We zullen de koeien missen

De boer besluit om de laatste drie koeien weg te doen. Ik bedenk me waarom we ze zullen missen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn rustige tijden. In de winter komen hier niet veel mensen. De twee kilometers naar de weg zijn lang. Ze zijn des te langer omdat de weg telkens weer vol kuilen zit. Het is een belemmering voor auto’s, om hier te komen. Anderen varen er wel bij. Smienten, kieviten, kramsvogels en valken vinden hier een rustige plek. Op oudejaarsdag klinken de knallen van het vuurwerk ver weg. De cirkel van geluid is rondom ons. En hier is het stille midden.

Hoe stiller het is, hoe belangrijker dat ene moment. Die zondagmiddag, aan het einde van de maand, dan komen de vaste bewoners bij elkaar. Het is op die middag dat de boer aan komt lopen. In zijn handen heeft hij een kerststol van Bakker Bolhuis, die hij met een bonk op tafel zet. “De koeien gaan weg,” zegt hij. Iedereen kijkt op. “Waarom?” vraagt de vrouw met het lange grijze haar. Het antwoord komt meteen. “Het is te veel werk en ik ben nooit vrij.”
Op de boerderij zijn nog steeds twee koeien en een enorme os. In zomer staan ze in de wei. In de winter kan dat niet, dan is het land zo zompig dat de zware os nauwelijks zijn poten zou kunnen verzetten. Dus de hele winter staan ze in de stal. Het is maar een kleine ruimte, voor de koeien gaat het nog wel maar de os past er maar net in. Al hun stront komt in de grup, de mestgoot, die achter hun kont loopt. Dat wordt er wekelijks uitgeschept en naar de mesthoop gekruid, vrijwel altijd door de boer zelf. Een enkele keer is er een behulpzame vrouw die er haar schouders onder zet, om haar gedachten te verzetten. Het is een heel werk, dat mest scheppen. Maar het levert ook wat op. Er zijn twee mesthopen naast elkaar. De ene ligt er al een paar jaar, de andere is vers. De stevige drollen zijn gemengd met grof gras en riet. Terwijl het steeds verder verteert naar vruchtbare grond, wemelt het van roze mestwormen. Het is ook niet voor niets dat er altijd vogels te zien zijn. Merels, die woest naar wormen pikken. Maar ook roodborstjes en kwikstaartjes, die insecten vangen. Toch is dit niet het eerste waar ik nu aan denk. De koeien zijn mijn eerste zorg. “Waar gaan ze heen?” vraag ik.
“Dat komt wel goed!” zegt de boer. “Ze krijgen het een stuk beter. Ze gaan naar een opvangplek voor bejaarde koeien. Daar hebben ze veel meer de ruimte.”
“Maar die ene koe is toch nog jong?”
“Ja, er komen ook wel jonge koeien. Ze komen overal vandaan. Er is daar een koe, die zag ineens het licht, toen hij naar de slacht werd geleid. Die vloog er vandoor. Toen hebben ze haar maar naar dat koeienparadijs gebracht.”
“Fijn zeg. Dan hebben ze het daar vast goed.” Daarmee is het onderwerp afgesloten.
Het is pas in de avond als ik bedenk hoezeer we die mesthoop zullen missen. De mesthoop is een heel centrale plek voor al het leven, besef ik. En dat is bewezen ook. Het was Els, die een wedstrijd deed met haar vriendin, de hele zomer. Met de Obsidentify app kun je vrij nauwkeurig insecten determineren. Ze had er al vele vastgelegd en thuisgebracht. Ik hoor het haar zeggen. “Vooral bij de mesthoop, daar zijn er zoveel!!”
Kunnen we die mesthoop wel missen? De boerenzwaluwen maken er hun nesten van. Allerlei vogels zullen hun belangrijkste voedselbron kwijtraken. Sommige insecten zullen van het erf verdwijnen. Dat gaat me aan het hart. Maar ook voor onszelf is de mest waardevol. Het is een welkome aanvulling in de groentetuin. Ik gebruik het hier en daar, waar het nodig is. Vaak meng ik het met de verhitte, veel te stoffige bladcompost die ik heb laten bezorgen. Hete compost leeft niet meer. Ik gebruik de jarenoude grond van de mesthoop, om er weer leven in te brengen. Ja, we zullen het missen.
Ik denk aan het beeld van de drie koeien in de wei. Een vertrouwd gezicht, die trage koppen die langzaam naar je toe draaiden, wanneer je langs liep. Ik denk aan de koeienvlaaien in het gras. Als het wekenlang droog was, zag je vaak vogels bij die stront. De zeeklei werd dan immers keihard, er was nauwelijks nog een wurm uit te halen. Onder de koeienvlaaien was het nog wat vochtig. En bovendien zaten er vliegen op de drollen, die ze konden eten. Dieren in de wei zijn nodig. We zullen de koeien missen.
Dat vertel ik de boer, later, als hij alweer thuis is. Ze zijn belangrijk, de koeien. Belangrijk, vooral voor de biodiversiteit. Dat weet de boer.
“We kunnen altijd een hoop paardenmest halen bij de paardenfokkerij,” oppert hij. “Dan leggen we die daar neer. En de hoop die we nu hebben is ook nog lang niet weg…”
Dat is zo. Je kan het altijd van elders halen. En ook de weiden zijn niet leeg in de zomer. Er staan ook paarden, verderop. Evengoed is het jammer, dat ze weggaan. Toch is het te begrijpen. De boer is al vijfenzeventig. Als er niemand is die het werk overneemt, dan houdt het op. En dan is er straks geen mesthoop meer, van eigen vee.
“Als je een keer weg wilt doe ik het wel,” zeg ik. De boer bedankt me. Maar het brengt hem niet van zijn gedachte af.

