Doen wat je boeit

.

Peddelen-over-het-water-kl-frm-2

 

Ik stap net mijn nieuwe woonwagen uit om wat schroefjes te pakken, als er een jongen over het pad loopt. Hij kijkt reikhalzend de heg over, een meter of tien van mijn wagen vandaan. De heg scheidt het terrein van de openbare weg en erachter is een greppel, meestal staat hij vol in deze tijd, maar nu staat hij droog. Je kan niet zomaar naar de weg. De meidoorn zit vol stekels en de greppel is diep.
„Vind je hem mooi, mijn woonwagen? Of keek je daar niet naar,” vraag ik.
De jongen staat stil. „Ik kijk zomaar even naar dit terrein hier.“
„Het is hier rustig,” zeg ik, verlangend naar een praatje. “Ik ben deze wagen aan het bouwen.“
„Fijn zeg, op zo’n plek. En word je straks een reiziger?“
„Nee. Het lijkt me een heel onrustig bestaan, alsmaar trekken. Misschien doe je dat een jaartje of zo, .“
„Ja, dat herken ik wel. Ik heb ook een half jaar getrokken en toen verlangde ik wel naar een plek. En toen kwam ik in Thailand mijn vriendin tegen. Daar woon ik nu. Maar soms bekruipt me toch weer het gevoel dat ik wil reizen.“ Hij kijkt even stil voor zich uit. Door de kale meidoornhaag kan ik hem helemaal zien staan, op het natte asfalt van het fietspad. „Ik moet het evenwicht zien te vinden,” prakkiseert hij hardop.
„Ik begrijp die reiskriebel wel. Maar dat zit er voorlopig niet in voor mij, met deze wagen. Ik heb geen rijbewijs. Ik ben schipper en gids geweest en heb weinig ervaring met paarden en de weg.”
„Zou je met paarden willen trekken dan?“ vraag hij nieuwsgierig.
„Ja, het liefst wel, maar als dat gebeurt kan het net zo goed nog tien jaar duren, voor ik misschien zover ben. Ik zie het wel. Ondertussen laat ik me gewoon trekken, en kan ik me inzetten op allerlei plekken, voor langere tijd, mijn hart volgen en gaan waar ik wil.“
„Wat kan je dan, behalve timmeren?“
„Ik schrijf, dicht, teken, maak filmpjes. Ik zing graag meerstemmig. Ik tuinier en speel met permacultuurprincipes. Eigenlijk kan ik alles doen wat me boeit. Ik verdiep me erin, en concentreer me. Dan komt de rest vanzelf.“
„Ja, dat is wel belangrijk, dat je je werk leuk vindt.“
„Ja, het is stom om werk te doen wat je niet leuk vindt.“ Mijn stem klinkt uitdagend.
„Ja….“ zegt hij weifelend. Die stilte lokt bij me een vraag uit.
„Wat doe jij?“
„Ik heb een eigen bedrijfje met software, het leuke is dat ik dat overal kan doen. Maar soms wil ik wel eens echt wat anders. Maar wat dan? Ik weet het niet.“
„Ja het moet groeien hè… en blijf je in Thailand?“
„Weet ik ook niet. Mijn vriendin is een erg leuk bedrijfje begonnen, ze verhuurt een soort surfplank waar je staande op kan peddelen. Dat is erg mooi, je gaat heel stil tussen al die eilandjes door en kan er mooi over uit kijken omdat je staat.“
„Dat lijkt me prachtig. Ik hoop voor jullie dat het wat wordt.” Ik meen het oprecht.
„Ik hoop het ook.” Hij zegt het zo zachtjes alsof hij het bijna niet durft te geloven.
Het is even stil en allebei dromen we van stille rimpelingen van water in de zon en het geluid van bewegende peddels.
„Nou, ik ga weer verder,“ zegt hij uiteindelijk.
„Ik ook. Het ga je goed,” lach ik hem toe.
„Dank je.“ Hij knikt nog even en loopt dan met ferme stap door. Ik keer me om en duik onder de wagen om het bakje met schroefjes te pakken. Eerst maar eens de luikringen vastschroeven. Grip op de zaak, dat lijkt me een goed begin.

 

 

Het hart beslist

.

.

Harten-Aas-kl-frm

.

Het is bijna twee uur. De lage herfstzon schijnt door kale takken van de bomen. Er is geen wind en ik hoor alleen het opgewekte gekwinkeleer van koolmezen en een winterkoning, die in mijn buurt naar beestjes zoekt.
Ik sta op het punt om het laatste scharniergat in de deurpost uit te hakken. Met de dag word ik blijer, want o, wat wordt het mooi. Zes weken geleden begon ik met het maken van de deuren, acht in totaal, vier voordeurtjes, vier achterdeurtjes, allemaal geïsoleerd en met raampjes erin. Aanvankelijk verloor ik bijna mijn hoofd, bij het klaarmaken van de meer dan honderd onderdelen die ik allemaal precies op maat moest zien te krijgen. En dat was nog maar het begin. Mijn wagen komt tjokvol deurtjes, luiken en luikjes en het gaat allemaal piekfijn passen. Straks kijk je je ogen uit, zoveel is er te zien!
Mijn beitel is vlijmscherp geslepen, de houten klopper ligt klaar om te pakken. De zon is heerlijk. Nu ik zoveel buiten ben, besef ik de kracht er van en hoe opwekkend het is om al dat licht in me op te nemen en de frisse lucht in te ademen. Ik wilde de klopper pakken, maar halverwege de beweging draai ik me om en geniet met volle teugen van de zon in mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen net niet dicht en kijk door een spleetje, als een kat die zich koestert.

