Spiegel van het verleden

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

.

Dit jaar maakte ik een wandeltocht in Friesland. Onderweg kreeg ik gezelschap van een bijzondere reisgenoot.

“Tocht langs kantelende wegen,“ dat is de titel van het boek, dat ik schrijf. Dit jaar maakte ik een tocht van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Mijn wielen rollen over kantelende wegen. Hoe sneller een auto gaat, des te schever is het wegdek als je de bocht om gaat. Dat percentage is berekend, en wordt overal toegepast. Het houdt je voertuig in balans. Eigenlijk heet het “verkanting” maar ik vind kanteling toepasselijker. De wegen kantelen steeds vaker, want het verkeer gaat hard.
Maar ik ben geen snelle weggebruiker. Ik ben een voetganger met een elektrische mover van 150 kilo aan de hand en daarachter een Wandelhuis. Ik ga maar 3 kilometer per uur.
Alles gaat sneller en sneller. Voor mij is dat een metafoor. Want de kantelingen gaan verder dan de weg alleen. Het is een tijd van kantelingen, waarden die lange tijd heilig waren, werken niet meer.

Door langzaam te reizen, hoop ik die veranderingen te kunnen zien, de kiemen van wat er komt. Op mijn eerste reis heb ik veel gezien en bijzondere dingen meegemaakt.

Elke dag beschreef ik het landschap en de ontmoetingen die ik had. Ik hoopte dat ik onderweg gesprekspartners zou ontmoeten, die met me mee zouden wandelen. Maar ik liep alleen. Dat bleek precies het juiste. Er was namelijk een andere reizigster, die met me meeging. Gaandeweg ontdekte ik haar. Een vrouw die lang geleden leefde, Auck van Hearsma. Zij leefde van 1705 tot 1786. Ze leefde óók in een tijd van kantelingen. De kerk verloor steeds meer macht. Het was de tijd van de Verlichting, van het intellect en de waarneming. Het was de tijd van Eise Eisinga die met verbazingwekkende precisie zijn planetarium bouwde, een kopie van ons zonnestelsel in beweging. En vooral was het een tijd van groeiend zelfbewustzijn en opstanden.

Auck groeide op in een adellijke familie en trouwde op haar 25e. Kinderen kreeg ze niet. Haar man stierf toen ze 37 was. De mijne ook en ook ik had geen kinderen. Ze hield net als ik, van eenvoud en was nieuwsgierig en intelligent. Ze maakte lange voettochten door Friesland. Van opsmuk hield ze niet, en de dikke lagen lange rokken, die de andere adellijke vrouwen droegen vond ze verschrikkelijk. Ze ging zelfs zo eenvoudig gekleed, dat ze soms zelfs werd weggestuurd met de woorden: „Aan de deur wordt niet gekocht!“

Door haar word ik een andere tijd ingeleid. Ze maakt veel mee. Haar man is zeven jaar overleden, wanneer de pleuris uit breekt, aangestoken door de rellen in Groningen en de rest van het land. In de rest van Nederland zijn ook opstanden, maar die zijn anders van karakter. Men eist daar vooral een nieuwe stadhouder. In Friesland is al een stadhouder. Hier hebben de mensen andere wensen. Eisen, die uiteindelijk pas in 1852 gemeengoed zullen worden.

Door haar kom ik terecht tussen woedende boeren, die niet alleen belastingverlaging eisen, maar ook stemrecht voor iedereen, een einde aan de bonussen, in die tijd “tractaten“ genoemd. Ze eisen een einde aan de vriendjespolitiek, waarin de adel elkaar bijbaantjes geeft, en onder elkaar het geld verdeelt wat uit belastingen wordt verdiend. Er staan meer eisen op het lijstje, maar deze vind ik het meest opmerkelijk, vanwege hun gelijkenis met onze tijd.

Verbaasd volg ik haar verhaal. Ik denk aan de gele hesjes en de maatschappelijke verontwaardiging over bonussen. Ik denk aan grote bedrijven als Amazon, Bayer-Monsanto, Shell, die net zo machtig lijken te zijn als de 28 adellijke families die in de tijd van Auck in Friesland woonden.
En is het spoor van de Verlichting ten einde? Ik denk het niet. Ik denk aan al die mensen, die niet langer willen dienen als een radertje in de groei-economie, die op zoek zijn naar hun authentieke zélf, en die hun eigen beslissingen willen nemen.

De Verlichting betekende in de zeventiende en achttiende eeuw een tijd voor persoonlijke groei. Door de industrialisatie groeide ook de materiële welvaart. Dat heeft veel opgeleverd. Maar we zijn te ver doorgeschoten en het heeft ons op een dood spoor gebracht. En nu onderzoeken we wat werkelijk van waarde is.

Auck geeft niet om geld. Toch stroomt het van alle kanten naar haar toe, want haar rijke zwager, die tal van lucratieve bestuursbaantjes heeft gehad, heeft geen kinderen. Ze sterft in haar landhuis in Menaldum. Op haar erf lopen allerlei dieren rond, halfwilde zwijntjes, runderen, kippen, en honden, alles dwars door elkaar heen. Zelfs in huis lopen ze. Haar laatste wens is dat al die dieren om zich heen te hebben. Haar trouwe huisknecht doet wat ze vraagt. Hij opent alle deuren en ramen, en drijft de dieren haar slaapkamer in. Omringd door haar levende have blaast ze de laatste adem uit.

Zal ik ook zo eindigen? Mijn tijd is nog niet gekomen. Gelukkig maar. Mijn reis is nog maar net begonnen! En er is nog veel te doen.

.

.

Ik schreef dit  voor tijdschrift ZOZ van Omslag, maar mocht het ook voor mijn blog gebruiken

.

Ontmoeting met een omdenker

.

.

[/audio]Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  7,5  minuten

.

Het is nog vroeg. Ik loop de oprit af, de smalle asfaltweg op. Voor ik aan het werk ga, maak ik een frisse ochtendwandeling. Ik kijk naar de lucht, de zon en de vogels en adem de ruimte in. Dat heb ik echt wel nodig, voor ik weer in het vierkante scherm duik, om verder te schrijven aan mijn boek. Voor ik de weg op stap kijk ik naar rechts, om de scherpe bocht kan van alles aankomen. Verderop, in de elektriciteitspaal, staat een ooievaar, in zijn nest. Ik hoor het geklepper van snavels.