Weer een mesthoop minder. Elke mesthoop is belangrijk. Vooral nu, in deze tijd, waarin de gangbare methode nog steeds op drijfmest is gebaseerd. Drijfmest, een half vloeibaar goedje, dat in de grond wordt geïnjecteerd. Zo moest dat, vanwege de uitstoot van ammoniak. Maar het helpt niets. De uitstoot blijft hetzelfde. Het kost wel veel, niet alleen geld voor de nodige machines. Het kost ook levens. De wormen willen niet verzuipen en komen boven. Een feestmaal voor de meeuwen. Tot het op is. Tot alle wormen weg zijn. Nee, het is niet goed voor de bodem, die drijfmest. Je moet het niet te vaak doen. Beter is helemaal niet. Beter is om de mesthopen weer terug te brengen. Hopen met stro en drollen. Vitale mensen hebben we nodig, mensen die willen scheppen. En dan, misschien komen er dan weer nieuwe koeien, op een dag. Ook hier. Niet veel, een paar maar. Net als nu. Een paar, dat is genoeg. Ik hoop het.

.

.

De zwarte os, Quintus, is op 3 februari 2024 heen gegaan. Hij is bijna zeventien jaar geworden. Een leeftijd die de meeste runderen niet bereiken. Hij heeft een goed leven gehad.

Een hoopvol jaar

Nieuwjaarstoespraak 2024

.

.

Het nieuwe jaar biedt ons nieuwe hoop. Licht gloort aan de horizon. Dit jaar zullen alle mensen tot inzicht komen dat geweld geweld oproept. Dat alles wat ze een ander aandoen, op een dag dubbel en dwars tegen hen zal keren. Na een blikseminslag uit de kosmos zullen wereldleiders zeven weken wakker liggen en om dan eendrachtig te verklaren dat vrede de enige oplossing is. Puin wordt geruimd, gekwetsten krijgen zorg. Inheemse volkeren krijgen eindelijk de waardering die ze verdienen. Het Amazonewoud wordt gered. De mijnaktiviteiten worden gestopt, de illegale ontbossing neemt een keer. Elke wereldbewoner vindt vrienden en buren naast zich en hoeft nooit meer weg omdat het klokje thuis tikt zoals het nergens tikt. Het aantal wereldbewegingen neemt af en de olieconcerns besluiten dan ook dat het geen zin meer heeft om door te gaan met de fossiele brandstoffen. Lokale handel floreert, en de kringloopeconomie komt volledig op gang. De ziekenhuizen lopen leeg en de buurthuizen lopen vol. Er wordt gezongen en gezaaid. Niemand fietst nog met doppen in zijn oren en mensen groeten elkaar op straat. Het spitsuur is zo gezellig dat iedereen te laat op zijn werk is, en omdat iedereen meedoet, vindt niemand het erg. Rozen zullen weer geuren, bijen zullen zoemen. Alles wat zich terugtrok in zichzelf, opent zich. De hele schepping heelt. Een gelukkig 2024!

