Het wilde als levensbron

.

.

De Octopus in mij,

strekt zijn armen uit,

wil alles zien en voelen

ver weg en ook dichtbij

.

The wild as source of life. Listen to the spoken story of 14 minutes.
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 12,5 minuut.

.

Jeannette en ik zitten op de bank bij haar thuis. Ze is mijn oudste vriendin, al bijna dertig jaar. Het contact is altijd gebleven, soms meer, soms minder. De laatste jaren zie ik haar weer vaker. Ik geniet van de rust en de diepgang in onze gesprekken. Haar kamer is licht en leeg, als de mijne, maar dan veel groter. Ook groot is het enorme beeldscherm aan de wand, iets wat we vroeger een televisie noemden. „Tjee zeg, die is groot!“ zeg ik, „Daarop kun je mooi naar natuurfilms kijken. Ik kijk nooit meer naar films of docu’s. Niks aan op zo’n klein schermpje.“ Tja, in mijn woonwagen heb ik niet veel. Dat wil ik zo. Ik luister liever naar de geluiden buiten, dan dat ik naar een schermpje kijk. Ik heb ook drie vliegen, waar ik vaak naar kijk. Die doen ook van alles. Naar ze kijken geeft me meer rust dan dat lichtgevende vierkantje, met al zijn razendsnelle beelden en boodschappen.
Die smartphone, het is een raar ding. Soms lijkt het wel betoverd, alsof het een deurtje is naar een werkelijkheid die niet bestaat, maar die me wel meeneemt in zijn zuiging. Alsof het een surrogaatzon is, die mijn behoefte aan licht en liefde kan vervullen. Maar dat is niet zo. Dat weet ik. Het is een nuttig ding en niet meer. Toch trap ik er nog regelmatig in. Eenmaal in de ban, hoor en zie ik weinig meer van de echte wereld. En als ik het schermpje uitzet, lijkt die grijze winterdag maar saai en traag. Om weer te genieten, moet ik de knop omdraaien naar een veel lagere frequentie. Hè hè! Dit is het. Ik houd van de winter. En van de lente. En de zomer en de herfst.
Maar nu ben ik bij Jeannette. En ze heeft een prachtig groot beeldscherm. Ik heb nog nooit een film gekeken op zo’n groot scherm. Dat wil ik wel eens beleven. Terwijl dat denk, stelt Jeannette voor om een film te kijken.
„Heb jij de film My Octopus Teacher gezien?“ vraagt ze. Ze haalt me de woorden uit de mond. „Nee“ , zeg ik, nog niet. Maar ik heb er veel over gehoord. Mensen in tranen, die het zagen.“ Zij heeft hem al gezien. Ja, ook bij haar rolden de tranen over de wangen.

Ze start de film. Ik beland in een onderwaterwereld. Een kelpwoud, lange glibberige slierten als een bos, langzaam wiegend in de stroming. Ik zie een forse man zweven. Hij beweegt traag, om niets of niemand te laten schrikken. Zijn huid glanst roze tussen de lange donkergroene slierten van kelp. In zijn ene hand heeft hij een camera. Hij vertelt wat hieraan vooraf ging. „Ik was burned out, Ik kon geen camera meer zien. Ik kon zelfs geen aandacht meer opbrengen voor mijn zoon, die ik op moest voeden.“ Nu zwemt hij daar, in het water dat maar acht graden is. Een duikerspak wil hij niet. Hij wil naakt zijn, in het water. Hij wil contact. Het koude maakt hem wakker, voor het eerst merkt hij de intelligentie op, die in zijn vingers zit en in zijn tenen. Steeds meer is hij ernaar gaan verlangen, die kou, de wakkerheid. Elke cel in hem werkt, in deze koele waterwereld vol met wonderen.

Dan ziet hij haar. De kleine octopus in haar rotsspleet. Haar huid valt weg tegen de zanderige stenen. Het oog staart hem nieuwsgierig maar behoedzaam aan, vanuit het donkere hol.
Dit is het begin van een intense, hechte relatie. De man gaat dagelijks naar beneden.Het duurt krap een jaar, want een octopus wordt niet oud. Ze maken samen van alles mee. Tot de tijd op is. De octopus begroet hem met een omhelzing, de laatste keer, voor ze eieren legt en sterft. Hij is geroerd, wanneer hij erover vertelt. Ze is er niet meer. Maar in hem leeft het dier nog altijd voort. Met de octopus, heeft hij het wilde in zichzelf teruggevonden. En daarmee de bron van energie en levenslust. Hij leeft in en om de zee, samen met zijn zoon. Ze zijn veel samen. De zoon groeit uit tot een sterk zachtaardig mens, vol verwondering over het leven. Een echte zeebioloog. Ze keren regelmatig terug naar de plek waar de octopus leefde. Dan voelt hij haar energie. Ze vinden een piepkleine octopus, waarschijnlijk één van haar kinderen.

Bij mij geen tranen, bij deze film. Wel zit ik op het puntje van mijn stoel, en mijn ogen stralen. Terwijl we napraten over wat deze film nou eigenlijk doet, vraag ik me dit af: Is ons duikerspak niet veel te zwaar? Is het niet de veelheid aan spullen en afspraken, die als een kunstmatige huid om ons kleeft? Al die techniek maakt veel mogelijk, maar tegelijkertijd zorgt het ervoor dat we een buitenstaander blijven. Een buitenstaander van het wilde, waaruit we immers geboren zijn. Het wilde dat ons eindeloos voorziet van levensenergie. De stroom, vanwaaruit alles komt en gaat. Zonder dát is het leven een doods en mager pad.

Ook als ik weer thuis ben, blijven de beelden terugkomen. Steeds weer zie ik de octopus. Ze ligt zo goed als levenloos op het zonnige zand van de zeebodem. Al haar energie gaf ze aan haar eieren. Vissen nemen hapjes van haar. Dan komt de haai aanzwemmen. Hij grijpt haar. Haar armen zwabberen levenloos naar buiten, voor hij haar opschrokt. Ze is slechts een stuk vlees geworden, dat het andere leven voedt. De eeuwige cirkel. Alles komt en gaat. En telkens weer krijgt dat wonderlijke leven een andere vorm. Energie betekent overgave. Overgave aan geboren worden en de dood.