Langzaam sjokkend kom ik bij het erf van de overburen, honderd meter verderop. Ze zijn allebei in de dertig, en ik weet dat ze kinderen hebben. Ze wonen in een mooi oud huis met een heel stuk grond eromheen. Er zijn jonge boompjes geplant en achter het hek lopen schapen met smalle horens, die recht naar voren steken. Zulke heb ik nog gezien! Altijd als ik er langs loop, staat er een bont beschilderd busje voor het huis. Verder zie ik nooit iemand. Maar vandaag wél!
Nu de regen en de wind voorbij is, wordt er gewerkt aan een hoge houten schuur, van donkerbruine planken. Ze zijn er allebei mee bezig. Op de oprit staat de vrouw van het stel, haar lange donkere haar valt over haar schouders. Ik sta stil, ze lacht naar me. „Heb je de ooievaars gezien?“ roep ik vanuit de verte. „Ja“ zegt ze en komt naar me toelopen. „En we zagen ook een tweede stel. Ik hoop op veel jonge ooievaars!“ Ze glundert.

Ik geef haar een hand ter kennismaking, en noem mijn naam. „O nee, dat mag niet!“ Geschrokken trek ik mijn hand terug en maak een sprongetje achteruit. Ze lacht. „Ik heet Syl,zegt ze. „Hier mag het wel hoor, wij zitten al wéken in quarantaine. Ik vind het heerlijk! Ik hoop dat het zo blijft, dat ik thuis kan blijven, met de kinderen.“ Ik luister geïnteresseerd naar haar verhaal.
Ze vertelt hoe fijn ze het vindt, dat de kinderen thuis school hebben. „Ze spijbelen nu ook niet meer. Dat deden ze vroeger nog wel eens. Het kan nu niet meer. Er is gewoon een knopje, wat je aanzet, en dan ben je er al. Perfect!“ Haar bruine ogen fonkelen van plezier. „Ik hoef nu niet steeds heen en weer met de auto om ze weg te brengen. Wat een gedoe was dat zeg, naast mijn werk. En dan ook nog het huishouden en de was, nee het leven is er een stuk beter op geworden nu we allemaal thuis kunnen zijn. Ik hoop dat het zo blijft.“

Ze hebben het getroffen hier, met zoveel ruimte. In de stad is dat heel anders, zeker als je maar een piepklein tuintje hebt of niet eens een balkon. Wat voor de één een zegen is, is voor de ander een hel. We vragen ons allebei af hoe deze crisis zal aflopen. Zouden mensen straks ook thuis kunnen blijven werken?

 

Dat de mensen nu thuis kunnen werken is fijn. De wegen zijn rustig, de lucht is schoner, er wordt veel minder brandstof verbruikt. Maar het heeft ook een andere kant.

Mensen vergaderen nu met elkaar via het programma Zoom. Dat bedrijf krijgt nu steeds meer macht, net als Facebook. Gelukkig  zijn er ook andere manieren om te vergaderen, bijvoorbeeld via het alternatief Jit.si.  Ik heb aan een videomeeting meegedaan en het werkte prima, op mijn smartphone. Op de computer kan je het beste met Google Chrome inloggen, of met Firefox. Dan werkt het goed.

 

We praten nog een poos door. Ze is optimistisch. Ze is een omdenker. Als ze tegen een probleem aan loopt, denkt ze altijd de andere kant op. „Dan vind ik altijd de oplossing!“ zegt ze slim. Ik zeg dat ik dat een mooie eigenschap vind. Dan ben ik even stil. Mijn blik gaat over de weiden, naar de Tjonger, die in de verte ligt. De lucht is stralend blauw en de wind is gaan liggen. „We boffen, Syl,“ zeg ik.

 

Artikel over online macht van overheden en bedrijven

Pagina van Omlslag met mogelijke Jit.si ontmoeting.

Artikel: Thuisonderwijs versterkt sociale ongelijkheid

.

 

Waar mensen elkaar treffen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zes minuten.

.

Waar tref je je buren, je collega’s, je landgenoten? Op de hoek, in de tuin of elders? Misschien op het strand van Zandvoort? Het zijn soms kleine gesprekken, maar je weet nooit waar het goed voor is. 

.

Al urenlang sta ik voor het raam te tekenen, de lessenaar ter hoogte van mijn middel op de vensterbank. Het is een fijn plekje om te werken, zoals ik altijd al heb gewild. Soms sta ik schuin voorover geleund met mijn voorhoofd tegen het raamkozijn aan, als mijn nek moe en pijnlijk wordt van de naar beneden geknikte stand. Hoelang ben ik hier al aan het werk, als een non, in stilte, met Annemarie als buurvrouw en aanspraakpunt? De buren heb ik nog nauwelijks gezien. Ik kreeg wel een paar nieuwjaarskaartjes. Die heb ik beantwoord met een uitnodiging. „Kom gerust eens langs,“ schreef ik. Maar daar is nog niet op in gegaan. Het geeft niet. Ik heb de stilte ook nodig om in te werken. Maar de laatste dagen begint het te kriebelen, is mijn concentratie vaker gebroken, als één van de vele krokussen in het gras, die zijn groene kiem boven de grond uitsteekt. De energie begint te sprankelen en laat zich moeilijker intomen.

De lucht is al de hele dag donkergrijs, net als gisteren. Toch heb ik aan het raam genoeg licht. Geconcentreerd arceer ik in rechte strepen de suggestie van blauwe lucht, tot ineens een fel licht op mijn witte papier schijnt. Ik knipper met mijn ogen en kijk op. De zon heeft een stukje blauw gevonden, niet groter dan een hemd. Verbaasd kijk ik ernaar.

Dan gaat mijn blik naar de weg, daar staan drie papiercontainers met blauwe deksels. Opeens schiet het me te binnen, Annemarie is weg en vroeg me die binnen te halen, aan het einde van de middag! Ik schiet in mijn schoenen en loop naar de overkant. Ik draai de grijze container iets opzij en zoek het huisnummer. Dan komt de buurman aanlopen.
„Hee, hallo buurvrouw! Ja die moet je hebben hoor! Kijk maar, daar staat het nummer.” Hij praat enthousiast verder. „Ik heb je gezien op televisie!“ Ik lach. Dus ik word toch gevolgd, al merk ik het niet. Hij vertelt dat hij lekker weg is geweest naar een sauna in Duitsland. „Waarom Duitsland?” vraag ik, maar dan komt er nog een man aan. Grappig, denk ik bij mezelf. Dat is dus de manier om aan de praat te raken. Het ophalen van de containers. De tweede man stelt zich voor. Ook hij heeft me op tv gezien. Hij heeft veel tijd voor dat soort dingen, want hij heeft iets gekregen waardoor hij zijn werk niet kan doen. Ik sta over mijn container gehangen en kijk beurtelings van de één naar de ander.