Nieuw jaar, nieuw boek

De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.

.

Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.

Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.

Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”

Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.

Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.

.

Het riet

Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit.
Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.

Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes.
Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd.
Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.

Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!

Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!

(Een bekend Perzisch spreekwoord.)

Luisteren? Klik hier.

Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.

Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029

Levensdraden en oude stenen

Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. En toch zijn de oude verhalen nog zichtbaar. Als je de tijd neemt.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de trein naar het Zuiden. De lucht is helder, de weiden wit, en de sloten zijn bevroren. Waar het land hoger wordt, in de buurt van de zandgronden en de bossen, daar zie ik het landschap letterlijk verdwijnen. Het is een dichte wolk, een mist die alles omhult. Ik zie het dichterbij komen en dan verdwijnen we zelf. Van het ene moment op het andere zien we niks meer. En terwijl ik verder reis, raken we de mist niet meer kwijt. Soms lijkt het wel of het met alles zo is. Dat alles in een mist verdwijnt. Het echte voelbare, tastbare.

Ik kom terug in Utrecht, na meer dan een jaar, de tussenpozen duren steeds langer. Ik hoor welke mensen er zijn verhuisd en doodgegaan. Grote bomen hebben plaatsgemaakt voor kleinere. Langzaam veegt de tijd zijn sporen in het bestaande. Kades liggen zonder de vertrouwde boten, want dat mag niet meer. De terrassen zijn van nog meer luxe voorzien. Ambachtelijke werkplaatsen zijn bijna niet meer te vinden. De stad wordt netter, er zijn verkeersborden bijgekomen en de rommeligheid van het bedrijvige verleden wordt stukje bij beetje uitgewist.
Maar toch blijft het bestaan. Het verleden van een stad, als een sluier over het bestaande. De verhalen in de mensen, in de oude stenen zijn er nog. Je kan de stad zien, als door de tijden heen, maar dat lukt je alleen als de stad je eigen is en als je de tijd neemt. Ik hou van Utrecht. De stad hoort bij me. Het zijn de verhalen die ik jarenlang vertelde en de vele kostbare momenten uit mijn stadse leven. Nooit in mijn leven heb ik zoveel mensen gekend als hier. Ik heb er mijn grote liefde ontmoet en verloren. Honderden rondes heb ik gevaren door de grachten, als gasten ontvangende schipper. Werven, muren, bomen en de glinstering in het water, alles heb ik uitgetekend met eindeloos veel zwarte lijntjes op papier. Maar ook de stad zelf heb ik gevonden en in mijn hart gesloten. Overal zijn hoeken en straten met een verhaal, persoonlijke verhalen, verhalen van vrienden, verhalen van de stad zelf. Als ik er rondloop borrelt het één voor één omhoog. Nu ik er niet meer woon, besef ik dat geen enkele stad me ooit zo vertrouwd zal zijn als deze. Het is als een relatie die je heel lang hebt gehad, voor je om één of andere reden toch uit elkaar gaat. Het is nooit verdwenen, het blijft deel uitmaken van wie je bent.

Het gevoel van het land, het sociale netwerk en hoe dit met elkaar verweven is. Draden die jou daarmee verbinden. Dat gaat door.

Maar de stad van toen komt nooit meer terug. Plekken en mensen veranderen en verdwijnen. Dat is niet erg, het is zoals het is. Maar het zijn niet alleen mensen die weggaan en sterven. Niet alleen dat vriendschappen verwateren en klanten die nooit meer zullen meevaren in mijn boot. Het is iets groters dan mijn persoonlijk leven. Iets wezenlijks dat verandert, overal. Met elke seconde die het leven sneller gaat, wordt het tegelijkertijd vluchtiger. En dat vind ik alarmerend. Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. Mijn grote liefde hoorde ook bij het oude. Hij was als een middeleeuwer en zou zich compleet verdwaald hebben gevoeld tussen al die snelle fietsers met telefoons in de hand. Ook hij leefde in die heilige traagheid. Hij kon niet anders. Wij waren als een afdrijvende oase van wat ooit algemeen was. Werkers met vuile handen, die tijd nemen voor een praatje tussendoor.

