Met vrouwen

Een week weg met vrouwen.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.

.

De wind trekt aan onze mutsen en mouwen. Het is nog donker, als we de dijk oplopen bij Zwarte Haan. Met mijn regenbroek en laarzen aan ploeg ik tegen de wind in. Twee vrouwen lopen naast me. Een zak met plastic zooi sleept achter ons aan. “De vuurtoren die we nu zien is van Ameland,” zegt de één. “Zie jij er nog meer?” vraagt de ander, maar we zien niets dan bewolkte duisternis over het weidse water van de Waddenzee. Groepen vogels vliegen op boven de buitendijkse kwelders. Een haas, die beschutting had gevonden in een grote berg gemaaid riet, rent weg. Ik sta stil tot ik hem niet meer zie. We kijken hem na. De wind is fris en wild, en steeds speuren mijn ogen langs de horizon waar langzaam het daglicht gloort. De lucht wordt helderder. De vuurtorens als bakens in nacht, ze moeten ergens zijn. “Kijk daar, recht voor ons uit!” roep ik. De anderen zien het ook.

Voor het eerst ben ik weer eens terug in Zwarte Haan. Het is een kort bezoek, zoals iedereen wel eens zo’n toeristische locatie bezoekt. Deze week logeer ik vlak bij, vlakbij de plek waar ik in 2019 langs trok en het verhaal van de plek en zijn bewoners zo uitgebreid beschreef in mijn boek, Langs kantelende wegen. Ook toen stormde het en het was de enige plek waar ik beschutting vond. Er is nu niemand. Niet op straat en niet bij de huizen. Ook de dijk is verlaten. Ik weet niet hoe het met ze is, de bewoners nu, bijna vijf jaar later.
We lopen terug terwijl de wind langzaam afneemt. Hij duwt ons voort, stevig in de rug, terwijl boven ons hoofd de meeuwen sierlijk zweven in de luchtstroom boven de dijk. Stralend blauw verschijnt aan de schoon geveegde hemel. De auto staat op de uitgestorven parkeerplaats. Hoewel ik er nooit meer in zit ben ik meteen alweer gewend aan de cocon die ons moeiteloos vervoert. De blauwe hemel boven me neemt plaats voor een metalen dak. De wagen brengt ons waarheen we willen. Maar we gaan niet ver. We rijden terug naar de boerderij, waar ik deze week met twaalf andere vrouwen doorbreng. Een week vol lekkernijen, warme baden, en lange wandelingen. Stromend water en gesprekken die kabbelend voortduren. Vrouwenstemmen in de keuken klinken ons tegemoet en binnen ruikt het naar pas gebakken brood. In de rode kamer wachten klankschalen, om vanavond onze nachtrust in te luiden. Maar zover is het nog niet. De wind rukt voor een laatste keer aan mijn muts, voor ik naar binnen duik, de warmte in.

.

.

Het hart van de wijze

Aarde voedt het wijze hart
Het wijze hart de wereld

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Het hart van de wijze voedt de wereld”

Dit zegt de Taoistische filosoof Zhuang Zi, drie eeuwen voor Christus. Het was een andere tijd, die anders werd gemeten en anders werd gedacht. Een tijd die misschien dichter bij mij staat dan bij de stedeling in de Randstad. Hier, aan het einde van de onverharde weg, gaat het leven zijn gang. Het is een tijdloze plek, vooral in de herfst en de winter. De bomen verdiepen hun wortels, de vogels kunnen zeven maanden ongestoord hun gang gaan, tot de campinggasten weer arriveren en vijf maanden lang het reilen en zeilen domineren. De bomen groeien gretig door. Mijn aandacht gaat uit naar hen. De bomen zijn mijn familie. Kruiwagens vol zwarte aarde breng ik naar de bodem, die hen draagt en voedt. En elke keer als het lente wordt, voel ik me weer een kind van twaalf. De groene knoppen die als een sluier over de jonge bomen ligt, die ik één voor één heb geplant. Ik zorg voor hen, zij zorgen voor mij. Door hen vind ik altijd nieuwe energie voor daadkracht, vind ik inspiratie om mijn voorstellingsvermogen te voeden en ten toon te spreiden aan wie het ook wil zien. En omdat ze mij zoveel geven ben ik het nooit moe, voor hen te zorgen. Mijn familie, de bomen. De bomen voeden mijn hart, en mijn hart voedt de wereld.

