Laat het zijn, het antwoord is er

.

Rustig door tuinieren kl frm.

.

Ik sta in de open deur van mijn pipowagen. De zon schijnt en de lucht is blauw. Vóór mij, op het bordes, staan tientallen plantjes. Die heeft de postbode vanmorgen gebracht, in een hele grote doos. Straks, als de zon weer warmer wordt, dan zullen ze groeien en bloeien. Er zijn veel dingen om blij van te worden vandaag. En toch ben ik droevig. Hoe komt dat nou, vraag ik me af. Ik weet niet.

Ik sta er niet lang bij stil en spring van het trapje af. Er is werk te doen. Ik pak acht plantjes beet, acht lange sliertige takken, oersterk, taai en buigzaam. In totaal heb ik er honderd, die de grond in moeten, allemaal in zwarte plastic potjes. Het zijn dwergmispels, een kleine soort cotoneaster. Parken staan er vol mee. Er rennen kinderen in rond om hun voetbal terug te pakken en meer van dat soort ongein. Maakt niet uit. Ze overleven alles.
Ik pak de lange dunne takken beet. De potjes bungelen er onder. Zo loop ik naar de plek waar ze de grond in moeten. Er staan al een paar bessenstruiken, allerlei bloembollen, munt en tijm, rond een jonge kweepeer. Ik laat de potjes op het gras zakken en kijk naar de naakte zwarte aarde in het perk. Die wil ik zoveel mogelijk bedekken.
Vóór ik hier vandaan ga, wil ik er zeker van zijn dat dit kleine bolwerk van diversiteit sterk genoeg is. De dwergmispels zullen daar zeker bij helpen en de andere planten beschermen. Er zijn konijnen, kippen een rondscheurende grasmaaier en een trekker. Ik wil dat alles wat ik in de grond zet het overleeft. En ook de andere perken die ik aanleg, onder de kersenbomen. Straks wil ik kunnen zeggen: „Het is goed zo, ik ga. Groei maar lekker door tuintjes! Mijn zegen heb je.“
Tuinieren is fijn. Ik wil de wereld mooier maken. Ik kijk, volg de vlucht van vogels rond mijn huisje en zie waar ze hun voedsel zoeken. Ik zie de eerste hommel zoekend rond zoemen. Hoe meer er groeit, hoe meer er bloeit. Mijn handen zijn zwart van aarde. Het maakt niet uit dat de grond niet van mij is. De aarde is van niemand. Die is van zichzelf. Ja, ik kan donateur worden om de wereld te redden met een handvol goede doelen. Maar veel liever stop ik mijn bijdrage hier in de grond. Dan kan ik zien hoe het groeit, en naar de beestjes kijken. Veel leuker.

Aan het eind van de dag doe ik de radio aan. Lex Bohlmeijer op radio 4. Hij vertelt met aangeslagen stem wat er is gebeurd is in Brussel. Een explosie van geweld. Ach.. was dàt het, vanmorgen? Kan dat, verdriet voelen wat massaal gevoeld wordt, waar ik nog niks van weet? Het is erg. Maar wat kan ik anders dan doorgaan. Planten en zaaien, kleine paradijsjes maken voor bijen en vogels. En bloemen om ogen te strelen. Laat het zijn, het antwoord is er. Hier.

.

Nergens is het paradijs als
nog ergens oorlog is
Maar ik blijf rustig
en ik meen
niemand
is werkelijk
alleen

.
Nootje na: De volgende dag zat ik te staren op de bank, half aanwezig, mijn lichaam traag als stroop, als was ik in de rouw. Ik heb een gevechtsdans gedaan, buiten. Dat luchtte op zeg! Echt een aanrader. Doe maar wat. Alles is goed.

Twee manieren om te reizen

.

Twee manieren om te reizen

.

 

De man naast mij staat met een schepje in de hand. Hij groet me vriendelijk. „Hoe is het met je nieuwe wagen,” vraagt hij. Ik kom overeind en stop een handvol dorre blaadjes in de emmer die naast me staat. Verderop in de tuin zijn anderen aan het snoeien. Het is de tuin van de Kloosterhof van Gestel in Eindhoven. Mijn vriend Dick woont daar. Hij werkt al jaren voor Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling. De tuin is voor iedereen die in het klooster zijn werk heeft gevestigd. De mensen van Omslag zorgen er voor. Vandaag is het tuindag en iedereen mag helpen.
„Met mijn nieuwe wagen is het goed.“ antwoord ik. „De bouw staat in de winter stil. Dan schrijf en teken ik, of studeer. In de lente begin ik weer met buitendingen.“
„En ga je op reis als hij af is?“
„Nee hoor. Ik heb totaal geen ervaring met trekdieren. Er zijn er genoeg die dat doen, er een paard voor zetten en gaan. Leren doe je onderweg wel, denken ze. Nou, mij niet gezien. Ik leer liever stap voor stap. Als ik dieren aanschaf zou ik eerst een goed weiland willen huren, op een plek waar ik ook kan werken voor de kost. Maar voorlopig kies ik er nog niet voor. Het is een grote zorg. Ik moet er volledig van overtuigd zijn dat ik het wil, anders doe ik het niet.”
„O.. Dat klinkt heel anders dan ik dacht..“

Een paar dagen later. Het is een zonnige dag, binnen is het warm, buiten waait een koude wind. Ik sta te schrijven aan mijn werktafel. Ik denk aan de man in de tuin.
Waarom ben ik een wagen gaan bouwen, waarom ook al weer? Ik aai met mijn hand langs een dikke plank. Het is lichtgeel hout en gezaagd in vorm van een puntig boomblad. Het zijn er twee. Ze staan naast mijn schrijftafel. De gladgeschuurde ronding voelt heerlijk zacht. Kunstige daksteunen worden het. Ze zullen straks deel uit maken van het voorportaaltje.