Ik staar vanuit mijn hangmat naar buiten. De wind waait om mijn kleine huis. Klein ben ik in de onmetelijke ruimte. Ganzen vliegen gakkend over, in de schemering. Ik hoor ze. Hoe kleiner mijn huis, hoe groter mijn contact met de wereld. Zo voel ik het. Als een teveel, wat ik heb afgelegd, waardoor ik minder nodig heb en meer kan zien. Misschien is dat ook wel de rode draad van wat ik wil vertellen. Ik ben blij dat ik de film heb gezien. Door mee te leven met de ontroerde duiker, verliefd op een octopus, besef ik het belang ervan. Dat hij kan helpen terug te vinden, wat verloren leek. Het kan ons helpen het beklemmende duikerspak uit te trekken, van alles wat ons dwarszit en verdooft. Alles wat ons zwaar maakt en het contact belemmert met de stroom. Dit verhaal is een parel van licht en leven. Het wijst ons de weg naar een mogelijke toekomst, waarin het wilde in ons weer mag bestaan.

Scheur

.

.

“Crack.” Listen here to the spoken story of twelve minutes
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna dertien minuten

.

Ongerepte natuur en menselijke activiteiten zijn onverenigbaar, zo besloten Amerikaanse mannen in 1864. Zo dacht men anderhalve eeuw lang, op het noordelijk halfrond. Misschien komt er nu een scheur in die gedachte. Een scheur waar het licht door valt. Net zoals de zon, die grauwe herfstsluiers doorbreekt.

Al dagenlang hangt er een mist over de weilanden. De meeuwen, wulpen en kieviten houden zich stil. In een wereld die vlak voor je voeten ophoudt, valt er weinig te vertellen. Je soortgenoten zijn onzichtbaar en je vijanden ook. Er is alleen maar het grote niets, het einde van de wereld. Voor mij is dit een heilig moment, zo vlak voor de zonnewende. De tijd staat stil. Als een dik velours gordijn dat gesloten blijft tot het grote moment aanbreekt. Maar ondanks de stilte ben ik onrustig.
Ik lig in mijn hangmat en kan niet slapen. Al uren lig ik klaarwakker te wezen. Mijn armen en benen hebben eerder zin in rennen en zwaaien dan in rusten. Ik kan er beter uit gaan. Ik doe het licht aan. Het is vier uur. Als ik de deur open, is het mistgordijn nog dikker dan anders. Er is geen zuchtje wind. Het is stil. Doodstil. Zelfs geluiden van de auto’s op “de Haak,“ de grote weg vanuit Leeuwarden, ontbreken. Er is niets en niemand dan ik. Ik stap met blote voeten in mijn klompen en loop door het gras in een wereld van wolk. Ik loop naar de steiger, glad van vocht, en loop voorzichtig naar het water toe. Zacht glinstert het me toe, als een beslagen spiegel. De Swette maakt me rustig. Ik loop terug en ga weer naar binnen en val meteen in slaap.

De volgende dag breekt langzaam de zon door. Door sluierwolken heen wordt het steeds helderder en alles leeft op. Het dierenleven laat opgetogen van zich horen. Op het weiland barst een orkest aan geluiden los, de wulpen, die op doorreis zijn, roepen elkaar van alle kanten. En ik, ik voel me geroepen, net als zij! Ik wandel het pad af. Een gans vliegt gakkend op, weg van het groepje ver weg in de wei. Met uitgestrekte halzen staan ze naar mij te kijken. Aan de andere kant van het pad zijn de meeuwen. Ze schreeuwen weer net zo balorig als twee weken geleden, voor de mist alles in sluiers verhulde. Ergens in de sloot kwaken gemoedelijk een paar eenden, tot ze mij opmerken en geschrokken wegvliegen. En dan hoor ik de ijle stem van de graspieper. Het kleine vogeltje vliegt hoog over mij heen, deinend als op golven. Ik loop langzaam, met trage stappen, in de hoop dat ze zich niet aan mij storen. Dat helpt maar gedeeltelijk. Ze blijven op hun hoede. Ik ben immers een mens.

Weten die dieren het nog wel? Niet alle mensen zijn zo luidruchtig en alleen op hun eigen doel gericht. Ik ben niet de eerste die zo stil loopt. Ik moet nog flink oefenen om het zo goed te kunnen als mijn voorgangers. Dát ze dat deden, dat lees ik in het boek, dat thuis op de vensterbank ligt: “Conservation refugees.” Tenminste vierduizend jaar leefden er andere beschavingen en culturen, die op een heel andere manier met het leven op aarde omgingen dan wij nu. Sommigen noemen we indianen. Die bedoel ik. Want die konden pas stil lopen! Hun voetstap was niet zwaarder als dat van een vogel. Het waren geen figuren uit een romantische mythe. Ze waren er en ze zijn er nog steeds. Talloze antropologiestudies laten zien dat er veel aarde gerichte culturen ruw naar de zijlijn zijn geschoven. Culturen die volkomen duurzaam leefden en voedsel verbouwden in een kringloop met de natuur.
Maar Columbus kwam en de Conquistadores volgden hem. Ze reden te paard door Zuid Amerika, en lieten zich op gruwelijke wijze gelden. De VOC werd opgericht. Europeanen veroverden de wereld. In de negentiende eeuw ging het hard, tegelijk met de stoommachine verhief zich één beschaving boven de rest. Steden en gebouwen groeiden en de expansiedrift werd er alleen maar door aangewakkerd. Blanke mannen verklaarden hun cultuur als de beste. Unieke methodes van voedsel verbouwen werden stap voor stap weggeveegd om plaats te maken voor allemaal dezelfde akkers. Kleine boeren werden gedwongen om moderne landbouwmethodes over te nemen en raakten diep in de schulden. Vruchtbare aarde viel uitéén tot stof. Duizenden natuurparken werden aangelegd uit angst dat de mens het resterende leven op aarde zou vernietigen en daardoor uiteindelijk zelf ten onder zou gaan. De mensen die er woonden moesten vertrekken. Miljoenen waren het. Er werd een scheiding getrokken tussen geïdealiseerde ongerepte natuur en menselijke bedrijvigheid. Want dit was onverenigbaar, zo schreef J.P. Marsh al in 1864 en velen waren het met hem eens. En zo dacht men anderhalve eeuw lang.