Hier in het Noorden is het nog te vinden. Bedrijvigheid zonder overdreven haast. Dorpelingen zijn al generaties lang met elkaar vertrouwd, en hebben hun tradities. Hier zijn de gelukkigste mensen van Nederland zeggen de statistieken, hoewel ze het minste geld hebben. Ze noemen het “De Friese Paradox”. De vraag is hoelang het blijft. Er wordt gewerkt aan meer wegen, meer huizen en treinverbindingen. Het leven wordt sneller. Wat leveren we ervoor in?
Het maakt op een gegeven moment niet meer uit waar je woont, je kan overal plezier hebben en een baan vinden, je hobby’s doen en er is altijd wel ergens een vertrouwde Hema of een sportschool. Maar de anonimiteit wordt groter. Juist nu, tussen al die parkeerplaatsen, bedrijventerreinen en grote ketens, hebben we mensen nodig die eigenheid uitstralen en die levensdraden weven. Die deel uitmaken van de oude verhalen en ze kunnen uitdragen.
Wat wegzakt duikelen we op. We trekken aan de draden die losraken in het weefwerk van het leven en zetten ze vast met een persoonlijke steek. We weven er nieuwe tussendoor, glinsterend als water. Overal zijn scheppers en mensen die onderhoud plegen, op talloze manieren. Eens zal blijken wat er over is en blijft, van dat wat echt en wezenlijk is. De oude bodem van het bestaan. De bodem, die alles draagt, doorweven van wortels, de enige duurzame toekomst.

.

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Zo’n dompeling doet wat

Hoe je onafhankelijk en fris elke dag opnieuw kan beginnen.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Mensen hebben elkaar altijd al opgehitst. Het is niet iets specifieks van deze tijd. Maar soms twijfel ik eraan of we met elkaar wel wijzer worden. Of moet alle ellende eerst worden uitgeëtterd voor we er klaar voor zijn? Meningen knallen alle kanten op, en sommigen worden erg fanatiek. Of het nou gaat over Palestijnen, Israëli’s, of dichter bij huis, over asielzoekers, buren, of wolven. Het legt een vertroebelende sluier over alles heen. Gisteren ging ik naar huis, na zo’n emotioneel onheilsverhaal te hebben aangehoord. Het was niet dat ik er aan bleef denken, en toch bleef het onbehaaglijk kleven, als een drabbig laagje in een waterfles. Wat moet je daar nou mee?

Ik ontdek het telkens weer. Het is dezelfde plek en steeds weer anders. Je zou het heilig kunnen noemen. Het kleine veldje over tussen de oude wilgenbomen, de nieuwe steiger op. De steiger waar vele handen aan meewerkten. Deze plek aan de Swette wordt gekoesterd door velen, en goddank, het is nog steeds openbaar. Er zijn er meer, die doen als ik. Ik zie ze komen en gaan. Op de fiets, of lopend. Ze komen voor de dompeling. Even maar, dat is genoeg. Ook zij weten hoe heilzaam het is. Een ochtendbad lost alles op, ik merk het meteen. Of ik er nou helemaal in ga, of dat ik alleen mijn gezicht was. Ik zie de eenden, luister naar de mezen, golf mee met de rimpelingen in het water. Ik kijk achter me, naar de bult, waar ik zoveel struiken heb geplant. Waar ik altijd riet aan het sjouwen ben om humus te maken voor de bodem. De bult, vol muizengaten. En ik vraag me af of de velduil er nog zit, die zo hard kan schreeuwen. Ik gooi een plens van het frisse nat in mijn gezicht. Een vis springt op uit het water, in de verte hoor ik de torenvalk. Al die dingen komen samen als ik daar ben. Daar, bij het heerlijke koele water. Ik was alle sluiers van me af. Zo blijf ik authentiek en onafhankelijk. Alleen zo kan ik met liefde en energie voor deze plek blijven zorgen. En voor de Aarde. Zulke plekken zijn van levensbelang. Overal. Ze maken dat we ons steeds opnieuw kunnen inzetten voor wat er nodig is. Dat mag nooit worden onderschat. Nooit.

.