Morgen komt er een berg teelaarde, en compost. Het is wel tien kuub, in totaal. Echte biologische natuurcompost. Voedsel is het, voor de bodem. Om wortels te laten groeien en het leven in de bodem te laten krioelen. De levende aarde groeit, en breidt zich uit. Ik hoef alleen maar een begin te maken, een begin, op deze harde bodem van klei. En dan, als de maand februari hoopvol haar eerste tekenen geeft van vernieuwing, begint er zachtjes iets te stralen. Ik sta klaar. Ik zorg dat gebeurt wat gebeuren moet, op de juiste plek. Dit is de mij toegewezen plek, die ik kan beschermen en uitbreiden tot een heilig en inspirerend voedselbos. Een afgelegen plek voor de vogels om te broeden. De watersalamanders kunnen zich nestelen tussen de wortels, zonder dat iemand hun veilige bed omver schept. Het Verhalenpad kan groeien, en ik pluk ze, de verhalen. Hoe vaker ik alleen ben, hoe beter ik het zie. Stilte doet broeien. Broeien om te laten groeien. Er is voedsel voor alles en iedereen. Er is alleen geduld voor nodig en bescheidenheid. Hoe minder ik neem, hoe meer het wordt. Ik voed de aarde en de aarde voedt mij. Ik pluk de vruchten, alleen wat ik nodig heb en zie de rijkdom. De rijkdom die mij jong maakt. Alles groeit. Wacht af, en de beloning wordt almaar groter.

.

.

Een boer en zijn koe in 1953

Op een onverwachte manier leerde ik een boer kennen. Een boer die ik niet bij naam ken, van wie alleen het verhaal is overgebleven. Een boek dat al heel lang in een stoffige boekenkast stond. Het gaat over de watersnoodramp in 1953, als een roman geschreven door een bewogen journalist. Tussen vele aangrijpende momenten is er één ding dat het meeste raakt. Hoe de boer zijn gezin verliest, alleen achterblijft, samen met één koe. Een half ingestorte boerderij in de golvende zee. In deze tijd waarin koeien steeds naamlozer worden, is dit het verhaal dat ontroert, dat je doet beseffen hoezeer de boer met zijn vee verbonden is. Nee het gaat niet alleen om de handel. Het is het boerenhart van binnen uit, dat nog altijd leeft. Ik lees het boek: “Storm over Nederland” van Go Verburg

.

Janky’s verjaarscadeau 1953

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is de tweede kerstdag, 2023. Ik heb mijn familie achtergelaten in de woonkamer van mijn ouderlijk huis. Mijn pa van 93, mijn broers en zussen en alle aanhang. Het is een terugkerende behoefte, om op zo’n dag even alleen door het huis te dwalen en mijn oog te laten gaan over alles wat er nog steeds is. Dit keer blijf ik staan bij het teakhouten bureau van mijn vader. Het bureau dat ik mijn leven lang al ken, en waar mijn vader altijd aan gewerkt heeft. Boven het bureau is een boekenkast. Vier rijen stoffige boekenruggen met titels waar ik al vaker naar heb staan kijken. Zelden pak ik er een boek uit. Het is pas de laatste tijd, nu oude dingen langzaam verdwijnen, terwijl mijn vader kleiner wordt en zijn jaren dunner, dat ik af en toe een boek pak. Misschien is het om iets van het verleden voor me te zien, iets wat meer zegt dan een foto. Een verloren herinnering wellicht. Vandaag vond ik die. Nooit had ik het boek echt bekeken. Misschien was het de grauwe rug, die wegviel tussen de anderen.

