Trage technieken die het hart verwarmen

Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie.” Over een gedenkwaardige ontmoeting in de trein en een ontmoeting met olieverf.

.

Heeee, de gordijnen open! Dat doe ik zelden in de nacht. Maar voor een fantasie is het wel heel mooi. Het werkelijke schilderij heeft trouwens meer kleuren dan mijn camera weergeeft in deze foto.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ooit zat ik in de trein tegenover een jonge vent. Het was een lange reis, we zaten allebei wat uit het raam te staren, niet afgeleid door laptop, boek of telefoon. Op een gegeven moment raakten we aan de praat. Hij vertelde hoe hij gegrepen was door virtual reality. Gepassioneerd begon hij te vertellen en raakte almaar meer in vuur en vlam. Wat er al niet mogelijk was! Hij stelde zich voor dat we met een virtuele wereld de aarde uiteindelijk helemaal niet meer nodig hadden. Dat we dan in onze eigen bubbel de ruimte in konden. Space! Waarheen dan ook, wat maakte het dan nog uit? Ik keek hem verbaasd aan. “Dan ben je volgens mij gewoon dood”, zei ik. Leven op aarde betekent naar mijn idee dat je eet en poept. Dat we een deel uitmaken van de kringloop, die ons voedsel geeft en alle materialen die we nodig hebben om ons het leven aangenaam te maken. Niks supersonisch of flitsend. Heel gewoon en tegelijkertijd bijzonder. Hij was even stil, daarna.

Ja, ik denk dat je met techniek een hoge vlucht kan nemen. Heel hoog. Hoe ongelooflijk ver de wetenschap ons ook mag brengen, één ding is duidelijk. De grond is onze basis. En het besef dat iets maken, echt zelf maken, helemaal niet zo snel gaat. Het laten groeien van een bosje, voor voedsel, hout en beschutting alleen al, duurt jaren. Alle materialen die je nodig hebt zijn er echt niet zomaar. Doe het helemaal zelf en ontdek het. Het eigenhandig timmeren van je eigen huis of speelhut voor de kinderen kost tijd, je hebt een werkplan nodig en gereedschap.

Maar helaas, tal van oude ambachten raken vergeten. De timmerman gebruikt steeds minder schroeven. Superlijmen maken het mogelijk dat er van alles gewoon aan elkaar kan worden geplakt met supersterke tape. De kunstschilder en graficus van vroeger wordt nu verleid door de talloze mogelijkheden van digitale teken en schilderprogramma’s. Je maakt geen vieze handen en het gaat veel sneller. Een leuke aardigheid en het verzenden kost nauwelijks moeite. Maar wat mis je, door dit alles? Heel veel, volgens mij. Is het niet juist de moeite, die het de moeite waard maakt?

Het is zaterdagmorgen. Ik heb me opgegeven voor een cursus olieverf schilderen. Het gaat er dit weekend om de basistechnieken te leren. Het is een ruim licht lokaal. Er staan grote tafels, elke keer twee tegen elkaar geschoven, de hele lengte van het lokaal. Als ik binnenkom staat alles klaar. De schildersezels, het pallet met verf, mijn naam erbij. Een hele tafel voor mezelf. Dertien anderen kunnen ook aanschuiven.

De docent is een vrouw, Candice heet ze. Ik schat haar evenoud als ik. Ze heeft een rustig, vriendelijk gezicht met bruine ogen. Gedetailleerd vertelt ze ons waar we op moeten letten. Ze vertelt met warmte in haar stem over de prachtige mogelijkheden van olieverf, hoe organisch je ermee kan werken, en hoe heerlijk ze het vindt dat het niet snel droogt. Je hebt de tijd, meer nog, het vráágt om tijd. Er zijn middelen om de droogtijd te versnellen, maar waarom zou je dat doen? De tijd nemen zorgt ook dat je afstand kan nemen, dat je het telkens weer met een nieuwe blik kan bekijken.
Er zijn in onze tijd veel middelen die zorgen dat alles sneller gaat. Ook bij olieverf. Maar je kan ook je schilderij opzij zetten en tijdens het drogen met nog drie andere beginnen. Is het dan nog niet droog, neem dan een kruk en ga er maar gewoon eens naar zitten kijken. Wie weet brengt het je op goeie ideeën.

