Ik heb een plek achter me gelaten, die ik mijn thuis noemde. Een eeuwenoude plek onder de bomen aan de gracht van de Domstad. Ik nam afscheid van mijn oude leven. Ik deed afstand van de laatste spullen van mijn lief, die stierf in 2002. De Wereld van Veel maakte plaats voor de Weelde van Eenvoud. Ik woon op een veldje in het platteland, eerst in Brabant, en nu in Friesland. Ik creëer waar ik mijn wortels in de grond zet. Ik bouwde mijn eigen huis, een kleine wagen op wielen. Ik woon er in sinds 2017 en geniet van de comfort die deze kleine ruimte me biedt.
Ik schrijf, ik teken, ik kijk en luister. De aarde boeit me, en wat ons voedt en hoe we hier met elkaar mee omgaan.
Het is mistig als ik de deur uit stap. De rijp valt uit de bomen en ligt als kristal op het pad. Op het water van de regenton ligt een dun laagje ijs, maar de greppels zijn niet bevroren. Ingekuilde boompjes wachten op mij. Het is nog niet klaar. Ik graaf. Klei op bulten, het gat vol tuinaarde. Ik red de wormen, hak en meng de grond. Schep de zoveelste kruiwagen van de berg. Pak het boompje, spreidt de wortels. Voorzichtig toedekken, korrels mycchorizae ertussen met bodemleven. Ik vul het gat en druk de donkere aarde aan. Zacht maar stevig, met mijn handen. Altijd naar de boom toe, tot hij op zijn heuveltje in een kom van aarde staat. Ik bewonder de jonge boom en loop het pad af met de lege kruiwagen. Achter mij komt meteen het roodborstje tevoorschijn. Dat gedoe van mij levert hem nog wel eens wat op. Elke dag ga ik door. Het blijft mistig. Ik ben moe maar als ik werk voel ik het niet meer. Als een boer ga ik door. Tot het klaar is. En in de avond is er muziek. “Le printemps” van Michel Fugain. Muziek maakt alles lichter.
.
.
Overal om mij heen ligt bevroren mist op de eindeloze weiden en het Verhalenpad.
.
.
.
Dit is de plek waar ik nu aan het planten ben. De poel ligt op het hoogste deel van de akker. De naastgelegen greppel heb ik uitgediept. Straks komt er een pomp in de sloot met een slang. Dat werkt op een klein zonnepaneel. Het water wordt omhoog in de grote poel geleid, en stroomt dan via kleinere poeltjes in de uitgediepte greppel steeds een stukje naar beneden. Het wordt mooi!
Verhalenpad, het achterste deel dat voor de dieren bestemd is.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Het is bijna half januari. De lucht wordt lichter. Het is een tijd van glorende hoop. Ondanks de donkere luchten in de politieke contreien, mannen, macht, kapitaal, oorlog. Maar de zon keert terug en met dat de dagen langer worden, komt ook de energie weer terug. De bodem is nat en staat vol plassen. De klei is blubberig. Als je daar steeds doorheen loopt stamp je alle luchtigheid eruit, en als het dan opdroogt is het keihard. Zo gaat dat met klei. Nog even en er komt een droge periode aan. Dan ga ik weer planten. Ik houd me stil en wacht op precies het juiste moment. Ik heb het niet voor het zeggen. Het is de aarde, de zon en de regen. Nog even. Als het licht komt, kom ik ook. Ik laat me niet afleiden door wat voor tumult dan ook.
En nu is het er. Het licht. De plassen beginnen op te drogen.Langzaam strek ik mijn nek uit. Het heeft vannacht gevroren. De lucht is helderblauw. Er ligt een waas van vorst over het veld, waardoor het ritme van de greppels wordt versterkt. De lage zon legt een warme gele gloed over het landschap, die mij mij verheugt en verwarmt. Niet ver van mij af ligt het Verhalenpad, de silhouetten van de kale bomen en struiken steken af tegen de hemel. Een paar kramsvogels vliegen op met een knerpend geluid, als een trage ratel. In de sloot klinkt het gefluit van de smienten. Dit is de plek waar ik voor zorg.