Maanfeest op eigen bodem

Sjamanen gebruiken voor hun rituelen soms hout dat traditioneel heilig is. Het zijn meestal oude tradities van indianen, die letterlijk worden overgenomen. Ook bij ons. Het hout komt van bomen die steeds meer in hun voortbestaan worden bedreigd. Maar wensen meenemen het universum in, dat kunnen onze heilige bomen toch ook? Als het van jouw liefste boom komt, dan is de wens veel sterker.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit aan tafel bij Gina. Gina is kunstenares, met net zoveel hart voor de aarde als ik. Beiden kennen we de Oerfloed, een hectare grond aan de rand van Leeuwarden. Tussen de weiden valt het ruige bosje extra op. Het vormt een schuilplaats voor vele dieren, en de vrijwilligers die er werken, komen er graag.

“Ik heb me afgemeld van de vrijwillgersapp,” zeg ik. “Die stroom aan berichten, ik vond het veel te veel. Maar nou hoor ik helemaal niks meer!” Gina kijkt verrast op. “Oh, wil je dat graag? Laatst hadden we een maanfeest. Had je daarbij willen zijn? Dan geef ik het je de volgende keer door!” Ik beaam dat ik dat graag zou willen. “Het was zo bijzonder,” vertelt ze “Er was een vrouw die een heilig ritueel met ons heeft gedaan.” Dat boeit me. Er is een groeiende behoefte aan rituelen. Er komen veel mensen op af. Het doet iets. Wat? Aandachtig volg ik wat ze vertelt. “Ze had palissanderhout meegenomen.” Ik knik opgewekt. Palissanderhout, dat ken ik goed. Mijn man, die niet meer leeft, heeft mij ooit een mes gegeven, met een heft van palissander. Zo bijzonder vind ik dat bruinrode hout met de donkere strepen, het moet wel een toverboom zijn geweest, waar zulk hout vandaan komt. “Heb je die kleur gezien??” vraag ik gepassioneerd “Nee,” zegt ze. “Het was donker en ik zat er ver vandaan. We kregen allemaal een stukje, en dat moesten we in het vuur gooien.” Verbouwereerd kijk ik haar aan. “In het vuur? Wat zonde!!” Ze haalt haar schouders op. “Ja zie je, het is nou eenmaal heilig hout. Het hoorde erbij. Het vuur neemt de wens mee het universum in. Het heilige palissander kan dat.” Haar ogen stralen. De warme herinnering komt boven, aan dat mooie ritueel, dat hen die avond samenbond. De wensen voor de toekomst die fonkelden als sterren. “Maar kan dat alleen met palissander? Hebben we hier geen heilige bomen meer?” vraag ik verbaasd.

“Ja,” zegt ze nadenkend. “Het komt wel helemaal van een ander continent. Dat is een lange weg. En zulke bomen zijn er steeds minder. En wensen meenemen, het universum in, dat kunnen onze heilige bomen ook.”

“Het is zo dringend nodig, dat we de band met onze eigen bodem herstellen. We moeten ons land weer heilig zien te maken. Hoe kun je dit ritueel ook anders doen?” Stil kijk ik naar de kat, die net binnengekomen is door het luikje, en die rollebolt over een tafel die geheel bedekt is met bruine schapenwol. Het is voor haar kunstwerk, een boom, gebouwd op een oude kinderwagen, omgetoverd tot een sprookje vol verrassingen. De bruine wol heeft allerlei tinten en is prachtig om aarde weer te geven. Aarde, die bijzondere wereld, die het bodemleven omhult. Aarde, bodemleven. Ja, Gina weet precies wat ik bedoel, als ik het heb over heilig land. Het is of ik bij haar nog sneller op ideeën kom. “Je kan iedereen vooraf een berichtje sturen,” begin ik. “En dan vragen of ze iets mee willen nemen van hun lievelingsplek.” De kunstenares tegenover me fonkelt van enthousiasme. “O ja, en dat hoeft helemaal niet veel te zijn. Het kan gewoon een eikeltje zijn of zoiets. Als het voor jou maar veel betekent!” Ik aarzel even. “Dat doet niets af aan het bijzondere van het ritueel, zoals het was, met dat mooie hout van ver. Dat die vrouw dat ritueel zo mooi kon leiden, dat is belangrijk.” Gina knikt ernstig. “Ja, het was heel magisch en mooi. En het bracht ons tot dit idee. Het was prachtig, maar hier wordt ik nóg blijer van!” Ze lacht opnieuw.