De zon is allang weer achter de wolken. Het begint te druppelen. „Ik ga gauw naar binnen,“ zeg ik. De twee mannen verdwijnen ook in hun huizen. Poppetje gezien, kastje dicht, en de container staat weer op zijn plek.

.

Nieuws: De Formule 1 racers mogen niet over het strand. Om files te vermijden had de gemeente Noordwijk toegezegd dat ze naar hun hotel mochten over het strand. Zandvoort twijfelde nog. Maar dit bizarre plan heeft internationaal comotie veroorzaakt en in Nederland zijn 50.000 handtekeningen opgehaald. Dit was genoeg om het af te blazen. Hoera!

Maar daarmee is de kous nog niet af. Want het circuit is er nog, en heeft dit jaar verruimde openingstijden gekregen: 300 dagen per jaar actie, staat er trots op hun kalender. Al mogen ze niet over het strand, hun feestjes gaan gewoon door en het worden er alleen maar meer. Dus combineer het actievoeren met het aangename, blijf naar Zandvoort gaan, koop een ijsje, leg je oor te luisteren en steun de kleine ondernemers die lijden onder dit asociale gedrag.

Kijk eens naar deze advertentie! En die vind ik nog wel op mijn milieuvriendelijke browser, Ecosia. Met de laatste overwinning hebben we misschien een stengeltje weggetrokken, maar er zit nog een gigantische wortel in de grond, van dit ongewenste kruid.

 

Hoe het racecircuit reclame maakt.

Teken hier de petitie om de racefeestjes in zijn geheel te beeïndigen.

Met vouwfiets de trein in

.

Soms word je verrast door ontwapenende eerlijkheid, iemand die zegt dat het hem spijt dat hij je onterecht heeft toegesnauwd. Zoals conducteur Hamas: “Soms moet je je kwetsbaar opstellen.”

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Ik sta te wachten op het perron van Almere. Ik ben uit geweest in Amsterdam. Van Amsterdam naar Heerenveen hoef je gelukkig maar één keer over te stappen. Met een wat grotere vouwfiets is dat toch wel fijn. Mijn grote tas heb ik achterop gebonden en het elegante leren rugzakje hangt aan het stuur. Hij is kapot, één van de banden is afgescheurd. Dus eigenlijk is het geen rugzakje meer, maar een onhandig fietsstuurzakje. Ik heb mijn fiets niet opgeklapt, dat sjouwt wat onhandig met een kapot rugzakje aan het stuur.

Daar komt de trein aan. Naast mij staat een jongen van een jaar of twintig, met een stoere zwarte fiets. „Waar moet jij er uit?“ vraag ik hem. Ik kijk nog eens naar zijn fiets. Die kan je niet opklappen. „Lelystad,“ zegt hij. „Ik moet naar Heerenveen! Dan moet…“ begin ik, en denk  na „Jij er het eerst in!“ vult hij grijnzend aan. Ik lach terug. De deuren staan al open. Ik til mijn vouwfiets naar binnen en kijk hoe ik hem nu zal op klappen. Dan komt er een conducteur tevoorschijn, die vanuit het niets lijkt te komen. „Ja mevrouw u maakt van uw probleem óns probleem!“ Roept hij boos.
Verbijsterd kijk ik hem aan. Waar heeft die man het over? „Het is hartstikke druk en wij proberen dat in goede banen te leiden, en behulpzaam te zijn. U kunt uw fiets gewoon opvouwen in een hoekje zetten, ziet u? Dan kan die jongen ervoor en dan kan er zelfs nog iemand zitten!!“ roept hij verontwaardigd.
„Ik probéér juist mee te denken,“ zeg ik. Ik begrijp nog steeds niet waar hij zich druk om maakt. Wat bedoelt hij? Wat bezielt die man? Hij ratelt nog een poosje door, zonder te stoppen. Dan zegt hij : „Maar kunt u zich ook in mij verplaatsen??“ Fel geef ik antwoord. „Ja! Natuurlijk!” roep ik welwillend. “Het is ook hartstikke druk!“ Hij knikt, kennelijk is hij gerustgesteld en loopt weg.

Ik ben in de war. Ik begrijp zijn uitval nog steeds niet helemaal. Als hij opnieuw langs me heen loopt voel ik me ongemakkelijk en gespannen. Ik kijk gauw uit het raam. Nee, denk ik dan, niet wegkijken. Gewoon rustig naar hem blijven kijken, vanuit je eigen hoek. Ik sta naast mijn fiets tegen de wand geleund en zie hoe hij na de laatste controles om de hoek verdwijnt, het hokje van de conducteur in. Zou hij nog terugkomen? Misschien kan ik het hem nog vragen.

Ineens komt hij weer tevoorschijn. Hij loopt recht naar me toe. Zijn bruine ogen staan helder in zijn bruin getinte huid. „Soms moet je je kwetsbaar opstellen,“ zegt hij en hij recht zijn rug. „Mevrouw, ik heb u onterecht toegesnauwd. Dat was niet juist. Ik kom terug omdat ik vanavond niet met een rotgevoel naar bed wil gaan, en voor u wens ik dat ook niet. Ik wil mijn karma graag schoon houden.“ Ontroerd kijk ik hem aan en pak zijn schouders beet. „Wat mooi!!“ roep ik. „O vind je het mooi? Nou dat is fijn.” Hij knikt en neemt wat meer afstand.  Ik ontspan en luister. “Weet je, je neemt soms dingen mee die eerder die dag zijn gebeurt. Ik had in de vorige trein gedoe met een meisje.“ Hij is even stil en kijkt naar de deuren, die nu dicht zijn. Het polderlandschap raast voorbij door de kleine raampjes. „Ze wilde eruit, met haar fiets. Maar ik was al aan het vertrekken. Ik spreidde mijn armen uit, om haar tegen te houden. Ze keek me kwaad aan. „Rustig!!“ snauwde ze. Nee, JIJ rustig! zei ik, ik ben bezig te vertrekken en ik wil niet dat je met je gezicht op de stenen belandt, tot bloedens toe kapot geschaafd.“
Ik luister geconcentreerd. Ja, ik weet dat treinpersoneel veel meemaakt, en dat er ook regelmatig ongelukken gebeuren. Zoiets blijft voor altijd op je netvlies staan. Toen ik jonger was deed ik ook dwaze dingen. Ik ben een keer zomaar het spoor over gerend om de trein te halen. De conducteur was laaiend. Ik mocht niet mee en iedereen keek naar me. Ik ging door de grond. Gelukkig ben ik nu wijzer. En ik begrijp hem goed. Zo’n meisje dat per se naar buiten wil en nergens rekening mee houdt, dat geeft stress.
„Ik ben een sociale man,“ gaat hij verder „Ik houd ervan om met al die verschillende mensen om te gaan, en we krijgen een uitgebreide opleiding van de NS, hoe dat te doen. We hebben huisregels, waar mensen zich aan dienen te houden. Maar ik houd er niet van om als een zure politie agent rond te lopen. Als het geen kwaad kan, dan zie ik het door de vingers. Het is veel beter om de sfeer goed te houden. Dat is het belangrijkste. Maar  als mensen geen rekening met elkaar houden, dan zeg ik daar wat van.

