In het spoor van zwijntje

In het spoor van zwijntje

In oktober kwam Ton, de eigenaar van het terrein, vertellen dat zwijntje dood in zijn hok lag. Nogal onverwacht, het hangbuikzwijntje was een gezond en opgewekt dier. Hij liep op een stuk grond van zo’n duizend vierkante meter met een grote vijver er in. Aan de ene kant van de vijver is een bosje, met walnoten, elzen, berken en olmen. Ook vlier en hazelaar staat er, langs de randen. Aan de andere kant van de vijver heeft Ton de bomen en struiken gesnoeid en gedeeltelijk gekapt. Ooit was er op deze plek een weelde aan oeverplanten. Tot zwijntje kwam. Toen was het zijn landje.
In de lente groef hij wortels op en at wat los en vast zat. Hij lustte bijna alles. Alleen waterpeper, dat lustte hij niet. Dat spul lijkt veel op perzikkruid, maar het wordt groter en het lancetvormige blad is vlekkeloos groen. De smaak is scherp en peperig. Ik snap best dat zwijntje het niet lustte. Wij hebben het wel eens gegeten in het vroege voorjaar. Als je het kookt wordt het zurig. Best lekker, voor een keer.
Zwijntje is er nu niet meer. Maar zijn sporen zijn overduidelijk. Over de hele oever en langs de hekken, is de grond keihard geworden van zoveel jaren zwijnenpootjes. De rijke begroeiing is verdwenen. Waterpeper is de grote overwinnaar. Het wint terrein. Ook buiten het hek kruipt het verder, in het gras, tussen de frambozen die langs de rand staan. In het voorjaar ben ik begonnen met uittrekken. Dat ging makkelijk. Dikke massa’s waren het, die ik met handenvol tegelijk uit de grond trok. Overal liggen nu bergen te verteren. Goed voor de bodem. Er wonen kikkertjes onder.

Vandaag wil ik eens lekker aan de gang. Ik loop naar de boomstronk, die bij het hek ligt. Op die plek zet ik mijn schep tegen het hek. Dan zet ik mijn voet op de stronk. Als ik die als opstapje gebruik, kan ik eroverheen klimmen. Aan de andere kant neem ik mijn spade in de hand en kijk om me heen. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik mis overzicht. Ik besluit om eerst paadjes te scheppen, door de bovenlaag van de harde grond weg te halen. Er ontstaat al snel een mooi effen kronkelpad. Nu is het geen wildernis meer, maar een wilde tuin. Paadjes maken, dat doet al een hoop.
Vanaf het versgeschepte pad kan ik alles goed zien. Tussen de dichte begroeiing van peperige stengels staan overal miniboompjes. Bijna net zo dicht bezaaid als de waterpeper. Het is nu nog onzichtbaar, maar ik weet dat er hier een ondoordringbaar bos komt met berken en elzen, als we niks doen. En we willen hier niet zo’n bos. We willen ondergroei, onder de bomen en bloeiende oever- en weideplanten. Zulke plekken zijn hard nodig, hier tussen de omgeploegde zandwoestijnen. Ik wil de woestijn kleiner maken, niet groter. Daarom wied ik niet alles, want de bodem mag niet kaal worden. Ik laat ook dingen staan. Want wat er is, dat is er. Het liefst laat ik andere planten staan dan waterpeper. De enkelingen of kleine groepjes, die dapper hun best doen tussen de monotone massa.
Verderop staan potjes met opgroeiend zaad erin, uit Roemenië. Dat ga ik straks planten. Als het kan zet ik er eetbare planten tussen, lekker divers. Ik ontdek steeds vaker, dat een plant eetbaar is, waarvan ik het niet wist. Er is nog zoveel wat ik niet weet.

Dit is oude grond, de plek heeft al veel gezichten gezien. Nu is het Ton, die de eigenaar is, al vijfentwintig jaar. Op deze minicamping zijn natuurliefhebbers erg welkom. Kunstenaars ook trouwens. Ik zelf bereid me voor op mijn vertrek met de zigeunerwagen die ik aan het bouwen ben.
Vroeg of laat zullen anderen het werk voortzetten. En dan neem ik afscheid van dit groeiende paradijsje.

 

 

De grote vijver

 

Ps. In het weekend van 5 en 6 juli brandt hier het vuur en is iedereen die wil welkom om te komen. Lees het bericht op mijn facebookpagina.

https://m.facebook.com/alowieke.vanbeusekom

Vanuit de chaos komt het

Vanuit de chaos

.