“Storm over Nederland” heet het. Voorin zie ik de naam van mijn moeder staan, met keurige, aan elkaar geschreven letters. “Janky van Diermen, 22 mei 1953”. Het moet een verjaarscadeau zijn geweest, toe ze 23 werd. Haar eigen naam is het, een meisje was ze nog. Ik mag het meenemen van mijn vader, en eenmaal thuis laat het boek me niet meer los. Hoe heeft die schrijver zo snel dat boek kunnen schrijven! Een paar maanden na de Watersnoodramp was het er al! Tijdens het lezen begrijp ik hem. Tussen de vele verhalen en personages is er een journalist. Dat moet hijzelf zijn, de schrijver van het boek. Hij staat tussen de zandzakken, hij vaart in een boot, mee met de redders. Hij probeert tijdens het varen een verhaal te maken voor de krant, maar gooit zijn notities als een prop in het golvende water. Nee, hij wil dit niet. Geen artikel doet recht aan wat er nu gebeurt. Het zou teveel op sensatie lijken. Het enige wat dit nationale drama recht doet, is een boek. Dat is de onuitgesproken gedachte, die de oplettende lezer begrijpen zal.

Vele mensen en namen gaan voorbij. Verhaallijnen beginnen afzonderlijk en terwijl de ramp zich voltrekt, raken ze met elkaar verbonden. Er is één man, één verhaal dat mij het meeste raakt. Het gaat over een boer, met zijn gezin. Hij en zijn vrouw zitten samen op de bovenverdieping, terwijl het water rondom de boerderij kolkt. “Laat de kinderen maar slapen,” zegt hij. Ze denken dat hun huis het wel houdt, een sterke boerderij is het. Meer zorgen heeft hij over de buren, het is maar een klein, zwak arbeidershuisje. Het hele gezin zit op het dak, zien ze. De boer ziet het ook. “Ik moet erheen, om ze te helpen! Kan ik ze hierheen halen?” Zijn vrouw wil hem tegenhouden. “Ik kan ze toch niet laten verdrinken? Het moet kunnen”, besluit hij. Boven het erf dobbert een ijzeren bak, die kan hij als boot gebruiken. Hij daalt neer uit het raam, verdwijnt peddelend met zijn onhandige vaartuig in richting van zijn buren. Maar de stroming is sterker dan hij dacht en de bak is te lomp. Het lukt hem niet. Hij drijft af.

Thuis gaat het helemaal mis. Een zwakke muur begeeft het. Een deel van het dak stort in. De kinderen raken bedolven onder het puin. Als er uiteindelijk redders komen, vinden ze alleen de boerin. Ze is er slecht aan toe.

De boer drijft nog steeds rond, in zijn bak. Hij komt één van zijn koeien tegen, briesend, haar kop net boven water in uiterste nood. Hij legt haar kop over de rand van de bak. De koe probeert erop te klimmen, maar hij duwt haar af. Toch weet hij haar boven water te houden, op een manier die tegelijkertijd zijn lompe vaartuig meer stabiliteit geeft. Een bizar anker, is het. Stukje voor stukje komt hij terug bij de boerderij, met zijn halfverdronken koe. Hij weet het dier bovenop een grassilo te krijgen. Zelf klimt hij terug naar de bovenverdieping van zijn boerderij, waar hij een ravage aantreft. Er is niemand meer. Zijn hart wordt zwaar. Hij staart uit het raam als een zombie. Laat hij ook maar dood gaan. Wat heeft het leven nog voor zin…

Het is de koe, die zorgt dat er iets in hem blijft leven. De koe, die staat maar te loeien, daar op die grassilo waar hij haar heeft neergezet. “Hij heeft dorst” weet de boer. Zelf heeft hij ook dorst. Opnieuw stapt hij in de ijzeren bak, weet bij de stal te komen, waar water is. Hij vind een drijvende emmer, vult die. De koe drinkt water en blijft stil staan wachten op redding, daar tussen de golven. De boer gaat terug en kijkt uit het raam, zonder iets te zien. Diep is het in zijn ziel gekerfd. De laatste momenten samen. Steeds weer ziet hij ze voor zich. Zijn kinderen, toen hij ze naar bed bracht. Zijn vrouw, die hij achter liet bij het open raam.