Als ze even later door het lokaal loopt, praat ik erover met haar. “Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie” vertel ik haar. Het is de spreuk die ik deze week las op de filosofiekalender. De levensfilosofie van de Japanse kaligraaf Tanahashi. Haar ogen beginnen te glanzen. “Wat mooi!” zegt ze. “Ik heb zoveel bewondering voor de Japanse schilderkunst, de concentratie waarmee die mensen werken. Daar kunnen wij in het Westen nog veel van leren.” Haar fijne ronde gezicht is geplooid in een frons. “Mensen kunnen niet het meer laten zijn, gewoon even niks doen en kijken. En er zijn zoveel afleidingen, die ons kant en klaar worden aangeboden. Alles moet zo snel mogelijk resultaat opleveren. Ik vind het zorgelijk. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we oude trage technieken blijven doorgeven aan nieuwe generaties.” Ja, ze beseft heel goed wat haar drijft. De schoonheid, de warmte van het materiaal, maar ook de oude filosofie erachter heeft diep wortel geschoten in haar liefde voor dit vak.

Uiteindelijk zitten we allemaal te schilderen. Hoewel er vijftien mensen in het lokaal zijn, is het muisstil. Als je je ogen dicht doet, zou je zeggen dat je in je eentje in een lege zaal stond. Even laat ik het penseel werkeloos in mijn hand liggen en verbaas me erover. De concentratie van al die mensen is als een warm bad. Ik ken het resultaat nog niet van wat ik maak. Maar alleen dit al is een verademing. Dit werk, de tijdloosheid en de stilte met al die werkende mensen. Daar kan geen digitaal tekenprogramma tegenop.

.

.

We moeten voeten in aarde maken

.

De brug van droom naar een gastvrije bodem.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

De droom kan zo mooi zijn. In een droom kan je de werkelijkheid opkleuren, verlichten, je kan weggetjes maken die er nooit geweest zijn. Wat recht is kan je laten kronkelen en vervuilde rivieren zijn in je gedachten zo helder als kristal. Jarenlang kun je dromen over een bos dat bulkt van allerlei soorten. En je kunt dromen hoe donker het daar is, onder al die kruinen. Je voelt aan de oude stammen vol scheuren in de schors. Je laat lange baarden van mos langs je hoofd gaan zoals je nog nooit in het echt hebt gevoeld. In je droom kan alles.
Tot je op de harde natte klei terecht komt, waar het bos moet komen, dat je zo mooi had bedacht. Waar de jonge bomen met hun wortels tegen een stijve muur aanbotsen. En als ze dan eindelijk met veel moeite kunnen doordringen in de ongastvrije massa, dan wordt het winter, gaat het regenen, en verzuipen ze in de natte klei. Of je staat op de zandgrond en wekenlange droogte teert al het leven uit. De jonge loten die je hebt geplant verdorren tot armzalige sprietjes en gaan dood.

Dat kan anders. In een tijd van toenemende extremen is een rustige, volhardende houding nodig. Ideeën zijn als lucht, ze komen even snel als ze gaan. Aan een idee alleen heb je niks. Er zijn al er al gauw teveel van. Brainstorms genoeg op deze aardkloot. Dromen zijn al wat bestendiger dan ideeën, ze bestrijken een langere tijd om te wortelen in je hart. Vervlecht het idee met hoop en behandel dit met zachtheid en geduld.

Vuur op zijn tijd is goed, maar let op dat het niet te hoog oplaait, op onwillekeurige momenten.