De anders zo schone en witte tafel, is nu een puinhoop. Stukjes ijzerdraad, dik karton, snippers, lijm, potloden, een zinkplaat, een stanleymes. Ik maak iets. En als ik echt iets maak, dan weet ik verder niks meer. Het kind in mij schittert en straalt. Niks opruimen. Gedreven voortgaan, zonder tijdsbesef. Ik drink een glas water, eet een appel en ga verder, uur na uur. En zo zie ik het voor mijn ogen ontstaan. Mijn handen maken precies dat, wat al tekenend in mijn gedachten begon te groeien. Al dagenlang. Mijn eigen zigeunerwagen. Het idee groeit niet alleen in mijn hoofd, het groeit ook in mijn vingers. “Wiekie’s Kolibri”, zo heet het.

De telefoon gaat. Het is Kees. Ik heb hem al lang niet gesproken, hij is druk en woont de helft van de tijd ergens in de Karpaten.
“Ik heb een paar van je verhalen gelezen. Je schrijft heel wat af zeg! Maar wat is nou precies je plan? Ga je weer weg daar? Maar de composthoop is pas volgend jaar klaar voor gebruik. Dat kan ik niet helemaal rijmen.”
“Nee joh!” zeg ik “Ik ben nog lang niet weg. Voor ik mijn wagen af is ben ik wel een paar jaar verder.”
“Dat is toch zo gebeurd! Als de jongens er wat vaart achter zetten…”
“Maar Kees, ik ga hem zelf bouwen! Het wordt helemaal mijn ding.”
Het is even stil aan de andere kant.
“Goh,” hoor ik dan.
“En voor het onderstel ga je naar de smid,” begrijpt mijn vriend nu.
“Zo is het. En ik verheug me er op. Ik heb jarenlang roest moeten bikken, vuil en schimmels moeten schrapen voor ik kon beginnen met iets constructiefs. Dit keer krijg ik een glanzend, nieuw begin. Een onderstel speciaal voor mij gemaakt!”
“Ja, ik kan me voorstellen dat je er zin in hebt.”
“Die wagenbouwer zit niet ver van de aardehuizen in Olst. Dan laat ik daar mijn maquette zien en kunnen we praten over bouwen en pionieren.”
“Kom maar gauw eens langs,” zegt Kees. “Ik hoor graag meer van je.”
“Doe ik!” roep ik. Want ik vind het altijd leuk om Kees te zien.

Ik leg de telefoon weer opzij, en kijk naar mijn tafel.
Toch eerst maar even opruimen.

. .

.
Wiekie's zigeunerwagen

De achterkant krijgt straks een markies. Er zijn twee deurtjes boven en onder. Achter de onderste is een klein uitschuifbaar keukentje. De ramen erboven kunnen open, en de raampjes zijn ook nog te sluiten met luikjes.

Wiekie's Kolibri in het gras

De voorkant heeft ook vier deurtjes. Ik heb vooralsnog geen luifeltje gemaakt. Het was Dick zijn idee om in plaats daar van een tafel op te hangen, boven de deur, vastgemaakt in twee of vier ogen, op de deurpost.

Wiekie's pipowagen

Hij is nu zo goed als af, alleen nog een paar details.

Wiekie's maquette

 

De eerste stap

Bezoek smid Bas

.

Ik heb mijn mobieltje in de hand en voor me ligt de bouwtekening. Mijn toekomstige wagen. Op de tekening zie je contouren van een smal onderstel. Wiekie’s Kolibri. Dat wordt het, klein en beweeglijk.
“Mogen de wielen er gewoon naast of wilt u ingebouwde wielkasten?” vraagt de man aan de andere kant van de lijn. “Ingebouwde wielkasten.” zeg ik, “Het moet zo licht mogelijk worden. Er komt een trekdier voor”. Hij noteert in stilte en concludeert kort. “Langzaam verkeer dus.”
“Ja”, zeg ik. We gaan verder. Hij noteert alles wat nodig is voor een inschatting van de kosten.

De smidse die ik gevonden heb, is gespecialiseerd in het maken van aparte aanhangers. Ik ben blij dat er zo’n bedrijf bestaat. Zou het kunnen, wat ik bedacht heb? Of niet? Ik ga het onderzoeken. Niet alleen bij deze ene.
Er is nog een smid. Ik ken hem. Hij woont vlakbij, in Middelbeers. Bij hem ga ik ook langs. Bas is een vent in de bloei van zijn leven en zijn bedrijf bloeit ook, want hij is goed in zijn vak.

