt was. Nu maken we weer een foto. Midden tussen de natte akkers. En volgend jaar ook. En dan weer ergens anders. Elk jaar eentje! Het is een avontuurlijke ontdekkingstocht door de tijd, die ik graag deel met anderen. Mijn lijf en ik en waar ik ben, daar gaat het over

Hiep hiep hoera.

Ik hou ervan
het leven
van verval en rottigheid
en dan
dan komt het groeien

Ik kon groeien
als een den
zo tof
dat ik geboren ben!

Ik dank de wind
om mee te stoeien
ijskoud of vol beloftes

Ik blijf toch een
vroeg lentekind
.

EN DAN NU….

Hoe ben ik 51 geworden? Een globaal overzicht van mijn dagelijks leven zoals ik het in de loop der tijd heb opgebouwd.

  • Regelmatig water drinken, vooral voor het naar bed gaan en bij het wakker worden. Vaak ook       ’s nachts.
  • Elke ochtend een uur lichaamswerk. Poweryoga, gewichtheffen, springen, dansen, zingen, bekkentrekken. Tien minuten is trouwens ook al effectief, dus geen smoesjes dat ik geen tijd heb. ’s Avonds doe ik het ook vijf of tien minuten.
  • Vers geplet graan eten uit eigen molentje. Haver, gerst, rogge, met lijnzaad, rozijnen, veel pompoenpitten, kokos, paar cashewnoten, paar hazelnoten, goed fijngekauwd of gemalen. Gemengd met water, scheut geitenmelk, kokosvet en kaneel.
  • Ik sta altijd. Als ik schrijf of teken, of werk achter mijn laptop, dan doe ik dat ik staande achter een lessenaar. Soms urenlang. Goed voor de ademhaling en nooit last van mijn rug. Ik houd de hele dag een actief gevoel. Ongemerkt doe ik toch vaak wat stapjes heen en weer of wiebel met mijn heupen.
  • Tussen de middag fruit eten.
  • ’s Avonds geniet ik van het bereiden van de maaltijd. Ik maak een mix van allerlei seizoensgroente. Vaak eet ik er peulvruchten bij en wat gierst of boekweit met kruiden. Soms hele jonge geitenkaas. Geen vlees. Ik meng er wilde planten door, die op dat moment groeien.

Nu zijn dat brandneteltoppen, jong kleefkruid, fluitekruid, en vogelmuur als salade. fluitekruid moet je wel kunnen herkennen om vergissing uit te sluiten. Ik zie het, maar ik ruik het ook, dat het fluitekruid is. Het verwante dollekervel is wel giftig, maar van een enkel hapje krijg je niks en de smaak van giftige planten is vaak totaal anders. Er zitten ook paarse vlekken op de stengel van dollekervel. Dat heeft het fluitekruid niet.

  • Veel buitenlucht en zonlicht.
  • Extra vitamine D slikken in de winter. Marmite voor de B12.
  • Kruidenthee.
  • Koffie versgemalen met granenkoffie gemixt en carobepoeder voor het zoete smaakje. Veel melk erbij. Mix van zelfgemaakte havermelk en geitenmelk.
  • Lekker diagonaal slapen in mijn brede hangmat, met schapenvachtjes erin. Heerlijk schommelen als ik nog niet slaap.
  • Veel naar buiten kijken zon, wolken, regen, vogeltjes…. en muziek luisteren in de avond.
  • Beperken van kijken op internet en facebook. Voornamelijk s ochtends en s avonds en maximaal twee uur per dag.
  • Opruimen wat ik niet nodig heb, veel weggeven of afvoeren. Soms kan ik het slopen om iets nieuws te maken, of is het organisch en begraaf ik het om te laten composteren.
  • Leeggekomen ruimte laten inspireren door mensen en dingen waar ik blij van word. Soms is er niets of weinig voor nodig, zoals bij dans en muziek en tuinieren.

Spullen waar ik blij van word, heb ik meestal zelfgemaakt, met materiaal wat er is of wat ik speciaal uitzoek. Soms is het ook een herinnering of een cadeautje, dat echt iets voor me betekent. Toch is er niets dat op een vaste plek kan rekenen, bij mij. Ik ben doordrongen van het besef dat alles tijdelijk is en ben voorbereid op elk verlies of afscheid. De rijkdom zit vooral in de geest en in een groeiend inzicht dat alles wat vergaat een bodem vormt voor een nieuwe frisse lente.

  • Tuinieren, vergroten van groeiende en bloeiende zones, verbreden van de blik.
  • Kijken naar hele kleine beestjes.
  • Elkaar voorlezen.
  • Wandelen, wilde planten zoeken en luisteren naar dierengeluiden, alleen of samen.
  • Praten met de buren.
  • Knuffelen.

 

Wensen:

  • Wagen afbouwen! Lekker in mijn eentje, rustig en geconcentreerd.
  • Mijn boek „Drakenlief“ uitgeven en het veel mensen laten lezen.
  • Met Manon Ossevoort wandelen en samen eetbare planten zoeken. (Zij is het trekkermeisje dat naar de Zuidpool reed.) Andere geïnteresseerden ook welkom om mee te gaan. (Omgeving Eindhoven)
  • Dick helpen zijn kamer in te richten, hoogslaper bouwen, dansvloertje met spiegel en hangstoel met katrol.
  • Later: Yoga-acrobatiek doen, samen met anderen. Niet voor een keer maar het liefst op de plek waar ik ben en met regelmaat.
  • Meerstemmig zang met een paar anderen die ook redelijk van blad kunnen lezen of een sterk geheugen hebben voor toon en klank.
  • Meedoen in een dansvoorstelling in de natuur.
  • Voedselbossen planten geïnspireerd door permacultuur met alle lagen: van bodem en kruidlaag tot wat er bovenin de kruinen zit.
  • Kunst en speelplekken maken in die voedselbossen.
  • Een keer wandelen en filosoferen met Lex Bohlmeijer.
  • En ten slotte: Verrassingen en bezoekers verwelkomen. Maar tot de zomer niet teveel, anders komt de wagen niet af. Ik blijf verslag doen in mijn blog, met verhalen, filmpjes en foto’s van de bouw.

Dat was het! En ze leefde nog lang en gelukkig.

Link van Manon Ossevoort: http://www.tractortractor.org/nl/