Teveel aan vuur verschroeit de aanzet tot groei, knoppen die nog maar zo klein zijn dat je ze nauwelijks ziet. De piepkleine aanzet tot wortelgroei, die bodem zoekt. Een vurige droom zonder bodem glipt uit je handen en daar sta je dan. Vol onrust en volkomen alleen met weer een illusie minder. En hoe meer er uit je handen glijdt, hoe meer gaten er vallen. Het geeft ruimte aan anderen, waar je niet voor gekozen hebt. Gespuis dat het belang niet dient. Ze komen als virussen in een lichaam dat zijn weerstand kwijt is. Als verwarde zwervers die niet weten wat ze moeten. De gaten zijn het begin van het verval.

Ja, Dat kan anders, heel anders. Een droom heeft een rustperiode nodig en een blik die kan doorvorsen of het moment daar is of niet. Het hart is getraind in geduld om in stilte te zien of de tijd rijp is, om te zien wat levensvatbaar is en wat moet wachten of wat onverbiddelijk moet worden doorgestreept. Stap voor stap worden keuzes gemaakt. De vitale delen krijgen de aandacht en krijgen wat ze nodig hebben. Er is wat er is, elk mens, elke boom op dit unieke moment, alles wat is moet zo zijn. Daar ga je vanuit. Dat is de basis, daar kies je voor. En dan kom je in de stroom op gang, die meewerkt. Op het land groeien de bomen die het wél redden op de natte klei of de droge grond. Je verbetert de omstandigheden, meer en meer, zonder haast of dwang. Langzaam maar zeker komt de beloning. Dieren die weg waren keren terug. Zaden die je ooit strooide, komen ineens op. Planten die je nog nooit gezien had, komen spontaan omhoog en tot bloei. Het begin is gemaakt. Zodra er iets is wat voeten in aarde maakt, kan het andere daar steun bij vinden. Zo bouwen we aan een vitale plek, in een vitale wereld. Al is het begin klein, met rust en volharding groeit het. Een bodem voor alles wat voeten in aarde zoekt.

Dingen langzaam doen is het geheim van de transformatie. (Kazuaki Tanahashi, 1933)

Het hart van de wijze

Aarde voedt het wijze hart
Het wijze hart de wereld

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Het hart van de wijze voedt de wereld”

Dit zegt de Taoistische filosoof Zhuang Zi, drie eeuwen voor Christus. Het was een andere tijd, die anders werd gemeten en anders werd gedacht. Een tijd die misschien dichter bij mij staat dan bij de stedeling in de Randstad. Hier, aan het einde van de onverharde weg, gaat het leven zijn gang. Het is een tijdloze plek, vooral in de herfst en de winter. De bomen verdiepen hun wortels, de vogels kunnen zeven maanden ongestoord hun gang gaan, tot de campinggasten weer arriveren en vijf maanden lang het reilen en zeilen domineren. De bomen groeien gretig door. Mijn aandacht gaat uit naar hen. De bomen zijn mijn familie. Kruiwagens vol zwarte aarde breng ik naar de bodem, die hen draagt en voedt. En elke keer als het lente wordt, voel ik me weer een kind van twaalf. De groene knoppen die als een sluier over de jonge bomen ligt, die ik één voor één heb geplant. Ik zorg voor hen, zij zorgen voor mij. Door hen vind ik altijd nieuwe energie voor daadkracht, vind ik inspiratie om mijn voorstellingsvermogen te voeden en ten toon te spreiden aan wie het ook wil zien. En omdat ze mij zoveel geven ben ik het nooit moe, voor hen te zorgen. Mijn familie, de bomen. De bomen voeden mijn hart, en mijn hart voedt de wereld.