Ik kom aanfietsen en zie dat de grote schuifdeur op een kier staat. Ze zijn er dus. Ik zet mijn fiets op de standaard en ga naar binnen. Er lopen twee jongens, de één strompelt met een gipspoot. Zigzaggend loop ik tussen het staal door. “Is Bas er ook?” vraag ik.
“Ja, die is er. Hij zit boven in zijn kantoor.”
Ik loop de stalen trap op, naar een kleine overloop. Er is maar één deur. Ik doe hem open en achter het bureau zit de jonge baas te werken. Hij kijkt op. Ik zie zijn ogen groter worden, alsof hij iets niet gelooft en het ook wel grappig vindt.
“Kun je dit voor me maken?” vraag ik vastbesloten.
Ik leg de tekening voor hem neer, met alle maten en werkzaamheden er bij.
Hij kijkt er naar en zijn blik wordt serieuzer.
“Maar hier ga je toch niet in wonen?” vraagt hij wat aarzelend.
“Jawel!” roep ik luchtig, “Ik heb nog een heleboel spullen die ik niet gebruik. Het kan nóg kleiner.”
Hij lacht vermakelijk en kijkt opnieuw. Terwijl hij mijn tekenboek doorbladert vertel ik hem meer over mijn project.
“Dat is nogal wat,” zegt hij. “Eigenlijk heb ik het veel te druk hiervoor, zeker nu een van de jongens een gebroken been heeft.”
Ik vertel dat ik ook een specialist in Warnsveld heb gevraagd er naar te kijken.
“Luister dan eerst wat hij te vertellen heeft en kom dan terug. Hij als specialist kan zo’n wagen veel sneller en goedkoper maken dan ik, waarschijnlijk. Of misschien ook niet. We kunnen vergelijken.”
Ik knik. Dat vind ik een goed idee.
“Okee, ik kom terug. Dag Bas!”
“Doei!” zegt Bas en buigt zich weer voorover.

Spannend is het. Het is nog veel werk. Maar ik heb tijd en zin. En dan, als het af is, wat gebeurt er dan? Waar zal het me brengen? Ik wil planten en dierenleven gaan tekenen en landschappen en hun mensen. Schrijven, waarnemen en onderzoeken. Maar… wat er uiteindelijk gaat gebeuren, dat weet ik toch echt niet. Dat weet niemand.

.

Elf juni was het.

De ontdekkingstocht van Wiekie Kolibrie

Creatief proces bouwen zigeunerwagen

Soms gebeurt er iets, wat de vlam opnieuw ontsteekt. Een aanleiding die een pad doet oplichten, dat voorheen nog in het duister lag. Vandaag was zo’n dag.

Er is een jongen bij me op bezoek. Erik. Hij is op de bakfiets en slaapt daarin. Zijn bakfiets staat achter mijn wagen. We zitten aan tafel te praten.
“ Heb je mijn huif al gezien?” vraagt Erik. Nee, die heb ik nog niet gezien. Maar ik kan de kleine huif wel zien, vanuit het raam. “Ik ga meteen even kijken,” zeg ik. Hij loopt met me mee en ik kijk. Best ruim, vind ik. “Je kan er met zijn tweeën slapen.” zegt Erik trots. Dat interesseert me. Hoe je met zo’n kleine ruimte toch uit de voeten kan. Mijn eigen wagen is een villa, vergeleken bij dit kleine voertuig.
We praten nog de hele avond, maken muziek en laten onze eigen liedjes en gedichten horen. Heerlijk. De volgende dag nemen we afscheid. Hij pakt zijn huif weer in en fietst verder.

Ik ben aan het denken gezet. Ik wil straks ook verder, langs bossen, heide, heuvels, meren en rivieren. Planten en dieren zien en uittekenen. Vragen stellen aan voorbijgangers, over wat dan ook. Daarvoor heb ik een vervoermiddel nodig dat niet zo groot en lomp is als deze woonwagen. Ik heb ook nog steeds het naambord niet gemaakt. “Juffrouw Kolibrie.” Ik heb er van begin af aan al geen puf voor. Nou weet ik waarom. Deze wagen is een tussenstation.
Ik begin te tekenen. Het wordt een veel kleinere woonwagen, voortgetrokken door een muildier. Of twee. Ikzelf loop er naast. De wagen is smal van onderen en loopt naar boven breder uit, met schuine wanden. Net als een schip. Ik kan makkelijk om de wagen heen kijken, naar achteren.