Soms moet je samenzijn om tot iets nieuws te komen. Samenzijn, voor een volgende stap, die we tegelijkertijd nemen. Je bent nooit alleen. Er zijn altijd anderen, die met hetzelfde bezig zijn. Soms ontmoet je elkaar. De volgende keer ben ik erbij, als er een maanfeest is. Zeker weten.

Meer over palissanderhout:

Braziliaans Palissander: Dalbergia Nigra. Volgens de IUCN is de populatie kwetsbaar. Braziliaans palissanderhout wordt bedreigd door illegale houtkap en verlies van leefgebied. Vandaag is er slechts 7% van zijn oorspronkelijke dekking over en de Braziliaans palissanderhout komt nu alleen nog hier en daar, in kleine populaties voor. Het groeit sowieso alleen aan de kust, het oosten van Brazilië. Hij vormt daar de hoogste boom van een van de uitgebreidste ecosystemen ter wereld. Er groeien wel 8000 plantensoorten omheen. Ondanks de hoge mate van ontbossing, wordt het Atlantische Woud nog steeds beschouwd als een van de meest voorkomende de top vijf van hotspots op het gebied van biodiversiteit ter wereld. Bomen zijn erg belangrijk in een ecosysteem. De palissander is namelijk bestand tegen een breed scala aan klimatologische omstandigheden. En stikstofbindende bacteriën en schimmels in de wortels zorgen ervoor dat de soort kan overleven in bodems met weinig voedingsstoffen. Daarmee maakt de boom ook voor andere plantensoorten leven mogelijk. Zonder deze reuzen verandert het landschap steeds sneller in een woestijn.

Een boom die zo bedreigd wordt in zijn voortbestaan, is vooral heilig op de plek waar hij groeit. Laten we onze heilige bomen zelf weer planten en ze koesteren, voor de generaties na ons.

.

Ook goed nieuws:

Een organisatie in Brazilië, bekend als Dalbergia Preservation, zet kleine plantages op voor herbebossing. Ze zijn ook bedoeld om de genetische diversiteit te beschermen. Uit de resterende bomen worden zaden geoogst, om hun voortbestaan in de toekomst te verzekeren. Hun doel op langere termijn is ook om hout van deze soort te kunnen blijven leveren. Het hout is namelijk erg populair om zijn vele toepassingen. Om dit doel te bereiken bieden ze zaden of zaailingen aan kleine gemeenschappen om op hun eigen land te groeien. De bomen zijn welkom in het agrarische landschap en voorziet gemeenschappen tegelijkertijd van wat extra inkomen. De soort heeft een beschermde status. Je mag het niet zomaar invoeren en als je het doet mag het geen commercieel belang dienen.

Ook een andere tak van de familie, de Dalbergia latifolia in India, is ernstig bedreigd, en moet worden beschermd. Ook voor deze soort heb je een vergunning nodig, als je het hout wilt invoeren.

Bron: https://www.bgci.org/wp/wp-content/uploads/2023/02/Brazilian-Rosewood-Global-Trees-PDF-version.pdf

https://www.researchgate.net/publication/331087377_In_vitro_Propagation_and_Mass_multiplication_of_Dalbergia_latifolia_Roxb_An_Vulnerable_Tree_Species_from_Eastern_Ghats_Tamil_Nadu_India

https://www.rvo.nl/onderwerpen/cites/cites-soort/dalbergia

.

.

Liefdevol handwerk maakt het af

Hoe fijn machines ook zijn, we kunnen niet zonder handwerk en oprechte aandacht voor het leven, waar we verantwoordelijk voor zijn. Er zijn veel meer mensen nodig. Mensen, voor liefdevol handwerk.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Het klimaat verandert. Als we niks doen, wordt de plek waar ik woon moerasland. Dat is niet de bedoeling. Dus komen ze de dijk ophogen. Dat moet van het Wetterskip. Op sommige plekken moet er wel 40 cm bij. Menige passant had er nog niet eens bij stil gestaan. Maar het is wel zo. De weg die naar de boerderij loopt, is een dijk. Door al die auto’s die hier rijden zakt alles in. Na al die jaren zijn dat enkele decimeters. Ook achter de boerderij moet er grond bij, anders zal het hele gebied erachter onder water komen te staan, in de toekomst. Er valt steeds vaker heel veel regen in één keer. Onze stijgers staan steeds vaker onder water. De sloten zijn nu al zo vol, dat het op sommige plekken gelijk staat aan het land. De grond is zompig.