Dan hoor ik mannenstemmen. „Hallo, is daar iemand?“
Ik kom achter de woonwagen vandaan. „Ja! Ik hier!“
„Wij zoeken Alowieke.“
„Dat ben ik!“ Vrolijk kijk ik ze aan. „Dan moeten jullie Jaap en Dennis zijn.“ Ik steek mijn hand uit ter kennismaking.
Ze wilden komen kijken. En ideeën op doen. Ze hebben taart meegenomen. Ze willen zelf óók een wagen bouwen en misschien het wonen in een huis voorgoed de rug toekeren. Jaap kan met paarden omgaan en is handig. Hij loopt meteen een rondje om mijn wagen en kan zijn ogen niet afhouden van de stalen onderkant. „Mooi onderstel!” Hij zakt door zijn knieeën om eronder te kijken en knikt nog eens vol bewondering. Zijn vriend Dennis kijkt afkeurend naar zijn kont. „Niet alleen het onderstel is mooi hoor!“ Dennis is de meest artistieke van de twee. Ik lach naar Dennis, blij met het compliment. „Ik snap het wel, dit is waar Jaap nu mee bezig is, dus dat interesseert hem het meest.“ Dennis knikt.
„We moeten een sterk onderstel hebben en sterke paarden,“ verklaart Jaap. „Dennis gaat mee op één voorwaarde. Zijn harp moet óók mee. En die weegt wat. Maar het geheel moet zo licht mogelijk worden!“
Ik help de jongens met informatie en beantwoord hun vragen. We eten taart bij de warme kachel en voor we het in de gaten hebben is het schemerig. „We moeten weg Dennis! We willen nog meer zien vandaag.“
Ze verdwijnen over het veld. Ik wuif ze na tot ik ze niet meer kan zien.

Ze zijn niet de enigen met plannen. Handen beginnen te jeuken. Fantasieën, voorheen nog als een ei in een nest, beginnen nu haarfijne scheurtjes te vertonen. Als een ongeduldig kuiken dat het krappe ei zat is, maar nu naar buiten wil en licht wil zien. Er wordt gebouwd aan kleinere huisjes om eenvoudiger te leven. In Nederland ontstaan op veel plekken buurttuinen. In steeds meer landen worden hele wouden ingepland, zoals in India en Ethiopië en er worden voedselbossen ontworpen. Er wordt hard gewerkt aan alternatieve energie en ook ik kan vol trots de panelen op mijn dak laten zien. De schaduw van de oude wereld met zijn grote verzwelgende voetafdruk is nog steeds groot. Maar de kiemen van een nieuwe wereld zijn er al. Het borrelt! Wat zullen al die geïnspireerde acties met elkaar teweeg brengen?
Ik ben heel nieuwsgierig naar het komende jaar, 2017!

.

Harten Aas

Hoe zwarter de schaduw, hoe sterker de bron
kijk waar je bent
want altijd
ergens is de zon

Vergeet voor even het verstand
en vind een hart, gezond als wat
want dat begrijpt in welk verband,
kiest zonder twijfelen haar pad

Het is niet bang en vol vertrouwen
zal het ontvangen en weer geven
en altijd kiest zij
zonder aarzelen
voor leven.

.

Het thema “Volg je hart”, komt dit jaar op allerlei plekken terug. Het is de tijd ervoor. Ook Marc Siepman geeft workshops en lezingen over dit onderwerp. Doe wat je hart je ingeeft, en werk niet alleen om geld te verdienen. Wij zijn er dankzij de planeet Aarde. Hoe kunnen wij voor haar zorgen?

https://marcsiepman.nl/workshop-voor-wat-hoort-niks/

 

Dans de evolutie in!

.

.
dans-de-quantum-evolutie-kl-frm

.

.
Zwierend dans ik. De zaal is warm en schemerig en vol zwetende lijven en de muziek is ritmisch, licht en vrolijk. Mijn lichaam gaat mijn ogen achterna en ik heb het gevoel dat alles mogelijk is. Snel als water ga ik voort, slalom tussen schuddende schouders en balancerende benen door, langs stelletjes die stralend langs elkaar heen bewegen. Het is of ik zwem, zwem in een diepe stromende bergrivier, de rivier lààt mij dansen en ik geniet van het veeltonige geluid van water.
Ik draai om een ingetogen brunette heen, houd me in, ga mee in haar verstilling als in een dromerige bron en ze glimlacht. En voort ga ik weer, laat me gaan in de bewegende zee van mensen. Ogen fonkelen als ze me aankijken, ik maak een pirouette naast een snel bewegende man, de draai brengt mij bij een andere hand, ergens in de lucht ontmoet ik hem. Ik pak de hand, draai driemaal rond en laat weer los, ben alweer ergens anders.

Ik kijk achterom. Daar staat een lange jongen mij lachend en stomverbaasd na te kijken. Een meter van hem vandaan staat het meisje. Het was háár hand, die hij dacht te vatten. Toen hij zich omdraaide merkte hij opeens dat hij haar kwijt was. Ik lach terug, het water sprankelt dwars door mij heen.