Ik ben binnen. De tafel en twee bankjes zijn ingeklapt zodat de vloer vrij is en ik maak een heel klein dansje.
Achterin is het bed. Er ligt iemand in, een vriendin die is blijven slapen. De keuken is buiten.
Ik wil thee zetten en loop naar de achterkant, waar de markies is uitgeklapt. Daar zijn twee onderdeurtjes en twee bovendeurtjes. De bovenste zijn half open. Er achter kijkt mijn vriendin slaperig naar buiten. “Al wakker?” vraag ik. “Nog niet helemaal….” zegt ze. Ik ga verder met wat ik van plan was. Als ik de onderste twee deurtjes opendoe,  is daar een vrij diepe kast. Het is de helft van de ruimte die onder het bed zit. Aan de twee opengeslagen deurtjes zijn handige plankjes gemaakt, zoals in een koelkastdeur. Daar vind ik potjes en voorraden. Ik pak de thee er uit. In de kast zelf heb ik een kookplank aangebracht. Nu schuif ik die naar buiten. Het motregent een beetje. Ik ben blij met mijn mooie markies, die me droog houdt. Markiezen horen op woonwagens. Vroeger stonden de mensen er ook al onder te rommelen. Ik hoor een gaap van boven komen.
Verwarde blonde haren vallen over de rand van het bed. Het is een warme nacht geweest. De bovendeurtjes aan het hoofdeinde zijn de hele tijd open gebleven. Ik zet thee en ondertussen wordt ze wakker. Boven mijn kleine aanrechtje kijkt ze wat ik aan het doen ben. “Lekker geslapen?” vraag ik, en reik haar een dampend kopje aan. “Ja heerlijk, dank!” zegt ze. Wat is het leven toch verrukkelijk.

Ik fantaseer en zie het voor me. Wat is het meest essentiële wat ik nodig heb. Dan kijk ik wat de maten zijn, van mijn bedenksel. Gaandeweg komt er iets uit met magische afmetingen. De breedte en lengtematen komen me ineens erg bekend voor. Het lijkt op mijn oude rondvaartboot! Het ruim had dezelfde afmeting!

Wat heb je nou nodig in het leven?
“Vier-meter-veertig!” roep ik blij.

.

.

Wiekies kolibri met paardje

.

Wiekie's Kolibri, zigeunerwagen onderweg

.

.

Wij houden van rotzooi

.

.

Ik kijk naar dat ene hoekje onder mijn wagen. Daar staat een kleine groene gasfles. Al een hele poos. Maar eigenlijk hoort hij daar niet. De fles staat te wachten onder mijn wagen, want hij is leeg. Ik besluit niet langer uit te stellen, en hem vandaag in te wisselen. Ik pak het ijzeren ding bij het handvat en met een kleine zwaai komt hij in mijn fietskarretje terecht. Ik ga op pad.
Als ik net een eindje op weg ben, zie ik een kleine oude man langs de weg. Hij is iets aan het doen met prikkeldraad, naast de sloot van het grasland. Achter hem ligt een lange zanderige oprit naar een oud boerderijtje. Zou hij nou degene zijn die daar woont? Ik kijk altijd graag naar die oude boerderij. Tussen het huis en de weg in is een mooi weitje. Er graast een paard. Een echte wei is het, vol ridderzuring, klaver, weegbree, kruipende boterbloem… Ik aarzel niet en houd stil.

“Goeiemorgen!” roep ik. De man onderbreekt meteen zijn werk, en komt op zijn gemak naar me toe lopen. „Ik ben doof,” zegt hij “Okee,” antwoord ik, “dan zal ik duidelijk praten.” Ik vraag of hij hier woont. Dat is inderdaad zo en hij steekt meteen van wal. De weiden rond het huis zijn van hem, kom ik te weten. Een kleinere voor het paard en de acht hectare ernaast verhuurt hij aan een boer aan de overkant. Die boer heeft wel honderd koeien en die moeten allemaal blijven eten. “Het gáát maar door,” zegt de oude man, “maaien, drijfmest spuiten zodat het gras in noodvaart omhoog schiet, en dan hooien. Met geweld! Er is geen bloem meer te zien. Soms ligt er wel eens wat koeienstront ergens. Maar de vogels moeten de mest van die koeien niet. Er zit niks in. Niets aan voeding. Dat is bij mijn paard wel anders. Zijn stront, die plukken ze meteen helemaal uit elkaar.”
Ik kijk naar het paardje. Hij ziet er goed uit. Hij is al vijfentwintig, hoor ik. “Ja en ikzelf ben al zeventig! Daarom heb ik een deel van de paardenwei ook aan de boer verhuurd. Ik heb geen zin meer in al dat beregenen. Nu ben ik het prikkeldraad aan het weghalen, zodat ze straks makkelijk van het land de weg op kunnen rijden. Ze gaan weer maaien.”
Hij vertelt hoe het hooien vroeger ging. Het gras was toen nog stug, lang en vol rotzooi. Dat rolde makkelijk op. Het gras van tegenwoordig is zo slap, dat kun je niet meer rollen. Nu moeten ze het inpakken. In plastic.
Ondertussen vraag ik me af wat hij bedoelt met rotzooi, tot hij verder praat. “Wij houden van rotzooi.” zegt hij. “ Het is veel beter voor de dieren.” Ik begrijp dat hij bloemen en kruiden bedoelt. Hij werpt een spijtige blik op de monotone grasvlakte en richt zich dan weer tot mij.
“Maar ach, ik heb het goed. Ik krijg mijn AOW, mijn pensioen, en het de opbrengst van de huur. En verder doen ze maar.”

