Uitproberen

blogtek uitproberen 003

.

“Ik vind het zo leuk dat we hem nu kunnen testen!” Ik kijk naar Dick, naast me. Hij staat uit te hijgen. Mijn superdeluxe kar staat midden op het karrenpad, vol beladen met stalen profielen en golfplaten. Die zijn voor de overkapping, die we gaan bouwen, een werkplek voor de wagen. We konden ze nog net tussen groeigrage stammen en kronkelende takken uittrekken, zonder te moeten kappen. Het lag er vast al een tijdje, daar achter de camping.
“Ik ben benieuwd of we de wagen zo meteen het veld op krijgen. Het is daar zó nat!”
“Dat lukt vast ook wel. Zullen we weer?” Dick zet zijn grote handen op het koude staal. Op de verharding van het brede pad rolt het lekker door. Aan het einde is de bocht naar de parkeerplaats. Ik trek de dissel naar links. Ik kan de voorwielen er helemaal dwars onder draaien, zodat de wagen extra korte bochten kan maken.  “Straks kantelt hij nog!” roept Dick een beetje bezorgd. “Nee hoor,” stel ik hem gerust. Ik heb veel vertrouwen in mijn solide kar met de korte, brede wielen. Die kantelen niet zomaar. Ik glimlach. Achter me hoor ik harde banden door de plassen gaan.

Het begin van het veld is een modderpoel. “Vaart maken!” roep ik. Bij een diepe plas staan we ineens stil. “Ik ga kijken of Paul er is.” Ik loop naar de grote woonwagen en klop op de deur. Niemand. Ik loop terug.
“Nog een keer proberen dan maar,” zegt Dick en haalt adem. “Eén twee drie! Eén twee drie!” Bij elke drie gaan de wielen twintig centimeter vooruit. Rondom het harde rubber borrelt het zompige gras zijn nattigheid er uit. Achter de wielen is de grond platgereden, maar het spoor is niet diep. Daar ben ik blij om.
“Mijn klompen glijden steeds uit over het natte gras,” klaag ik.
“Ja mijn laarzen ook.”
“Laten we maar stoppen dan. Hier staat hij ook prima, voor nu.” Ik laat de dissel los. “Okee.” Hij kijkt bedenkelijk naar de zware vracht. “Zou een paard dat wèl kunnen trekken?” “Vast wel. Een paard is veel sterker dan jij. En een muildier is nòg sterker.” Ik kijk naar mijn blauwe klompen die zich vastzuigen in de modderige bodem van een plas. “Ik zal liever niet met ze door een zompig grasveld heen rijden. Er zullen vast betere wegen zijn om te gaan.”

Ik geef Dick het touw en pak zelf een sterke spanband. Het gaat flink waaien morgen. Maar de harde zuidwestenwind zal er geen vat op krijgen, is mijn voornemen. Stevig trek ik  tot de band strak staat en de wind niet onder de golfplaten kan komen. Ik sta en kijk. Dit voertuig hoort bij me, zoals mijn boot vroeger bij me hoorde. Het wordt meer dan alleen mijn huis, het beweegt met me mee en ik mag er voor zorgen. Even ben ik vol van diepe tevredenheid. Mijn vriend is al vooruit gelopen om koffie te zetten. Hij kijkt naar me over zijn schouder. “Kom je?”

.

.

Kleddernatte windvlagen

.

Overgang dakspant-wand

Idee waar ik mee wakker werd. Stormbestendige dak-constructie met isolatielaag en condensdruipkier

.

Stormachtig waait de wind in vlagen langs de vier houten wanden van mijn stulpje. Ik lig op mijn rug in bed te luisteren. Ik ben al een tijdje wakker. Een verbeterde bouwtekening ligt naast me, met een potlood erbij. Zojuist was ik er nog mee bezig. Maar nu denk ik er niet meer aan. Ik hoor iets anders. Een ritmisch zoemgeluid herhaalt zich. Ik besef dat het de zwiepende staalkabel is, van de schoorsteenpijp op het dak. De kippen houden zich stil, ze schuilen zeker onder mijn wagen, hun verenpak uitgezet tot een rond bolletje om de warmte vast te houden.