Ooit begon ik te bouwen met een reden. Langzaam is die verdwenen, het oude doel is niet meer dan een vage schim op de achtergrond. Ik werk. Dag in dag uit. Ik geniet. Een heerlijk huisje op wielen maak ik. En in de winter schrijf ik en maak kleurige prenten bij de warme houtkachel.
Gà ik wel op reis, vraag ik me wel eens af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Misschien wordt het wel een reis in de geest. Er zijn genoeg schrijvers, kunstenaars en musici die wilden reizen, maar zich uiteindelijk hebben gevonden in het grote avontuur van hun talenten. In hun kunst vonden ze een schat aan landschappen die de fysieke wereld evenaarde.

Waarom wilde ik reizen? Ik wilde mobiel zijn. Ik wilde overal kunnen werken en mijn huis bij me hebben zoals een slak. Mijn handen kunnen al spelend eetbare tuinen maken met bloemen, kruiden, struiken en bomen. Ik kan werken met aarde, hout en stenen, kijken wat zich voordoet en vandaar uit creatief zijn. Samen met anderen.

Maar werken doe je op één plek tegelijk. Daarvoor hoef ik niet persée te reizen.

Ik weet wat het wél was. Niet om te laten zien hoe stoer ik ben met een zelfgebouwde wagen en twee muildieren. Nee, ik wilde tekeningen maken en nieuwsgierig zijn. Verhalen verzamelen van mensen en de natuur die hen omringt. Mensen, dieren, bomen, planten, heuvels, bossen, zon en regen, alles voor het landschapsboek, vol tekeningen, gedichten en verhaaltjes. Maar kom ik daar wel aan toe dan? Ik zie hoe druk buurman Jan het heeft met zijn paard en ezel en dan is hij niet eens onderweg. Ik denk dat het heel veel is, alleen op weg, verantwoordelijkheid voor twee dieren en ook nog een boek maken. Zelfs als ik ervaring had, dan nog is het veel.

Voorlopig ben ik aan het bouwen en ik zie wel. Elke stap is een ontdekking.

.

LINKS
Plantenboekje met tekeningen: https://alowieke.wordpress.com/reis-en-woonwagenverhalen-met-juffrouw-kolibri/

Werken in de tuin bij Omslag in Eindhoven: http://www.omslag.nl/nieuws/00976.html

Werk aan de winkel

 

.

Drakenlief op de bank kl frm.

.

De hele tafel ligt vol velletjes papier. De bank is ook al vol en het aanrecht, dat ik heel zorgvuldig schoon en droog heb gemaakt. Want één spatje kan een hoop verpesten aan een mooie prent. Buiten waait een gure oostenwind. Terwijl talloze daklozen en vluchtelingen zich maar moeten zien te redden, zit ik in een huisje op wielen dat wiegt in de wind, terwijl de kachel zachtjes brandt.
Ik werk. Omdat ik rust heb, kan ik iets moois maken en het laten zien. Dat is nodig, rust. Al is het nog zo shockerend, grensverleggend of baanbrekend wat je naar buiten brengt, als de grond onder je voeten vandaan wordt gehaald sta je sprakeloos tussen de puinhopen en is de meest getalenteerde professor, schrijver of kunstenaar gelijk aan een vuilnisman.

Wat een voorrecht, te kunnen werken in stilte. Hoewel er van alles is dat mijn aandacht kan afleiden, laat ik het niet toe. Ik koester de rust als een vruchtbare bodem en voed die met aandacht en discipline.
Mijn boek is bijna af, “Drakenlief“. De velletjes liggen overal, twee bij twee. Van elke linker is er een rechter pagina die erbij hoort. De hele wagen is gevuld met het regelmatige handschrift en kleurrijke tekeningen. Hoe zal het zijn om het boek straks in handen te hebben, gedrukt en wel? Het is vast een bijzonder moment, dat ik zeker zal vieren. Ik laat het zien als het er is. Ik ben zo benieuwd!

Ondertussen is er meer werk, dat wacht. Als het boek klaar is, komt ook de bouw in de slotfase. De prille lente is een mooi moment om lijstjes te maken. Dit is die van mijn nieuwe woonwagen.

Wanden
plafond
ramen
deuren
isolatie
het bed
kastjes
de markies en
energiesysteem bouwen
met zonnenpanelen.
Kortom, nog heel wat te doen!

Straks, als de lente losbarst, dan komt de kwast en de zaag weer tevoorschijn! Ik verheug me er op.

Wat hier groeit is de oogst van een rijk leven en een paar jaar werk in stilte. Een eigen gebouwd huisje zal glimmen in de zomerzon. En een boek vol verhalen en platen ligt er, op de nieuwe vensterbank. Straks. Ik wil er met volle teugen van genieten, elke hamerslag, elke kwast- of pennestreek. Zeker weten.

Omdat ik besta

.

Aarde, maan en het bestaan

.

Precies op mijn verjaardag komen ze binnen. Vijf hoogstambomen en acht struiken bessenhulst. Ik ga ze planten. Want ik besta. Ik neem en ik geef. Een cadeautje voor de aarde is het, op mijn geboortedag. Eigenlijk kan ik het best elk jaar doen. Nu ben ik hier, dan weer daar. Het kan overal.

Een paar dagen later staan de bomen parmantig rechtop, verspreid over het terrein. De struiken gaan vandaag de grond in. We moeten er ruimte voor maken, kappen, hakken en graven. We maken ons klaar voor een flinke klus.
„Hé Dick, de stroom ligt er uit.“ Ik sta bij de werkbank, die ik achter mijn wagen heb gebouwd, samen met een flinke berging, waarin veel van mijn gereedschap ligt. Ik heb net een spade geslepen. De schep ligt nu in het nog half bevroren gras. Trots kijk ik naar de glimmende rand. Haarscherp fonkelt hij in de zon, scherp genoeg om dikke stronken uit de stijve zwarte grond te hakken. Een rij donkergroene struiken staan glimmend te wachten. Die moeten er straks in.
De elektrische kettingzaag hangt in mijn hand. Maar hij doet niks meer. Ik kijk naar Dick, die aan komt lopen. „Misschien was hij vastgeroest en liep hij warm,“ opper ik „ik heb WD40 bij de ketting gespoten, nou loopt hij soepeler.”
„Doet de slijpmachine het ook niet?”
„Nee,” antwoord ik. „De prik is er af.”
„Waar is de stroomkast?” vraagt Dick. Ik wijs.
Samen lopen we naar het kleine grijze kastje, aan het einde van de rij coniferen. Het deurtje staat half open, maar we worden geen wijs uit de rij gele, blauwe en groene knopjes en schuifjes. „Ach, ik bel Ton wel en dan neem nu de snoeizaag,” zeg ik onverschillig.
Even later sta ik bij een dikke conifeer. Ik kap wat kleine takjes weg en zet de vlijmscherpe zaag in de stam. Mijn arm maakt een lange beweging heen en weer. Bij het trekken zet ik kracht. Ik geniet van het ritme. Binnen de kortste tijd ligt de boom om. „Die stroom heb je helemaal niet nodig!“ grijnst mijn vriend.