Maar wat hij nooit had verwacht, er komt een reddingsboot. Zijn ogen beginnen weer te leven, iets van hoop flakkert in het hart. De mannen aan het roer zijn kundig en ervaren. De motor is krachtig. Het stalen scheepje neemt hem mee en ook de koe. De koe is drachtig. “Straks heb ik toch weer twéé koeien,” denkt de boer stilletjes. “Wanneer is ze uitgerekend?” vraagt de schipper hem, alsof hij zijn gedachten kan lezen. Het is deze schipper, die zijn boerenhart begrijpt en met de weinige woorden die ze delen, is hij een grote steun. “In maart,” antwoordt de boer.
Eenmaal aan wal gekomen, wordt de koe tijdelijk ondergebracht bij één van de vele boeren die de dieren opvangen die niet verdronken zijn. Het zijn er nog best veel, paarden en runderen, die het hebben gered. Maar het zijn er nog veel meer, die een ellendige dood zijn gestorven. Wagens staan klaar om de overlevenden te vervoeren. “En zorg ervoor dat dit goed wordt geregistreerd! Dit is zíjn koe! Zijn enige overgebleven koe!“ zegt de schipper met klem. Alles wordt heel precies genoteerd.

Zijn vrouw leeft nog. Toch! Hij is niet alleen! Ze ligt in het ziekenhuis. Snel knapt ze op en samen gaan ze terug. Vijf paarden blijken nog te leven. Ze hebben hun hoofden boven water kunnen houden en staan gewoon in de stal. Ze dragen de namen van hun kinderen. Het is vreemd om de paarden bij hun naam te noemen en het is stil in huis. De enig overgebleven koe wordt teruggebracht naar de stal. Er ligt hooi klaar. De koe kijkt even om zich heen, onwennig naar de lege stal. Dan ziet ze het hooi en begint tevreden te eten. De boer staat ernaast, samen met zijn vrouw. Hij pakt haar hand en de tranen staan hen in de ogen.

De koe blijft niet alleen. Er komen meer koeien. Boeren van de wal geven vee weg aan getroffen collega’s. Langzaam maar zeker wordt de stal weer een echte stal. De warmte van het leven keert terug, en de steun en het medeleven is ongelooflijk. Het komt uit het hele land.

Het is een verhaal dat blijft ontroeren. Juist in deze tijd is het een verhaal dat opnieuw inhoud geeft, een herinnering die de waarde van wat ooit was, weer omhoog kan halen. Die ene boer, met zijn ene koe, die alle harten roert. We zijn ver afgedwaald. Boeren zijn ondernemers geworden. Ze zijn ertoe gedwongen, door de schaalvergroting, die vanaf de jaren vijftig in gang werd gezet. “Nooit meer honger” was het motto, na de oorlog, na die hongerwinter. De bevolking groeide. De boerderijen groeiden en de koeien kregen geen namen meer, maar een nummer. Het hart raakte zoek, maar is niet verdwenen. Nog altijd leeft het boerenhart, nog altijd. Geef het ruimte en tijd. Laat het weer mogen zijn. Dat het redden van één koe het allerbelangrijkste kan zijn, waar een mens op dat moment voor leeft. In het kleine zit het grootse verborgen. Een boer, zijn koe, een leven.

.

Boerderij Op de Him laat zien hoe het ook kan. Auke en Rennie zijn verre buren van me, uit een volgend dorp. In mijn boek “Langs kantelende wegen” komt boer Auke niet alleen uit de verf als een goeie boer, maar ook als een goeie verteller. Hier kun je lezen hoe het verder is gegaan met hem en de boerderij.

https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2018/07/26/blaarkop-is-onze-redding-geweest

We zullen de koeien missen

De boer besluit om de laatste drie koeien weg te doen. Ik bedenk me waarom we ze zullen missen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn rustige tijden. In de winter komen hier niet veel mensen. De twee kilometers naar de weg zijn lang. Ze zijn des te langer omdat de weg telkens weer vol kuilen zit. Het is een belemmering voor auto’s, om hier te komen. Anderen varen er wel bij. Smienten, kieviten, kramsvogels en valken vinden hier een rustige plek. Op oudejaarsdag klinken de knallen van het vuurwerk ver weg. De cirkel van geluid is rondom ons. En hier is het stille midden.