Toch hij vertelt nog veel verhalen. Over de reeën die zijn verdwenen. Over de nesten van de vinken die steeds maar uit elkaar op de grond vallen. Bovendien hadden de vogels vroeger nattigheid, om hun nesten aan elkaar te plakken. Stront lag toen gewoon boven de grond. Perfect bouwmateriaal. Maar er ligt geen stront meer op de lege weides. Het is allemaal geïnjecteerde drijfmest. En hoe lang is het al geleden, dat hij kivietseieren heeft gezien? Hij kan het zich niet meer herinneren.
Toch is er iets wat blijft. Want het volgende moment hoor ik een schel gekras, dat vanachter zijn huis weg komt. “Wat is dát?” vraag ik nieuwsgierig. “O, dat is nest jonge steenuilen. Die zitten daar al járen…”

Wat zie ik

.

Wat zie ik? Voeten in het gras

 

Het is ochtend en heerlijk weer. Voor ik weer aan het werk ga maak ik eerst een wandeling, besluit ik. Ik doe een kort jurkje aan en ga naar buiten. De zon schijnt warm en een harde bries waait verkoelend langs mijn blote huid. Als ik het zandpad naast de camping op loop, stuift het droge stof tussen mijn tenen en in mijn sandalen. Ik doe ze uit en loop met mijn schoeisel in de hand verder. Even verderop kan ik op het gras lopen van het hooiland. Het is van de manege, een minuut of vijf fietsen hier vandaan. Ik zie de paarden lopen als ik naar Haghorst rijd. Hun grasland ligt pal achter de dikke rij bomen van ons terrein. Het gras ziet er gezond en stevig uit. Er wordt gelukkig nooit geploegd, alleen gemaaid en geoogst. Na het oogsten wordt er geïnjecteerd met drijfmest.

.Wat zie ik ? Gras

Nu is het gras half lang. Onder het gras zie ik lange strepen van voren in de grond. Dat is van de messen. Met die messen maken ze snedes van een centimeter of vier. Achter het mes komt gelijk de spuit met mest. De bagger loopt in de voren. Zo gaat het. Je blijft de strepen zien tot het gras te lang wordt, als littekens in de bodem. Op plekken waar minder gras is, zie ik hier en daar wormenhoopjes. Ze zien er uit als torentjes van zand. Het is ook zand. Zand in vorm van wormenpoep. Ik vind ze leuk, die torentjes. Maar als de grond nat is zie je ze beter. Deze lente waren het er ontzettend veel. Toch zie ik dat ze er nog zitten, de wormen. Ik had gehoord dat ze massaal stikken in land waar ze drijfmest injecteren. Kennelijk valt het mee. Maar bij ons op het terrein zijn het er meer.