We werken hard. We hakken de stronken weg met scherp geslepen spades. Grote kuilen van zwarte grond blijven over. Nu de compostaarde. Bij het veldje van de dieren ligt een grote berg, die dagelijks groeit. We halen er heel wat volle kruiwagens weg. Ik zet één van de struiken in een gat. Rond en onder de wortels stop ik fijn materiaal uit de kruiwagen, kleine takjes, losse grond en verrotte blaadjes. Fijn voor de struik, dan kan hij haarwortels maken. Er bovenop maak ik een dikke laag van rot blad. Er zit paarde- en ezelmest doorheen.

Het gaat veel sneller dan gedacht. We zijn bijna klaar als Ton de stroom komt aanzetten. De rij coniferen is nu onderbroken door hulst. Ze zijn net boven de knie, maar zullen groeien. Vogels vliegen nieuwsgierig door de ontstane gaten en pikken in de smeuïge bedjes compost. Op het veld ligt een berg gesneuvelde coniferen. „Sorry coniferen,“ mompel ik verontschuldigend. Tenslotte heeft alles recht om te bestaan. Ook coniferen. Maar deze mochten niet. Zoals veel zaken in het leven moesten ze wijken voor de menselijke wil.

Ik wil zorgvuldig zijn. Ik luister en kijk. Hier en daar grijp ik in, haal iets weg of voeg iets toe. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Het gaat niet om mij, gelukkig niet. Het gaat om iets anders, groter dan ik kan overzien. Ik help een handje bij het groeien. Heerlijk vind ik dat. Wat het ook mag worden.

.

INFORMATIE, over de bomen en hoe ze het deden.

Ik was op minicamping de Ontginner in Haghorst, zandgrond in Brabant, met zeer wisselende waterstanden. ‘s Winters nat, zomers droog. Hier heb ik twee soorten kersenbomen geplant. De eerste is “Prunus Bigarrea Napoleon”

Een kleine gele kers, zelfbestuivend, weinig gevoelig voor ziektes. Twee van de drie gingen dood. De eerste stond midden in  keiharde platgereden grond, waar elke winter een enorme plas staat. Ik heb een grote kuil gegraven, humusrijke grond toegevoegd, de grond rond de boom iets opgehoogd, maar dat heeft allemaal geen zin gehad. Hij ging dood. Ik heb mijn broer gevraagd hoe het bij hem ging, hij is boer in Denemarken en heeft 2000 kersen geplant. Ook bij hem zijn alle bomen die te nat stonden dood gegaan. Op zo’n natte plek wil een prunus het kennelijk niet doen en de volgende keer zal ik op zo’n locatie geen kers planten, zelfs niet als iemand er om vraagt. Tenzij iemand komt met een uitzonderlijk soort, die er tegen kan.
De tweede stond pal naast een muurtje, waar veel mieren hun nesten hadden onder de stenen. Omdat er naast het muurtje gereden moest kunnen worden met de trekker en om woonwagens te slepen, werd hij er strak naast geplant en kreeg weinig ruimte. De boom deed het eerst heel erg goed, maar ging plotseling dood. Mierennesten hebben de wortels blootgelegd met tal van gangen. Ik heb dat vaker gezien. Dus geen boom planten pal naast een muurtje met mieren eronder.
De derde staat midden op het veld, op een plek die minder nat is, maar nog steeds met een behoorlijke compactie van de bodem. Hij leeft nog, maar groeit na anderhalf jaar nog steeds niet verder.

De tweede kers heet “Prunus a Kordia”.

Pluktijd half juli. Een grote hartvormige vrucht, diep donkerrood met een goede smaak. Lange vruchtsteel. Zelfbestuivend.
De twee bomen groeien ontzettend goed. Ze hebben allebei een betere plek gekregen dan de andere drie, daarom is moeilijk uit te maken of het veel sterkere groeiers zijn, of dat het komt door omstandigheden. De één staat mooi hoog, op losse bossige grond, naast een tegelplaatsje, met een diverse ondergroei. De tweede staat bij de ingang. In de winter kan ook daar veel water staan, maar toch heeft deze kers daar totaal geen last van gehad. Misschien stond hij net in een beter stukje, of kan deze boom toevallig wèl tegen wat nattere grond.
Wie hier ervaring mee heeft, vertel het!

 

 

Een-en-vijftig!

.

.

51 jaar!

.

„Het verval komt nog wel. Dat kun je mooi zien als je elk jaar een foto maakt.“ zegt mijn vriend Dick vrolijk, als ik me afvraag hoe het is om zeventig te zijn. „Nee hoor, niks daarvan“ zeg ik eigenwijs. „Het velletje wordt misschien wat minder strak, maar de spieren houden de rest goed bij elkaar! Van afstand zie je over tien jaar nog steeds geen verschil, en over twintig jaar ook niet. Wedden?“
„Ach joh,“ zegt Dick „Ik vind je altijd mooi.“
Ik ben vandaag één-en-vijftig geworden. Toen ik vijftig werd heeft Dick het beeld van mij vastgelegd, bij de vijver. Dat was vorig jaar. Het was een hele koude dag en in mijn Eva’s kostuum ben ik gauw weer naar binnen gerend toen de foto gemaakt was. Nu maken we weer een foto. Midden tussen de natte akkers. En volgend jaar ook. En dan weer ergens anders. Elk jaar eentje! Het is een avontuurlijke ontdekkingstocht door de tijd, die ik graag deel met anderen. Mijn lijf en ik en waar ik ben, daar gaat het over

Hiep hiep hoera.