Komt er nu een scheur in die levensbeschouwing? Alles vraagt er om. We lopen immers tegen grenzen aan, op allerlei gebieden tegelijkertijd.

“The challenge is not to preserve “the wild”, but peoples relationship with the wild.” Bill Adams, Cambridge University.

De chaos van de wereld is in fel contrast met de rust van dit moment. Ik laat alles voor wat het is. Rutte kondigt de lock down af. Demonstranten joelen en fluiten achter de ruiten. Ik laat het. Ik ben nu hier en de zon is mijn vriend. Mijn boek, vol pijnlijke geschiedenis, ligt thuis op de vensterbank. Stil genietend wandel ik verder. De zon schijnt door een sluierwolk heen en komt dan helemaal tevoorschijn. Wat ik zie is onbeschrijflijk, de laatste restanten van het grauwe gordijn breken open. Het natte gras schittert in de zon en de horizon verdwijnt in een blauwgrijze donkere mist. Wat ben ik klein, in deze uitgestrektheid van het land! Ik sta stil en haal diep adem. Het is alsof ik het bèn, het weiland, de vogels en de glooiingen in het veld.
Uiteindelijk loop ik terug naar mijn warme wooncocon en open de deur. De zon verdwijnt weer. Ik til het deksel op van de kachel. Daar gloeit de laatste houtskool. Aansteken? Nee, laat nog maar even. Ik staar uit het raam en denk aan alles wat vastloopt in onze wereld. Hier sta ik dan. Wat kan ik doen? Ik zucht. En terwijl ik zo stil sta voel ik diep verdriet. Wat is dit? Waarom? Een stille stem in mij geeft antwoord. Wees waar je bent. Kijk. Voel de aarde onder je voeten. Het is wat het is. In de verte roepen de meeuwen. Jaaaa! Jaaa! Jaaa! En ik ben hier en luister. Ik kijk op en begrijp het. Alleen zo kan er iets nieuws wortelen, iets dat veel dieper gaat dan wij ooit kunnen bedenken. En dan voel ik langzaam tevredenheid stromen, vanuit mijn tenen omhoog. Het komt. Het komt. Het is er al.

.

.

Een mooie hoopvolle aanvulling over oude methodes van voedsel verbouwen: https://decorrespondent.nl/11883/waarom-de-toekomst-van-de-landbouw-zomaar-in-het-verleden-kan-liggen/3040831287747-068d4c0b

Groeien buiten de geul

.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van acht minuten.

.

Ik ben een geul aan het graven. Een hele lange, van wel vijfentwintig meter. Het is naast de wilgenhaag, vlak langs het pad, dat door de dorpelingen “Jochums Reed“ wordt genoemd. Het is een onverharde weg vol kuilen van twee kilometer. Elke dag fietst boer Jochum naar de brievenbus, twee kilometer heen, en twee terug. Ik zie iedereen komen en gaan, terwijl ik hier bezig ben.
Ik zet de spade rechtop in de klei en kijk om me heen. De jonge wilgen zijn kaal op een enkeling na, met donkere, vochtige stammen. Tussen de bomen door kijk ik naar het onverharde pad. Er komt iemand aangelopen. Het is de vrouw met de witte hond. Er zijn wel meer mensen zoals zij, die door de weilanden lopen. Als je over het erf van de boerderij gaat, kan je aan de andere kant, via het betonpad weer terug.
„Ga je een kabel leggen?“ vraagt de jonge vrouw. Ik doe een paar stappen naar haar toe. „”Nee, er komt een tweede bomenrij. Boer Jochum wil hier een donker speelpaadje voor kinderen. We denken aan hazelaars, elzen en lijsterbes.“ Ze lacht, „Dat is een goed idee!“ en loopt weer verder.
Ik pak de spade, kies de plek waar ik ga steken en zet mijn volle gewicht op de steel. De grond is niet hard, maar ook niet zacht. Een beetje als oude kaas. Ik heb mijn blauwe klompen aan. Dat is handig. Ik trap met mijn voet hard op de spa. Mijn harde klomp dient als heimachine. Een beetje wrikken en wiebelen en tegelijkertijd heien. Dat werkt het beste. Ik ga er helemaal in op. Een roze wriemeltje komt uit de losgewoelde aarde zetten. Ik trek het los. en stop de kleine worm onder een grote omgekeerde graspol, bij de andere wormen.

Na de vrouw met de witte hond komen er nog vier anderen langs. We praten. Het gaat over zijn waar je bent. Allevier de mensen hebben besloten om van hun eigen plek wat moois te maken. Alle vier hebben ze een periode van onrust achter de rug en zijn hier echt aan toe. Werken aan je eigen tuin, het planten van wilde struiken en fruit, een groentetuin, het werken aan een plek voor een tiny house. Ik sta versteld over wat er broeit. En dan blijkt er ook nog vlakbij een permacultuurtuin te zijn bij een jonge boer. Daar wist ik niets van! Hij verkoopt heerlijke groente en het is maar zes kilometer. Alles waar we al zolang over praten lijkt steeds dichterbij te komen. We weten het al zo lang. De ketens moeten korter. De banden moeten worden aangehaald. Liefde voor je woonerf, vertrouwen in de buren. Kromme komkommers van het seizoen, en geen sjacherijnig geplastificeerd groen staafje, dat voor het stapelgemak niet meer krom mag zijn. Wat kronkelen wil, krijgt weer een kans. Stap voor stap.