Ik rek me uit en gaap.’t Wordt tijd om op te staan. Ik stap uit bed en voel de bruine glanzende tegels van mijn kachel. Hij is nog warm. Het kistje hout staat er naast. Ik pak een plankje van vurenhout, dat lekker snel brandt en doe het klepje weer dicht. Nieuwsgierig schuif ik het dunne witte gordijn opzij, dat voor het raam hangt. Onder de loodgrijze lucht staan grote plassen in het veld. Rond mijn wagen is de blubberige boel nog erger geworden, zie ik. Kennelijk heeft het urenlang geregend vannacht. De sleuf, die ik gegraven had, is niet genoeg om al het neervallende water te verzamelen. Er staat opnieuw een plas omheen. Daar ga ik zo meteen wat aan doen.
Ik was me bij de waskom, kleed me aan en ga naar buiten. De schep ligt om het hoekje bij het rechter voorwiel. Ik zet mijn klomp op de schep, zover als ik durf het water in. Toch voel ik mijn sok een beetje nat worden, maar niet erg. Ik graaf druipende kluiten blubber. Breder en breder wordt de geul. Het water verplaatst zich terwijl ik schep, en de holtes stromen vol. Het ziet er best aardig uit, met dat versgegraven heuveltje ernaast. Leuk straks, met bloemen en kruiden erop.

Ik kijk en zie. Winters worden warmer en natter. Regen valt met bakken tegelijk. Nederland waterspeelplaats. Tot nu toe vind ik het nog steeds leuk. Spelen met water en aarde. Laat mij maar schuiven.

.

.

Wadi voor de deur

.

.

kippenoog.

.

 

Kleine muis

muisinpalm 001

.

Trillend hoopje pluis
midden op het pad
gewond maar niet gegeten
kleine grijze muis

Gaat me niet aan
ik laat je liggen
dacht ik maar ik deed het niet
en bleef nog even staan

Geroerd deed ik mijn handschoen uit
bukte me en nam het
voorzichtig en met tederheid
een dubieus besluit

Het bleef niet beven
in mijn hand
maar krulde zich behaaglijk op
bereid om door te leven

Nu ben ik God
zo dacht ik
kies ik zijn dood of doe ‘k het niet
toch een beetje rot

Bezwaard liet ik het beestje weer
gaan op natte aarde
en daar bleef het wat stijvig zitten
naast het lapje leer

Ik nam een kijkje
in de ochtend, ’t gras nog wit van vorst
en daar, waar ik het achterliet
vond ik alleen een lijkje

…………….Mensenwens voor een wurm

WurmMensenwens voor een wurm

Stil onder een natte steen
bewegingloos vol leven
hoeveel kun jij ons nog vergeven
lieve wurm, ga nog niet heen

Ik weet dat ik je broer een keer
dwars door midden sneed, pardoes
een scherpe spade zonder roest
en weer en weer en weer…

We hakken en we woelen
het gaat maar door en door
ik heb er een gebedje voor
Laat het weer krioelen.

Zonder messen, zonder ploeg
geen reuzenwielen niets ontziend
zoveel meer heb jij verdiend
na al wat je verdroeg

Dit hoop ik en maar ja, ik weet
het is maar slechts een wens
van één enkel simpel mens
maar de plaat is nog niet heet

De druppel kan nog vallen
in aarde waar jij bent
lieve wurm, zo onderkend
Ik gun je duizendtallen

Kinderdromen

.

kinderdromen 004

.