Ik hou ervan
het leven
van verval en rottigheid
en dan
dan komt het groeien

Ik kon groeien
als een den
zo tof
dat ik geboren ben!

Ik dank de wind
om mee te stoeien
ijskoud of vol beloftes

Ik blijf toch een
vroeg lentekind
.

EN DAN NU….

Hoe ben ik 51 geworden? Een globaal overzicht van mijn dagelijks leven zoals ik het in de loop der tijd heb opgebouwd.

  • Regelmatig water drinken, vooral voor het naar bed gaan en bij het wakker worden. Vaak ook       ’s nachts.
  • Elke ochtend een uur lichaamswerk. Poweryoga, gewichtheffen, springen, dansen, zingen, bekkentrekken. Tien minuten is trouwens ook al effectief, dus geen smoesjes dat ik geen tijd heb. ’s Avonds doe ik het ook vijf of tien minuten.
  • Vers geplet graan eten uit eigen molentje. Haver, gerst, rogge, met lijnzaad, rozijnen, veel pompoenpitten, kokos, paar cashewnoten, paar hazelnoten, goed fijngekauwd of gemalen. Gemengd met water, scheut geitenmelk, kokosvet en kaneel.
  • Ik sta altijd. Als ik schrijf of teken, of werk achter mijn laptop, dan doe ik dat ik staande achter een lessenaar. Soms urenlang. Goed voor de ademhaling en nooit last van mijn rug. Ik houd de hele dag een actief gevoel. Ongemerkt doe ik toch vaak wat stapjes heen en weer of wiebel met mijn heupen.
  • Tussen de middag fruit eten.
  • ’s Avonds geniet ik van het bereiden van de maaltijd. Ik maak een mix van allerlei seizoensgroente. Vaak eet ik er peulvruchten bij en wat gierst of boekweit met kruiden. Soms hele jonge geitenkaas. Geen vlees. Ik meng er wilde planten door, die op dat moment groeien.

Nu zijn dat brandneteltoppen, jong kleefkruid, fluitekruid, en vogelmuur als salade. fluitekruid moet je wel kunnen herkennen om vergissing uit te sluiten. Ik zie het, maar ik ruik het ook, dat het fluitekruid is. Het verwante dollekervel is wel giftig, maar van een enkel hapje krijg je niks en de smaak van giftige planten is vaak totaal anders. Er zitten ook paarse vlekken op de stengel van dollekervel. Dat heeft het fluitekruid niet.

  • Veel buitenlucht en zonlicht.
  • Extra vitamine D slikken in de winter. Marmite voor de B12.
  • Kruidenthee.
  • Koffie versgemalen met granenkoffie gemixt en carobepoeder voor het zoete smaakje. Veel melk erbij. Mix van zelfgemaakte havermelk en geitenmelk.
  • Lekker diagonaal slapen in mijn brede hangmat, met schapenvachtjes erin. Heerlijk schommelen als ik nog niet slaap.
  • Veel naar buiten kijken zon, wolken, regen, vogeltjes…. en muziek luisteren in de avond.
  • Beperken van kijken op internet en facebook. Voornamelijk s ochtends en s avonds en maximaal twee uur per dag.
  • Opruimen wat ik niet nodig heb, veel weggeven of afvoeren. Soms kan ik het slopen om iets nieuws te maken, of is het organisch en begraaf ik het om te laten composteren.
  • Leeggekomen ruimte laten inspireren door mensen en dingen waar ik blij van word. Soms is er niets of weinig voor nodig, zoals bij dans en muziek en tuinieren.

Spullen waar ik blij van word, heb ik meestal zelfgemaakt, met materiaal wat er is of wat ik speciaal uitzoek. Soms is het ook een herinnering of een cadeautje, dat echt iets voor me betekent. Toch is er niets dat op een vaste plek kan rekenen, bij mij. Ik ben doordrongen van het besef dat alles tijdelijk is en ben voorbereid op elk verlies of afscheid. De rijkdom zit vooral in de geest en in een groeiend inzicht dat alles wat vergaat een bodem vormt voor een nieuwe frisse lente.

  • Tuinieren, vergroten van groeiende en bloeiende zones, verbreden van de blik.
  • Kijken naar hele kleine beestjes.
  • Elkaar voorlezen.
  • Wandelen, wilde planten zoeken en luisteren naar dierengeluiden, alleen of samen.
  • Praten met de buren.
  • Knuffelen.

 

Wensen:

  • Wagen afbouwen! Lekker in mijn eentje, rustig en geconcentreerd.
  • Mijn boek „Drakenlief“ uitgeven en het veel mensen laten lezen.
  • Met Manon Ossevoort wandelen en samen eetbare planten zoeken. (Zij is het trekkermeisje dat naar de Zuidpool reed.) Andere geïnteresseerden ook welkom om mee te gaan. (Omgeving Eindhoven)
  • Dick helpen zijn kamer in te richten, hoogslaper bouwen, dansvloertje met spiegel en hangstoel met katrol.
  • Later: Yoga-acrobatiek doen, samen met anderen. Niet voor een keer maar het liefst op de plek waar ik ben en met regelmaat.
  • Meerstemmig zang met een paar anderen die ook redelijk van blad kunnen lezen of een sterk geheugen hebben voor toon en klank.
  • Meedoen in een dansvoorstelling in de natuur.
  • Voedselbossen planten geïnspireerd door permacultuur met alle lagen: van bodem en kruidlaag tot wat er bovenin de kruinen zit.
  • Kunst en speelplekken maken in die voedselbossen.
  • Een keer wandelen en filosoferen met Lex Bohlmeijer.
  • En ten slotte: Verrassingen en bezoekers verwelkomen. Maar tot de zomer niet teveel, anders komt de wagen niet af. Ik blijf verslag doen in mijn blog, met verhalen, filmpjes en foto’s van de bouw.

Dat was het! En ze leefde nog lang en gelukkig.

Link van Manon Ossevoort: http://www.tractortractor.org/nl/

Het groeit uit het papier

Blogtek KrachtvandePen kl frm

.