De laatste vrouw staat naast me. „Wat mooi dat je dit zegt,“ zegt ze „Ik ervaar precies hetzelfde. Al die plannen, al dat heen en weer gedoe! Ik hoef niet alles van te voren te weten. Het hoeft niet precies te passen. Ik begin gewoon. Ik ga weer wilde bomen en struiken in mijn tuin zetten. Ik ga genieten en kijken wat er gebeurt. Dank je!”
Ik zie haar langzaam verdwijnen in de mistige horizon. Dan graaf ik verder. Ik heb iets ontdekt. Ik maak hoeken in de geul, zodat de wand niet recht loopt, maar onregelmatige inhammen krijgt. De wortels worden zo uitgedaagd om ook de geul uit te groeien. Anders zijn ze geneigd om daarbinnen te blijven hangen!
Opeens gaat er mij een licht op. Met mensen is het immers net zo! Alles wat er nu gebeurt zegt het. Het is tijd om onze oude geul uit te groeien. Om te kijken op een hoek waar je nooit kwam. Zonder grote doelen. Alleen maar een schep in de hand, of een bezem. Of een stoepkrijtje of wat dan ook. Iets simpels doen wat je nooit doet, op een plek waar je wel kwam, maar die je nooit goed bekeken hebt. Misschien is het wel voor je eigen deur, in je eigen straat, waar je altijd doorheen bent gereden, keihard. En al doende, zonder grote doelen, vind je daar misschien wel iets, waarnaar je altijd al op zoek was. Dichterbij dan je ooit had kunnen denken. Het begint bij het groeien buiten de geul. Vlak voor je eigen deur.

.

Echoes uit verre tijden

.

.

Luister hier naar het tweedelige verhaal, zestien minuten.

Echoes uit verre tijden.‭ ‬Ze leven in woorden,‭ ‬in beelden rondom ons.‭ ‬Maar ook leven ze nog altijd voort als mensen,‭ ‬van vlees en bloed.‭ ‬Het zijn de Assepoesters van onze wereld.‭ ‬Het wordt tijd dat we ze zien. ‬Wanneer krijgen ze hun gouden schoenen?

Daar sta ik dan,‭ ‬met mijn Rijdende Verhalenhuis,‭ ‬midden tussen de mistige weilanden.‭ ‬Langzaam breekt de zon door.‭ ‬Ik kijk uit het raam en ben verbaasd.‭ ‬Ik heb net iets ontdekt.‭ ‬Een magisch woord is het,‭ ‬uit een ver verleden.‭ ‬Het was zo’n‭ ‬woord dat plotseling opduikt in mijn gedachten.‭ ‬Het past precies in het grote verhaal.‭ ‬De inspiratie engeltjes zitten daarboven op hun wolkje en zijn goed in timing.‭ ‬Ik vermoed hun aanwezigheid,‭ ‬al zie ik ze nooit.‭ ‬Ik houd mijn armen vrij en leeg,‭ ‬om te kunnen ontvangen.‭ ‬Ik zet dikwijls andere zenders uit om te luisteren.‭

Dat kan niet iedereen.‭ ‬Dat komt door de koorts.‭ ‬De koorts is overal.‭ ‬Vreselijk.‭ ‬Het niet meedoen in de koorts,‭ ‬dat is mijn allergrootste goed.‭

Koortsigheid,‭ ‬het niet kunnen stoppen.‭ ‬Net als koning Midas met zijn wens om goud,‭ ‬of als de vrouw van Piggelmee die steeds veeleisender werd en vervolgens alles verloor.‭ ‬Het hebberige stiefkind dat goud wenste.‭ ‬Ze ging naar Vrouw Holle,‭ ‬bemoedigd door haar‭ ‬moeder.‭ ‬Ze baandde zich ruw en medogenloos een weg.‭ ‬Ze kwam bij het huis van de mythische vrouw en oogstte pek en padden als beloning.‭ ‬De sprookjeswereld zit vol van zulke verhalen.‭ ‬Het moet verder en groter,‭ ‬het moet nóg meer en nooit is het genoeg.‭ ‬Het gevolg van al die dwaasheid wordt keer op keer uit de doeken gedaan.‭
Ik hoor veel mensen hardop denken dat dat nou eenmaal bij de mensheid hoort.‭ ‬In talloze artikelen wordt het herhaald.‭ ‬Net als overbevolking.‭ ‬We zijn als gistcellen,‭ ‬zegt Jelle Reumer.‭ ‬We vermeerderen ons tomeloos.‭ ‬Ja dat is zo.‭ ‬Maar dan gaat hij door:‭ ‬We verpesten onze eigen omgeving.‭ ‬En als we dat blijven doen,‭ ‬dan gaan we uiteindelijk allemaal dood.‭ ‬Net als gistcellen in een fles wijn.‭ ‬Hij schreef:‭ “‬De ontplofte aap‭“‬.‭ ‬Ik luister naar hem,‭ ‬op een podcast van de VPRO.‭ ‬Hij doet iets waar ik me al een tijdje aan stoor.‭ ‬Hij praat steeds over‭ ‘‬we‭’‬.‭ ’‬We‭’‬,‭ ‬als mensheid.‭ ‬Verbouwereerd luister ik naar zijn woorden.‭ ‬Ik kan er maar niet aan wennen.‭