Het is een rustig dagje. Dick is er ook. Hij zit aan tafel de krant te lezen. Ik sta met kousevoeten op de bank en rommel wat op het zoldertje er boven. Sommige dingen heb ik niet meer aangeraakt, sinds ik het er twee jaar geleden neerlegde. Ik haal de voorste stapel boekjes weg en wat CD’s. Ik weet wat er achter ligt. Het is een mij heel bekend blauw boekje, volgeschreven met een rond en nog kinderlijk handschrift.
„Zal ik je eens voorlezen uit het dagboek van toen ik veertien was?” vraag ik aan Dick. “Dat heb ik nog wèl bewaard. Het gaat over onze reis dwars door het Noord Amerikaanse continent.”
“Ja, leuk,” zegt Dick.
“We reden elke dag vijfhonderd kilometer, de heenweg door Amerika, de terugweg door Canada, zes weken lang.” Ik sla een willekeurige bladzijde open en lees een paar stukjes. Dan kom ik bij een opmerkelijke passage.

“We gaan naar Iron Springs. Daar woont een vroeger buurmeisje waar ma altijd mee speelde. Het is nog dertien kilometer, zegt mama. Ik kijk naar buiten. Ach wat zielig, er staat een paard in de regen. Hij is al onder de bomen gaan staan. Dat wil ik altijd nog eens, paardrijden. Of het liefst, er eentje hebben, maar daar zal wel nooit iets van komen.”

Verrast kijk ik naar Dick. “En vlak daarna lees ik dit,” vervolg ik.“

Ik vind het heerlijk om zo te trekken. Ik zou best zo willen leven.”

.

“Toen wist je het al,” zegt Dick.
“Ja,” antwoord ik “en straks gaat het dan gebeuren. Tenminste, dat denk ik. Maar zeker weet je het nooit. Het kan altijd anders gaan dan verwacht.”
“Je gaat het doen,” zegt Dick overtuigd.
“Ja,” glimlach ik hem toe. “Ik heb er ook veel vertrouwen in, dat het door gaat. Er zijn tot dusver geen barrières. Alles verloopt rustig en soepel.”
Ik kijk naar Dick zijn grijze krullenbos. Wie heeft er nou zo’n fijne couch? Ik bof maar.

..

.

Wakker worden met een droom

.

Overstroomde rivier met muildier 001

.

Ik ben maar één nacht weggeweest. Perplex kijk ik naar de drastische verandering in het rivierlandschap. Ik sta op de dijk en kijk naar het snel stromende water. Stijgt het nog steeds? Ik weet het niet. Tot mijn verbazing stroomt de rivier niet naar zee, maar landinwaarts! Is er iets met de waterkering? Ik wist dat de nood hoog was, maar zó hoog… De uiterwaarden staan blank, maar de dijkhuizen staan er nog. Mensen met lieslaarzen aan hebben hun tuinmeubilair veilig gesteld. Aan een lang touw drijven de keurig gelakte houten stoelen in een sliert mee met de stroom. Het einde van het touw zit vast aan de paal van een pergola. Ze waren er vast trots op. Nu stappen ze in de auto en rijden weg. De evacuatie is in gang gezet.
Hoe zou het met mijn makker Gerrit zijn, mijn trouwe roodharige muildier? Hij stond daar vlakbij, in de wei. Snel fiets ik verder naar de nabij gelegen brug. Als ik er boven op ben, kijk ik naar beneden. Het water, anders metersver weg in de diepte, kolkt nu een stuk dichterbij, onder mijn trappers. Aan de overkant gekomen, zie ik Gerrit meteen. Hij klimt net omhoog, het droge op. Ik haast me naar het druipende dier toe, en droog hem met hooi en mos uit de berm. Hij raakt me aan met zijn fluwelen snoet alsof hij wil zeggen: “Waar wàs je nou?” Maar we kunnen niet te lang blijven staan hier. Mijn wagen staat nog steeds langs de kronkelende dijkweg. Tijd om te vertrekken. Niet overhaast, wel snel. Ik span Gerrit in.