Eén met alles wat er is. Dit is de hemel. En dan denk ik, wat een mallemolen is onze wereld geworden. De race om geld en groei raast al het geluk voorbij en verplettert alles. Liever dans ik zélf dan dat ik me rond laat slingeren in een levensgevaarlijke, op hol geslagen draaimolen.
.
Dit zijn tien sleutels naar geluk. En nu ik dit zo bekijk…. als ik dans doe ik het ALLEMAAL!

1. GEVEN – Iets doen voor anderen (en kunnen ontvangen)
2. VERBINDING – Contact maken met mensen (alleen al naar ze lachen maakt een dag al goed)
3. TRAINEN – Zorg goed voor je lichaam (en geniet)
4. WAARDERING – Let op de wereld om ons heen (verheug je in het zien)
5. PROBEREN – Blijf nieuwe dingen leren (alles is mogelijk)
6. RICHTING – Heb doelen om naar uit te kijken (dichtbij en ver af)
7. VEERKRACHT – Vind manieren om terug te stuiteren (oa. humor)
8. EMOTIE – Kies een positieve benadering, (wij gaan allen het grote onbekende tegemoet, maar heb het vertrouwen dat je overal mee om kan gaan en een oplossing kan vinden.)
9. AANVAARDING – Comfortabel zijn met wie je bent
10. BETEKENIS – Maak deel uit van iets groters

In het Engels vormen de eerste letters van deze woorden (Giving, Relating, Exercising, ….) tesamen ‘GREAT DREAM’.
Is het vreemd dat dans alle tien de punten in zich draagt? Nee! De quantumfysica vertelt ons dat alles om ons heen niets anders is dan dansende deeltjes, bewegend in golfpatronen. Misschien is dansen wel “meebewegen“ en die energiestromen vòelen. Misschien is dit meebewegen wel een sleutel van de evolutie, waar alles toe leidt en bewegen we ons ritmisch of met schokgolven naar een lichtere wereld. Als je je vasthoudt, dan nemen de golven je toch wel mee, tegen wil en dank. Loslaten en zwierig meedansen is een vreugdevolle optie… en zo verfrissend, om net als water te zijn!

.

De woeste wind waait
willens en wetens mijn
warme wollen sjaal
weg van mij
in wilde dans daar wappert hij
voorgoed de wijde wereld in.

.
Het lijstje over geluk heb ik uit het blad ZOZ, tijdschrift voor doendenkers. ( Wat tussen haakjes staat heb ik zelf toegevoegd.) Naar aanleiding van “De dag van het geluk“ (20 maart) schreven zij daarover. Het wordt uitgegeven door Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling in Eindhoven.

Mijn uitstapje van dans naar de quantumfysica is intuïtief. Ik ben er, raar of niet, diep van overtuigd. Er zijn ook wetenschappelijke verhalen over te vinden en zeer waarschijnlijk heb ik er maar een fractie ervan gezien. Dit soort bronnen raadpleeg ik een enkele keer, om mijn gedachten te staven.

Links:

http://www.omslag.nl/index.html

http://www.eindhovendanst.nl/

http://www.worldyourdance.com/

Meisje van diamant

.

-violiste-en-het-kind-kl-frm

Tijdens mijn verblijf op Schiermonnikoog maakte ik iets heel bijzonders mee. Samen met een hele stoet andere muziekliefhebbers ben ik op de veerboot gestapt, voor de “Ode aan de wadden“. Het was de opening van het vijftiende Kamermuziekfestival. Tijdens het concert was ik het meest geraakt bij het zien van dit meisje.
.
.

Meisje van diamant

In de banken zitten mannen, vrouwen
ze kijken allemaal heel ernstig
naar twee mensen op de planken
die met de muziek wilden trouwen

Ze spelen daar met heel hun hart
de tango met al zijn emoties
de viool die zingt en knarst
gitaar verlicht de smart

Tussen de groten, op de grond
zit heel alleen een meisje
ze kijkt naar ’t spel met grote ogen
glimmend met half open mond

Haar gezicht is lief en zacht
een witte jurk hangt rond de knieën
Het haar in lange krullen danst
telkens als ze lacht

Ze straalt verwonderd
naar haar engel,
donkere ogen, als betoverd
staren naar
de jonge
violiste

Dan wordt ze plotseling overdonderd
door een valse noot

Ze knijpt abrupt haar ogen dicht
en lippen op elkaar
alsof
ze een tik krijgt
op haar wangen

De muziek is als het licht
en zij weet het te vangen

Het kind is als een diamant
en alle kleuren van ’t heelal
weerkaatsen keer op keer
terug van haar gezicht

.

Na het concert ben ik naar haar toegelopen. Ze zat bij haar ouders, allebei mensen met donker krullend haar. “Ik vond het zó leuk om naar je te kijken!” zei ik, “Je ging helemaal op in de muziek!” En ze antwoordde stralend: “Ja, ik speel zelf ook viool en mijn vader ook en onze hele familie is muzikaal!” Ik werd helemaal blij van haar. Toen ik allang in bed lag zag ik haar gezicht nog steeds voor me.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Corrie van Rijthoven

voetnoot-corrie-kleine-prins-kl-frm

.

.

.

.

.

.

.

.

Dit is op dit moment mijn lievelingsboekje:
“De kleine prins”, van Antoine de Saint-Exupéry. Ik vind het mooi vanwege de puurheid waarmee het geschreven is en om het geheim, dat in de volgende passage te lezen is.

Vaarwel, zei de vos. Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.

.

.