Morgen komt er een berg teelaarde, en compost. Het is wel tien kuub, in totaal. Echte biologische natuurcompost. Voedsel is het, voor de bodem. Om wortels te laten groeien en het leven in de bodem te laten krioelen. De levende aarde groeit, en breidt zich uit. Ik hoef alleen maar een begin te maken, een begin, op deze harde bodem van klei. En dan, als de maand februari hoopvol haar eerste tekenen geeft van vernieuwing, begint er zachtjes iets te stralen. Ik sta klaar. Ik zorg dat gebeurt wat gebeuren moet, op de juiste plek. Dit is de mij toegewezen plek, die ik kan beschermen en uitbreiden tot een heilig en inspirerend voedselbos. Een afgelegen plek voor de vogels om te broeden. De watersalamanders kunnen zich nestelen tussen de wortels, zonder dat iemand hun veilige bed omver schept. Het Verhalenpad kan groeien, en ik pluk ze, de verhalen. Hoe vaker ik alleen ben, hoe beter ik het zie. Stilte doet broeien. Broeien om te laten groeien. Er is voedsel voor alles en iedereen. Er is alleen geduld voor nodig en bescheidenheid. Hoe minder ik neem, hoe meer het wordt. Ik voed de aarde en de aarde voedt mij. Ik pluk de vruchten, alleen wat ik nodig heb en zie de rijkdom. De rijkdom die mij jong maakt. Alles groeit. Wacht af, en de beloning wordt almaar groter.

.

.

We zullen de koeien missen

De boer besluit om de laatste drie koeien weg te doen. Ik bedenk me waarom we ze zullen missen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn rustige tijden. In de winter komen hier niet veel mensen. De twee kilometers naar de weg zijn lang. Ze zijn des te langer omdat de weg telkens weer vol kuilen zit. Het is een belemmering voor auto’s, om hier te komen. Anderen varen er wel bij. Smienten, kieviten, kramsvogels en valken vinden hier een rustige plek. Op oudejaarsdag klinken de knallen van het vuurwerk ver weg. De cirkel van geluid is rondom ons. En hier is het stille midden.