De wind giert langs de schoorsteen, terwijl ik mijn pen op het papier zet. Harde windvlagen schudden de wagen zachtjes heen en weer, al dagen lang. Toch schrijf ik door met vaste hand, staande achter mijn lessenaar, letter voor letter. Ik schrijf een boek met echte inkt, bijna als een monnik. Langzaam volgt mijn hand de woorden die zich al lijken te vormen vóór ik er ben. Alsof ze langzaam uit het papier groeien, wazig nog, tot de zwarte inkt de opkomende regels bevestigt. Het regelmatige handschrift is sierlijk, maar even leesbaar als een drukletter. Ik ben één en al pen en heb mijn tong tussen de tanden.
Het boek dat straks gedrukt wordt, heet „Drakenlief,“ de koosnaam van Agremone. Ik ben nu bij hoofdstuk twee. Ze is op een plek gekomen waar geen bloemen zijn en maakt een weelderige tuin. Mensen komen en zien het. Ze willen mèèr, nog meer bloemen! En wanneer liefdevolle handen haar werk voortzetten, weet ze dat het tijd is. Het is moeilijk om afscheid te nemen. Toch, haar taak is gedaan en ze moet gaan. Want Agremone is een pionier, een vrouw die leven brengt op plekken waar niets of weinig is.

Als ik de laatste woorden heb opgeschreven staar ik voor me uit. Zou het hier nèt zo gaan als
in dit sprookje? In mijn verbeelding zie ik de camping als een groeiende oase, maar er moeten wèl handen voor zijn. Ja, er zijn mensen gekomen. An en buurman Jan kunnen het samen goed vinden. An is kruidenvrouw en Jan is handig als tuinman. En Nicole is er in de weekends. Zal het echt doorgaan als ik straks weg ben?

Ach, komt zoals het komt, besluit ik en ik kijk naar de waterpot. Ik heb dorst maar er zit geen druppel meer in.

Ik loop over het grasveld naar het wasgebouw met twee waterpotten in mijn armen. Buurman Jan dweilt de vloer en ziet me aankomen. Hij gaat rechtop staan en lacht me breed tegemoet.
„Ik ga de vorige plek van jouw wagen helemaal inzaaien met bloemen.“ zegt hij. „Het lijkt me zo mooi! Voorlopig staat daar toch niks… Dan wordt het een prachtplek, met jouw oude tuin er ook nog naast!“

Ik vul mijn potten terwijl buurman Jan verder uitweidt over zijn plannen. Even later loop ik voorzichtig, met gevulde potten terug naar mijn woonwagen. Ik glim. Misschien word ik straks uitgezwaaid door een heel stel handen, zwart van aarde, met overal bloemen. Net als in het verhaal. Maar… eerst de wagen afbouwen!

Wie het boek “Drakenlief” wil hebben kan nu al reageren, dan zet ik je op de bestellijst. Je kan ook nog even wachten. Ik laat het eerste proefdruk zien als het er is, met de prijs erbij. In het boek komt niet meer tekst, maar wel wat aanpassingen en meer illustraties dan in het verhaal op internet.
Mail naar: tt.alowieke@gmail.com.

Dit is de link naar het verhaal op internet…..https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

 

De castratie van Ezel

.

Blogtek ezel operatie

.

Ezel wordt gecastreerd. Vier jaar is hij nu. Hij was niet te houden. In zijn mannelijke grillen heeft hij al een kip en een schaap gedood en een ooi kreupel getrapt. Daarom staat hij meestal alleen. Als hij heldere kinderstemmen hoort loopt hij luid balkend naar het hek. Maar kinderen komen niet dichtbij hem.  Want iedereen weet, Ezel kan heel hard bijten. Lieve, lastige Ezel. Het was een moeilijke keus. Maar we besloten het te doen. We deden een inzameling om zijn operatie te bekostigen.


DE OPERATIE (Als je er niet tegen kan, kan je beter niet verder lezen denk ik.)

Met zijn vijven staan we op de parkeerplaats. Ton, Jan, de dierenarts, Ezel en ik. Buurman Jan knuffelt Ezel, die rustig staat te kijken en houdt hem vast, terwijl de arts op de borst tussen de dikke vacht woelt, op zoek naar de ader. Als hij hem gevonden heeft drukt hij erop. „Zo zwelt hij op.“ zegt hij. In de andere hand heeft hij een spuit. „Dat is een joekel!“ zegt Jan. Met ontzag kijk ik naar de gevulde hand van de dokter, die boven de borst van de staande ezel hangt, klaar om te prikken. „Wat zit er in?“ vraag ik nieuwsgierig. „Een opiaatachtige,“ zegt de deskundige, terwijl hij even opkijkt. „Oei boft hij even!“ lacht Jan, en haalt Ezel nog eens extra aan.
De spuit gaat er even snel in als eruit. Al gauw begint het dier te wankelen. Ik ondersteun hem aan zijn linkerzijde, terwijl Jan de nek van het hijgende dier omhoog houdt. Het is zwaar, we kunnen het in elkaar zakkende dier bijna niet meer houden. „Laat hem maar liggen, dat heb ik nog liever,“ zegt de dierenarts.