Er kunnen oorlogen zijn of komen. Continenten en zogenaamde wereldleiders kunnen elkaar afgunstig land willen aftroggelen. China, Amerika. Europa, Rusland. Land voor grondstoffen. Voor strategische geopolitieke locaties. Maar ik zorg voor deze plek. In een wereld waarin groot-machtig-meest door dwaze bazen en oligarchen het belangrijkste wordt gemaakt, is dit mijn verantwoordelijkheid. En ik vertrouw erop dat er anderen zijn die hetzelfde doen. Die hun licht laten schijnen. Lekker vieze handen maken. Opkomen voor de rechten van de Aarde. Al is de situatie niet altijd even best, wij doen in elk geval wat we kunnen. Ten slotte heeft de aarde, de wilde wereld, de zon en de wind geen eigenaar. Geen enkele baas kan de baas meer spelen, als een zonnestorm het leven ontregelt. Of een overstroming het land opvreet als een waterwolf. Aan de andere kant slaat opnieuw een brand uit. Dat houdt geen rekening met links of rechts. De dwaze bazen staan als verbijsterde jongens aan de kant. Bij overmacht is er geen onderscheid meer tussen rijk of arm. Degenen die kunnen samenwerken zijn het beste af. Het gaat zoals het gaat, en dat is altijd anders dan gedacht. Ik sta klaar en kijk. Misschien is het vijf voor twaalf. Maar het wordt lichter. Nog even, dan kan ik de vuilbessen en berberissen gaan planten. Dat die gaan groeien, dat is wél een ding dat zeker is! Ze doen het graag bij mij. En hoe meer mensen eraan werken, een groeizame aarde, hoe mooier het wordt. Stil sta ik te wachten, tot het tijd is. Het begint al te kriebelen. Mijn dromen zijn bevolkt met bezige mensen. Allemaal kleine kanjers, die de basis leggen. Een voorbode, voor wat komt.
Voor deze ene keer heb ik AI gebruikt. Een snelle manier om een plaatje te krijgen. Ik had het nog nooit gedaan. Ik wilde het eenmaal uitproberen en zal het niet vaker doen.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
Er is een ding waar ik sjaggerijnig van word: Graafmachines. Prachtige oude grasvelden vol klaver en kruiden gaan omver. De orde van het bodemleven, wat onder is, wat boven, oude wormengangen, al jaren in gebruik door tal van beestjes, dit alles wordt om zeep geholpen. Als er iets is waarmee we de toekomst kunnen voorspellen, dan is het wel de staat van onze bodem. Het is de grond van ons bestaan. Nu hebben we het geluk dat we hier op acht hectare oud weideland zitten. Als het aan mij lag, dan lieten we het altijd zo liggen. Maar dat kan niet. De waterleiding moet worden verlegd, de dijk moet verhoogd. Er moet een weg aan worden gelegd naar een nieuw huisje en ook één naar de windmolen. En dan is het nog niet eens klaar. Nu moet er weer een kabel worden gelegd, voor razendsnel internet. Voor al die snelle dingen wordt wat traag is opgebouwd, weer afgebroken. Er moet heel veel gebeuren, voor je iets snel kan hebben. Dagenlang zijn de mannen bezig in hun oranje hesjes. Twee kilometer van de openbare weg af, naar de boerderij. Ik zie ze vanuit de verte. Ze komen steeds dichterbij. Zolang de machine ver weg is kan ik het nog wel hebben. Maar dan zijn ze bij de boerderij. Ik zorg daar voor de koeien, breng brandhout naar het huis van Dick. Haal water. Het is mijn dagelijkse gang. Mij zien ze steeds. Ik lach vriendelijk naar ze. Ten slotte doen zij gewoon hun werk. Het zijn allochtonen. Aardige lui. Een van hen spreekt goed Nederlands. Hij lacht vriendelijk terug. Steeds lichten me ze in over de gang van zaken. Alsof ik vrouw of dochter des huizes ben. Dan willen ze overleggen met de boer, en ze vragen waar hij is. Ik roep hem wel even, zeg ik. Door de luide stemmen op het erf, worden de koeien onrustig. Vooral de jongste. Zeurderig klinkt het geloei in de stal. Elke keer weer. En dan komen de mannen weer terug, aarzelend, ze kunnen de boer niet vinden. In de keuken issie, zeg ik. En dat zijn dan meteen mijn laatste woorden. Ik smeer hem. Op de fiets. Op een dag zal het toch wel ophouden met al dat gegraaf. Vandaag zullen ze toch wel klaar komen. Ik hoop dat 2025 een traag jaar wordt. Een jaar waarin er niet veel hoeft en we alle tijd hebben om de bodem te laten rusten. Wachten tot het groeit. Helpen, de bodem met lucht en leegte. Help met tal van nieuwe wortels en gangen. Wacht en kijk. Kijk en wacht. En zie de mogelijkheden groeien.