Want we zijn niet de enigen.‭ ‬Er is nog steeds de Andere Mens.‭ ‬Sinds mijn zestiende ben ik geraakt door hen,‭ ‬die al duizenden jaren in een omgeving leven,‭ ‬die nooit veranderd is.‭ ‬Driehonderd miljoen mensen,‭ ‬dat is het aantal inheemsen op aarde.‭ ‬Mensen die nog altijd leven in een andere cultuur dan onze.‭ ‬Hondervijftig miljoen van hen leven nog steeds in stamverband,‭ ‬op oude grond.‭ ‬De Masaï,‭ ‬de Pigmeën,‭ ‬de Guarani….Talloze minderheidsculturen zijn er,‭ ‬die een heilig respect hebben voor hun leefomgeving.‭
Maar hun bestaan wordt maar al te vaak weggezet als een mythe.‭ ‬Hun woorden verdwijnen in het niets.‭ ‬Hun land wordt almaar kleiner.‭ ‬Het land gaat op in koorts.‭ ‬Grondstoffen worden vervoerd over de hele wereld.‭ ‬Bomen gaan in rook op.‭ ‬Even koortsachtig zoekt degene die dit veroorzaakt,‭ ‬naar oplossingen voor het enorme probleem dat hij schept.‭ ‬Hij loopt in een kringetje.‭ ‬Hij gaat door omdat hij door moet gaan.‭ ‬Merkwaardig genoeg denkt de koortsige mens dat‭ ‬hij de enige‭ ‬is in zijn soort.‭ ‬Maar nog altijd is er die Ander.‭ ‬De Andere Mens.‭
Wie is dat,‭ ‬de Ander‭? ‬De Ander,‭ ‬dat is een toevallig en onaf wezen,‭ ‬dat geen enkele macht bezit.‭ ‬Eigenlijk denkt de koortsige mens net zo over die Ander,‭ ‬als Thomas van Aquino in de Middeleeuwen over de vrouw.‭ ‬Nog steeds,‭ ‬na al die eeuwen.
Opgegroeid in onze eigen moderne bubbel en besmet met de koorts,‭ ‬ziet hij die Ander niet.‭ ‬Nog steeds niet.‭ ‬Al staat hij pal voor zijn neus.‭ ‬Dan nog zegt hij:‭ ‬Het is er maar eentje.‭ ‬Dit is een uitzondering.‭ ‬Een geestverschijning.‭ ‬Eigenlijk bestaat hij niet,‭ ‬hij is een mythe.‭ ‬Een romantische verhaal van lang verleden.‭ ‬Uit de tijd.‭
Maar ze zijn er nog steeds.‭ ‬Ze zijn akelig echt,‭ ‬de inheemse mensen.‭ ‬De nood is groot.‭ ‬Ze hebben een dringende boodschap.‭ ‬Die wordt steeds dringender.‭ ‬Er is wanhoop en woede.‭ ‬Hoelang duurt het nog voor we ze zien‭? ‬Hun verhaal is geen romantisch sprookje,‭ ‬het is lang en schrijnend,‭ ‬vol geweld,‭ ‬ontkenningen en misverstanden.‭

‘De arme mensen,‭ ‬die zo dicht bij hun landschap staan omdat ze er volledig van afhankelijk zijn‭ – ‬het zou weleens zo kunnen zijn dat zij de principes van een duurzaam leven beter beheersen dan degenen die rijk zijn,‭ ‬westers onderwijs hebben genoten,‭ ‬en de beslissingen nemen bij de VN.‭’ (‬Ole-Morindad en Terrence Mc Gabe in de Correspondent‭)
Wuarani,‭ ‬Amazonegebied:‭ ‚‬Het kostte ons duizenden jaren om het Amazone-regenwoud te leren kennen.‭ ‬Om haar wegen,‭ ‬haar geheimen te begrijpen,‭ ‬om te leren hoe we met haar kunnen overleven en gedijen.‭ ‬Dit bos heeft ons geleerd licht te lopen.‭ ‬Omdat we naar haar hebben geluisterd,‭ ‬geleerd en verdedigd,‭ ‬heeft ze ons alles gegeven:‭ ‬water,‭ ‬schone lucht,‭ ‬voeding,‭ ‬onderdak,‭ ‬medicijnen,‭ ‬geluk,‭ ‬betekenis.‭ ‬En voor mijn volk,‭ ‬de Waorani,‭ ‬kennen we jullie pas‭ ‬70‭ ‬jaar.‭ ‬We werden in de jaren vijftig‭ “‬gecontacteerd‭” ‬door Amerikaanse evangelische missionarissen.
Ik heb nooit de kans gehad om naar de universiteit te gaan en dokter te worden,‭ ‬of advocaat,‭ ‬politicus of wetenschapper.‭ ‬Mijn oudsten zijn mijn leraren.‭ ‬Het bos is mijn leraar.‭ ‬En ik heb genoeg geleerd.‭ ‬Ik spreek schouder aan schouder met mijn inheemse broers en zussen over de hele wereld,‭ ‬om te weten dat je de weg kwijt bent en dat je in de problemen zit.‭ ‬Hoewel je het nog niet helemaal begrijpt.‭ ‬Uw probleem is een bedreiging voor elke vorm van leven op aarde.
‭(‬Nemonte Nenquino,‭ ‬leider van de Waorani,‭ ‬Aamazonegebied,‭ ‬in The Guardian‭)

Wetenschappelijk onderzoek naar inheemse volkeren‭ (‬Scientas‭)‬:‭ ‬Voor de toekomst van onze biodiversiteit,‭ ‬zal samenwerking met inheemse stammen cruciaal zijn.‭ ‬Het totaal aantal vogels,‭ ‬zoogdieren,‭ ‬amfibieën en reptielen waren het hoogst in gebieden die beheerd werden door inheemse groeperingen.‭ ‬De grootte en locatie van de gebieden bleek verder geen invloed te hebben op de soortenrijkdom.‭ “‬Van kikkers en zangvogels tot grote zoogdieren zoals grizzlyberen,‭ ‬jaguars en kangoeroes:‭ ‬de biodiversiteit was het rijkst in inheems beheerde gebieden,‭” ‬concludeert co-auteur Ryan Germain.‭ ‬Onderzoeksleider Richard Schuster vult aan:‭ “‬Dit suggereert dat de manier waarop inheemse groeperingen het land beheren de biodiversiteit hoog houdt.‭” (‬Scientas,‭ ‬Vivian Lammerse‭)