DE BOUW

Ik ben nu lekker uitgerust en ga zo meteen kijken hoe de wagen erbij staat.

 

Noestig hout en bezoek van goud

 

.

noestbezoek

.

.

Nog steeds wacht ik met het dichttimmeren van mijn nieuwe wagen. Rustig kijk ik, werk het één en ander netjes af en luister af en toe naar commentaren. Een belangrijke fase.
„Zou je die uitstekende hoek niet wat extra versterken?“ zegt iemand. Verrek, hij heeft gelijk, denk ik en ik zoek een paar sterke balkjes. Ik vind een aantal met fijne nerf, die zijn sterker en harder. Ik leg ze bij elkaar, vier zijn het er. Ik bekijk ze één voor één. Ik pak de twee die vrijwel zonder noesten zijn. Ik streel het hout, het zijn mooie. Jammer dat ze straks niet meer te zien zijn, want dit is het binnenwerk. Maar ook het binnenwerk moet goed zijn, het is net zoiets als botten. Ze moeten hard zijn, sterk en stevig op de ene plek, als knieën en ellebogen. Ze moeten flexibel zijn op andere plekken, als een wervelkolom. Hout met noesten gebruik ik zo min mogelijk. Daarom zijn mijn dakbogen ook van gestoomd essenhout. De ronde vorm is oersterk, en de stokken zijn compleet zonder noesten. Noesten zijn plekken waar een tak heeft gezeten, toen het een boom was. Het maakt het hout zwak. Als je er tegenaan ramt breekt het altijd bij een noest.
Natuurlijk ga ik er niet van uit dat ik een botsing krijg, maar ik wil op alles voorbereid zijn. Het kan een brede tractor zijn of een boom of een krappe hoek in een smal straatje.

Ik meet alle hoeken en gaten. Ik teken af wat het moet worden, tot op de millimeter. Ik controleer mijn decoupeerzaag, of het zaagje haaks is en niet krom. Ik zaag en maak alles passend. Het is een hoop gepuzzel om alles precies te laten kloppen.
Buurman Henk komt aanlopen. „Ha! Fijn je te zien!“ roep ik. Ik had hem niet verwacht want Henk zit in de lappenmand en zit het hele weekend in zijn caravan te lezen. „Oh… wat wordt het mooi! Ik weet niet wat je gedaan hebt, maar het ziet er steeds robuuster uit.“
„Dank je Henk, “ zeg ik glimmend.
„Dat is het mooie hè, niet snel alles af hoeven te raffelen, maar de tijd te nemen. Het is heerlijk om zo rustig te bouwen en dat je alles piekfijn kan laten kloppen met elkaar.“
Ik kijk hem lachend aan. Fijn, hij begrijpt het.

Alleen zijn is goed, je kan ongestoord een superconcentratie opbouwen. Maar soms is bezoek goud waard. Het zijn mensen die rustig meekijken, meedenken om dan weer hun gang te gaan. Ik ben blij dat ze er zijn.

.

.

.

noest

Ontmoeting in de warmtetuin

.

.

Warmtetuin Teuge kl frm

.

Liefde is grenzeloos
en toch,
gaande langs
gebaande paden,
zo trof ik de
warmtetuin
geheel omringd met rozen

Spelend met grenzen
maken wij iets nieuws

.

Ik loop het betegelde voetpad op, naar het theehuis van de Levenstuinen waar ik al zoveel over heb gehoord, de Levenstuinen van Teuge. De stenen zijn heet onder mijn blote voeten. Ik loop op mijn tenen, dan gaat het net. Gelukkig is het theehuis dichtbij de ingang. Ik ga naar binnen. Ik loop door de serre, waar het felle zonlicht sfeervol en diffuus wordt, en dan naar het donkerder binnengedeelte. De vloer is heerlijk koel.
In het midden staat een sober opgemaakte houten tafel. Erop ligt het jaarboek van Kahlil Gibran, het ligt open bij 4 en 5 juni, de dag van vandaag. Ik ruik wierook.
Achter de toonbank staat een tengere grijze man. Ik vraag om een entreekaartje en koffie en kwarktaart. Ik pak 50 euro uit mijn rode sok met geld. „Heeft u niet kleiner“, vraagt hij. Zijn blik is helder en levendig. „Nee“, zeg ik. „Bent u één van de twee makers die hier ooit mee begonnen zijn?”
„Ja, dat ben ik.” Hij kijkt even op.
„Zo had ik u me precies voorgesteld. Ik dacht, dat is hem.”
Een vrouw, die achter hem staat, kijkt naar hem, met glimmende ogen waar trots in blinkt. Ik bedank, draai me om en loop weg. Achter me staat een lachende zestiger. Ik groet hem.
Ik kies een tafeltje bij de vijver en geniet van kwarktaart met echte bosbessen. Terloops bekijk ik de routekaart die ik gekregen heb. Ineens ontdek ik dat er een visitekaartje bij zit. “Dirk van der Glind”, staat er op. Hoe kom ik daar aan, vraag ik me af.
Een vrouw komt bij me zitten, op de andere stoel. Ze is wat ouder en heeft een fris gezicht.
„Is het lekker?“ vraagt ze belangstellend.
„Ja“, zeg ik. „Wel zoet, maar de ingrediënten zijn heel puur. Bent u hier vrijwilliger“, vraag ik er gelijk achteraan.
„Nee geen vrijwilliger, ik ben hier met mijn man“, vertelt ze, „Hij is docent levensbeschouwing en heeft net een boekje uitgegeven.“ Ze wijst op het kaartje dat op de tafel ligt, het visitekaartje dat ik ineens in mijn handen hield. „Dat is van hem“, zegt ze. Ik kijk. Er staat een tekening op van een boom, met een knalrode zon erachter. Onder de boom zit een klein figuurtje op een bankje. Er vallen blaadjes uit de boom in vorm van muzieknoten. Zoiets zou ook in mij op kunnen komen, die noten. Grappig.
„Zijn tekeningen zijn vergeleken met de kleine Prins, dat is een groot compliment voor hem.”
Verbaasd kijk ik haar aan. „Dat is gek, ik heb ook net een boek uitgegeven. Dat is ook vergeleken met De Kleine Prins.”
Opeens komt er kleine donkere vrouw aanlopen. „Waar moet ik heen?“ vraagt ze, „Er zou hier een schrijver zijn om zijn boek te signeren.“ De vrouw naast mij vertelt dat hij in de tuin van de Liefde zit.
“Is hij dan híer met zijn boek,” vraag ik verrast. „Ik ga er meteen heen.“ Ik sta op en pak mijn spullen.