Ik ga nu eerst aan het werk. Opnieuw meer dan honderd struiken planten. Alles ligt paraat. Plantmateriaal en losse grond. Ik heb er een tijdje op moeten wachten maar nu is het er. Hele mooie grond. Het is nog veel werk. Geduldig ga ik door. Elke dag, tot het af is. Net als de oranje mannen graaf ik. Maar ik doe het traag. Veel trager. En met mijn eigen handen. Dat kan, ik heb de tijd. Dag mijnheer de Worm. Dag mevrouw Duizendpoot. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.
.
.
Nootje na:
Eenvoudig leven is een voorwaarde om te kunnen leven in een kringloop met de natuur. Niet de graafmachine, maar de schep zal ons uiteindelijk redden. En de zaden, de bomen en alles wat daar uit voort komt.
Lees hier een stuk van filosoof, psycholoog en boerin Evelyne Janssens
Tekening uit mijn dagboek van 34 jaar geleden (1991)
.
Vanwege korte winterslaap geen luisterversie.
De wind blaast steeds weer anders. Dan weer hard en dan is het weer windstil. Maar meestal waait het wel. Sommige mensen zeggen dat ze altijd wind tegen hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat is alleen maar het gevoel, het ertegenop zien. Je kunt dromen van ergens te zijn, maar hoe moet je er komen. Die weg kan lang zijn. Heel lang. Soms duurt het tientallen jaren. Maar ik train mezelf met relatief kleine stukjes. Ik moet een heel eind naar de stad, maar het went, op de fiets. Hoe vaker je het doet, hoe korter het lijkt. Gewoon blijven doen dus. Sterk en soepel houden, dat lijf. Hoe flexibeler ik blijf, hoe makkelijker het is om in te spelen op veranderingen. Want het zal niet hetzelfde blijven. Niets. Hoe zal het weer in de toekomst zijn? In welke omstandigheden zal ik diezelfde route nog honderden malen afleggen?
Ik las het in de krant. Geafenceerde AI modellen hebben laten zien dat we over vijftien jaar al 1,5 graad opwarming hebben, van de aarde. En daarna blijft het hard gaan, mogelijk wel 3 graden opwarming vóór 2060. Dat kan allerlei effecten hebben. Het kan warmer worden, maar in sommige gebieden ook eerst kouder, door al dat gesmolten ijs in de zee. Het gaat ook vaker stormen, zeggen ze. Het zijn maar cijfers, kun je denken. Ze lullen maar raak, hoor ik sommigen zeggen. En ze zijn het lang niet altijd eens, de wetenschappers. Maar ondertussen is er wel een duidelijke ontwikkeling, waar iedereen het over eens is. Veranderingen gaan steeds sneller dan gedacht. Verontrustend? Ja. We kunnen niet meer zeggen: dat maak ik toch niet meer mee. Het is aan de gang. Het is wennen aan die gedachte. Hoe ga je daarmee om? Sommigen zullen het gevoel hebben altijd wind tegen te hebben. Anderen zullen zich beter kunnen aanpassen.
Waar kun je straks beter wonen, in de stad of op het platteland? Misschien maakt het wel weinig uit. Misschien is het het beste als je kan zeggen: Het is zoals het is. Ik woon nou eenmaal hier. Dit is de plek waarin ik heb geïnvesteerd. Ieder op zijn manier. Hier zijn de bomen die ik heb geplant, hier verbeter ik de bodem. De notenbomen groeien goed en de bessen ook. De wilgen nog beter. Veel wilgen, dat is belangrijk hier. Belangrijk ook zijn de verhalen. Die worden steeds voller en rijker, en ook de schilderijen komen als rijpe appels van de boom vallen. Ik sta klaar om ze te vangen, de appels. Sociale verbindingen groeien ook. Dat is mooi, want van voedsel alleen kan ik niet leven. Het is een tijd om aan de gang te blijven. Ritme houden, ondanks verwarring of tegenwind. Blijven planten, blijven leren en bewegen. En lekker blijven fietsen, weer of geen weer. (Onze boer is 76 en hij doet het ook.)
Mijn voornemen voor de komende jaren: Het langzaam maar gestaag laten groeien. Hier. Met elkaar. Net zoals de droom 34 jaar geleden. Geen tijd is te kort, geen mogelijkheid te beperkt. Het kan. En nu ga ik eerst een middagdutje doen.