„Maar wat deed ik nou eigenlijk verkeerd met mijn vouwfiets?“ vraag ik. Hij kijkt me aan alsof hij wakker wordt. „Oh, je hoort hem op het perron in te klappen, en daar ook weer uit te klappen.“ Ik begrijp het meteen. Het balkon van de trein is niet groot. Als er veel mensen zijn, kan dat gedoe met in en uitklappen ergernis opleveren. „Ik zal er in het vervolg aan denken,“ beloof ik hem en ik meen het. Vaak helpen mensen mee als ik hem opvouw, maar de vorige keer, toen ik aan het hannesen was op een druk balkon, werd er iemand boos. Nu besef ik dat die vrouw in principe gelijk had. Hij knik nog eens. „Zo hoort het eigenlijk. Maar het is geen wet van Meden en Perzen. Ik zag ook wel dat u zoekende was, wat u moest doen. Het was niet terecht wat ik zei. Hoe vaak gaat u met de trein?“ vraagt hij „Oh, heel af en toe,“ zeg ik. Hij knikt, alsof hij dat al dacht. Hij grijpt in zijn heuptas, en pakt er een bonnetje uit. „Dit wil ik je geven,“ zegt hij „Mag ik -je- zeggen?“ Ik knik van ja, en neem de tegoedbon van hem aan. “Een consumptie ter waarde van 2,50,“ staat er op. Het is dezelfde die mensen krijgen bij code rood en blaadjes op het spoor, wanneer ze urenlang moeten wachten.
De trein stopt en de deuren gaan open. Er staat een vrouw met een kinderwagen. Opgewekt helpt hij haar tillen, informeert naar het kind en maakt grapjes over de zijne. Gemoedelijk blijft hij staan praten. Na een poosje vertraagt de trein opnieuw zijn snelheid. We naderen station Zwolle. De jongen met de zwarte fiets is er allang uit. „Ik moet hier overstappen naar het volgende treinstel, dus ik zie je niet meer,“ zegt hij. „Ik wens je nog een goede reis!“ Breed glimlachend stapt hij de deur uit.
„Hoe heet je?“ vraag ik hem gauw „Hamas,“ zegt hij „Hamas uit Den Haag!“ Ik knoop het in mijn oren. Op het laatste nippertje geef ik hem de high five. Dan draait hij zich om.

Als ik een poosje later uitstap in Heerenveen staat hij verderop in een openstaande deur naar me te kijken, vanuit het andere treinstel. Hij zwaait enthousiast, wanneer hij me ziet. Ik zwaai terug. Hoe snel kan je van iemand gaan houden. Ongelooflijk.

Thuis zoek ik de naam op. Hamas is een Marokkaanse jongensnaam en het betekent: Geestdrift, of verrukking. Ja, pit had deze man zeker!

.

Aan de rand van Nederland (Deel 2)

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min

Dit is deel twee van een tocht aan de rand van Nederland

De regen loopt in straaltjes van mijn gezicht. Ik loop door de Kennemerduinen, op weg naar Zappa, een trouwe blogvolger. Het is veel verder dan ik dacht, maar dat geeft niet. Ik houd ervan, dat dingen niet altijd zijn, zoals ik het bedacht had. Als de dagen te lang voortgaan volgens dezelfde routine, dan zoek ik het op, de dwaaltocht, het avontuur, het niet-weten. Het levert dikwijls een goed verhaal op en het maakt me levenslustig en opgewekt.  Zelfs al verdwaal ik. Ik heb het er allemaal voor over.
Ik heb al meer dan twee uur gelopen, door de duinen.

Ik heb een klein dwarspaadje genomen en nu ben ik de weg kwijt. Onder de grijze hemel groeit een dichte vegetatie van kale duindoornstruiken. De regen waait in dichte kleine druppels op mijn natte pak. Soms loop ik tussen de dennen en berkebosjes door, even uit de wind. Waar is het grote pad? Waar is het strand? Ik loop de bocht om en zie een wandelaar. Hij kijkt me stralend aan, blij nog een dappere ziel te ontmoeten. „Hoe kom ik bij de Zeeweg?“ vraag ik hem. Hij wijst. „Die kant op. De wind is Zuid West-“ en hij kijkt me even scherp aan en wijst nog een keer. „Dus dáár is het westen, daar is de zee! Als je de blauwe route paaltjes weer ziet, volg die dan.“ Ik groet hem en loop in de aangewezen richting. En dan is daar eindelijk weer een bord. „Parnassastrand,“ met een pijl en een blauw paaltje. Het is nog 3,5 kilometer. En dan moet ik nog naar Zandvoort. Misschien moet ik maar even bellen. Als ik al te lang rond blijf dolen, komt er immers niks meer van een ontmoeting.

Ik pak de telefoon uit mijn natte zak. Om mijn jas heb ik een regencape. Het is een goedkoop ding en hij was meteen al doorweekt. De jas eronder is ook drijfnat, net als mijn telefoon. Op het verlichte scherm komen meteen druppels, maar hij doet het nog. Even later hoor ik een mannenstem zeggen:“Ik kom je ophalen! Op de fiets gaat een stuk sneller!“

Ik ben blij als ik mijn stijve been op de grond kan zetten. Minutenlang balanceren op zo’n klein rekje is niet lekker. Liever stá ik op een bagagedrager, maar met tegenwind is dat niet handig. We zijn bij een flat. Ik had niet gedacht dat hij in een stapelhuis woonde, die Zappa.