Ik loop over kronkelende bospaadjes en kijk zoekend rond. Onder de bosjes groeit bonte dovenetel, met zijn zilverachtige blad. Ik kom langs een bamboebosje met dicht opéén groeiende, hoog opgeschoten stengels. Ik zie een eiland met een tempeltje erop. Waar is de tuin van de liefde?
Ik vind het priëeel. Het staat bij een grasveld met rozen omgeven. Ik zie al een paar witte rozen bloeien, maar heb er niet veel aandacht voor. In een stoel aan een tafeltje zit een man. Het is de man die achter me stond, bij de toonbank.
„Ik zoek Dirk“, zeg ik.
„Dat ben ik!“, zegt hij vrolijk.
„Maar ik heb u al ontmoet!”
Hij lacht. „Ja, dat is mijn kaartje.” Hij wijst naar mijn hand. „Ik dacht, dat is een vrouw die er vast wel wat aan heeft. Ik heb het er stilletjes bij gestopt toen je stond te praten.”
Hij laat zijn boek zien. De tekeningen horen echt bij de teksten, vertelt hij. „Lieve mens, wees wat je bent“ heet het. De plaatjes lijken soms een beetje op die van mij. “Ik heb ook net een boek laten drukken, ” vertel ik. Ik kijk nog eens naar de omslag van Dirk’s boek. Op de kaft staat dezelfde boom als op het visitekaartje.

Ik vertel dat ik in een middeleeuwse kelder woonde aan de gracht. “Daar stond net zo’n boom als op jouw tekening. Wel honderd jaar oud. Ik keek graag naar de boom. Door het water van de gracht ben ik met de hele wereld verbonden, zei ik altijd. De wortels lopen door, ver onder de vloer van het huis. Ze nemen het water in zich op en zo brengen ze de hele wereld tot aan mijn voeten.”
„Wat mooi,“ zegt Dirk. Hij legt zijn hoofd in de nek en knijpt zijn ogen halfdicht. „Ik ben heel benieuwd naar je boek,” fluistert hij.
Er zijn mensen de tuin in gekomen, veel mensen. Ze staan vlak voor ons, in twee rijen langs het pad. Ze zingen, zacht en stemmig. Het lijkt een ritueel. We kunnen niet meer vrijuit praten.
Ik neem zachtjes afscheid en schiet de liefdestuin weer uit, om van de andere tuinen te genieten.

Ik had een bijzonder weekend vol ontmoetingen. Maar het treffen van deze man bleef mij het meeste bij. Ik heb zijn boek meegekregen en in ruil stuur ik hem het mijne. Het boek van Drakenlief.

.

Link naar het boek van Dirk: http://www.dirkvandeglind.nl/lieve-mens-weacuteeacutes-wat-je-bent.html

Link naar het boek van mij: https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

Boeken vervagen waar tijd zich vult met zijn

.

Tijdkolk van vervaagde boekn kl frTijdkolk van vervaagde boeken . . .  of is het een fontein?

 

.