Masaï in Tanzania trekken al‭ ‬1500‭ ‬jaar met hun koeien:‭ ‬Ole-Morindat legt uit dat hun koeien in de droge tijd afvallen.‭ ‬Soms verliezen ze de helft van hun gewicht in de regentijd.‭ ‬De grassen drogen op,‭ ‬het water trekt eruit.‭ ‬De koeien drinken en eten dan nog maar weinig en geven dan nauwelijks melk meer.‭ ‬Ook de mensen vallen af.‭
Dat is onderdeel van Enkutu,‭ ‬vertelt Ole-Morindat.‭ ‬Enkutu verwijst naar een filosofie van grote spirituele betekenis,‭ ‬die aandringt op‭ ‬eigen verantwoordelijkheid en behulpzaamheid.‭ ‬Het staat voor het respecteren van de natuur waarvan al het leven afhangt,‭ ‬waar en wanneer dan ook.
‭‘‬Enkutu‭’‬,‭ ‬zegt Ole-Morindat,‭ ‘‬laat ons naar de toekomst kijken met hoop,‭ ‬moed en enthousiasme.‭ ‬In de droge tijd zijn wij allemaal bereid om honger te lijden en elkaar te helpen,‭ ‬zodat onze koeien blijven leven en onze omgeving niet kapot gaat.‭ ‬Wij zijn verzekerd van onze omgeving.‭ ‬Waar ik woon,‭ ‬ziet alles er nog precies zo uit als in‭ ‬1940.‭ ‬Minus de wegen en elektriciteitspalen.‭’
Honger is niet iets om romantisch over te doen.‭ ‬Maar volgens Ole-Morindat zijn Masai ervan doordrongen dat dit nodig is voor het behoud van de natuur en hun manier van leven op de lange termijn.‭ ‘‬Onze manier van leven is niet alleen een economische overweging‭’‬,‭ ‬zegt hij.‭ ‘‬Het pastoralisme is diep verankerd in ons sociale en ons spirituele leven.‭ ‬Het bepaalt ons volledige zijn,‭ ‬waar wij ons thuis voelen,‭ ‬en hoe we veranderen.‭ (‬Ole-Morindad in de Correspondent‭)

Hier spreken mensen met wijsheid en pijn.‭ ‬We kunnen van ze leren.‭ ‬Waarom worden ze niet gehoord‭?

Het is de koorts.‭ ‬Die leidt tot gloeiende hebzucht.‭ ‬Tot heetgebakerde twist en oorlogen.Tot vurige ambities.‭ ‬Tot technologische luchtkastelen die steeds verder opstijgen van de aardbodem.‭ ‬De bodem,‭ ‬de bodem‭! ‬De groei-economie gloeit van koorts.‭ ‬Dat is waar ze op draait.‭ ‬Koortsig gaat ze voort.‭ ‬Als een dolle.‭ ‬Waar zijn de voeten in aarde‭?
Misschien is er magie bij nodig,‭ ‬om van die doorgedraaide wereld los te komen.‭

Ik zag vandaag tot mijn stomme verbazing dat er een heel oud toverwoord is.‭ ‬Een woord om te genezen.‭ ‬Een toverwoord dat we allemaal kennen,‭ ‬zonder de eeuwenoude magie ervan te beseffen.‭ ‬Het zijn echoes uit de oertijd van onze beschaving.‭ ‬Het lag al voor onze jaartelling op de lippen van verre voorouders.‭ ‬Voorouders,‭ ‬die onze tijd met ontsteltenis gadeslaan.‭ ‬Het komt uit het Hebreeuws,‭ ‬maar ook uit het Grieks.‭ ‬Geloof er in of niet.‭ ‬Dit is het woord,‭ ‬en dit betekent het:‭

A B R A C A D A B R A
A B R A C A D A B R
A B R A C A D A B
A B R A C A D A
A B R A C A D
A B R A C A
A B R A C
A B R A
A B R
A B‭
A

V e r m i n d e r‭ ‬u w‭ ‬k o o r t s.‭ (‬Gelijkzijdige driehoek,‭ ‬vormgeving volgens de gnostici‭)

Achtergrond: In 2019 is ondubbelzinnig erkent hoe belangrijk inheemse volkeren zijn voor de biodiversiteit. Belangrijk artikel nav het 1800 pagina’s tellende rapport van de VN. https://www.reutersevents.com/sustainability/indigenous-people-are-guardians-global-biodiversity-we-need-protection-too


Organisaties die inheemse volkeren waarderen:
UNEP. (United Nation Environment Program)
ILC (International Land Coalition)
IIFB (International Indiginous Forum of Biodiversity)
CBD (Convention on Biological Diversity)
IUCN: International Union for Conservation of Nature. 86 countries >1000 organisations. Sinds 2018 hebben inheemse volkeren een kleine stem. (IPO’s)

Survival International, ondersteunt inheemse mensen in stamverband en komt op voor hun rechten. Hun plek in de wereld is holistisch gezien opbouwend voor mens en natuur wereldwijd.
Ook FERN: https://www.fern.org/fr/ressources/how-the-eu-biodiversity-strategy-can-protect-and-restore-forests-and-rights-2223/

Inmiddels zijn er vele miljoenen “conservation refugees.” Dit vormt zelfs een grotere bedreiging dan het klimaat, of landgrab door Multinationals. Er zijn vijf grote NGO’s die de natuur beschermen ten koste van de oorspronkelijke beheerders, die het gebied soms al duizenden jaren in stand hielden. Door inheemse leiders worden ze BINGO’s genoemd. Big International NGO’s. Dit zijn: CI = Conservation International, TNC = The Nature Conservancy, WWF = Worldwide Fund for Nature, AWF = African Wildlife Fundation, WCS = Wildlife Conservation Society.

Verboden doorgang naar het Oude Pad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  11,5 minuut.

.

Mijn vouwfiets staat in de hooischuur. Ik loop erheen. De schuur is nu nog leeg, maar dat duurt niet lang meer. Volgende week gaat de boer hooien, en moet ik hier weg zijn. Maar nu geniet ik nog van de gastvrijheid, en van het plekje dat ik op zijn erf heb gekregen. Ik wil net op mijn fiets stappen, wanneer de beste man aan komt lopen. Hij vraagt waar ik heen ga. Ik leg het uit. Ik wil naar het pad dat tegenover de betonblokken ligt, bij de drukke weg. Hij weet meteen wat ik bedoel. ‚Het Oude Houtpad!’ roept hij. Hij wenst me veel plezier.