Hoe stiller het is, hoe belangrijker dat ene moment. Die zondagmiddag, aan het einde van de maand, dan komen de vaste bewoners bij elkaar. Het is op die middag dat de boer aan komt lopen. In zijn handen heeft hij een kerststol van Bakker Bolhuis, die hij met een bonk op tafel zet. “De koeien gaan weg,” zegt hij. Iedereen kijkt op. “Waarom?” vraagt de vrouw met het lange grijze haar. Het antwoord komt meteen. “Het is te veel werk en ik ben nooit vrij.”
Op de boerderij zijn nog steeds twee koeien en een enorme os. In zomer staan ze in de wei. In de winter kan dat niet, dan is het land zo zompig dat de zware os nauwelijks zijn poten zou kunnen verzetten. Dus de hele winter staan ze in de stal. Het is maar een kleine ruimte, voor de koeien gaat het nog wel maar de os past er maar net in. Al hun stront komt in de grup, de mestgoot, die achter hun kont loopt. Dat wordt er wekelijks uitgeschept en naar de mesthoop gekruid, vrijwel altijd door de boer zelf. Een enkele keer is er een behulpzame vrouw die er haar schouders onder zet, om haar gedachten te verzetten. Het is een heel werk, dat mest scheppen. Maar het levert ook wat op. Er zijn twee mesthopen naast elkaar. De ene ligt er al een paar jaar, de andere is vers. De stevige drollen zijn gemengd met grof gras en riet. Terwijl het steeds verder verteert naar vruchtbare grond, wemelt het van roze mestwormen. Het is ook niet voor niets dat er altijd vogels te zien zijn. Merels, die woest naar wormen pikken. Maar ook roodborstjes en kwikstaartjes, die insecten vangen. Toch is dit niet het eerste waar ik nu aan denk. De koeien zijn mijn eerste zorg. “Waar gaan ze heen?” vraag ik.
“Dat komt wel goed!” zegt de boer. “Ze krijgen het een stuk beter. Ze gaan naar een opvangplek voor bejaarde koeien. Daar hebben ze veel meer de ruimte.”
“Maar die ene koe is toch nog jong?”
“Ja, er komen ook wel jonge koeien. Ze komen overal vandaan. Er is daar een koe, die zag ineens het licht, toen hij naar de slacht werd geleid. Die vloog er vandoor. Toen hebben ze haar maar naar dat koeienparadijs gebracht.”
“Fijn zeg. Dan hebben ze het daar vast goed.” Daarmee is het onderwerp afgesloten.
Het is pas in de avond als ik bedenk hoezeer we die mesthoop zullen missen. De mesthoop is een heel centrale plek voor al het leven, besef ik. En dat is bewezen ook. Het was Els, die een wedstrijd deed met haar vriendin, de hele zomer. Met de Obsidentify app kun je vrij nauwkeurig insecten determineren. Ze had er al vele vastgelegd en thuisgebracht. Ik hoor het haar zeggen. “Vooral bij de mesthoop, daar zijn er zoveel!!”
Kunnen we die mesthoop wel missen? De boerenzwaluwen maken er hun nesten van. Allerlei vogels zullen hun belangrijkste voedselbron kwijtraken. Sommige insecten zullen van het erf verdwijnen. Dat gaat me aan het hart. Maar ook voor onszelf is de mest waardevol. Het is een welkome aanvulling in de groentetuin. Ik gebruik het hier en daar, waar het nodig is. Vaak meng ik het met de verhitte, veel te stoffige bladcompost die ik heb laten bezorgen. Hete compost leeft niet meer. Ik gebruik de jarenoude grond van de mesthoop, om er weer leven in te brengen. Ja, we zullen het missen.
Ik denk aan het beeld van de drie koeien in de wei. Een vertrouwd gezicht, die trage koppen die langzaam naar je toe draaiden, wanneer je langs liep. Ik denk aan de koeienvlaaien in het gras. Als het wekenlang droog was, zag je vaak vogels bij die stront. De zeeklei werd dan immers keihard, er was nauwelijks nog een wurm uit te halen. Onder de koeienvlaaien was het nog wat vochtig. En bovendien zaten er vliegen op de drollen, die ze konden eten. Dieren in de wei zijn nodig. We zullen de koeien missen.
Dat vertel ik de boer, later, als hij alweer thuis is. Ze zijn belangrijk, de koeien. Belangrijk, vooral voor de biodiversiteit. Dat weet de boer.
“We kunnen altijd een hoop paardenmest halen bij de paardenfokkerij,” oppert hij. “Dan leggen we die daar neer. En de hoop die we nu hebben is ook nog lang niet weg…”
Dat is zo. Je kan het altijd van elders halen. En ook de weiden zijn niet leeg in de zomer. Er staan ook paarden, verderop. Evengoed is het jammer, dat ze weggaan. Toch is het te begrijpen. De boer is al vijfenzeventig. Als er niemand is die het werk overneemt, dan houdt het op. En dan is er straks geen mesthoop meer, van eigen vee.
“Als je een keer weg wilt doe ik het wel,” zeg ik. De boer bedankt me. Maar het brengt hem niet van zijn gedachte af.

Weer een mesthoop minder. Elke mesthoop is belangrijk. Vooral nu, in deze tijd, waarin de gangbare methode nog steeds op drijfmest is gebaseerd. Drijfmest, een half vloeibaar goedje, dat in de grond wordt geïnjecteerd. Zo moest dat, vanwege de uitstoot van ammoniak. Maar het helpt niets. De uitstoot blijft hetzelfde. Het kost wel veel, niet alleen geld voor de nodige machines. Het kost ook levens. De wormen willen niet verzuipen en komen boven. Een feestmaal voor de meeuwen. Tot het op is. Tot alle wormen weg zijn. Nee, het is niet goed voor de bodem, die drijfmest. Je moet het niet te vaak doen. Beter is helemaal niet. Beter is om de mesthopen weer terug te brengen. Hopen met stro en drollen. Vitale mensen hebben we nodig, mensen die willen scheppen. En dan, misschien komen er dan weer nieuwe koeien, op een dag. Ook hier. Niet veel, een paar maar. Net als nu. Een paar, dat is genoeg. Ik hoop het.