Het is een donkere dag. De kachel brandt en het is lekker warm in huis. Bijna te warm. Ik heb het te goed geïsoleerd. Maar het is goed voor mijn luchtwegen, die warmte. Ik voel het. Dus laat maar even zo. Ik trek mijn blouse uit. Nu sta ik lekker in mijn hemdje. Ik ruim mijn huis op. Het kan dan wel klein zijn, maar ik noem het een huis, want dat is het voor mij. Een huis is de plek waar je woont. Om de kachel ligt hout te drogen. Er hangt ook een handdoekje naast. Ik zie dat een klein puntje ervan zwart is geschroeid. Gauw haal ik het weg. Ik zie geen rook en ruik niks. Blijkbaar was ik er op tijd bij. Ik vouw het op en prop het bovenin het overvolle sokkenkastje. Zo. Wat ga ik doen vandaag? Het zijn dagen om binnen te blijven, bij de kachel. Dat doe ik dan ook. Ik schrijf verder aan de 19e versie van mijn boek. Kijk even naar de vogels. Dan pak ik een leesboek en ga in mijn leeshol zitten. Het is een goed boek, ik raak er helemaal door in de ban.
Opeens ruik ik iets. Rook. Eigenlijk best wel erg. Waar komt het vandaan? Ik loop naar de kachel om te kijken of er iets tegenaan hangt. Dat is niet zo. Ondertussen neemt de rook snel toe. De lucht begint te prikken in mijn ogen en slaat tegen mijn keel. Dan zie ik het. Het is het handdoekje. Het rookt! Gauw trek ik het weg uit het propvolle kastje. Ik vouw het uit elkaar. Het gloeit en smeult. Het is al bijna helemaal zwart geworden. Ik gooi het naar buiten en het smeult door. Ik klim er achteraan, probeer het uit te stampen, maar het lukt niet. Ik blijf stampen. Tot er eindelijk geen rook en geen vonken meer vanaf komen. Dan ga ik weer naar binnen.
Ik kijk naar het kastje. Er is een plank zwart geschroeid, aan de onderkant. Het had geen vijf minuten langer moeten duren. Stel je voor dat ik bij Dick koffie was gaan drinken. Of naar Leeuwarden was gegaan om verder te werken aan mijn nieuwe schilderij. Dan was ik thuisgekomen en dan was er niks meer over van mijn huis. Dan was ik dakloos geweest. Die ellende is mij gelukkig bespaard gebleven. Maar een ding heb ik wel geleerd. Als er iets zwart schroeit, tegen de kachel aan, dan stop ik dat gelijk in een kom water. Want ik wil hier graag nog vele jaren blijven wonen. In dit huis.
Traagheid met een deadline, bestaat dat? Het vraagt allerminst om gestage discipline om er stap voor stap naar toe te werken. Ik meen dat dit me aardig lukt. Er is een enkel vlaag van onrust, maar die laat ik niet winnen. Elke dag doe ik mijn ding, Ik schrijf en ik fiets op en neer naar Leeuwarden. Schilderen, naar de markt. Samenwerken met de mensen van het kunstatelier, eens in de twee weken zie ik ze. Een regelmatig weekritme is een grote steun. En ook mijn vriend Dick, die er van oktober tot juni is, en met wie ik de taken verdeel, het inkopen doen, eten koken. Als ik om elf uur binnen kom heeft hij het water voor de koffie al opgezet. Vaste regelmaat is een voorwaarde om nieuwe dingen op te kunnen bouwen. Zoals een boek. Of een nieuw bosje. Of een schilderij. Op dit moment ben ik met alle drie tegelijk bezig. Terwijl de dagen op zijn kortst zijn.
Het lijkt veel. Maar het is prima te doen, dankzij het leefritme. Ik loop naar mijn vriend, voer onderweg de koeien. Elke dag gaan mijn ogen langs dezelfde plekken. Steeds dezelfde zijn het, en toch is er veel te zien. Plassen in de wei die groeien en krimpen, een windvlaag die over het oppervlak strijkt. Bij Dick zijn wagen is een hele grote, naast de sloot. Daar is het land laag, en daar blijft al het water staan. Ik kijk er altijd naar, als ik er ben. Een zucht wind die over de vlakte strijkt. Ik kijk ook naar zijn huis, dat steeds schever zakt. Hij huurt het, dus doet er zelf niks aan. Heel anders dan het mijne, dat van mij is. Dat ik van binnen en buiten kan dromen, en dus altijd blijf onderhouden. Maar daar is het nu gaan tijd voor. Nu doe ik andere dingen. Het boek, de nieuwe bomen die komen, de schilderijen. Het hoort allemaal bij elkaar, en bij de boekpresentatie zal iedereen die wil dat kunnen zien. Maar zover is het nog niet. Eerst koffie. Ik loop het bordes op en ga naar binnen. Dick is er. Zoals bijna altijd.