Achter het grote grasveld ligt een akker van een boer uit de buurt. Ik heb hem alleen van afstand gezien op zijn trekker.
Vorig jaar heeft het land een tijd braak gelegen. De eerste pioniers kwamen dapper tevoorschijn. Perzikkruid, zwaluwtong, veldkers, valse kamille.. Voor de boer zaaide, heeft hij de beginnende wildernis platgespoten en omgeploegd. Ik wist wel dat het zo ging. Maar toen ik het voor het eerst zag geloofde ik mijn ogen niet. Onthutsend. Wat een dode massa, op zo’n groene stralende lentedag. (*) En dat zomaar opeens, van de ene dag op de andere leeft er niks meer. En waar is de boer? Geen mens te bekennen. Als een boer een keer zijn trekker uitstapt, moet je er als de kippen bij zijn als je hem wilt leren kennen. Voor je het weet zie je hem het hele jaar niet meer.
Ik ben aan het einde van de akker en hier buigt het pad af naar rechts. Eerst langs de uitbundig bloeiende strook van Brabants landschap. Vorig jaar was het een armzalig strookje langs de grote akker, vol trekkersporen. Verder zag je nog wat kleine boompjes die het volhielden. Dit jaar blijft de boer meer op eigen land. En óf dat scheelt!
Voor ik het bos in loop, komt er eerst een rijtje zielige eiken. Ze vormen een frontlinie langs dit pad, dat de bosrand markeert. Voor de eiken sta ik stil en werp een laatste blik op de bewuste akker. Ik kan nog steeds niet goed thuisbrengen wat er nu op groeit. Het blad lijkt op snijbiet, en er tussen staan grote velden gras van een wat robuuste soort. Het overheerst al het andere. Ik vraag me af, is dit gras nou een onkruid dat resistent is tegen het gif roundup? En wat is dat blad dan, netjes in rijtjes daartussen in? Ach…. wellicht zijn het gewoon groenbemesters, gezaaid door de boer. Zou hij straks alles weer doodspuiten? Ik blijf kijken. Elke dag opnieuw. En vragen. Want niets blijft ooit hetzelfde. Ook mensen niet.

.

Wat zie ik? Planten in het zand

Link:

Verhandeling over glycosfaat: http://www.brabantsemilieufederatie.nl/sites/www.brabantsemilieufederatie.nl/files/2%20stedelijk%20gebied/glyfosaat/121030%20samenvatting_onderzoek_greenpeace.pdf

.

 

Aardappels in een penenveld en de man met de stok

AArdappelsin Penenveld

Ik fiets richting Diessen. Als ik het bos uit kom is daar een veld aardappels. Langs de rand van het veld staan de grootsten en daar kijk ik altijd naar. In het midden van het veld loopt een man langs de rijen, met een stok. Het zwaait er wat mee heen en weer, alsof het een wiggelroede is. Hij heeft iets op zijn buik hangen. Ik kan niet zien wat het is en fiets verder, want aan het einde van het veld is iemand in de greppel bezig. Misschien weet hij het wel.
Het is een oude man, zie ik als ik dichter bij kom. De man kijkt verrast op en groet me vriendelijk. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en ik vertel hem waar ik verblijf. Dan pas geeft hij antwoord op mijn vraag. „Wat hij doet?”antwoordt hij, “Ik weet het niet. Hij was net ook al op dat andere veld bezig. Er staan penen in. Misschien is hij aan het spuiten.” Hij gaat intussen verder met zijn werk, staande op de droge bodem van de sloot. Hij gaat handig om met een klein minizeisje waarmee hij alles op buikhoogte afsnijdt. “Mooi gereedschap heeft u, “ zeg ik. “Jaja! Ik doe de hele sloot met de hand. Dat zouden zij daar ook moeten doen!” Hij wijst verontwaardigd naar de man op het veld en de kleine zeis zwaait vervaarlijk door de lucht. “Ze hebben dit jaar al vier of vijf keer gespoten. Nou nou nou, dat is toch niet normaal meer.”
Ik ben het met hem eens.
“U zegt dat het een wortelveld is.” ga ik verder “Ik dacht dat het aardappels waren.”
“Ja, dat zijn aardappels van vorig jaar. Het was een slecht jaar, en er zijn een hoop kleintjes aan de oogst ontsnapt. Die groeien nu verder.”
“Maar hoe komt het dan dat ze aan de rand het grootst zijn, en het meest?”
“Aan de bosrand groeit het altijd het slechtst. Daar blijven de meeste kleintjes over.” zegt hij.
Ik ben onthutst. Wat ik dacht te zien blijkt anders te zijn. Is het dan niet zo, dat de randen van het veld juist het vruchtbaarst zijn? Of doen aardappels het slecht bij eikenbomen vanwege het looizuur? Tegen de man zeg ik niets van mijn overwegingen.
“Maar nú doen ze het in elk geval prima!” roep ik.
De man grinnikt alsof ik een ironisch grapje maak en gaat verder met zijn werk. Ik stap weer op de fiets.
Ergens anders zie ik nog iemand bij hetzelfde veld staan. Ik stop. Op mijn vraag of hij de boer is, zegt hij “Nee.”
“Wat is die man daar aan het doen, weet u dat?” Ik wijs naar de kerel in het veld. Hij loopt nog steeds te zwaaien met zijn toverstok.
“Aardappels wegspuiten.” zegt hij. “Anders groeien de penen niet hè!” lacht hij.
Gek om dat iemand dat met zoveel zorgeloosheid te horen zeggen. Het verbaast me telkens weer. Vaak besef ik hoe weinig ik weet. Ik wil eigenlijk ook zo min mogelijk weten, zeker nu, in de lente. Ik wil zíjn, zien en ruiken. Maar hoe weinig ik ook weet, één ding weet ik wel. Dit verradelijke goedje is zéker niet onschuldig. De ouwe weet het. En vast nog veel meer boeren en burgers. Eigenlijk weten ze het dondersgoed. Durf er maar eens bij stil te staan.