.

.

De zwarte os, Quintus, is op 3 februari 2024 heen gegaan. Hij is bijna zeventien jaar geworden. Een leeftijd die de meeste runderen niet bereiken. Hij heeft een goed leven gehad.

Nieuw jaar, nieuw boek

De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.

.

Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.

Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.

Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”

Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.

Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.

.

Het riet

Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit.
Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.

Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes.
Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd.
Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.

Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!

Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!

(Een bekend Perzisch spreekwoord.)

Luisteren? Klik hier.

Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.

Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Maanfeest op eigen bodem

Sjamanen gebruiken voor hun rituelen soms hout dat traditioneel heilig is. Het zijn meestal oude tradities van indianen, die letterlijk worden overgenomen. Ook bij ons. Het hout komt van bomen die steeds meer in hun voortbestaan worden bedreigd. Maar wensen meenemen het universum in, dat kunnen onze heilige bomen toch ook? Als het van jouw liefste boom komt, dan is de wens veel sterker.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit aan tafel bij Gina. Gina is kunstenares, met net zoveel hart voor de aarde als ik. Beiden kennen we de Oerfloed, een hectare grond aan de rand van Leeuwarden. Tussen de weiden valt het ruige bosje extra op. Het vormt een schuilplaats voor vele dieren, en de vrijwilligers die er werken, komen er graag.

“Ik heb me afgemeld van de vrijwillgersapp,” zeg ik. “Die stroom aan berichten, ik vond het veel te veel. Maar nou hoor ik helemaal niks meer!” Gina kijkt verrast op. “Oh, wil je dat graag? Laatst hadden we een maanfeest. Had je daarbij willen zijn? Dan geef ik het je de volgende keer door!” Ik beaam dat ik dat graag zou willen. “Het was zo bijzonder,” vertelt ze “Er was een vrouw die een heilig ritueel met ons heeft gedaan.” Dat boeit me. Er is een groeiende behoefte aan rituelen. Er komen veel mensen op af. Het doet iets. Wat? Aandachtig volg ik wat ze vertelt. “Ze had palissanderhout meegenomen.” Ik knik opgewekt. Palissanderhout, dat ken ik goed. Mijn man, die niet meer leeft, heeft mij ooit een mes gegeven, met een heft van palissander. Zo bijzonder vind ik dat bruinrode hout met de donkere strepen, het moet wel een toverboom zijn geweest, waar zulk hout vandaan komt. “Heb je die kleur gezien??” vraag ik gepassioneerd “Nee,” zegt ze. “Het was donker en ik zat er ver vandaan. We kregen allemaal een stukje, en dat moesten we in het vuur gooien.” Verbouwereerd kijk ik haar aan. “In het vuur? Wat zonde!!” Ze haalt haar schouders op. “Ja zie je, het is nou eenmaal heilig hout. Het hoorde erbij. Het vuur neemt de wens mee het universum in. Het heilige palissander kan dat.” Haar ogen stralen. De warme herinnering komt boven, aan dat mooie ritueel, dat hen die avond samenbond. De wensen voor de toekomst die fonkelden als sterren. “Maar kan dat alleen met palissander? Hebben we hier geen heilige bomen meer?” vraag ik verbaasd.

“Ja,” zegt ze nadenkend. “Het komt wel helemaal van een ander continent. Dat is een lange weg. En zulke bomen zijn er steeds minder. En wensen meenemen, het universum in, dat kunnen onze heilige bomen ook.”