Eenmaal binnen gaat er een wereld voor me open. Alles hangt vol met kunst, de muren, maar ook de ruimte, kleurige cirkels hangen als platte planeten aan draadjes en ergens daartussen zie ik twee stoelen staan. Genietend ga ik zitten, Zappa biedt me koffie aan en wijst uit het raam. Een uitgestrekt gebied van duinen eindigt in donkere vierkante schaduwen. „Zie je die blokkendozen aan de horizon?“ vraagt hij „Dat is het racecircuit van Prins Bernard. De neef.“ Ik kijk en zie wat hij bedoelt. „Dat moet een racecircuit worden met internationale bekendheid. Ze mogen nu 20 dagen per jaar open zijn, maar straks mogen ze wel 320 dagen open zijn. Je wil niet weten wat een herrie dat geeft.“ Zijn blauwe ogen kijken bezorgd. „Maar ik blijf hier wel wonen. Je vind niet snel zoveel ruimte. Ik heb het nodig voor mijn kunst.“ Ik knik en kijk nog eens. Het is eigenlijk best dichtbij. Ongelooflijk, dat dat kan, in zo’n natuurgebied!
Hij vertelt verder. „Er moet een speciaal station komen, voor de racebaan, met treinen die om de vijf minuten gaan rijden. Kun je nagaan! Dat gaat dan door die kleine kustplaatsjes, waar dan de halve dag de spoorbomen dicht zijn. Allemaal voor de portemonnee van de prins. Het circuit zal worden verhuurd aan racers van allerlei slag, die komen van heinde en verre. De koffietentjes aan het strand kunnen wel opdoeken. Want straks moeten al die nieuwe toeristen koffiedrinken bij het circuit. Het slokt alle andere bedrijvigheid op. En de gemeente werkt eraan mee!“
Verbaasd luister ik naar hem. „En dan is er ook nog dat jaarlijkse circuit? Waarover nu zoveel gedoe is?“ Hij antwoord bevestigend. „Dat moet een enorm evenement worden. Ze willen over het strand naar Noordwijk kunnen rijden. Dwars door een natuurgebied, in het broedseizoen. Dwars door de rustplek van de zeehonden. Omwonenden, natuurliefhebbers, en organisaties, ze zijn verbijsterd. Noordwijk heeft al toegezegd en Zandvoort nu ook. Maar alleen na zessen, als het strand leeg is…

Ik neem een slok van mijn koffie, voor hij koud wordt. Er gebeuren rare dingen in Nederland. Ik had me nooit kunnen voorstellen, dat zoiets zou gebeuren. „Houd me op de hoogte,“ zeg ik „Ik ben heel benieuwd hoe dit afloopt.“ Hij knikt. „Dat zal ik doen. En wil je nu zien wat ik vond deze week? Een prachtige strandvondst, tijdens het jutten.“ Nieuwsgierig loop ik hem na.

Zo inspireren wij elkaar, nieuwsgierige ontdekkers, creatieve betrokkenen, als een familie van levendige vrijheidsstrijders, die opstaan voor alles wat leeft, ter land, ter zee, en in de lucht. Er staat ons nog een hoop te doen!

.

PS1

Ik heb nu een goeie waterdichte jas gekocht. En de Goretex schoenen die ik in Leiden kocht, zijn geweldig. Laat het maar regenen. Voor nog grotere nood heb ik straks ook een visserscape, maat XL, waar ik ook een tentje van kan maken.

PS2

Dit verhaal lijkt sprekend op wat ik deze zomer in Zwarte Haan tegen kwam. Evenementen en toerisme gaat vóór het welbevinden van bewoners, die ook geen enkele inspraak meer hebben. Economie gaat vóór cultuur, die voortkomt uit de mensen zelf. Als je ook van zulke verhalen hebt, dan hoor ik het graag.

PS 3

Wie gaat er begin mei mee wandelen over het strand? Nadere inlichtingen volgen.

.

Cape waar je een tentje van kan maken.

Schoonheid uit een netje

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

.

Dick is er. We staan klaar om naar een concert te gaan, met tangomuziek en hebben ons mooi aangekleed. Ik heb mijn strakke rode vestje aan, en Dick zijn roze blouse. Als je elkaar niet zo vaak meer ziet is het extra leuk om er op uit te gaan en er iets bijzonders van te maken. “Nu mijn pruik nog op,” zeg ik tegen Dick. Ik pruts wat met de kammetjes en het gespje en dan zit de pruik stevig vast, zo goed, dat ik er zelfs radslag mee kan doen. De blonde krullen vallen weelderig over mijn schouder. Met een verleidelijke lach kijk ik naar hem. Hij begint helemaal te stralen. “Oh, wat ben je nu mooi!”
“Misschien moet ik nog iets aan mijn gezicht doen,” zeg ik nog. “Ach nee joh,” antwoordt mijn vriend “Met zulk haar maakt het toch niet uit wat eronder zit.” Zo makkelijk is het dus om een schoonheid te zijn, gewoon een pruik opzetten. (Zonder vindt hij me trouwens ook leuk)

De uitvoering is in een klein charmant kerkje aan de andere kant van Heerenveen. Als ik binnenkom, staat er een mooi geklede dame bij de ingang. Dat moet Sieta Keizer zujn, de zangeres. Ze kijkt me blij aan en groet me allerhartelijkst. “Je bent de mooiste, met dat haar,” fluistert mijn vriend “Dat kan eigenlijk niet, dat moet de zangeres zijn!” Verder komen er bijna alleen maar grijze hoofden binnen. Het publiek is duidelijk 55 plus.
De zangeres is van mijn leeftijd en zingt Friese tangoliederen. Ze heeft een warme stem, die vooral in de uithalen omfloerst klinkt, zoals het past bij een tango. Kay Sleking, de gitarist speelt soepel en subtiel. En wanneer de twee een paar ritmische tango’s spelen, worden we uitgenodigd om te gaan dansen. Dick en ik zijn de enigen die opstaan. We lopen naar achteren, tussen de houten kerkbanken door, en daar, onder het orgel, is ruimte. Ik doe mijn bergschoenen uit en ook mijn beenwarmers. Op sokken schuiven we over de stenen vloer, volledig conconcentreerd. Ik zie de blikken niet van de mensen in de banken en ook niet die van de muzikanten.

Aan het einde van het optreden krijgen de muzikanten bloemen, en wij worden tot mijn verrassing bedankt. Dan stroomt het kerkje langzaam leeg en wij trekken we onze kousen en schoenen weer aan en pakken onze jassen.
Net wanneer ik mijn arm in de mouw wil steken komt er een man van in de zeventig naar me toe, met dun grijs haar. “Heb je een stukje in je haar? Het is zo weelderig!” Ik grijns ondeugend. “Zal ik het laten zien?” vraag ik en de man knikt nieuwsgierig. Met een breed gebaar trek ik in één ruk de pruik van mijn hoofd.
De man lacht, dit had hij niet gedacht. “Het was zo mooi, hoe het over je schouder viel, toen je danste!” zegt hij, het maakt hem kennelijk niks uit dat het niet echt was.
In het gangpad tussen de banken staat de zangeres met een bezoekster. De zangeres wijst naar ons met een knikje en de vrouw kijkt onthutst achterom. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Dick. We lopen naar de muzikanten om ze te bedanken. Ik heb de pruik nog in mijn hand en de blonde zangeres kijkt bewonderend naar de massa krullen. “Hadden we maar zulk haar,” zegt ze verlangend.