Een fikse regenbui klettert tegen de ramen van de bus. Als kleine riviertjes druipen de straaltjes regenwater naar beneden. Naast me zit een man. Hij is middenin een verhaal. Ik draai mijn hoofd weer om, kijk hem aan en luister. Hij vertelt over een bijzondere ontmoeting, die hij gisteren had.
„En toen zat ik zomaar ineens twee uur lang met die Viëtnamees te praten, daar op dat bankje in het park,“ zegt hij. „Maar dàt was een ontwikkeld man! Hij vond Rotterdam een mooie stad omdat Erasmus daar vandaan kwam en hij wist dat die gezegd had, dat alle mensen wereldburgers zijn.“
„Ja, dat is mooi, dat hij dat weet van ons land,“ zeg ik. Ik ben stil en weet niet meer wat te zeggen. Ik kijk weer naar de regen, waarachter het groen van de lente al heel uitbundig is geworden. De zon breekt door, o prachtig. Nu het nat is lijkt het ontluikende lentegroen nog frisser, met dit licht is het adembenemend. Even vergeet ik alles.
Maar de woorden van de man echoën na en leggen een waas over het uitzicht. Mijn ogen staren naar het raam. Ik luister naar mijn gedachten. Een ontwikkeld man, wat is dat eigenlijk. Ik weet niks van Erasmus uit Rotterdam. Ben ik dan minder ontwikkeld? Moet je veel boeken lezen om ontwikkeld te zijn? Ik lees nauwelijks meer. Vroeger nog wel, nu niet meer. De tijd vult zich volledig met “zijn“. Er is zoveel te zien, te ruiken, over na te denken en te filosoferen. En er is zoveel te planten en te bouwen. Echt een boek lezen, ik kom er niet toe. Al een hele tijd niet meer. Ik kijk, ik ben, ik leef.
Ondanks alle heerlijke vruchtbare dagen, rijst een oud vraagteken uit het vergeten stof. Zou ik dan toch de mindere zijn van zo’n ontwikkeld man? Het is een oud gevoel, dat veel vrouwen in de loop der eeuwen moeten hebben gevoeld. De mannen waren het, die alles wisten, die lazen, studeerden en de wereld veroverden. De vrouwen leefden, keken en zorgden. Sommigen studeerden in stille hoekjes op schaarse momenten, om gelijk daarna hun handen weer uit de mouwen te steken. Maar de kennis van vrouwen was veel levender dan die van dorre veelweters. Wijze vrouwen waren gevaarlijk. En als ze ook nog mooi waren, waren ze dubbel gevaarlijk. Een tijdlang werden ze als heks verbrand. Nu niet meer. Maar de kenniscultuur is nog altijd dominant. Nog altijd, en op grote schaal.
Ook inheemse volkeren, die nog dicht bij de natuur leven, noemt men nog steeds minderwaardig, minder ontwikkeld ten opzichte van de cultuur van het denken en de koude efficiënte wereld, die de Westerse man heeft gecreëerd. De bemoeienis is groot. En nog steeds vallen er doden door een breed scala aan gevolgen. Dat is pijnlijk en onverdraaglijk. Gelukkig is er iets aan het veranderen.

Als ik thuiskom zijn mijn schoenen nat. Ik doe ze uit en steek een kaars aan. Nog lang denk ik na over het woord “ontwikkeld“. Nee, ik ben niet minder omdat ik geen grote boekenkast heb. Ik heb er niet eens plek voor. Ik volg mijn hart, kijk wat er nodig is en doe het of laat het.
En ik ben niet alleen.
Natuurmensen, mensenmensen, kunstenaars of muzikanten, alle gekken en verliefden, samen zijn we als parels in een grijze zee, als bloemen in het veld, als witte wolken aan de hemel. Straal toch, lieve allemaal. Waar je bent, overal. Omdat we wereldbroeders zijn en zusters. Zoals een wijze man al zei, in een ver verleden.

De castratie van Ezel

.

Blogtek ezel operatie

.

Ezel wordt gecastreerd. Vier jaar is hij nu. Hij was niet te houden. In zijn mannelijke grillen heeft hij al een kip en een schaap gedood en een ooi kreupel getrapt. Daarom staat hij meestal alleen. Als hij heldere kinderstemmen hoort loopt hij luid balkend naar het hek. Maar kinderen komen niet dichtbij hem.  Want iedereen weet, Ezel kan heel hard bijten. Lieve, lastige Ezel. Het was een moeilijke keus. Maar we besloten het te doen. We deden een inzameling om zijn operatie te bekostigen.


DE OPERATIE (Als je er niet tegen kan, kan je beter niet verder lezen denk ik.)

Met zijn vijven staan we op de parkeerplaats. Ton, Jan, de dierenarts, Ezel en ik. Buurman Jan knuffelt Ezel, die rustig staat te kijken en houdt hem vast, terwijl de arts op de borst tussen de dikke vacht woelt, op zoek naar de ader. Als hij hem gevonden heeft drukt hij erop. „Zo zwelt hij op.“ zegt hij. In de andere hand heeft hij een spuit. „Dat is een joekel!“ zegt Jan. Met ontzag kijk ik naar de gevulde hand van de dokter, die boven de borst van de staande ezel hangt, klaar om te prikken. „Wat zit er in?“ vraag ik nieuwsgierig. „Een opiaatachtige,“ zegt de deskundige, terwijl hij even opkijkt. „Oei boft hij even!“ lacht Jan, en haalt Ezel nog eens extra aan.
De spuit gaat er even snel in als eruit. Al gauw begint het dier te wankelen. Ik ondersteun hem aan zijn linkerzijde, terwijl Jan de nek van het hijgende dier omhoog houdt. Het is zwaar, we kunnen het in elkaar zakkende dier bijna niet meer houden. „Laat hem maar liggen, dat heb ik nog liever,“ zegt de dierenarts.