“Het is zo dringend nodig, dat we de band met onze eigen bodem herstellen. We moeten ons land weer heilig zien te maken. Hoe kun je dit ritueel ook anders doen?” Stil kijk ik naar de kat, die net binnengekomen is door het luikje, en die rollebolt over een tafel die geheel bedekt is met bruine schapenwol. Het is voor haar kunstwerk, een boom, gebouwd op een oude kinderwagen, omgetoverd tot een sprookje vol verrassingen. De bruine wol heeft allerlei tinten en is prachtig om aarde weer te geven. Aarde, die bijzondere wereld, die het bodemleven omhult. Aarde, bodemleven. Ja, Gina weet precies wat ik bedoel, als ik het heb over heilig land. Het is of ik bij haar nog sneller op ideeën kom. “Je kan iedereen vooraf een berichtje sturen,” begin ik. “En dan vragen of ze iets mee willen nemen van hun lievelingsplek.” De kunstenares tegenover me fonkelt van enthousiasme. “O ja, en dat hoeft helemaal niet veel te zijn. Het kan gewoon een eikeltje zijn of zoiets. Als het voor jou maar veel betekent!” Ik aarzel even. “Dat doet niets af aan het bijzondere van het ritueel, zoals het was, met dat mooie hout van ver. Dat die vrouw dat ritueel zo mooi kon leiden, dat is belangrijk.” Gina knikt ernstig. “Ja, het was heel magisch en mooi. En het bracht ons tot dit idee. Het was prachtig, maar hier wordt ik nóg blijer van!” Ze lacht opnieuw.

Soms moet je samenzijn om tot iets nieuws te komen. Samenzijn, voor een volgende stap, die we tegelijkertijd nemen. Je bent nooit alleen. Er zijn altijd anderen, die met hetzelfde bezig zijn. Soms ontmoet je elkaar. De volgende keer ben ik erbij, als er een maanfeest is. Zeker weten.

Meer over palissanderhout:

Braziliaans Palissander: Dalbergia Nigra. Volgens de IUCN is de populatie kwetsbaar. Braziliaans palissanderhout wordt bedreigd door illegale houtkap en verlies van leefgebied. Vandaag is er slechts 7% van zijn oorspronkelijke dekking over en de Braziliaans palissanderhout komt nu alleen nog hier en daar, in kleine populaties voor. Het groeit sowieso alleen aan de kust, het oosten van Brazilië. Hij vormt daar de hoogste boom van een van de uitgebreidste ecosystemen ter wereld. Er groeien wel 8000 plantensoorten omheen. Ondanks de hoge mate van ontbossing, wordt het Atlantische Woud nog steeds beschouwd als een van de meest voorkomende de top vijf van hotspots op het gebied van biodiversiteit ter wereld. Bomen zijn erg belangrijk in een ecosysteem. De palissander is namelijk bestand tegen een breed scala aan klimatologische omstandigheden. En stikstofbindende bacteriën en schimmels in de wortels zorgen ervoor dat de soort kan overleven in bodems met weinig voedingsstoffen. Daarmee maakt de boom ook voor andere plantensoorten leven mogelijk. Zonder deze reuzen verandert het landschap steeds sneller in een woestijn.

Een boom die zo bedreigd wordt in zijn voortbestaan, is vooral heilig op de plek waar hij groeit. Laten we onze heilige bomen zelf weer planten en ze koesteren, voor de generaties na ons.

.

Ook goed nieuws:

Een organisatie in Brazilië, bekend als Dalbergia Preservation, zet kleine plantages op voor herbebossing. Ze zijn ook bedoeld om de genetische diversiteit te beschermen. Uit de resterende bomen worden zaden geoogst, om hun voortbestaan in de toekomst te verzekeren. Hun doel op langere termijn is ook om hout van deze soort te kunnen blijven leveren. Het hout is namelijk erg populair om zijn vele toepassingen. Om dit doel te bereiken bieden ze zaden of zaailingen aan kleine gemeenschappen om op hun eigen land te groeien. De bomen zijn welkom in het agrarische landschap en voorziet gemeenschappen tegelijkertijd van wat extra inkomen. De soort heeft een beschermde status. Je mag het niet zomaar invoeren en als je het doet mag het geen commercieel belang dienen.