Voor het schrijfwerk is een opmerkzame blik belangrijk. Rimpelingen in het water evengoed als gezichtsuitdrukkingen. Om herinneringen op te halen is rust nodig. December is een goeie tijd daarvoor. Ook voor “De heilige traagheid der dingen” is dat belangrijk. Mijn streven is om met nieuw jaar het boek naar Uitgeverij Zilt te sturen. Nu ik opnieuw het hele boek doorwerk, merk ik dat ik blij ben, met zulke scherpe herinneringen. Als een weefdraad verwerk ik ze door het boek, verschillende thema’s. Vooral als ik wakker word komen ze, als ik een paar dagen achter elkaar thuis ben. Het stille donkere bed is de beste plek om het te laten borrelen, verbindingen te leggen.: Dat ene stukje, daar moet iets bij. Het staat in verbinding en de ene toevoeging heeft invloed op de rest, die dan ook weer een beetje verandert. Langzaamaan verandert het boek wezenlijk. Het zijn geen losse stukken meer, doorspekt met meningen en conclusies. Die zijn er nog wel, maar alleen ter ondersteuning van het een verhaal. Het zijn niet de kralen waar ik mee rijg. Steeds meer wordt het een verhaal aan één stuk, een beleving waar de ander in zijn verbeelding mee kan gaan.
Eind december is de deadline, voor “De heilige traagheid der dingen”. Althans, het boek dan. Het komt er.
Omdat ik daar nu graag aan door wil werken, deze week geen luisterversie van dit verhaal.
Ik wil me verbinden. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot. En soms zijn er vlagen van verstandsverbijstering.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
Het is ochtend. Ik lig nog even te dromen in mijn hangmat. De luiken heb ik zojuist geopend, en de lucht boven de horizon begint al zalmroze te kleuren. Na alle regen belooft het een mooie dag te worden. Wat ga ik doen vandaag? Nog niet het land op. Het is nog veel te nat. Dat werk komt later wel weer. Pad vrij maken, gras trekken onder de bomen. Hetzelfde als altijd. Nog even kijk ik naar de lucht die steeds blauwer wordt. Dan pak ik mijn telefoon uit de vensterbank en zet hem aan. Hé, er is een berichtje van de Doas, over lokaal 105. In het formulier had ik ingevuld dat ik belangstelling had en graag een ruimte wilde delen. Snel lees ik wat er in staat. Ik krijg hem niet. De reden is dat er anderen zijn die meer ervaring hebben met een ruimte delen. Ik dènk dat te lezen. Als een dolle stier rennen mijn gedachten vooruit. Het zal wel zijn dat ik al bijna zestig ben. Ze willen natuurlijk jong talent. Dat zij mijn gastvrouw ook al, toen ze me het lokaal liet zien. Meewarig keek ze me aan. Ze willen jong en ondernemend talent, dat is het profiel dat vanuit de gemeente wordt gevraagd. Daar ben ik mooi klaar mee. Het maakt me opstandig. “Maar ik heb wél veel vaardigheden opgedaan in mijn leven, om in te zetten voor de Doas!” zei ik. Want dat willen ze ook. Ondernemende betrokken mensen. De jonge vrouw had welwillend geknikt. “Dat is zo”. Ja, jong zijn, betrokken, ondernemend, talentvol, actief, dat is erg veel gevraagd, voor één mens.
Even later zit ik bij Dick koffie te drinken. Ik vertel erover, dat ik niet gekozen ben. “Wat stond er dan in dat mailtje?” vraagt hij. Ik open het bericht en lees het nog eens over. Tot mijn verbazing zie ik helemaal niets over een afwijzing. “De reden is dat er te weinig mensen waren die een ruimte wilden delen”. Verbaasd kijk ik naar de woorden. Het staat er echt. Hoe kan dat nou? Ben ik met zo’n gekleurde bril gaan lezen dat ik iets heel anders las? Ja dus. Dat is precies wat ik deed.