We laten los, en Ezel zakt langzaam door zijn poten. Nu ligt hij rustig op zijn zij en zijn open ogen krijgen een dromerige blik. De arts bindt één been vast, zodat die naar voren ligt en niet kan trappen. Nu kan hij er goed bij. Ezel krijgt nog een spuitje, een kleinere. „Dit is de plaatselijke verdoving.” merkt de arts op. Het dier ligt helemaal voor pampus en laat het allemaal gebeuren.
De arts werkt rustig verder. Terwijl hij met de ene hand respectvol èèn van de tere delen pakt, heeft hij in het andere een haarscherp mesje. Vol verwondering kijk ik toe. Heel fijn en zorgvuldig maakt hij een sneetje in het vel en eronder komt glazig wit tevoorschijn. Alsof het een bijzondere exotische vrucht is, zo pelt hij het af. Ik voel me vereerd en verlegen tegelijk, dat ik dit mag zien. Een witte vrucht, blauw dooraderd, net als kronkelende beken die de heuvels afstromen.
De arts stroopt het huidje omhoog tot een dikke bleke streng zichtbaar wordt, die in de buik van Ezel verdwijnt. Hij duwt het roze omhulsel ver omhoog, zover mogelijk. „Kan je hem ook te laag afsnijden?“ vraag ik. „Ja, dat kan“ antwoordt hij, „Maar dan heb je de kans dat de bijbal blijft zitten. Dan is de castratie niet gelukt. Soms doen ze dat bij hengsten, zodat ze nog iets stoers blijven houden. Maar ik doe het nooit. Want dan is hij niet gecastreerd.“ De arts pakt een tang en knijpt in de streng. „Hier ga ik het doorknippen, de plek is nu beurs geworden.“ Hij pakt een andere tang. Ik kijk toe en hoor hoe de tang dichtknipt en dan heeft hij ineens iets in zijn hand. Wat zoëven nog zo mooi bij de ezel hoorde, is nu niet meer dan een stuk vlees, dat iets weg heeft van een blinde vink. „Zou het lekker zijn,“ vraag ik me hardop af. Jan lacht zachtjes. „Ja ik heb het wel eens gehad. Het is heerlijk. Maar deze wil ik niet.“ Ik kijk van Jan naar Ton. Die schudt ook zijn hoofd. En ik hoef ook niet. Ik eet geen vlees. En zeker niet van Ezel.

Nu de eerste bal weg is, volgt de tweede. Door de vrijgekomen ruimte gaat het snel en al gauw is de operatie klaar. Tevreden bekijkt de arts het resultaat, terwijl zijn vingers over de losse vellen gaan. „Hij moet veel bewegen, anders gaat het wondvocht verkleven en dan kan het vocht in de wond niet meer weg. Als dat gebeurt kan je het zien aan een zwelling. De komende tien dagen elke dag wandelen. Dat is het beste.“
„Dat doen we met alle plezier! Ik mag het dier graag.“ verzekert Jan de dierenarts.

De arts pakt zijn spullen en rijdt het erf af. Jan loopt met Ezel terug naar de wei. Aandoenlijk leunt het dier tegen hem aan. Nu mag hij bij de merrie in de wei en bij Schaap en Koetje. Veel gezelliger. Ik ben blij voor hem.

Het bevrijden van de koning, het slot

.

Protesten in de stad, met Drakenlief

.

Het grote plein is vol mensen. Agremone heeft haar wagen achtergelaten aan de rand van de stad. Haar draken staan op een groot veld tussen vele andere trekdieren. Zij en haar twee vrienden kunnen nergens langs, en mensen verdringen zich rond een doel dat nog onzichtbaar is. Dat moet de ingang van het paleis zijn. Er lopen soldaten rond om de orde te bewaken, maar ze weten niet goed wat te doen, met zo’n enorme menigte kunnen ze niks beginnen.
Agremone kijkt verward om haar heen. „Kom naar de kerk!“ roept een heldere jongensstem naar haar en haar metgezellen. „Daar verzamelen we ons, alle muzikanten!“
De oude hoofdstad is beroemd om haar kerk. Het is de grootse en mooiste kerk die ooit gebouwd is, en haar dikke muren kunnen een paar duizend mensen bergen. De jongen loopt op een holletje voor de drie uit, af en toe achterom kijkend of ze hem nog kunnen volgen. Dan komen ze bij een dikke deur, die krakend voor hen open gaat. „Kom erin,“ zegt de jongen en de twee muzikanten volgen. De lange man met zijn viool, het haar samengebonden in een zwarte staart, de kleine met een trekzak in de hand. „Ja, jij ook!“ zegt de jongen, als Agremone aarzelt om naar binnen te gaan. Zij heeft immers geen instrument! Of toch… ze heeft immers haar stem! De stem van Drakenlief!

.

Muzikanten in de kerk, met Drakenlief

.

De hal gonst van geluiden. Violen worden gestemd, trommelvellen strakgetrokken, zangers en zangeressen oefenen hun toonladders. Dan wordt iedereen verrast door het geluid van een enorme gong, die lijf en leden doet trillen. Eensklaps is het doodstil. Het is hààr violist, die de stilte doorbreekt. Zijn ogen schitteren van concentratie en een heldere zuivere toon vult de kerk. Ze luistert vol bewondering. Zonder erbij na te denken valt ze in met haar zuivere stem, een cello volgt en nog meer instrumenten en dan de trommels. Agremone wordt bijna overweldigd door de grootsheid van dit enorme concert waar zij midden in staat, en ineens weet ze het zeker. Natúúrlijk moeten we naar de koning, en wel nù! Ze is ervan overtuigd dat het gaat lukken. Ze kijkt naar de lange violist die naast haar staat, en bijna onmerkbaar knikt hij haar toe. Samen bewegen ze zich naar de grote deuren en de één na de ander volgt hen.
De menigte buiten wijkt verrast opzij, wanneer de deuren open gaan en muziek van duizenden over het plein golft. Soms is het zacht en lieflijk en hoor je alleen de fluiten en violen, daarna zijn het de trommels en trompetten die de boventoon voeren. Iedereen weet precies wat hij moet doen. Want niemand komt voor zichzelf, iedereen komt hier voor het grootste muziekstuk aller tijden, dat de betovering moet doorbreken. Maar niemand ziet de kleine bosuil die bovenop de kerktoren zit, hoog boven de massa’s. Hij slaat zijn vleugels uit en verdwijnt in de blauwe lucht.

.

Bosuil boven menigte, met Drakenlief

.