Langzaam dringt het geluid door van een paar kwetterende koolmezen. Een ezel balkt. Om mij heen is het schemerig, want de luiken voor mijn bedderaam zitten nog dicht. Ik droomde. . . In gedachten laat ik de beelden nog eens aan me voorbij gaan, zonder duidelijke emotie en zonder oordeel. Alleen bij het muildier sta ik even stil. Zou dit werkelijk mijn trekdier worden? Of ga ik het anders doen? Maf dat ik dit kennelijk belangrijker vind dan het schrikbeeld van een overstroming. Een overstroming lijkt ver weg. Toch kan het. En misschien wel eerder dan computermodellen voorspellen. De werkelijkheid gedraagt zich immers altijd grillig en niet altijd ten gunste van de mens, die alles bij het oude wil houden. Ik trek het warme wollen dekbed over mijn blote schouder. Het schapenwollen dekbed, dat mijn moeder ooit voor me maakte. Ik voel me warm, tevreden en gelukkig. Kome wat komt.

 

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.

Ezel

Ezel 002
.
Het is al laat als ik uit bed stap. Al negen uur. Mijn lijf is nog wat zwaar en loom van alle inspanning van deze week. Maar daar is wat aan te doen. Zonder aarzelen ga ik op mijn rug liggen en adem in en uit. Heel geconcentreerd doe ik de eerste oefeningen. Langzaam word ik frisser en wakkerder. Als ik bij de vierde oefening ben hoor ik gebalk. Het is Ezel. Elke ochtend knip ik beukentakken voor hem. Van de beukenhaag. Hij wil ze, nu! Het duurt hem vast veel te lang. Ik maak rustig de oefeningen af en ga naar buiten.
Ezel beukt met zijn grijze borst tegen het hek aan, als hij me ziet. Het lijkt er op dat hij er uit wil. Soms mag hij dat. Ikzelf heb het nog niet eerder gedaan. Ik weet dat hij erg sterk is en niet gecastreerd. Soms is hij baldadig en dan is er geen houden meer aan. Dan rent hij bokkig het hele terrein over. Maar ik heb geen zin om langer terughoudend te zijn. Ezel is een maatje geworden en ik wil graag wat voor hem doen.
Om zijn hals hangt een riem, met een oog er aan. De ketting en de pen liggen voor me, in het gras, met een haak eraan vast. Ik neem de musketonhaak in mijn hand. Dan open ik het hek en in één beweging zit de ezel vast aan de haak. Met moeite druk ik de pen in de keiharde, natte bodem. Genietend begint ezel te grazen. Terwijl hij met zijn lange tanden het heldergroene gras afsnijdt en kauwt, kijkt hij al vast waar het volgende hapje staat. Ik kijk met hem mee. Er staat raaigras, kweek, witte klaver zonder bloemen en blad van de kruipende boterbloem. Ezel eet dit allemaal, maar toch het meest gras. De grond is zompig van de vele regen. Rond de kleine hoeven komt het vocht omhoog, de grond uit. Zijn hoeven zijn vol nat en opgedroogd zand. Ze zijn een beetje rafelig aan het uiteinde, maar nog niet alarmerend. Ik zou ze graag willen voelen, die hoeven. Hoe hard zouden ze zijn? Als ik mijn hand naar zijn linkervoorpoot richt, wendt ezel zich af. Nu niet. Een andere keer misschien.

Ik wil graag muildieren leren kennen en ezels. Overal zijn ezels. Toch is er maar ééntje hier. Dus met hem begin ik. Met de onze. Ik kijk naar hem. Al heeft hij nooit iets geleerd en zal hij nooit een wagen kunnen trekken. Daar gaat het nu niet om. Ik kijk en ik ben er. Naast Ezel.
.


Hier geef ik de dieren appeltjes. Ezel komt aan de beurt in de derde minuut.

Expeditie naar de Millranch

Op pad om muildieren te zien.