Er moet gewerkt worden. Voor het werk zijn grote machines nodig. Een vrachtwagen, een rupsbandkraan. Het is eigenlijk helemaal geen tijd voor machines. Veel te nat. Maar er was tegenwerking op de route. Maar nu, na drie weken kon het doorgaan. Net nu de regen de grond in een zompige vlakte heeft veranderd. Lekker handig, maar niet heus.
Ze zijn ze druk bezig. Het eerst bij de boerderij. Dat is vlak voor de deur van mijn vriend, dus ik kan alles volgen. Grond wordt aangevoerd met een vrachtwagen. Er is al gauw geen grassprietje meer te bekennen. In de pauze sta ik naast ze. Ik vertel dat ik vroeger schipper was. Schepen doen goed werk. Waar vaarwegen zijn, hoef je de grond niet te verpesten. “Bewaar de oevers voor later, vervoer over ’t water,” zeg ik. “Die wijsheid heb ik niet van mezelf” voeg ik toe. De oudste van de twee mannen lacht herkennend. Een mooie spreuk, vindt hij.

.

Vele diepe bandensporen worden vlak gemaakt. Hoe meer hij zijn best doet, hoe erger het wordt. Als het wortelkleed eenmaal kapot is, raken de grondlagen door elkaar. Als je dan blijft smeren krijg je één blubbervlakte, waar het gras slechter herstelt dan waar de lagen terug op hun plek worden gelegd . . . . . . . . .

Voor het volgende stuk kan er wél een schip bij komen. Een kraan op het dek schept het natte puin in de vrachtwagen, die het op zijn beurt over de dijk kiept. Dan komt het rupsbandenkraantje, die alles glad strijkt. Net speelgoed. Ik zou zo mee gaan doen. Logisch dat jongens nauwelijks meer van hun machine zijn weg te slaan.
Vlak voor de deur van mijn vriend ligt nu een verlaten moddervlakte waar je al gauw tot je knieën in zakt. Er liggen verdronken wormen bovenop. Een oude blinde grootvaderrat struint er soms rond, snuffelend, snuivend, om zich dan behaaglijk te goed te doen aan zijn glibberige vangst. Hij houdt hem met twee pootjes vast, net als een eekhoorn. Maar dat zien de mannen in de machines niet. Die zijn alweer verder, bezig met het volgende stuk. Ik blijf achter en kijk rond. Ik trek kronkelende geulen in de drab, zodat het water weg kan lopen. Er ontstaat een heel rivierenlandschap. Ik schep blauwe bagger van het grasveld af en gooi het op een hoop.

.

Menige man zal je niet zo op de hurken zien werken. Maar Je ziet echt meer! . . . . . . .

.

De week erna is een andere klus aan de beurt. Ze komen ze de sloten opschonen, maaien, en waterplanten wegzuigen. Weer twee trekkers eroverheen. Inmiddels wordt het landschap door steeds meer moddersporen doorkruist. Ja, eigenlijk is het te laat, geeft de boer toe. Het had eerder moeten gebeuren. Maar hij vertelt wel met enige trots dat dit ecologisch beheer is. De machines zijn erop ingesteld dat ze bijna geen beestjes in de sloot kapot maken. Ook maaien ze niet alles in één keer, maar doen het in fases. Het ene jaar dit stuk, het volgende jaar dat. Dat klinkt goed.

Maar je kunt niet alles met machines doen. Nazorg is nodig, en dat is handwerk. Je weet pas echt wat je doet wanneer je er met je neus bovenop zit. Dus dat doe ik. Ik ga de sloten langs en kijk welke planten ik terug kan plaatsen. Ik gooi verdwaalde posthoornslakken en poelslakken weer terug in het water. Sommige jongens schamen zich ervoor, om op hun hurken plantjes te bekijken. Om grasplaggen terug te leggen met de hand. Op je hurken zitten is kinderachtig. Dan lijkt het net een spelletje, in plaats van werk. Maar vergis je niet, op je hurken ben je het dichtst bij de grond! Je kunt voelen, ruiken, en onderzoeken. Dat kan niet, vanuit de machine. Je mist veel.