We laten los, en Ezel zakt langzaam door zijn poten. Nu ligt hij rustig op zijn zij en zijn open ogen krijgen een dromerige blik. De arts bindt één been vast, zodat die naar voren ligt en niet kan trappen. Nu kan hij er goed bij. Ezel krijgt nog een spuitje, een kleinere. „Dit is de plaatselijke verdoving.” merkt de arts op. Het dier ligt helemaal voor pampus en laat het allemaal gebeuren.
De arts werkt rustig verder. Terwijl hij met de ene hand respectvol èèn van de tere delen pakt, heeft hij in het andere een haarscherp mesje. Vol verwondering kijk ik toe. Heel fijn en zorgvuldig maakt hij een sneetje in het vel en eronder komt glazig wit tevoorschijn. Alsof het een bijzondere exotische vrucht is, zo pelt hij het af. Ik voel me vereerd en verlegen tegelijk, dat ik dit mag zien. Een witte vrucht, blauw dooraderd, net als kronkelende beken die de heuvels afstromen.
De arts stroopt het huidje omhoog tot een dikke bleke streng zichtbaar wordt, die in de buik van Ezel verdwijnt. Hij duwt het roze omhulsel ver omhoog, zover mogelijk. „Kan je hem ook te laag afsnijden?“ vraag ik. „Ja, dat kan“ antwoordt hij, „Maar dan heb je de kans dat de bijbal blijft zitten. Dan is de castratie niet gelukt. Soms doen ze dat bij hengsten, zodat ze nog iets stoers blijven houden. Maar ik doe het nooit. Want dan is hij niet gecastreerd.“ De arts pakt een tang en knijpt in de streng. „Hier ga ik het doorknippen, de plek is nu beurs geworden.“ Hij pakt een andere tang. Ik kijk toe en hoor hoe de tang dichtknipt en dan heeft hij ineens iets in zijn hand. Wat zoëven nog zo mooi bij de ezel hoorde, is nu niet meer dan een stuk vlees, dat iets weg heeft van een blinde vink. „Zou het lekker zijn,“ vraag ik me hardop af. Jan lacht zachtjes. „Ja ik heb het wel eens gehad. Het is heerlijk. Maar deze wil ik niet.“ Ik kijk van Jan naar Ton. Die schudt ook zijn hoofd. En ik hoef ook niet. Ik eet geen vlees. En zeker niet van Ezel.

Nu de eerste bal weg is, volgt de tweede. Door de vrijgekomen ruimte gaat het snel en al gauw is de operatie klaar. Tevreden bekijkt de arts het resultaat, terwijl zijn vingers over de losse vellen gaan. „Hij moet veel bewegen, anders gaat het wondvocht verkleven en dan kan het vocht in de wond niet meer weg. Als dat gebeurt kan je het zien aan een zwelling. De komende tien dagen elke dag wandelen. Dat is het beste.“
„Dat doen we met alle plezier! Ik mag het dier graag.“ verzekert Jan de dierenarts.

De arts pakt zijn spullen en rijdt het erf af. Jan loopt met Ezel terug naar de wei. Aandoenlijk leunt het dier tegen hem aan. Nu mag hij bij de merrie in de wei en bij Schaap en Koetje. Veel gezelliger. Ik ben blij voor hem.

Ver weg in Idaho

.

Blogtek Idaho kl fr

Terwijl ik aan het raamkozijn werk, komt er een jongen aan die gek is op het land van Idaho. Er volgt een gesprek. Onderaan zie je de foto’s van waar ik op dat moment aan werkte.

.

Een grote brede vent sjouwt met stoeptegels. Hij is al een paar dagen bezig. Hij doet zwaar en voorbereidend werk voor An, een vrouw die hier komt wonen. Onder het zeil verstopt ligt een stapel materialen voor de prachtige yurt. Ernaast is hij bezig. Hij tilt de tegels uit de kruiwagen en legt ze neer op het weiland. Ik zie het vanuit de verte en loop erheen. “Lukt het met egaliseren, Marco?” roep ik. “Ja hoor,” zegt hij opgewekt, de dieren hebben het hier goed platgetrapt. Gelukkig maar, want met die harde grond kun je het zand niet schuiven.” Ik knik bevestigend en kijk naar de balkjes die hij gezaagd heeft. “Mooi recht hout”, merk ik op. “Veel hout trekt krom, met dit vochtige weer. Ik heb een paar balkjes waar ik niks mee kan.”
“Heb jij hier ook een project dan?”
“Ja, ik bouw een kleine woonwagen. Verderop, onder dat transparante zeil.” Hij lacht. “Gaaf zeg, en ga je ermee trekken?”
“Zou kunnen. Maar eerst wil ik onderzoek doen, vooral naar muildieren. Daarna pas beslis ik.”
“Muildieren…. die hebben ze veel in Amerika.”
“Kom je daar wel eens dan?”
“Elk jaar wel een paar maanden, ik ga naar Idaho, al vijfentwintig jaar.”
“Dan ben je er vast helemaal mee vergroeid…. Maar dat land is toch heel plat, droog en kaal,” vraag ik.
“Nee, er zijn bergen van meer dan 3000 meter, net als in de Alpen.”
“En dan niet beplant met sparren voor houtkap, zoals in Zwitserland zeker…”
“Nee, daar is alles nog wild.”
“Is er ook water?”
“Ja, bergen, rivieren en steppen. En prachtige rode aarde. Alles is er. Ik hou veel van dat land..” Marco is even stil voor hij verder gaat. “Er is een gebied ter grootte van Nederland, waar je niks op de motor mag doen. Boswachters moeten er zagen met een trekzaag. Daar trokken wij rond. We kwamen een groep mensen tegen, die rondtrokken met muildieren. Het waren er zoveel!” Hij lacht bij de herinnering. “We hebben een biertje bij ze gedronken. Muildieren zijn heel rustig, weet ik nu. Ze rennen niet weg voor iets, zoals paarden. Ze willen ook alleen maar langzaam lopen.”
“Ja,” antwoord ik opgewekt, “ik heb al veel over ze gehoord. Jammer dat er hier maar zo weinig van zijn. Ik zou de dieren graag leren kennen en de mensen die bij ze horen.”
“Ga je ervoor naar Amerika dan?” vraagt Marco nieuwsgierig.
“Wie weet. Ik ben in elk geval blij met je verhaal. Dank je wel!”
“Succes met je wagen. Ik kom zo even kijken.”
“Okee!” lach ik.
Ik loop terug over het bedauwde gras, op mijn blauwe klompen.