Zo werkt dat. We hebben allemaal onze overtuigingen. Geboren uit teleurstellingen, verwachtingen, mooie en minder mooie ervaringen. Het kleurt hoe we de wereld zien. Soms zo sterk, dat we vlagen van verstandsverbijstering hebben, en iets heel anders zien dan wat er is. Ik ben een open mens, neem graag initiatief en luister opgewekt naar anderen. Zonder oordeel en best slim. Dat dacht ik. Maar dat is dus lang niet altijd zo. En dan ontdek ik weer: Mogelijkheden blijven zien, dat vraagt niet alleen om een open hart, maar ook om je hoofd erbij houden. Bijzaken en vorige ervaringen even uit kunnen zetten. Kijken wat er staat. Woord voor woord lezen. Die ander heeft de moeite genomen om het op te schrijven, en dat verdient de volle aandacht. Dat zou je zelf ook willen. En nu? Ik hoef verder niks te doen. De inschrijving blijft staan. Als er nog eens een vervolg komt is het mooi. Maar voorlopig heb ik een plek, in hetzelfde gebouw: Het buurtcontactpunt Wildewijk. “Ze waarderen het dat je er bent, en wat je doet!” schrijft Froukje in WhatsApp. Ik heb een plek, waarmee ik me kan verbinden. Er is geen reden om mijn overtuiging nog langer in stand te houden. Ook als je bijna zestig bent kan het.
Ik leg mijn telefoon neer, en neem een slok van mijn koffie. Ik lach naar Dick, die alweer met iets anders bezig is. Toch wel fijn, zo’n vent die nooit genoegen neemt met halve woorden en een oppervlakkige indruk. Die vraagt: “Wat staat er nou, in die mail.”
Bestaat er ook robuust geluk? Je maakt het, met alles wat er is. Dankzij het gloeiende kooltje dat je meekreeg van anderen.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Daar sta ik dan. Nat van de kleddersneeuw en met koude voeten. Buiten drijven dikke wolkenpakken voorbij. Het lokaal van Wilde Wijk is donker in dit schaarse winterlicht, maar niet steenkoud. Het zweet staat op mijn rug van het fietsen en de koude wind heeft me tegelijkertijd doen rillen. Maar nu ben ik binnen. In de gangen hoor ik roepende kinderen. Die levendigheid bemoedigt mij. Ik doe de verwarming aan en pak mijn schilderspullen uit de kast in de hoek. Het is maar een klein hoekje, op een plank waar nog meer dingen liggen. Het is echt donker in het lokaal. Buiten valt een dikke bui, met hagelstenen. Ik zie niks. Met een druk op de lichtknop is het duister verdreven. Ik schrijf een berichtje aan de vrouw, die dit alles beheert: “Ik ben er.” Het lokaal wordt langzaam warm en ik kan beginnen.
Het begint weer te komen. Langzaam vind ik hier weer een plek in de gemeenschap. Dat is nodig, om me gelukkig te voelen. Te zijn onder mensen die je kent en waar je een band mee hebt. Met alles wat er onderling ook mag spelen. Er waren momenten dat ik gelukkig was. Op de werf in Utrecht, tussen de jongens die allemaal houtbewerkers waren. We zaten aan de gracht onder de bomen. Ik luisterde en leerde veel van hen. We lachten, keken naar elkaars werk en dronken een biertje, aan het einde van de dag. Ik denk aan mijn man, die houtdraaier was en die ik kuste tussen de krullen. Ik werkte bij de post, gelukkig was ik, met een eigen wijk. De mensen kenden me. Ik hoorde bij hun straat en soms kreeg ik een koekje of een mandarijn. Ook mijn eigen rondvaartboot kon me heel tevreden stemmen met een vaste klantenkring. Zelfs toen mijn man er niet meer bij was. Alles verandert. De werf is nu vrijwel leeg, de ateliers en de bedrijvigheid zijn verdwenen. In de gracht mogen geen boten meer liggen. De post heeft zijn gezicht verloren en niemand kent elkaar nog. Het is een bedrijf als alle anderen, haastig en slecht betaald en de postbodes van toen bestaan niet meer.
Het is elke keer zoeken naar je plek. Alles wordt steeds weer door elkaar geschud. De redenen waarom dat is, daar zullen we het maar even niet over hebben. Vroeger was het anders. Je woonde in een dorp en je vertelde wat je vader deed. Je was de zoon dan die en de kleinzoon van die en die, en iedereen wist dat. Alles was duidelijk. Maar de wereld verandert in steeds sneller tempo. Wie weet er nog zijn plek? En net zo goed als dat doden niet terugkeren, kun je niet verlangen naar een wereld die voorbij is. Ik denk aan mijn man, die niet meer leeft. Aan mijn moeder die ik zo vaak belde, en die me veel meegegeven heeft. De tijd dat zij er waren is voorgoed voorbij. Alles is anders nu. Het vuur dat brandt in mij dankzij het kooltje, dat wij elkaar konden doorgeven. Dankzij de dagen dat ik gelukkig was, heb ik geleerd te zien wat mij verlichting geeft en wat ik opnieuw kan scheppen. Blijmoedig ga ik door. Weer en weer. Waar dan ook. Ik schilder. Het lokaal is nu lekker warm, en ik ben niet meer verkleumd. Ik hoor het gelach van kinderen op de gang. Ik doe de deur open en meteen staat er een klein meisje. Ze kijkt recht naar binnen. Recht voor haar hangt mijn schilderwerk aan de muur. “Dat is een mooi schilderij!” zegt ze. Zij schildert ook, vertelt ze. En nog veel meer doet ze. Ze maakt van alles, met alles wat er maar is. Ik lach verheugd en ze kijkt stralend terug. Dan rent ze weer weg, de anderen achterna.