Boeren in beweging

.

.

Ik sta op het punt een gekronkeld stuk hout te pakken. Het is voor de afbakening van een nieuw vijvertje, dat ik heb gemaakt. Net als ik wil bukken zie ik iets op het land hiernaast. Mensen. Vlak bij de weg staat een tractor. De motor draait. Het uitgestrekte land is net bewerkt. Er stond de hele winter rucola te bloeien. Het was een mooi gezicht, net een toendra, met hier en daar een grote plas. Ik zag en hoorde er graspiepers en meer vogels. Er was nooit iemand.
Deze week is de rust afgelopen. Ze hebben drijfmest ingespoten en compost gestrooid. En nu hebben ze alles door elkaar gehusseld. Niet leuk om te zien, maar ja. Tegelijkertijd, ik ben al blij dat hij zijn grond laat begroeien in de winter. Veel doen dat niet.
De tractor staat op de hoek, de voorkant naar de weg gericht. Ik zie er twee mensen bij. Zonder aarzelen loop ik erheen. Als ik vlak bij ze ben, zie ik een tanige man en een stevige jongen. De man is ongeveer van mijn leeftijd en hij kijkt me lachend aan. „Bent u de boer of bewerkt u het land alleen maar?”
Met uitgestoken hand loopt hij me tegemoet. „Ja, ik ben de boer,” zegt hij trots. “Aangenaam,
Arjan, uit Moergestel.” Hij heeft levendige bruine ogen, een gebruinde huid en kort grijzend haar. “Leuke vent,” denk ik, terwijl ik me voorstel. “Mooi stuk land heb je”, zeg ik. “Ik zag deze week een paar patrijzen bij ons rondlopen, toen jullie bezig waren. Ik hoop niet dat ze een nest hadden.”
“Ja, misschien had ik het eerder moeten doen, dan waren ze misschien nog niet aan het broeden,” zegt hij met een spijtig gezicht. “Maar je weet het tóch niet hè,“ zeg ik begrijpend. “Nee, je weet het niet…” herhaalt hij en kijkt in gedachten naar de grond.
Om hem op te vrolijken zeg ik: “Goed dat je je land begroeid laat, ’s winters. Boeren verderop laten de grond van hun akkers gewoon wegwaaien.”
Hij kijkt me opgewekt aan, zichtbaar blij met dit compliment. “Ja!” zegt hij “Daar snap ik ook niks van. Ze ploegen en dan laten ze het zo liggen. Ik denk dan, je ziet toch wat er gebeurt! Ik ga meteen zaaien na het ploegen. Daar laat ik geen weken overheen gaan. Maar ja, zo heeft ieder zijn manier,” zegt hij.
“Tja, ik denk dat veel mensen het gewoon doen zoals ze het geleerd hebben. En het heeft altijd gewerkt dus waarom niet. Maar nu beginnen dingen te veranderen. “ zeg ik.
“Ja hè? “ zegt hij, verrast dat ik het onderwerp aanroer, en wat aarzelend. Bedachtzaam kijkt hij voor zich uit. Ik kijk hem vriendelijk aan. “Maar jij zorgt in elk geval goed voor je land.” zeg ik en ik meen het ook. Ondertussen denk ik: Er zijn andere manieren van landbouw. En als je het aan mij vraagt, veel gezonder nog dan hoe hij het doet. Pas zag ik een goeie benaming ervoor. Het is ook de titel van een boek. “Herstellende landbouw,” van Marc Shepard. Maar tegen Arjan vertel ik niks van deze gedachten. Te pril allemaal.
“Ik doe mijn best”, hoor ik Arjan zeggen, in reaktie op mijn opmerking van zojuist. “Maar het kan vast ook anders.” Ik hoor de echo van mijn gedachten. Ik lach.

Boer Arjan zaaide snijmais

Gezaaide mais op het veld. Aan het laagje insecticide is een rood kleurtje gegeven, onder ander om  ervoor te zorgen dat de vogels het niet opeten. Toch hebben we gezien dat ze het toch aten, dus het werkt niet altijd.