Denk je dat we op tijd komen?” vraagt Dick. Als een ploegpaard hangt hij over zijn stuur gebogen, boven het grote pakket aan bagage, waar ons bed in zit. Zijn fiets maakt een hard tikkend geluid, want de kettingspanner is kapot. De versnelling doet het ook niet. Terwijl ik fluitend naar boven scheer, op de hoogste versnelling, worstelt hij zwaar trappend achter mij aan.
“We zijn vast precies op tijd!” beantwoord ik zijn vraag.
Om vijf voor half één rijden we onder een poort door, waar een groot plastic paard boven hangt. “The Millranch.”
In een doolhof van stallen en stegen vinden we uiteindelijk de weg naar een kantine, gebouwd van ruwe planken. In de deur zit ondoorzichtig glas en er zijn zo goed als geen ramen. Er blaft een hond. Ik doe de deur open, de hond besnuffelt me vriendelijk en aan een grote houten tafel zitten vijf mensen te eten bij lamplicht.
“Ik had een afspraak om half één, om vragen te stellen over muildieren.”
“Ja, met mij!” roept een schone brunette, vlak voor ze de lepel opnieuw in haar mond steekt. Dit zal Chantal zijn, met wie ik gesproken heb. Maar voor ze verder iets kan zeggen, neemt een stevige vent het woord over.
“Wat wil je met het muildier?”
Ik vertel dat ik langdurig wil gaan trekken met een zigeunerwagen, die ik zelf ga bouwen.
“Zorg dat het dier niet langdurig in de regen staat. Daar houden ze niet van. Paarden wel, maar ezels niet. Muildieren ook niet.”
“Hoe doe ik dat?”
“Een regendeken is genoeg,” hoor ik. En dan zegt hij: “Ga eens om het hoekje kijken, ik heb een ezeltje, zo eentje heb je nog nooit gezien!”
We laten de eters achter ons en lopen in de richting die hij ons wees. Er staan diverse paarden. Maar wat het meest in het oog valt is een enorme roodbruine ezel. Een prachtig dier, en onderzoekend steekt hij zijn grote fluwelen lippen tussen het hek door. Het is een Franse “Poitou” horen we later. Ik raak het dier nieuwsgierig aan, vol bewondering.
Als we even later terugkeren, staat Chantal op. Ze is klaar met eten. “Kom maar mee!” zegt ze. We lopen de ranch af, langs de weides met paarden. Chantal praat vol enthousiasme. “Ik vind het zo leuk dat je me dit allemaal vertelt,” zeg ik, “als kind liep ik altijd rond in de manege, maar toen mocht ik daar niks. Dit is voor het eerst dat iemand, speciaal voor mij de moeite neemt om zoveel te vertellen!”
Chantal heeft plezier in die opmerking en gaat gedreven verder. “Kijk” zegt ze. “Dit is een heel temperamentvol muildier. En deze is hier, is meer een vriendelijke lomperik. Die nemen we mee als we heel rustig willen rijden. Ik houd het meest van de lomperik. Hij is heel lief. En sterk dat ze zijn! Oersterk en nooit ziek. Maar niet teveel eten geven, dan krijgen ze hoef- of spierbevang.” zegt ze deskundig.
Langzaam lopen we weer terug naar de ranch. Ze leidt een muildier aan de teugels, wij lopen er naast. “Muildieren zijn fijne dieren. Het duurt langer voor ze naar je luisteren, ze moeten je eerst vertrouwen. Maar daarna doen ze alles voor je!”
“Dus het is echt een maatje, een makker.”
“Ja!” zegt ze volmondig. “en als ik jou was, dan zou ik eerst een poos gaan werken op een plek waar ze zijn, zodat je aan de dieren kan wennen. Niet meteen op pad gaan met een muildier wat je helemaal niet kent.”
Hoe langer ik naast Chantal tussen de dieren loop, hoe mooier ik het vind. We lopen door tot de stallen. Daar gaat Chantal verder aan het werk en wij stappen op onze fiets. Verder. En wie weet, waar de weg nu weer naartoe leidt.

. . .

Wiekies kolibri met paardje

Dit wordt hem.