Hoe stiller het is, hoe belangrijker dat ene moment. Die zondagmiddag, aan het einde van de maand, dan komen de vaste bewoners bij elkaar. Het is op die middag dat de boer aan komt lopen. In zijn handen heeft hij een kerststol van Bakker Bolhuis, die hij met een bonk op tafel zet. “De koeien gaan weg,” zegt hij. Iedereen kijkt op. “Waarom?” vraagt de vrouw met het lange grijze haar. Het antwoord komt meteen. “Het is te veel werk en ik ben nooit vrij.”
Op de boerderij zijn nog steeds twee koeien en een enorme os. In zomer staan ze in de wei. In de winter kan dat niet, dan is het land zo zompig dat de zware os nauwelijks zijn poten zou kunnen verzetten. Dus de hele winter staan ze in de stal. Het is maar een kleine ruimte, voor de koeien gaat het nog wel maar de os past er maar net in. Al hun stront komt in de grup, de mestgoot, die achter hun kont loopt. Dat wordt er wekelijks uitgeschept en naar de mesthoop gekruid, vrijwel altijd door de boer zelf. Een enkele keer is er een behulpzame vrouw die er haar schouders onder zet, om haar gedachten te verzetten. Het is een heel werk, dat mest scheppen. Maar het levert ook wat op. Er zijn twee mesthopen naast elkaar. De ene ligt er al een paar jaar, de andere is vers. De stevige drollen zijn gemengd met grof gras en riet. Terwijl het steeds verder verteert naar vruchtbare grond, wemelt het van roze mestwormen. Het is ook niet voor niets dat er altijd vogels te zien zijn. Merels, die woest naar wormen pikken. Maar ook roodborstjes en kwikstaartjes, die insecten vangen. Toch is dit niet het eerste waar ik nu aan denk. De koeien zijn mijn eerste zorg. “Waar gaan ze heen?” vraag ik.
“Dat komt wel goed!” zegt de boer. “Ze krijgen het een stuk beter. Ze gaan naar een opvangplek voor bejaarde koeien. Daar hebben ze veel meer de ruimte.”
“Maar die ene koe is toch nog jong?”
“Ja, er komen ook wel jonge koeien. Ze komen overal vandaan. Er is daar een koe, die zag ineens het licht, toen hij naar de slacht werd geleid. Die vloog er vandoor. Toen hebben ze haar maar naar dat koeienparadijs gebracht.”
“Fijn zeg. Dan hebben ze het daar vast goed.” Daarmee is het onderwerp afgesloten.
Het is pas in de avond als ik bedenk hoezeer we die mesthoop zullen missen. De mesthoop is een heel centrale plek voor al het leven, besef ik. En dat is bewezen ook. Het was Els, die een wedstrijd deed met haar vriendin, de hele zomer. Met de Obsidentify app kun je vrij nauwkeurig insecten determineren. Ze had er al vele vastgelegd en thuisgebracht. Ik hoor het haar zeggen. “Vooral bij de mesthoop, daar zijn er zoveel!!”
Kunnen we die mesthoop wel missen? De boerenzwaluwen maken er hun nesten van. Allerlei vogels zullen hun belangrijkste voedselbron kwijtraken. Sommige insecten zullen van het erf verdwijnen. Dat gaat me aan het hart. Maar ook voor onszelf is de mest waardevol. Het is een welkome aanvulling in de groentetuin. Ik gebruik het hier en daar, waar het nodig is. Vaak meng ik het met de verhitte, veel te stoffige bladcompost die ik heb laten bezorgen. Hete compost leeft niet meer. Ik gebruik de jarenoude grond van de mesthoop, om er weer leven in te brengen. Ja, we zullen het missen.
Ik denk aan het beeld van de drie koeien in de wei. Een vertrouwd gezicht, die trage koppen die langzaam naar je toe draaiden, wanneer je langs liep. Ik denk aan de koeienvlaaien in het gras. Als het wekenlang droog was, zag je vaak vogels bij die stront. De zeeklei werd dan immers keihard, er was nauwelijks nog een wurm uit te halen. Onder de koeienvlaaien was het nog wat vochtig. En bovendien zaten er vliegen op de drollen, die ze konden eten. Dieren in de wei zijn nodig. We zullen de koeien missen.
Dat vertel ik de boer, later, als hij alweer thuis is. Ze zijn belangrijk, de koeien. Belangrijk, vooral voor de biodiversiteit. Dat weet de boer.
“We kunnen altijd een hoop paardenmest halen bij de paardenfokkerij,” oppert hij. “Dan leggen we die daar neer. En de hoop die we nu hebben is ook nog lang niet weg…”
Dat is zo. Je kan het altijd van elders halen. En ook de weiden zijn niet leeg in de zomer. Er staan ook paarden, verderop. Evengoed is het jammer, dat ze weggaan. Toch is het te begrijpen. De boer is al vijfenzeventig. Als er niemand is die het werk overneemt, dan houdt het op. En dan is er straks geen mesthoop meer, van eigen vee.
“Als je een keer weg wilt doe ik het wel,” zeg ik. De boer bedankt me. Maar het brengt hem niet van zijn gedachte af.