Zonder pruik zie ik er weer heel gewoontjes uit. Ik vraag me af, zou ik dat echt willen, zulk haar? Vroeger had ik ook lang haar, geen krullen zoals de pruik, maar wel heel lang en dik, tot over mijn staartbotje. Als ik het los had hangen of een mooi kapsel had, keken mensen ernaar, en spraken erover hoe prachtig het was. Soms leek het wel of ik alleen maar uit haar bestond en niemand mij in het gezicht keek, naar wie ik was. Dat was een reden om het vaak in een staart of vlecht te dragen.
Nee, ik zou niet altijd maar mooi willen zijn. Weelderige vrouwen zien er misschien uit als een prinses, maar kunnen heel eenzaam zijn.

Als we thuis komen haal ik de pruik weer uit de doos, van mijn bagagedrager. Ik prop de krullen tot een balletje en stop het weer in het netje. Als ik weer de show wil stelen, dan ligt  hij klaar. Misschien doe ik dan mijn lange rok aan van rood fluweel, om echt te gaan zwieren en zwaaien. Heerlijk, die schoonheid in een netje, kant en klaar van de plank.

.

.

 

Bij mijn pa

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

Annemarie en ik staan in de garderobe van de Jeruzalemkerk in Emmeloord. We wachten op mijn vader, hij zal zo komen. Mijn pa is al negentig en omdat ik al vele jaren niet meer met hem ben mee geweest, wil ik hem graag een plezier doen. “O ga je naar de kerk? Ik ga met je mee,” zei mijn buurvrouw resoluut, dus nu staan we hier, tussen de jassen. Het duurt lang, hij zou er tien voor negen zijn, maar het is al 8.56 en ik zie hem nog steeds niet. Gelukkig heb ik mijn telefoon mee en kan ik hem bellen. “Pa, waar blijf je?” vraag ik en aan de andere kant is het even stil, mijn punctuele pa zijn adem stokt even voor hij uitbrengt: “Ohhh, vergeten! Ik kom er meteen aan!”
Ik sta voor de kerkdeur en kijk de brede stenen trap af, de parkeerplaats over, naar de bomen langs de Schokkerwal, waar ik geboren ben, maar ik zie zijn auto nog niet. Hij zal toch niet uitgegleden zijn in de stress, vraag ik me af, maar precies op dat moment zie ik zijn kleine gestalte opdagen. Hij is niet met de auto. Natuurlijk niet, hij is met de fiets! Keihard scheurt mijn negentigjarige pa de bocht om en stalt zijn oude trouwe rijwiel naast de kerk. Hijgend komt hij aanlopen: “Ik had me vergist, normaal gesproken begint de kerk altijd om half tien, wat goed dat je belde!”

Ik hou van zingen. Ik zing graag, altijd en overal, het liefst met een tweede stem. Dus ik geniet van het uurtje in de kerkbank, en er is zelfs een lied bij met meerdere stemmen. De vrouw achter de kansel praat over leven dat altijd terugkeert, zelfs na de donkerste duisternis en er worden drie doden herdacht, die deze week zijn heengegaan. Mooi is dat, denk ik bij mezelf, dat je in de kerk met elkaar aan mensen denkt, en aan hun nabestaanden. Dat missen we, in een samenleving zonder geloof.

Even later zitten we in de kamer van mijn ouderlijk huis koffie te drinken. Mijn pa praat levendig en heeft hele verhalen. Wat een verschil met vroeger. Toen mijn moeder nog leefde was hij nogal zwijgzaam. Haar dood heeft veel bij hem gedaan en hij belt me nu regelmatig om te vragen hoe het gaat. Nu zit ik op onze oude leren bank, die er al decennia staat, en ik kijk naar de beeldjes en stukken hout, die mijn moeder ooit op een rij heeft gezet op de vensterbank. Annemarie vraagt naar zijn leven, zijn tijd op de HBS en hoe het ging in de oorlog met dat grote gezin. Ze vraagt honderduit. Ik heb ook vragen maar blijf stil en luister. Er komen nog genoeg dagen voor vragen.
Dan begint hij opeens over dat dramatische moment, dat hij op negenjarige leeftijd zijn vader verloor, en ik hoor het tot in de details. Terwijl hij naar school liep, werd de vrachtwagen aangereden door een dieseltrein, die zijn vader vanuit de mist verrastte. Er waren nog veel onbewaakte spoorwegovergangen in 1939, en dit was er eentje van. Het was een drama. Zijn moeder bleef achter met twaalf kinderen en zijn oudste broer van negentien nam het werk als molenaar over.

Ik hou mijn adem in terwijl hij dit vertelt, en ik kijk naar zijn handen, die elk woord met gebaren ondersteunen. Zijn ogen staan helder en ik merk geen enkele aarzeling in zijn stem. We praten nog lang door. “Willen jullie nog een kopje koffie?” vraagt hij opgewekt en na onze bevestiging komt hij terug met drie gevulde koppen en een schaaltje pepernoten. Wat lief, denk ik, en ik pak er een paar, alleen al om hem een plezier te doen.

Mijn pa kijkt op de klok. “O is het al zo laat? Dan moet ik jullie wegsturen. Ik moet nog naar de verjaardag van mijn jongste zus in Lunteren!” Ik vraag hoe oud ze wordt, mijn tante Miek. “Tachtig,” antwoordt hij. “Dat is nog jong,” zeg ik tegen de rug van mijn pa, terwijl hij de kopjes terugbrengt naar de keuken. Annemarie grinnikt.
Even later rijden we terug naar Friesland. Het is vlakbij en voor ik het weet, parkeert mijn buurvrouw haar auto in op de bekende oprit. Ik ga naar binnen en steek de kachel aan in mijn afgekoelde huisje, terwijl de lage winterzon net precies het hoekje van het huis om kijkt. Ik ben blij dat ik hier ben beland, op deze plek, bij zo’n toffe buurvrouw met wie ik mijn oude kwieke pa kan bezoeken. Nu is hij er nog en je weet maar nooit hoelang het duurt. Maar ik denk dat hij wel honderd wordt.