Ik schep de blubber terug, die in dikke rillen over het veld ligt. Ik kiep de omgekeerde graszoden weer op hun plek, over de blubber heen. De wortels naar beneden, de sprietjes omhoog. Ik haal kruiwagens vol maaisel langs de sloten weg en gooi het op de kapotgereden dam. Nu kunnen we weer met schone schoenen naar de overkant. Tijdens het verzamelen van maaisel kijk ik goed wat ik in handen heb. Bijzondere oeverplanten en kleine bodembedekkers stop ik terug in de grond, langs de sloot. Ik ben de verpleegster. Verpleegster voor de aarde. Ik ga rechtop staan en kijk met genoegen naar het resultaat. En dan denk ik terug aan het gedicht dat ik schreef. Dat ene couplet.

Ergens is het misgegaan
waar slimme mannen machines wrochtten
en zich ver verheven vochten
Boven de aarde gingen staan.

Hoe fijn machines ook zijn, we kunnen niet zonder handwerk en oprechte aandacht voor het leven, waar we verantwoordelijk voor zijn. Er zijn veel meer mensen nodig. Mensen, voor liefdevol handwerk.

Ik loop over de nieuwe dijk. De mannen zijn klaar en komen niet meer terug. Er ligt donker zand langs de weg, schuin aflopend naar de wei ernaast. Ze hebben er gras en bloemenzaad op gestrooid. Met de hand. En ze hebben een trapje gemaakt, met de spade. Een trapje naar de steiger. Het is toch niet alleen maar lomp werk. Ze kunnen het best, die mannen. Nu nog al die mensen die zitten te tiktokken. Als die ook mee gaan doen, dan maken we er met elkaar wat moois van.

Ze vroeg het me

“Zou je me nog één keer kunnen vertellen wat het nou precies voor je betekent?” Ik moest haar vraag laten bezinken. Er kwam een gedicht uit voort.

.

.

Klik hier beneden voor de luisterversie.

En dan is er het moment dat ik moet vertellen waar het mij om gaat. Ze vroeg het me, een Friese vrouw. Ik was door haar gevraagd voor Nacht van de Nacht, om een verhaal te laten horen. Het werd verteltheater zonder vaste tekst, en ik noemde het “Landen”. Het gaat over mij, maar vooral gaat het over de Ander. Een inheemse man in de Amazone. Ik wilde mijn verhaal verbinden met dat van hem. Het op weg gaan, het niet-weten waar mijn nieuwe thuis is, het gevoel van eenzaamheid dat mij soms overviel, wilde ik vergelijken met het veel grotere ontheemd zijn, wat hem en zijn stamgenoten constant bedreigt. Daarom noemde ik het “Landen.” Door te landen verbinden we ons met de ander en met de aarde. Maken we ons thuis en maken we vrede. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik weet niet of het gelukt is. Ik heb het ze niet gevraagd.

Na afloop vroeg de organisator me (diezelfde vrouw): “Zou je me nog één keer een korte tekst op kunnen sturen over wat “Landen!” nou precies voor je betekent?” Ik moest het laten bezinken.

Ik deed het. Er kwam dit gedicht uit voort.

Landen!

Ergens is het misgegaan
waar mannen machines wrochtten
zich almaar verder verheven vochten
en boven de aarde gingen staan

Ergens keert de hoop weerom
waar handen eendrachtig humus maken
en via de Aarde elkander raken
zaaien, planten, met zachte trom

Ergens is het misgegaan
waar mensen zichzelf bekroonden
en de Ander met pek beloonden
die hen met liefde voor wilde gaan

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

PS

Voor wie niet weet wat pek is: Een zwarte, brandbare vloeistof die overblijft na destillatie van houtteer. Later werd het ook van steenkool gemaakt. Als het koud is wordt het vreselijk stroperig, als het heet is kan je het gieten. Het werd gebruikt om daken en schepen waterdicht te maken. Dat laatste noemt men: “breeuwen”. Ook werd, in een ver verleden, bij oorlog brandende pek over de stadsmuur gegooid, om de vijand, die met ladders omhoog wilde klimmen, te begieten. Hoe dat is, om dat te voelen, daar ga ik nu maar niet over in detail.

.

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

.