Weer een mesthoop minder. Elke mesthoop is belangrijk. Vooral nu, in deze tijd, waarin de gangbare methode nog steeds op drijfmest is gebaseerd. Drijfmest, een half vloeibaar goedje, dat in de grond wordt geïnjecteerd. Zo moest dat, vanwege de uitstoot van ammoniak. Maar het helpt niets. De uitstoot blijft hetzelfde. Het kost wel veel, niet alleen geld voor de nodige machines. Het kost ook levens. De wormen willen niet verzuipen en komen boven. Een feestmaal voor de meeuwen. Tot het op is. Tot alle wormen weg zijn. Nee, het is niet goed voor de bodem, die drijfmest. Je moet het niet te vaak doen. Beter is helemaal niet. Beter is om de mesthopen weer terug te brengen. Hopen met stro en drollen. Vitale mensen hebben we nodig, mensen die willen scheppen. En dan, misschien komen er dan weer nieuwe koeien, op een dag. Ook hier. Niet veel, een paar maar. Net als nu. Een paar, dat is genoeg. Ik hoop het.

.

.

De zwarte os, Quintus, is op 3 februari 2024 heen gegaan. Hij is bijna zeventien jaar geworden. Een leeftijd die de meeste runderen niet bereiken. Hij heeft een goed leven gehad.

Een hoopvol jaar

Nieuwjaarstoespraak 2024

.

.

Het nieuwe jaar biedt ons nieuwe hoop. Licht gloort aan de horizon. Dit jaar zullen alle mensen tot inzicht komen dat geweld geweld oproept. Dat alles wat ze een ander aandoen, op een dag dubbel en dwars tegen hen zal keren. Na een blikseminslag uit de kosmos zullen wereldleiders zeven weken wakker liggen en om dan eendrachtig te verklaren dat vrede de enige oplossing is. Puin wordt geruimd, gekwetsten krijgen zorg. Inheemse volkeren krijgen eindelijk de waardering die ze verdienen. Het Amazonewoud wordt gered. De mijnaktiviteiten worden gestopt, de illegale ontbossing neemt een keer. Elke wereldbewoner vindt vrienden en buren naast zich en hoeft nooit meer weg omdat het klokje thuis tikt zoals het nergens tikt. Het aantal wereldbewegingen neemt af en de olieconcerns besluiten dan ook dat het geen zin meer heeft om door te gaan met de fossiele brandstoffen. Lokale handel floreert, en de kringloopeconomie komt volledig op gang. De ziekenhuizen lopen leeg en de buurthuizen lopen vol. Er wordt gezongen en gezaaid. Niemand fietst nog met doppen in zijn oren en mensen groeten elkaar op straat. Het spitsuur is zo gezellig dat iedereen te laat op zijn werk is, en omdat iedereen meedoet, vindt niemand het erg. Rozen zullen weer geuren, bijen zullen zoemen. Alles wat zich terugtrok in zichzelf, opent zich. De hele schepping heelt. Een gelukkig 2024!