.

 

Liften zonder plan

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten.

.

Het is zondagochtend en ik zit in het filmhuis van Heerenveen. De film is afgelopen, het is donker in de zaal en de aftiteling geeft nog net een schemerig licht. Hoewel ik het jammer vind dat ik de zilverachtige ochtendzon ben misgelopen, was het toch de moeite waard. Ik zit nog steeds op het puntje van mijn stoel, om te verwerken hoe het maar net goed afliep. De Californische boerderij, tjokvol biodiversiteit, is op het nippertje aan een gigantische bosbrand ontsnapt. De boer en de boerin haalden opgelucht adem. Ik staar nog wat naar de lange rij namen die voorbij gaat. “Big little Farm.”
Voor me zit een echtpaar, waarmee ik in de pauze sprak. Ze draaien zich allebei om “Kom je mee?” vraagt de vrouw en ik zeg ja. We hebben afgesproken dat ik met ze meerijd naar een lezing die vanmiddag is. Grappig, terwijl ik voor het eerst sinds jaren weer eens naar de film ga, word ik meteen uitgenodigd voor een volgend evenement. Ik merk het wel vaker, hoe stiller mijn dagelijks leven is, hoe meer er gebeurt wanneer ik er eens op uit ga. Ik kom van het één in het ander.

We stappen in de auto en rijden door het coulissenlandschap, dat Friesland in het zuiden kent. Roestbruine hagen en bosjes wisselen zich af met weilanden die glanzen in de zon, door alle herfstdraden die er doorheen geweven zijn. We praten wat, maar ik kan het niet nalaten om middenin een zin een bewonderende kreet te slaken bij een onverwacht vergezicht. Even later rijden we het dorp in, “Oldeberkoop.” We stoppen bij een monumentale uitspanning met de naam Brocope. “Welkom Jelmer Mommers!” staat er op het kleine schoolbord naast de deur. Hier moeten we zijn. Jelmer is van de Correspondent, een digitale krant waar ik lid van ben. Hij schrok ervan hoe erg het met het klimaat gesteld is, want hij is een jonge vent van twee en dertig die het allemaal mee zal maken. Nu doet hij zijn uiterste best om het tij te keren en reist rond om lezingen te geven over zijn klimaatboek.
Ik koop een kaartje, loop door naar de zaal en ga achterin staan. Een man biedt me vriendelijk een stoel aan maar ik weiger vrolijk. Hij kijkt me teleurgesteld aan en zegt dat hij hem helemaal voor mij heeft opgehaald. “Echt heel aardig van u, maar ik sta liever!” hou ik vol. De man gaat maar weer zitten. Ik heb hem niet verteld dat het om mijn rug is, Ik heb gisteren bij het houthakken krom gestaan met de wind erop en nu is hij wat stijf en pijnlijk. Ik zit niet graag op een stoel geprikt met zo’n rug.

De zaal stroomt vol met grijze hoofden en even later is Mommers zijn verhaal aan het vertellen, over de dunne schil om de aarde waarom het gaat, de diverse scenario’s en wat we kunnen doen. Ik heb bewondering voor hem, je zal maar voor een zaal staan met allemaal ouderen, waarin ongetwijfeld mensen zitten die hier al veel langer over nadenken.
Dat blijkt ook, wanneer Mommers is uitgesproken, laat één man duidelijk van zich horen. Hij is helemaal vooraan gaan zitten en niet voor niets kennelijk. Ik kijk naar zijn brede rug en zie het profiel van een breed, wat papperig gezicht. Hij zit een beetje onderuitgezakt, en doet breedsprakig zijn mening uit de doeken. Hij weet niet van ophouden, ook niet nadat Jelmer hem de opdracht geeft om zijn vraag duidelijk te formuleren. Komt die man wel voor Jelmer, of komt hij voor zichzelf?
Hij praat over kernenergie, over windmolens en over technieken met algen. Het gaat allemaal over één ding, hoe kan ik de luxe die ik nu heb blijven houden? “Ik snap wel, iedereen wil leven zoals wij, en ik weet dat dat niet kan,” zegt hij. Op dit moment gaat er een koude vlam door me heen. “Mag ik even iets zeggen?” vraag ik, “Dit is niet waar, niet iedereen wil leven zoals wij. Er zijn 350 miljoen mensen die onze manier van leven als een bedreiging zien. Inheemse volkeren die worden verjaagd van hun voorouderlijke grond omdat hun bossen worden ingepikt om te dienen voor CO2 opslag. Rijke landen maken hier goede sier mee. De mensen worden in hutjes gepropt in een veel te klein reservaat.”
De dominante man op de voorste rij draait zich verstoord om. “Dat heeft helemaal niks te maken met de …. warmte,” zegt hij, en hij moet even zoeken naar het juiste woord. Ik twijfel geen moment over mijn antwoord. “Het gaat om de voetafdruk! Die van ons is gigantisch en van die mensen is hij minimaal. We hebben veel van ze te leren.” De felheid van mijn reactie komt aan in de zaal. “Ja,” zegt Jelmer zacht “Juist de armsten hebben het meest te lijden….”
De man op de voorste rij heeft zich omgedraaid en negeert me. Hij negeert Jelmer trouwens ook. Hij gaat mompelend verder en ik versta hem niet meer. Jelmer staat op het podium en weet het even niet. De man praat maar door en de zaal luistert of staart wat voor zich uit. Wat moeten ze anders.

Maar aan alles komt een eind. Tot mijn vreugde weet Mommers de woordenstroom te doorbreken en komen er toch nog een paar anderen aan het woord. En dan is het afgelopen. We zouden het nog over de economie hebben, maar dat is niet gebeurd. Ik kijk om me heen. Een man op de laatste rij kijkt me geïnteresseerd aan en komt naar me toegelopen. “Ben je ergens van? Omdat je vragen stelde en ook omdat je stónd, ik vroeg me dat af.” Ik lach, grappig wat mensen gaan denken als je staat omdat je last van je rug hebt. “Nee hoor, ik ben autonoom. Ik stel graag vragen.” Hij is wel geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb. “Zal ik thee voor je halen?” Ik knik enthousiast, “Ja graag!”
Even later komt hij terug en we zoeken een tafeltje. Ik wil net gaan zitten, wanneer de mensen met wie ik meereed naar me toe komen. Ze willen weg, en vragen of ik nog mee terug ga. “Of zoek je het zelf verder uit?” vraagt de vrouw, terwijl haar man achter haar staat. Ik kijk van de één naar de ander en ik kijk naar het kopje thee dat dampend op tafel staat. “Ik rijd haar wel naar huis,” zegt mijn gesprekspartner.
Het is een genoeglijke ontmoeting en de weilanden op de terugweg zijn nog mooier, met die lage zon erop. Ik word afgezet bij het filmhuis, waar mijn fiets op mij staat te wachten. Even later rijd ik de vertrouwde oprit op en zet ik hem neer in het schuurtje van Annemarie. Fijn, ik ben vóór de schemer thuis.