Ook een andere tak van de familie, de Dalbergia latifolia in India, is ernstig bedreigd, en moet worden beschermd. Ook voor deze soort heb je een vergunning nodig, als je het hout wilt invoeren.

Bron: https://www.bgci.org/wp/wp-content/uploads/2023/02/Brazilian-Rosewood-Global-Trees-PDF-version.pdf

https://www.researchgate.net/publication/331087377_In_vitro_Propagation_and_Mass_multiplication_of_Dalbergia_latifolia_Roxb_An_Vulnerable_Tree_Species_from_Eastern_Ghats_Tamil_Nadu_India

https://www.rvo.nl/onderwerpen/cites/cites-soort/dalbergia

.

.

Ze vroeg het me

“Zou je me nog één keer kunnen vertellen wat het nou precies voor je betekent?” Ik moest haar vraag laten bezinken. Er kwam een gedicht uit voort.

.

.

Klik hier beneden voor de luisterversie.

En dan is er het moment dat ik moet vertellen waar het mij om gaat. Ze vroeg het me, een Friese vrouw. Ik was door haar gevraagd voor Nacht van de Nacht, om een verhaal te laten horen. Het werd verteltheater zonder vaste tekst, en ik noemde het “Landen”. Het gaat over mij, maar vooral gaat het over de Ander. Een inheemse man in de Amazone. Ik wilde mijn verhaal verbinden met dat van hem. Het op weg gaan, het niet-weten waar mijn nieuwe thuis is, het gevoel van eenzaamheid dat mij soms overviel, wilde ik vergelijken met het veel grotere ontheemd zijn, wat hem en zijn stamgenoten constant bedreigt. Daarom noemde ik het “Landen.” Door te landen verbinden we ons met de ander en met de aarde. Maken we ons thuis en maken we vrede. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik weet niet of het gelukt is. Ik heb het ze niet gevraagd.

Na afloop vroeg de organisator me (diezelfde vrouw): “Zou je me nog één keer een korte tekst op kunnen sturen over wat “Landen!” nou precies voor je betekent?” Ik moest het laten bezinken.

Ik deed het. Er kwam dit gedicht uit voort.

Landen!

Ergens is het misgegaan
waar mannen machines wrochtten
zich almaar verder verheven vochten
en boven de aarde gingen staan

Ergens keert de hoop weerom
waar handen eendrachtig humus maken
en via de Aarde elkander raken
zaaien, planten, met zachte trom

Ergens is het misgegaan
waar mensen zichzelf bekroonden
en de Ander met pek beloonden
die hen met liefde voor wilde gaan

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

PS

Voor wie niet weet wat pek is: Een zwarte, brandbare vloeistof die overblijft na destillatie van houtteer. Later werd het ook van steenkool gemaakt. Als het koud is wordt het vreselijk stroperig, als het heet is kan je het gieten. Het werd gebruikt om daken en schepen waterdicht te maken. Dat laatste noemt men: “breeuwen”. Ook werd, in een ver verleden, bij oorlog brandende pek over de stadsmuur gegooid, om de vijand, die met ladders omhoog wilde klimmen, te begieten. Hoe dat is, om dat te voelen, daar ga ik nu maar niet over in detail.

.

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

.

Voorbij het persoonlijke

We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.

.

Voorbij het persoonlijke

Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren.
Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig.
“Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.”
Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?”
“Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze.
“Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar.
“Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.”
Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.

Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.

We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.

“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.

Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.

De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.

.

Dit is een citaat uit het boek “Ontrafeld” van Martine van den Berg:

We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.

Luister nog even naar het liedje aan het einde:

Ik ben waar ik ben
en ik denk aan jou
Ik weet niet of ik je ken
of wat ik zeggen zou
Maar ik geef de boodschap door
Aan een ander luist’rend oor.

.