Nieuw jaar, nieuw boek

De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.

.

Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.

Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.

Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”

Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.

Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.

.

Het riet

Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit.
Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.

Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes.
Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd.
Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.

Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!

Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!

(Een bekend Perzisch spreekwoord.)

Luisteren? Klik hier.

Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.

Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029

Levensdraden en oude stenen

Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. En toch zijn de oude verhalen nog zichtbaar. Als je de tijd neemt.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de trein naar het Zuiden. De lucht is helder, de weiden wit, en de sloten zijn bevroren. Waar het land hoger wordt, in de buurt van de zandgronden en de bossen, daar zie ik het landschap letterlijk verdwijnen. Het is een dichte wolk, een mist die alles omhult. Ik zie het dichterbij komen en dan verdwijnen we zelf. Van het ene moment op het andere zien we niks meer. En terwijl ik verder reis, raken we de mist niet meer kwijt. Soms lijkt het wel of het met alles zo is. Dat alles in een mist verdwijnt. Het echte voelbare, tastbare.

Ik kom terug in Utrecht, na meer dan een jaar, de tussenpozen duren steeds langer. Ik hoor welke mensen er zijn verhuisd en doodgegaan. Grote bomen hebben plaatsgemaakt voor kleinere. Langzaam veegt de tijd zijn sporen in het bestaande. Kades liggen zonder de vertrouwde boten, want dat mag niet meer. De terrassen zijn van nog meer luxe voorzien. Ambachtelijke werkplaatsen zijn bijna niet meer te vinden. De stad wordt netter, er zijn verkeersborden bijgekomen en de rommeligheid van het bedrijvige verleden wordt stukje bij beetje uitgewist.
Maar toch blijft het bestaan. Het verleden van een stad, als een sluier over het bestaande. De verhalen in de mensen, in de oude stenen zijn er nog. Je kan de stad zien, als door de tijden heen, maar dat lukt je alleen als de stad je eigen is en als je de tijd neemt. Ik hou van Utrecht. De stad hoort bij me. Het zijn de verhalen die ik jarenlang vertelde en de vele kostbare momenten uit mijn stadse leven. Nooit in mijn leven heb ik zoveel mensen gekend als hier. Ik heb er mijn grote liefde ontmoet en verloren. Honderden rondes heb ik gevaren door de grachten, als gasten ontvangende schipper. Werven, muren, bomen en de glinstering in het water, alles heb ik uitgetekend met eindeloos veel zwarte lijntjes op papier. Maar ook de stad zelf heb ik gevonden en in mijn hart gesloten. Overal zijn hoeken en straten met een verhaal, persoonlijke verhalen, verhalen van vrienden, verhalen van de stad zelf. Als ik er rondloop borrelt het één voor één omhoog. Nu ik er niet meer woon, besef ik dat geen enkele stad me ooit zo vertrouwd zal zijn als deze. Het is als een relatie die je heel lang hebt gehad, voor je om één of andere reden toch uit elkaar gaat. Het is nooit verdwenen, het blijft deel uitmaken van wie je bent.

Het gevoel van het land, het sociale netwerk en hoe dit met elkaar verweven is. Draden die jou daarmee verbinden. Dat gaat door.

Maar de stad van toen komt nooit meer terug. Plekken en mensen veranderen en verdwijnen. Dat is niet erg, het is zoals het is. Maar het zijn niet alleen mensen die weggaan en sterven. Niet alleen dat vriendschappen verwateren en klanten die nooit meer zullen meevaren in mijn boot. Het is iets groters dan mijn persoonlijk leven. Iets wezenlijks dat verandert, overal. Met elke seconde die het leven sneller gaat, wordt het tegelijkertijd vluchtiger. En dat vind ik alarmerend. Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. Mijn grote liefde hoorde ook bij het oude. Hij was als een middeleeuwer en zou zich compleet verdwaald hebben gevoeld tussen al die snelle fietsers met telefoons in de hand. Ook hij leefde in die heilige traagheid. Hij kon niet anders. Wij waren als een afdrijvende oase van wat ooit algemeen was. Werkers met vuile handen, die tijd nemen voor een praatje tussendoor.