Agremone schroomt niet om voorop te lopen, en veel mensen vragen zich af wie die mooie prinses toch is. Zonder barrières bereikt de stoet de poort van het paleis. De muzikanten volgen tot de hele binnenplaats vol staat. Anderen vinden plek op balkons of klimmen zelfs op het dak en in de bomen die er staan. Ieders blik is gericht op de grote gouden deur onder de moerbeiboom. De muzikanten spelen de vonken ervan af. Tot heel langzaam de deur open gaat en bleek en verbaasd de koning naar buiten komt, gevolgd door drie nòg blekere, hele dikke mannen. Ineens is het doodstil.
„Wat moet dat hier?!!!“ buldert de dikste van de drie, maar zijn handen trillen en zijn stem breekt. De koning kijkt hem bevreemd aan, alsof hij wakker wordt, en staart plotseling naar de lucht boven hem. Vanuit het niets komt een kleine bosuil aangevlogen. De anders zo schuwe vogel neemt zeer beslist plaats op de schouder van de koning. En dan geloven de mensen hun ogen niet. De kleine klauwen van de uil groeien uit tot indrukwekkende proporties, de vleugels strekken zich, en dan, dan staat op de koninklijke schouder een enorme glanzende arend. Hij verzet zijn poten om de koning niet te bezeren en strijkt met zijn veren langs zijn hoofd alsof hij hem al jaren kent.

.

De koning en de adelaar, met Drakenlief

.

„W-w-wat is dit?“ een piepend stemmetje komt uit de zojuist nog bulderende man. Maar niemand hoort het. Terwijl alle muzikanten de koning bewonderen om de warmte en de wijsheid die hij nu zo glansrijk uitstraalt, zijn de drie dikke mannen opeens helemaal verdwenen. Er klinkt gejuich en de koning maakt de indrukwekkendste toespraak die hij ooit heeft gehouden en bedankt iedereen vanuit de grond van zijn hart. Een groot feest volgt en zal nog dagen duren. Veel mensen kunnen eindelijk weer eten, want onder het paleis ligt genoeg voedsel om het volk een heel jaar te voeden en de koning is gul.
Agremone zit buiten adem op een muurtje. Ze heeft de hele nacht gedanst en het was heerlijk. Drakenlief heeft haar muziek gevonden. De violist streelt bewonderend haar rode haar. Hun gezichten gloeien. „Nu komt het allemaal goed,“ zegt ze.
.

Epiloog

De mensen zijn nooit vergeten wat er in dit land op deze dag gebeurde. Het werd De Grote Ommekeer. Het immense samenspel dat tot de bevrijding leidde, inspireerde iedereen die erbij was en ervan hoorde. Het land veranderde onherkenbaar. Geen uitgedroogde vlakten meer, maar kruidige weiden en gevarieerde loofbossen, die zich steeds verder uitbreidden. Vogels konden weer nestelen en bijen vonden nectar in vele bloesems. In de omgeving van de verkoelende wouden ontstond een groeizaam klimaat.
Nog altijd is het heerlijk om naar te kijken, de lappendeken van moestuinen, de bedrijvigheid van mensen, die aan het werk zijn. Het land wordt doorkruist met tientallen weggetjes, omlijst met vele soorten notenbomen en fruit. De langdurige droogtes zijn voorbij, maar niet vergeten. Andere landen, eveneens getergd door extreme weersomstandigheden, volgen het voorbeeld van de groeikracht van dit land.

Agremone en de violist namen afscheid van de accordeonist, die met tranen in de ogen een laatste lied voor hen speelde. Hij bleef bij de koning als hofmuzikant.
De Arend van Eeuwen bleef trouw bij de koning voor vele jaren.Toen de geliefde koning uiteindelijk stierf, spreidde hij zijn vleugels en stootte een kreet uit die alle harten raakte. Hij vloog de bergen in en vond zijn wijfje. Hij heeft de bergen nooit meer verlaten.

Het liefdespaar leidt nu een kleurrijk leven. Langzaam trekken ze verder, met de kleine woonwagen en de twee draken. Ze dansen in de ochtendzon, zingen liedjes in de avond en laten de mooiste dingen groeien uit hun handen. Waar ze ook gaan, ze maken veel mensen gelukkig.

.

Verliefd op de muziek, Drakenlief en de vilolist

.

In veel sprookjes moet men eerst weten hoe de betovering verbroken kan worden. Daarna krijgt de dappere held of heldin één of meer opdrachten, die gewoonlijk met succes wordt vervuld.
Agremone, of Drakenlief, heeft die rol gespeeld zonder het zelf te weten. Want niet alleen de muziek was doorslaggevend. De koning had de Arend der Eeuwen òòk nodig, om de macht over zichzelf terug te krijgen. Daarom liep Drakenlief voorop, met een koninklijk zelfvertrouwen. Ze nam de bosuil mee, met de kracht van een Arend. En ze wist het niet.
In het echte leven gaat het immers net zo. De meeste invloed oefenen we uit zonder dat we het beseffen. Al proberen we toch zoveel mogelijk op te merken, het meeste weten we niet en krijgen we nooit te weten. Gelukkig maar. Als je àlles wist…!
Het plotselinge verdwijnen van de drie dikke mannen is overigens geheel volgens de wetten van de quantumfysica. Dat wat niet gezien wordt, verliest zijn vorm en is niets meer dan een stel ongelooflijk kleine deeltjes, die chaotisch door elkaar heen stuiven. Zo leerde ik tenminste op een open college van de Utrechtse Universiteit.
Ik denk dat ik me inderdaad zò zou voelen, als ik één van deze drie was. Krijg jezelf maar eens bij elkaar geraapt na zo’n toestand, een hele klus lijkt me dat. Wat ben ik blij dat ik niet in hun schoenen sta. Zoals Shakespeare al zei „To be or not to be, that ’s the question.“ Wat niet bezield is, kan zich niet blijvend manifesteren. Onoprechte intenties verdwijnen als wilde energie in de storm. En dode dingen vergaan. Maar goddank! Altijd weer tot voeding van iets anders.

Hitte op een koude dag, het vervolg

.

Ijsbloemen in ochtendzon.kl.frm

 

Het is koud. Het werk aan de wagen ligt een tijdje stil. Binnen is het behaaglijk. Ik doe houtsnijwerk, zing en speel accordeon, schrijf verhalen en maak tekeningen. Af en toe maak ik een dansje om in beweging te blijven. De kachel knappert zachtjes. Maar ’s nachts koelt het flink af. En als ik wakker word is de wereld koud en prachtig. IJsbloemen! Ik heb het geluk ze op het juiste moment te vangen. Maar op dit vroege uur is het nog erg fris in de wagen, en terwijl ik nog even in bed kruip ontspint in mijn gedachten het begin van een nieuw verhaal, met veel zomerhitte.