Alles wat me gelukkig maakt, vind ik hier. En ook deze dag gaat voorbij, ook dit zal weer veranderen. En ik ga verder. Wat ontbreekt dat bouw ik op. Overal, waar dan ook, steeds weer en weer. Met alles wat er is.
Er ligt een prachtige uitdaging op je te wachten, een stoere reis naar de ongekende verten die je altijd al heb willen ontdekken. Of zijn het toch de mensen, is het de plek vlakbij, waar je hart voor klopt?Mijn verhaal.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.Het duurt 15 minuten.
Vier jaar woon ik nu tussen de groene weiden van het Friese land. Ik werk aan het landschap, plant bomen en struiken. Altijd ben ik er voor het land en werk alleen. Ik voer de koeien, elke dag een hele winter lang. De boer is daar blij mee en de dieren kijken me tevreden na. Aan het eind van de dag kook ik samen met mijn vriend. Er wonen hier nog een paar mensen bij de boerderij, aan de Swette. En toch, het is stil hier. Voor het schrijven is de plek waar ik woon perfect. Ook schilderen doe je alleen. Maar ik herinner mij de bedrijvige dagen, als rondvaartschipper in Utrecht. Ik mis dat steeds meer. Ik wil mijn leven daar opnieuw op inrichten. Dus ik vertel wat ik zoek als kunstenaar, een werkplek in de stad. Er komen tips binnen, kennissen willen me helpen. Niet dat dit meteen iets oplevert. Als ik solliciteer op een atelier in de binnenstad val ik meteen buiten de boot. Dat zie ik als een teken. Ik kan mijn langdurige concentratie op deze stille plek nog niet onderbreken. Er moet nog iets. Het broeit al langer. Eerst is er een boek, dat erom vraagt geschreven te worden: “De heilige traagheid der dingen”. Dus ik schrijf. En omdat de uitgever ziek is, schrijf ik nog langer. Het wordt steeds beter. Maar er komt geen afspraak. De uitgever blijft zwijgen. Dus ik besluit om tijdens het wachten schilderijen te maken die horen bij het boek. Eigenlijk is dat wel een heel goed idee! Een boek, een expositie, als één geheel. Ik zou anderen uit kunnen nodigen om de bijeenkomst te verrijken met muziek en verhalen. Maar dan kom ik weer op hetzelfde punt: De mensen moeten er zijn. Ze moeten het weten en ook nog graag willen. Als het netwerk ontbreekt, sta ik hier alsnog in mijn eentje. Dat is een goede reden om cursussen te gaan doen. Ik ga olieverftechnieken doen op de kunstacademie. Daar hoor ik praten van een bruisplek: De Doas, in Leeuwarden. Ik laat er geen gras over groeien, meteen ga ik er heen. En zowaar: Hier word ik ontvangen. Ik vind een heel klein plekje, bij Froukje van Wilde Wijk. Het klikt. Op maandag en vrijdag kan ik daar schilderen. Het lijkt een beetje op een buurthuis. Ik ben er blij mee.
Dan komt het bericht van de uitgever. Mijn boek zal niet worden uitgegeven door Uitgeverij Louise. Hij laat weten dat hij rustiger aan wil doen. Zijn gezondheid vraagt erom. Hij moet gaan schrappen in zijn bezigheden. Het spijt hem heel erg en hij vertelt het mij persoonlijk, aan de telefoon. Maak je niet bezorgd, ik red me wel, zeg ik. Maar dan…. In een opwelling komt het omhoog: Als dit dan toch niet doorgaat, dan zou ik nu eindelijk eens naar Schotland kunnen gaan! Het is al tien jaar geleden dat ik de grens over ging. Ik houd me al zolang in! Het vuur vlamt op. Ik kan er zelfs fossielvrij naartoe gaan, zeilend! Dat past toch mooi bij de Heilige Traagheid der dingen! Ik zoek het uit: twee keer per jaar is er een kans. Echt zeezeilen. Wat een verhaal zou dat zijn. . . Maar eer het zover is, zal ik mer erop moeten richten. Helemaal. In alles. Bedachtzaam kijk ik op. Is dit wel wijs, nu?