Hier in het Noorden is het nog te vinden. Bedrijvigheid zonder overdreven haast. Dorpelingen zijn al generaties lang met elkaar vertrouwd, en hebben hun tradities. Hier zijn de gelukkigste mensen van Nederland zeggen de statistieken, hoewel ze het minste geld hebben. Ze noemen het “De Friese Paradox”. De vraag is hoelang het blijft. Er wordt gewerkt aan meer wegen, meer huizen en treinverbindingen. Het leven wordt sneller. Wat leveren we ervoor in?
Het maakt op een gegeven moment niet meer uit waar je woont, je kan overal plezier hebben en een baan vinden, je hobby’s doen en er is altijd wel ergens een vertrouwde Hema of een sportschool. Maar de anonimiteit wordt groter. Juist nu, tussen al die parkeerplaatsen, bedrijventerreinen en grote ketens, hebben we mensen nodig die eigenheid uitstralen en die levensdraden weven. Die deel uitmaken van de oude verhalen en ze kunnen uitdragen.
Wat wegzakt duikelen we op. We trekken aan de draden die losraken in het weefwerk van het leven en zetten ze vast met een persoonlijke steek. We weven er nieuwe tussendoor, glinsterend als water. Overal zijn scheppers en mensen die onderhoud plegen, op talloze manieren. Eens zal blijken wat er over is en blijft, van dat wat echt en wezenlijk is. De oude bodem van het bestaan. De bodem, die alles draagt, doorweven van wortels, de enige duurzame toekomst.

.

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Zo’n dompeling doet wat

Hoe je onafhankelijk en fris elke dag opnieuw kan beginnen.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Mensen hebben elkaar altijd al opgehitst. Het is niet iets specifieks van deze tijd. Maar soms twijfel ik eraan of we met elkaar wel wijzer worden. Of moet alle ellende eerst worden uitgeëtterd voor we er klaar voor zijn? Meningen knallen alle kanten op, en sommigen worden erg fanatiek. Of het nou gaat over Palestijnen, Israëli’s, of dichter bij huis, over asielzoekers, buren, of wolven. Het legt een vertroebelende sluier over alles heen. Gisteren ging ik naar huis, na zo’n emotioneel onheilsverhaal te hebben aangehoord. Het was niet dat ik er aan bleef denken, en toch bleef het onbehaaglijk kleven, als een drabbig laagje in een waterfles. Wat moet je daar nou mee?

Ik ontdek het telkens weer. Het is dezelfde plek en steeds weer anders. Je zou het heilig kunnen noemen. Het kleine veldje over tussen de oude wilgenbomen, de nieuwe steiger op. De steiger waar vele handen aan meewerkten. Deze plek aan de Swette wordt gekoesterd door velen, en goddank, het is nog steeds openbaar. Er zijn er meer, die doen als ik. Ik zie ze komen en gaan. Op de fiets, of lopend. Ze komen voor de dompeling. Even maar, dat is genoeg. Ook zij weten hoe heilzaam het is. Een ochtendbad lost alles op, ik merk het meteen. Of ik er nou helemaal in ga, of dat ik alleen mijn gezicht was. Ik zie de eenden, luister naar de mezen, golf mee met de rimpelingen in het water. Ik kijk achter me, naar de bult, waar ik zoveel struiken heb geplant. Waar ik altijd riet aan het sjouwen ben om humus te maken voor de bodem. De bult, vol muizengaten. En ik vraag me af of de velduil er nog zit, die zo hard kan schreeuwen. Ik gooi een plens van het frisse nat in mijn gezicht. Een vis springt op uit het water, in de verte hoor ik de torenvalk. Al die dingen komen samen als ik daar ben. Daar, bij het heerlijke koele water. Ik was alle sluiers van me af. Zo blijf ik authentiek en onafhankelijk. Alleen zo kan ik met liefde en energie voor deze plek blijven zorgen. En voor de Aarde. Zulke plekken zijn van levensbelang. Overal. Ze maken dat we ons steeds opnieuw kunnen inzetten voor wat er nodig is. Dat mag nooit worden onderschat. Nooit.

.