Ik bind een krukje en mijn tekenblok achterop de fiets. Ik wil die betonblokken vastleggen,  die het Oude Pad van de dorpelingen blokkeert, bij de snelweg. Ik rijd naar het smalle paadje, dat tussen de huizen doorloopt. Het dorp is in een lange sliert aan een weg gebouwd, een lintdorp. Al snel ben ik achter de huizen. Hier ligt een klein weiland. Aan de andere kant van het pad grenst een zonovergoten maisveld, omzoomd door bomen.

Overal zijn bomen in dit land. Het is een totaal ander landschap dan ik tot nog toe ken van Friesland. Dit is het oude veengebied, de rand van het land dat de zee niet meer kon bereiken. In de ijstijd was dit de strook waar gigantische ijsmassa’s al het leven wegveegden, en grote stenen met zich meenam, helemaal uit Scandinavië. Hier vormde zich de Lindevallei, vol dotterbloemen en ratelaars. Later is de Linde gekanaliseerd. Dat bleek funest voor het moerasgebied. Un deze eeuw zijn een aantal meanders weer open gelegd. Op de oevers groeien nu bomen, afgewisseld door groene weiden. Als je iets verder naar het zuiden gaat, ben je er al snel. Het reservaat rond de Linde is niet zo groot als het Drents-Friese Wold. Dat ligt nóg verder, tien kilometer naar het Oosten. Dit bos beslaat wel 6000 ha. Dat is bijzonder. Want Nederland scoort met zijn natuur het slechtst van heel Europa. Toch is dit gebied één van de belangrijkste van ons continent daarom is het een Natura 2000 gebied.

Maar dat weet ik allemaal nog niet, als ik het smalle pad opfiets, op weg naar de verboden doorgang. Ik weet alleen dat ik naar het mooiste paadje ga dat je hier kan vinden. Dat zei een oude dorpsbewoner. En daar luister ik graag naar. Het is maar een klein bosje, zei hij. In vroeger tijden was zo’n bosje heel belangrijk, voor brandhout, gereedschapsstelen en andere gebruiksvoorwerpen.

Aan het einde van het smalle pad duik ik met mijn fiets onder de takken door. Bijna meteen al zie ik de blokken liggen en ik trap op de rem. Een zestal betonblokken liggen omvergeworpen in het gras en over het verzande grindpad. Dit is dus de plek waar ik niet langs mag van de gemeente. Braamstruiken en brandnetels groeien om de blokken heen. Het zijn grote joekels van stenen. Als ze op elkaar zouden liggen, dan had je hier een muur van 1.80M hoog. Dit hebben de jongeren dus omver geworpen. Een knap staaltje.
Ik zet mijn fiets neer en klim over één van de blokken heen. Erachter razen mensen in auto’s voorbij. Die mensen moesten eens weten, hoe mooi het hier is! Hoe vaak zijn ze hier al langs gereden?
Ik kijk naar links en naar rechts en schiet gauw de weg over. Daar is een breed grindpad, dat tussen de bomen doorloopt. Er staan een paar grote huizen langs en het loopt dood bij een boerderij aan het einde. Daar kan ik een klein paadje in. Ik loop langs een heuphoge houtwal, die al enorm oud moet zijn. Er staan vermolmde boomstammen in die zo als kunstwerk het museum in zouden kunnen. Alleen zullen ze daar nooit zo mooi zijn als hier, zoals ze deel uitmaken van deze plek, de geschiedenis van deze grond. Er groeien vlierstruiken in en berken. De houtwal is een oude manier om eigendom af te bakenen. Tegenwoordig komt dat weer helemaal terug. Ook goed voor de egeltjes!

Ik loop zachtjes, het pad is smal en het veert een beetje onder mijn voeten. Het is heel stil en er staat bijna geen wind. Ik zie niemand en hoor ook geen vogels. Of ja, daar hoor ik het blikachtige geratel van een roodborst. ‚Pas op! Een mens!’ roept hij. Of waarschuwt hij vanwege de buizerd, die rondcirkelt boven de naastgelegen weide? Ik weet het niet en loop verder. Hoewel het om me heen een wildernis lijkt, is het pad goed onderhouden. Dicht opéénstaande hulstbosjes zijn zo gesnoeid dat het bijna een heg is. Dat moet wel, anders is er geen paadje meer. Er staan berken en dennen. Ik ontdek hulstbomen, zoals ik nog nooit van mijn leven heb gezien. De stammen zijn bijna een halve meter dik! In het Drents Friese Wold staan ook zulke grote, hoor ik later. Het is hier verboden ze om te zagen. Ik kijk mijn ogen uit. Wauw!
Ik onderzoek alle paadjes die er zijn. Ik zie eikenstammen, waar keer op keer takken van zijn afgescheurd. De boom heeft de wonden omhuld met nieuw hout. Het resultaat is verbazingwekkend. De onderstammen zijn kort en vol rondingen. Het lijken wel vrouwenlichamen, wulps en weelderig. Ze hebben alleen geen hoofd. In plaats daarvan steken nieuwe jonge takken omhoog, tjokvol levenslust.

Verder ga ik, tot vanuit de donkerte opeens het licht uitbarst. Een veld ligt tussen de bomen in als een kleurrijke verrassing. Tussen het bloeiende gras groeien gele bloemen als margrieten zonder wit, en korenbloem. Wespachtige vliegen helicopteren zorgvuldig van de ene bloem naar de andere. Speurend kuier ik door. De zee van licht duurt niet lang, het pad maakt een bocht en gaat weer het bos in. Het is al laat in de middag, en de zon maakt gouden vlekken op het verstilde volk van stammen. Ik zie een den met een breed uitgegroeide kroon. Ideaal om in te klimmen! Ik aarzel. Hij staat vlak naast een soort dal, waar alleen kleine struiken staan. Het geeft een mooi overzicht en het ziet er aanlokkelijk uit. Zal ik het doen? Ik loop tussen de bomen door.