Elke keer is het kiezen. Terwijl ik net in volle concentratie bezig bent, ligt tegelijkertijd het avontuur op de hoek. Stoere mannen staan klaar aan de kade. Ze verleiden je om mee te gaan en woeste baren te trotseren. Weg, naar verre kusten. Ongekende verten die je altijd al hebt willen verkennen. Verten, die nooit eindigen. De uitdaging waar je al zolang op wachtte. Soms kom je daar ineens in terecht, die oude opgespaarde behoefte, terwijl je alleen maar even het hoekje om gaat. Wat tref je daar dan aan? Precies vandaag kreeg ik dit gedicht binnen via de mail van Laurens JZ Koster:
Afscheid
Zul je voorzichtig zijn? Ik weet wel dat je maar een boodschap doet hier om de hoek en dat je niet gekleed bent voor een lange reis
Je kus is licht je blik gerust en vredig zijn je hand en voet
Maar achter deze hoek een werelddeel, achter dit ogenblik een zee van tijd
Zul je voorzichtig zijn?
Adriaan Moriën.
Ik zie de zee van tijd als de dood. Als je plotseling de concentratie breekt voor een wat al te spontane beslissing, zomaar om het hoekje, dan gebeuren er soms vreemde dingen. Ik ben nu een vrouw van bijna zestig. Ik beheers me al jaren. Het is al zolang dat ik mij beheers. Dat die uitdaging als een steeds aanwezig verlangen sluimert, slaapt en soms wakker wordt. De wereld aan de andere kant van de zee is nog steeds een grote verrassing voor me. Kom op, wanneer ga ik? Deze week sta ik naast boerin Jenneke, bij de melktap. Ze kijkt naar de fonkeling in mijn ogen. “Je bent hier alweer bijna klaar hè? En nou ga je weer weg? Hoelang ben je hier nou geweest?” Gek om te horen. Als puntje bij paaltje komt, kost het me altijd moeite om weg te gaan. Hier wachten de bomen en de koeien op me. En de vogels. Het warme eten met Dick. Dat wil ik haar zeggen, maar ik zie twijfel in haar blik. Begrijpelijk. Een vrouw die woont in een woonwagen. Ze kwam aangereden en strandde op de camping. Voor haar, die hier al zolang woont, is dat nog maar kort geleden. Allicht dat ze denkt: dat is natuurlijk een avontuurlijk type, die ook zo weer weg is.
Het zet me aan het denken. Ik wil dat mensen weten wie ik ben, en wat ze aan me hebben. Je kan zeggen: als je dat zélf maar weet! Maar wat heb ik eraan te weten dat ik een heel communicatief mens ben, als de anderen dat niet weten? Een boeiend schilderij wat niet gezien wordt, boeit niet. En een prachtig muziekstuk vraagt om de emotie van een publiek. En een stenen pleintje vraagt om groene vingers die tegels kunnen wippen. Er is een bankje dat vraagt om thee te drinken in de pauze. Samen. Leven heeft bestendigheid nodig. En dat je elkaar kent.
En dan krijg ik dat berichtje van de Doas: “Wie belangstelling heeft voor lokaal 105, kan zich opgeven voor bezichtiging.” Gaandeweg merk ik dat het toch echt belangrijk voor me is. Niet die zeereis op zeil naar Schotland, hoezeer mijn hart daar ook naar uitgaat. Dat kan altijd nog. Want deze wens gaat dieper. De wens om gekend te worden, als mens. Een actieve rol in een gemeenschap geeft een basis, een plek om terug te komen. Ik wil dat atelier graag! Maar dan bedenk ik me wat ik al heb. Stel dat lokaal 105 niet lukt, dan is er immers nog de plek bij Wilde Wijk. Het is klein, en ik moet steeds alles goed opruimen. Maar het is een prachtige kans die ik gekregen heb. En zo ontdek ik opnieuw: Niet grenzeloosheid maakt vrij. Je kunnen beheersen, dàt is de basis van vrijheid, zei Gandhi al, lang geleden. Ik kijk naar de mistige horizon. Morgen ga ik weer naar de Doas. Werken aan een nieuw schilderij.