En nu. Ik denk aan de mensen van de Pallandehoeve in Oirschot, gedreven bezig met permacultuur. Twee mensen hebben een hectare grond met daarop een tuin in ontwikkeling, en ze richten zich vooral op boeren die het anders willen doen. Ze hebben een man gevonden met veel grond, die zich door hen wil laten adviseren. Ik hou het in de gaten. Als het een succes wordt kan ik het boer Arjan vertellen. En meer mensen. Je weet maar nooit.

Randen van een aardappelveld

Onderweg naar Diessen zie ik dit land. Ik blijf er steeds naar kijken. Het is zo overduidelijk! Er is deze lente bijna geen regen gevallen en dit is wat er gebeurt. Langs de randen groeit het veel sneller. Organisch materiaal, bomen en begroeiing houden vocht vast en trekken vocht aan. Ook dauw. Als je dit weet kun je er gebruik van maken. Maak terugkerende bomenrijen met fruit en noten en bessenstruiken eronder. Ertussenin komen stroken akkerland met aardappels en granen, bij voorbeeld. In de permacultuur maakt men ook gebruik van dit principe.

_________________________________________________________________

Links:

http://www.janvanarkel.nl/nieuw/herstellendelandbouw.html

http://www.pallandehoeve.nl/contact.htm

Boek “herstellende landbouw” van Crawfort. Vertaalt in het Nederlands. Verkrijgbaar bij Uitgeverij van Arkel, Utrecht.

Verhaal van een oude boom in een verre toekomst

.

.

Oude boom

.

Mensenlief, vergeet…

 

Alle weelde van vandaag
is morgen maar wat vuil in t zand
een enkeling stelt nog de vraag
wat was er toen toch aan de hand

Wat is echt en wat is duister
waarheid of legende
de zachte wind waar ‘k nu naar luister
een hand die mij verwende

Een bij die neerstreek in mijn kruin
toen iedereen verdween
en ik bleef wachten in de tuin
die groeide, om mij heen

Ik zag wat kwam en is verdwenen
machten van het harde geld
die ooit zo ongenaakbaar schenen
geen kind die ’t nog vertelt

Twee schurkjes klimmen in mijn stam
hoog, nog hoger, wat een lol
teveel aan goud dat maakt je lam
Je klimt niet met je zakken vol

Hier sta ik nu al zoveel eeuwen
ik alleen die het nog weet
van het razen en het schreeuwen
Mensenlief, vergeet . .

.

.

Milleniumdoel?

.

Ik heb een paar NRC’s kunnen scoren
in Hilvarenbeek.
Dat gebeurt niet vaak.
Een echte krant in huis.

Tevreden begin ik te lezen.

Dan zie ik het volgende artikel.
“Nog steeds hebben 2,5 miljard mensen geen wc.”
staat er boven.
“Het slechtst is het in Afrika.”

De VN heeft dit doel gesteld.
Iedereen op de wereld een watercloset
een kraan
en een riool.

Ook in Afrika.
Wie vertelt mij,
waar vandaan
komt al dat water
dat er nodig is?
En waarheen
gaat die poepsoep dan
dat vraag ik mij dan af

Naast mijn composthoop bloeit Bernagie,
Smeerwortel en struiken.
Voor de zekerheid laat ik het twee jaar liggen
dan is het veilig voor gebruik

composthoop

Wat ik produceer is
o zo kostbaar
Ik draag er zorg voor
dat het op de juiste plek
terecht komt.

Plasgras

Gras zonder plas

Het bovenste is “plasgras”, eronder gras zonder plas. Op hetzelfde moment genomen. Ook fruitbomen fleuren er zichtbaar van op.

Ik ben maar een klein vrouwke
maar toch kan ik helpen
de wereld gezond te maken
door zelf gezond te zijn
zaden laat ik ontkiemen en gras maak ik groener
overal waar ik bezig ben

Ik laat er geen gras over groeien

Dat is
Alles

Toch

Tuin op dertien april tweeduizendveertien

Op dit moment is mijn tuin de enige bloemenzee in de omtrek.

Voor meer info over poep, oftewel “Het bruine goud”, lees het boek “Vierduizend jaar kringlooplandbouw.”
http://www.genoeg.nl/nieuws/archief/vierduizend-jaar-kringlooplandbouw-verslag-van-een-reis-in-1909-door-china-korea-en-japan-

Rustend hommeltje in oranje wieg

Rustend hommeltje in oranje wieg