Kippen!

Haan in mijn tuin

.

Ik heb een tuin voor mijn deur. Ik onderhoud het zelf. Een weelderige boel is het geworden, vol verrassingen. Het kostte veel geduld en nu is het zoals het is. Maar één hoekje heeft nog teveel zwarte grond, naar mijn zin. Daar moet het nog groeien.
Ik kijk langs een kier van het witte gordijn naar buiten. Een blauwe lucht schemert tussen het luchtige bladerdak van de vlier. Het lijkt een aangename dag te worden. Ik heb de gordijnen vast dicht gedaan om de koelte vast te houden en ook heb ik vogelzaad gestrooid, onder de haagbeuk en de kerspruim. Door mijn kier zie ik alles daarbuiten. Het fladdert en scharrelt. Ze woelen en pikken. Een ringmus gooit zijn borst met met volle kracht tegen een dorre pol gras, die in de weg ligt. Ik glimlach.
Dan hoor ik opeens een luid gekukel in de bosjes. Het is het nieuwe haantje. Wat doet hij daar, met zijn twee hennetjes? Gewaarschuwd kijk ik door het zijraampje en zie ze de tuin in lopen, tussen de bosjes en verder. Naar zaad zoekend schrapen ze rakelings langs mijn kleine plantgoed, en lopen er bovenop.
Resoluut doe ik de deur open. “Wat mot dat!” roep ik. Ik pak de langwerpige steen die ik helemaal meegenomen heb uit Roemenië, en slinger hem de tuin in. Alle vogeltjes vliegen weg. De kippen rennen op een holletje het hoekje om. Ze begrijpen me meteen. Ik ga de tuin in om mijn steen weer op te halen. Ik zie hem nergens meer. Nou ja. Dan maar geen steen uit Roemenië.
Na een minuut zie ik de kippen vanuit een andere hoek terugkeren. Lekker zaad en leuke scharrelhoekjes lokken. Dat onthoudt een kip goed. De rest zal ze een worst wezen.

Daar sta ik dan. Gooien met stenen lijkt zinloos en primitief. Ik moet iets anders bedenken. Ik besluit om barrières neer te leggen. Materiaal genoeg. Ik loop naar het bosje verderop en raap een armvol takjes op. Ze liggen er genoeg, er is deze winter flink gesnoeid. Ik zet ze rechtop in de grond, tussen de planten. Even sta ik ernaar te kijken. Kan ik nog meer doen? Ik herinner me de stapel stenen en kapotte dakpannen naast het pad bij de oprit. Die zijn ook handig. In meerdere opzichten zelfs. Ze houden meteen het vocht vast in de grond, en de steen zelf houdt warmte vast. Fijn voor kleine plantjes, die nog groeien moeten. Dat doe ik. Met mijn fietskar hobbel ik er heen en stapel de kar flink vol.

Uiteindelijk ligt mijn tuin vol rode scherven en staan overal stokjes. Om te testen heb ik nieuw zaad gestrooid. Terwijl ik er bij sta zie ik de kippen terugkeren. Ze lopen er gewoon tussendoor en krabben er lustig op los. Ik stuur de kippen weg, pak een stapel zwarte potjes achter mij en maak de compositie nog ingewikkelder. Even later kijk ik van een afstandje. De lichte plastic bakjes gooien ze gewoon om. Uiteindelijk werp ik de ene barrière op na de andere. Als mijn tuin vol takkenzooi, potjes en keramiekscherven ligt, kijk ik vol spanning toe. Opnieuw komen ze terug en .. wagen zich er niet meer in! Twee heggenmussen pikken ongestoord. Een koolmees zit bovenop een neergegooid takkenbosje. Hij kijkt of er nog zonnebloempitten liggen. Opgelucht begin ik eindelijk aan mijn ontbijt.

 

kippenbarrières

 

kippenbarrieres

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

kippenbarrières

Ik geloof dat het nu toch eindelijk gelukt is..