.

.

HET RAAMKOZIJN

.

Waar keek Marco naar toen hij kwam kijken bij mijn nieuwe wagen? Op dat moment was ik de kozijnverbinding aan het maken. De gaten boorde ik met een verzinkboortje.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 001

.

Om het gat aan de andere kan precies op de goede plek te krijgen, wilde ik graag een afdruk maken. Ik bedacht me dat ik het verzinkboortje opnieuw kon gebruiken. Je kan het boortje er ook uithalen, met een imbussleuteltje. Ik heb dat gedaan en het andersom in het gat gestopt. Nu kon ik het kozijn er tegen aan drukken en komt er de afdruk van een klein cirkeltje in het hout.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 004

.

Eruit halen was even lastig. Met een griptang wilde niet. De oplossing bleek simpel. Boortje in het gat stoppen en zijwaarts kracht zetten, alsof je hem scheef probeert te duwen en tegelijkertijd trekken. Hoppekee daar komt hij al.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 005

.

Dat is genieten, beide gaten precies op de juiste plaats!

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 006

.

 

Ik kon het niet

.

Blogtek myxomatosebeestje kl fr 003

.

Na een lange dag fiets ik langs de drukke weg die naar het kanaal leidt. Ik ben vol van indrukken. Wat een mensen zag ik vandaag. Een dikke stroom was het, die door de straten van Amsterdam schoof, demonstrerend tegen TTIP.* Ik heb het bord met de leus aan de stang van mijn herenfiets gebonden, het zit niet in de weg bij het fietsen. Ik verheug me op de stilte van het fietspad dat me helemaal naar huis brengt, twaalf kilometer langs het water, zonder auto’s. Daarna hoef ik nog maar een klein stukje.
Als ik het talud af fiets naar het Wilhelminakanaal, zie ik helemaal beneden een vrouw staan. Ik stop naast haar om te zien waar ze naar kijkt. Het is een klein konijn. Hij heeft zich helemaal tegen de onderste trede van de trap gedrukt, die naar het voetpad op de brug leidt. Hij haalt moeilijk adem, zijn ogen zijn dicht en dik, en zijn vacht is verfomfaaid. “Hij is ziek,” zegt ze. “Ja, ik ken dit,” zeg ik “Myxomatose. Hij lijdt enorm. Dood is hij beter af.” De vrouw knikt en blijft vol medelijden naar het konijn kijken.
Vanaf het talud komt nog een vrouw aanlopen met een zwarte hond die haar netjes volgt. Maar hoe braaf hij ook lijkt, toch pakt ze de riem, als ze ziet waar we naar kijken. “Ooooh, dat konijn heeft amitosatosa… of zoiets!”
“Ja, myxomatose,” zeg ik “Het zijn virussen, die hem onderhuids opvreten. Eerst wordt hij blind en weet hij niet meer waar hij is. Het is heel erg besmettelijk voor andere konijnen.”
De vrouw knikt. “Het is vreselijk. Ik heb dit eerder gezien. Dat konijn liep zomaar pal voor mijn hond en hij beet hem meteen dood.” Ze klikt het riempje goed dicht.
“Nou,” zeg ik “dan is het toch ook opgelost…”
“O nee! Ik denk er niet aan. Dan zit ik de rest van de dag te trillen.”
“Tja,” zeg ik.
Een stevig man op de fiets houdt vaart in en blijft naast ons stil staan. Hij zegt niks en volgt het gesprek. Het kleine dier heeft alle aandacht, maar is zich van niks bewust. De pijn moet ondraaglijk zijn, bedenk ik me. “Ik zou het willen, dat ik het kon, het dier uit zijn lijden verlossen.”
“Ja, dat zou het beste zijn,” zegt de eerste vrouw. Dan haal ik diep adem en doe een stap naar voren. “Ik zeg dat wel altijd, maar nu heb ik de kans om het te doen. Ik wil het nù proberen.” Zonder een woord verdwijnen de twee vrouwen. De man is er nog, startklaar op zijn zadel, één voet op de grond. “Hoe doe ik dat,” stel ik hem de vraag “Een steen erop gooien? De nek omdraaien? Boeren die dòen dat gewoon hè..”
De man kijkt me vol ongeloof aan. “Nou ìk ben weg!” zegt hij.
Dan ben ik alleen. Ik kijk naar het konijn zonder het aan te raken. Ik zie hoe moeizaam hij ademt en wacht op het verlossende moment van zijn dood. Maar ik kan het niet. Ik kan het níet.

Achteraf gezien hadden we het beste een doos kunnen halen bij de supermarkt aan de overkant, en de dierenambulance bellen. Die lossen het probleem dan op. Hoeven wij het niet te doen. Maar toch zou ik het graag zelf ook kunnen, voor in geval van nood.

.

*Lees het vorige verhaal: “Op pad voor een eerlijke wereld.”

Opmerking:  Ik mocht deze week mijn verhaal vertellen bij radio 4, bij Passaggio, mijn favoriete radioprogramma. “Het pleidooi van de luisteraar” heet de rubriek. Klik hier om het te beluisteren. Druk vervolgens op het pijltje bovenaan de pagina van Passaggio.