.

.

.

EEN VREEMD LAND ZONDER MENSEN     (deel 3 Agremone)

 

Agremone loopt al maanden door. Ze kent dit land niet. De rivier wijst haar de weg, bijna rimpelloos tot hij de bocht omgaat, waar grote stenen de stroom versmallen. In kleine golfjes stroomt hij verder dan zij kan zien. Er loopt een smalle weg langs, waar ze precies in de breedte op past, met haar wagen. Als er tegenliggers zijn moet ze de berm in. Maar die heeft ze nog niet gezien. Haar lichaam is gewend aan het ritme van haar voetstappen en de weg langs het water lijkt eindeloos.

 

.Blogtek Agr.3.kl frm

.

.

Het is zò stil. De twee draken stappen geduldig door, wat toch heel knap is voor zulke levenslustige dieren. Hun groene schubben glimmen en parels van zweet rollen langs hun lijven. Af en toe gooit één van de twee zijn kop in de nek, stoot een triomfantelijke kreet uit en maakt een klein sprongetje. Ze heeft hem wat meer ruimte gegeven, zodat haar wagentje niet omkiepert, als hij dat doet. De andere draak zingt zachtjes oude drakenliederen. Agremone haar glasheldere sopraan klinkt soms op als een onverwachte lichtstraal, wanneer ze meezingt met de diepe schorre drakenstem. Drakenlief is ze en blijft ze, vooral als ze zingt. Ze glimlacht.

 

Agremone tuurt in de verte. Op de rivier is geen schip te zien en op de warme zandweg is het al net zo stil. Het verbaast haar. Alleen drie roeibootjes drijven traag heen en weer aan een lange kabel, die dwars over de donkerblauwe rivier is gespannen. De weilanden liggen geel en uitgedroogd onder een strakblauwe hemel. Ver boven haar hoofd ziet ze alwèèr die vogel. Het lijkt steeds dezelfde, is het een uil? Nee, dat kan niet, zo midden op de dag. Het felle zonlicht is verblindend, ze heeft het vast mis. Het is heet, de zon staat nu op zijn hoogst. Ze verlangt naar schaduw en heeft honger. Haar voorraden beginnen op te raken.

 

.

 bosuil. silhouet

.

.

Boven de kruinen van een rijtje elzen uit, ziet ze het dak van een ingezakte boerderij. Tegelijkertijd hoort ze een ijl geluid, dat lijkt op een verre viool. Het verdwijnt in de zinderende hitte van de trillende lucht en even denkt ze dat het verbeelding is. Ze heeft al zolang geen mens meer gezien! Snel loopt ze verder en als ze het knersende grind van het erf op loopt, hoort ze vrolijke klanken van een accordeon. Een lange man met zwart haar komt uit de schaduw van de schuur tevoorschijn. Hij heeft een viool in de hand.
„Kijk nou toch eens, daar is de dame die we zoeken! Kun je dansen? Zet je wagen neer en dans, met je mooie rode haren! Wat denk jij, m’n vriend, is ze het of is ze het niet?” Uit de schaduw komt de accordeonist van zijn kruk, hij lacht haar toe, met mollige wangen als appeltjes, en geeft haar een warme hand. „Ze is het,” grijnst hij naar zijn maat, die tevreden toekijkt.

 

.

 muzikanten.welkom

.

.

„Voor wie spelen jullie?“ vraagt Agremone „Er is nergens iemand, nergens niet! Al dagen.“
„We oefenen voor de koning,“ vertelt hij „Hij is bevangen door een vreemde koorts die hem doof en blind maakt. Er zijn drie hele dikke mannen die altijd bij hem zijn, gek genoeg kan hij die wèl zien. Niemand weet waar ze vandaan komen, maar in korte tijd hebben ze de koning weten in te palmen, en zijn hart lijkt bevroren en zijn gezicht staat strak. We denken dat onze goede oude koning betoverd is. Het volk vertrouwt de vreemde mannen niet, ze kijken naar niets en niemand om, en lopen met hun neuzen in de lucht. Terwijl zìj almaar dikker worden, wordt de koning met de dag magerder en bleker.”
„Maar wààr zijn alle mensen dan?“ vraagt Agremone
„Naar het paleis getrokken. De hoofdstad zit stampvol. Er zijn veel problemen. De oogsten zijn voor de vierde keer mislukt door de droogte en boeren die langs het water wonen beschermen hun land tegen indringers. Veel steden hebben voedsel tekort. Overal is ruzie en mensen willen dat de koning helpt nadenken over een oplossing. Maar de koning is de koning niet meer. Wij houden van hem en willen hem uit zijn verstarring bevrijden. Met muziek. Muziek van alle muzikanten uit het land. Daarvoor spelen wij. Het is onze laatste hoop. Het móet lukken!“

.

Poort naar overvloed

 

In Afrika is bovenstaande situatie een feit. Jarenlange droogtes worden steeds erger en maken van het land een woestijn. En àls het dan eindelijk regent, dan is het zò extreem als het nog nooit geweest is. Wolkbreuken zijn even erg als de droogtes en spoelen de schaarse vruchtbare grond die er nog is, de zee in. Waterstromen en meren worden steeds kleiner en minder in aantal. Waar vroeger tientallen beken en riviertjes stroomden, zie je nu hooguit enkele. Veel mensen trekken naar de stad, anderen maken ruzie, met wapens in de hand.
Deze hopeloze situatie betekent het begin van oorlog. Wapenindustrie brengt geld in de la. Maar het helpt ons niet. We zijn toch geen ijzervreters! En niemand wil wonen in een kaalgeslagen vlakte zonder voedsel. Bomen en planten hebben we nodig. Struiken en bloesembomen met noten en vruchten eraan. Geurende kruiden die de naakte aarde bedekken, wemelend van bijen en vlinders. Moestuinen. Er zijn mannen en vrouwen die zichzelf blijven. En ze dòen het. Ze maken er wat moois van. Dat zijn de èchte koningen en koninginnen. Harten van het helderste kristal, licht en sterk tegelijk!