Dan sta ik getroffen stil. In de schuin oplopende rand van het dal, zit een enorm gat. Ervoor ligt een dik bed van vers geel zand, bovenop de zwarte bosgrond. Er staan allemaal pootjes in. Afdrukken als van katten, met kussentjes bij de tenen. Dit moet een dassenburcht zijn! Nog nooit heb ik er één gezien. Eerbiedig kijk ik ernaar. Er is geen sprake van, dat ik nu in die den ga klimmen. Stilletjes loop ik terug.

Daar staat mijn fiets. Ik zet het krukje op de grond en kijk. Pas na een poosje vis ik het schetsblok uit mijn rugzak en teken de eerste lijnen van de betonblokken. Ik stel me voor dat ze hier altijd zo blijven liggen, tot de dag dat alle auto’s op kerkhoven liggen te vergaan en de asfaltwegen stukscheuren door boomwortels. En dan nog altijd liggen hier de blokken die de sterke jongens van ’Ool Pae’ wisten om te krijgen.

Wat zijn er een verhalen, overal waar je kijkt kan je ze zien. Als je maar langzaam gaat.

.

Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

Hommelles

4 juli 2015 015

Bij de ingang naar de douches van de minicamping. Daar zat het. Een flink hommelnest, lekker droog en warm in de steenwol. Ze vonden hun weg door een kier in het houten kastje, dat om de waterleiding heen was gebouwd. Het leek ons geen goed idee, een hommelnest op een publieke plek. Hoewel ze niks doen en niet gevaarlijk zijn, leek het  toch beter ze naar elders te verhuizen.

Ik wist niet hoe dat zou gaan. Even later ligt het nest ligt in stukken uit elkaar. Met de hooivork heeft Ton, de beheerder, de steenwol weggeplukt dat om de waterleiding heen zat. Hij was bang om aangevallen te worden en vernielde het nest op veilige afstand. Het ligt in dikke vlokken overal en ergens en tientallen hommels vliegen opgewonden in het rond. Op de grond ligt een kleverige klont gemaakt van ronde bolletjes. Zijn dat de raten? Gefascineerd kijk ik ernaar. Verdrietig ook. Het voelt als heiligschennis. Dat kan ik niet zo laten luggen. Ik richt me tot Ton. “Ik maak het wel af. Ik stop alles in een stalen mand. Kunnen ze daar hun nieuwe nest maken.”
“Dan zou ik wèl iets anders aan doen!” lacht Ton. Ik kijk naar mijn blote armen die uit mijn lange zomerhemd steken. “Misschien niet nodig, maar ik doe het toch maar,” antwoord ik. Ik heb nog nooit een hommelnest verhuisd.

Ik trek een dikke trui aan, een broek en klompen. Over mijn hoofd doe ik een dunne zijden doek, die ik op zijn plek houd met een strooien hoed. Roze is de zijde en ik kan er zo doorheen kijken. Nu lijkt het net een imkerpak. Met dikke gevoerde handschoenen aan kan mij niets gebeuren. Ik loop terug naar de puinhopen van het nest. Er kruipen en vliegen veel hommels rond, kleintjes en grotere. De kleintjes kunnen mannetjes zijn en de grotere de werksters. In de hoek ligt een hele grote dode hommel. Eén van de koninginnen? Zou ze al lang dood zijn?  Ik kan nu alles zien, zo bijzonder!
Ik heb de mand klaargezet, pal naast het kapotte nest. Voorzichtig pak ik een dik stuk isolatie en leg het er in. Ik herhaal het, tot de bodem vol is. Dan leg ik de raten er in, precies in het midden. Ik maak de mand helemaal vol, tot de rand. De Hommels worden drukker en een een stuk of drie zoemen keihard bij mijn oor. Toch een beetje eng. Maar ze doen geen enkele poging om me te steken. Ik wist wel dat hommels doodgoeie beestjes waren en toch verrast het me. Nu hun nieuwe huis klaar is laat ik ze toch eerst maar even met rust.

.

2 juli hommels 007

.

Een uur later keer ik terug. Gewoon in mijn hemd. Ik kijk naar de plek waar het oude nest zat. Het gele isolatie is nog niet allemaal weg. Sommige hommels sjouwen zinloos rond met plukken steenwol, anderen kruipen weg in de laatste restjes. Ik moet echt alles weghalen, des te eerder is deze zielige verwarring voorbij. Met blote handen en slechts in mijn hemd, haal ik stukje bij beetje alles er uit. De hommels zijn niet meer in me geïnteresseerd. De allerkleinsten lopen hulpeloos rond. Zijn dat mannetjes? Als ik mijn vinger voor ze neerleg kruipen ze er op alsof het een reddingsboei is. Eén voor één breng ik ze naar het kersverse hol van hun nieuwe huis in de mand van dik ijzerdraad. De slimste en ijverigste werksters hebben alweer een gang gemaakt. Daar stop ik de kleinere stumpers in en ze kruipen meteen naar binnen.
Ik maak de oude nestplek zo goed als leeg. Uiteindelijk is er nog één hommel die het maar niet begrijpt en druk blijft zoeken. Hij wil ook niet op mijn vinger. Ik laat hem maar. Vroeg of laat komt er vast wel een nestgenoot, die hij kan volgen.

.

hommelnesttafel

.

Al snel zijn alle hommels vertrouwd met het nieuwe nest. Het is iets moois geworden. Ik heb een tafel voor ze gemaakt, als dakje. Een tafel vol hommelteksten en tekeningen. Een heel educatieproject. Nu schuiven we het hommelhuis elke dag een meter op. Over een week of twee staat het tegen de muur van de schuur, vlak bij de fruitbomen. Een mooie plek om verder te hommelen.

.

PS Ik heb de pagina “Over mij” veranderd. Voor een breder beeld van mijn levensproces, Klik hier en lees.

.

.

.

Hommel les

.

.

…..