Er zijn van die dagen, die ideaal zijn om te surfen op golven van zeeën van tijd. Dagen die voorbij vliegen, alsof je liftend door de ruimte stuift. En zo was deze zondag. Daar kan ik weer een week op teren!

Inheemse volkeren kunnen de biodiversiteit bewaken voor ons klimaat. Doe hier een donatie.

.

← Terug

Bedankt voor je reactie. ✨

.

 

Eigenlijk zocht ik wat anders

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6 minuten.

Het is een koude ochtend. De vliegen op mijn plafond zitten roerloos en verstijfd te wachten op de bevrijdende warmte van de kachel. Ik pak een paar kranten en een paar lange houtsplinters. Dan pak ik het stuk eikenhout. Het blok eiken is eigenlijk veel te groot, en niet geschikt als aanmaakhout. Maar ik heb niks anders en het sprokkelhout buiten is nat. Ik hak nog wat kleine stukjes hout af, besteed er een hele krant aan en blaas in het smeulende vuur tot ik het helemaal zat ben. Na een half uur prutsen brandt het vuur, eindelijk! De hele kamer stinkt naar rook. Ik doe de deuren tegen elkaar open en ga verder met de rest van mijn ochtendritueel.

Een poosje later zit op mijn hurken bij het openstaande vloerluik. Het is het tweede luik van de vijf, en het was een heel werk om ze te maken, tien centimeter dik, met schapenwolisolatie erin. Ik ben er blij mee. De vloer is warm en de extra bagageruimte onder mijn vloer geeft me zat ruimte om mijn noodzakelijke rommel kwijt te kunnen. Binnen in huis blijft het altijd lekker opgeruimd, met zo’n grote kastruimte onder mijn voeten. Er staat een harde plastic bak in de bagageruimte, die vol hoort te zitten met zaagsel. Maar het eerste wat je nu ziet zijn twee groene kolen, en drie winterpenen, half verstopt onder een restantje zaagsel. Ik voel aan de penen en ze zijn nog net zo vers als toen ik ze kocht. Ik glimlach tevreden, dat werkt dus goed, koel houden en bedekken, zo is het net alsof ze nog in de grond zitten.
Ik ga overeind zitten en kijk peinzend naar mijn kleine kelder. Ik zit nu wel in dubio, want dat zaagsel is eigenlijk bedoeld als toevoeging voor mijn poepemmer. Ik heb het zaagsel nodig, in de eerste plaats om de drol goed te kunnen bedekken, maar ook om de compost een mooie losse structuur te geven, zodat het na twee maanden mooie grond wordt.
Waar vind ik zaagsel? Bij de houtbewerker natuurlijk! Meteen tik ik een paar zoekwoorden in op mijn telefoon en ontdek een meubelmaker, drie kilometer verderop. Even later heb ik hem aan de lijn. “Heeft u zaagsel voor mij?” vraag ik “Het is voor een ecotoilet.” Tot mijn verrassing heeft hij helemaal geen zaagsel. “Wij maken er briketten van,” zegt hij “Ik dompel ze zelf altijd in de petroleum, bij het aanmaken van de kachel. Dan brandt hij meteen, ik heb er geen omkijken naar.” Ik spring een gat in de lucht. Met zaagsel was ik blij geweest, maar met briketten ben ik nog veel blijer.

Even later sta ik met Annemarie zakken in te laden. We hebben niet alleen twee loodzware zakken met briketten, maar ook drie netten prachtig aanmaakhout. Ik zie mooie kleine stukjes grenen en beuken erin. En het kost bijna niks! De meubelmaker kijkt tevreden toe en neemt twee briefjes van tien in ontvangst.
Een warm en droog huis is het allerbelangrijkste. En ach, dat zaagsel, dat vind ik wel weer ergens anders. Desnoods maak ik het zelf! Veel van wat ik nodig heb is dichtbij te vinden. Er is verse biologische melk, boter, eieren, en dan ook nog het hout en de briketten voor mijn kachel. Is het niet heerlijk? Ik vind van wel.

 

.

NIEUWS:

Alle tekeningen op mijn blog zijn te koop voor 25 euro per stuk.

Het boek is klaar in voorlopige versie en nog zonder tekeningen, ik heb het naar een grote uitgever gestuurd. Als het te lang duurt zoek ik een kleinere.

Vanavond is bij Dennis en de vrije geesten de aflevering met mijn wandelhuisje, SBS6 20.30. Niet erg diepgaand denk ik, het is in stukjes geknipt en afgewisseld met andere personen. Maar wel mooie beelden en grappige details als het goed is.

Op het bankje bij IJs en Zopie

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna 8 min..

Mijn etsbrug is eruit gevallen en als ik lach zie je een zwart gat. Gelukkig kon ik meteen terecht bij mijn tandarts in Utrecht. Om kwart voor vijf is de afspraak, dan zet hij hem er weer in. Het is nog lang geen kwart voor vijf, en ik vind het heerlijk om vrij te zijn en door de stad te dwalen. Het leukste is de Twijnstraat, ik woonde er vijftien jaar vlakbij.
De Twijnstraat is de oudste winkelstraat van Nederland, en de gezelligste die ik ken. Het is als een dorp, dat zelfs vertrouwder voor mij is dan mijn geboorteplaats. Het is een straat waar je niet alleen loopt om boodschappen te doen. Je gaat er ook heen om je buurtgenoten te ontmoeten en ik kom er altijd wel iemand tegen. Ik loop langs de viswinkel, langs de tatooshop en langs Kortjakje door tot het einde, en daar is IJs en Zopie. Er zit een vrouw op het bankje, met knalrode krullen en een chocoladebruin hondje op schoot. Een meisje loopt net weg en kijkt nog even om. “Dank u wel voor het aaien,” zegt ze netjes. “Graag gedaan hoor,” zegt de rode dame “Hij heet George.”
Vlak voor haar sta ik stil en kijk naar binnen, de ijswinkel in. “Met dit ijsje steunt u de roeiers van Orca. De ijssalon is in 2005 opgericht en het wordt volledig gerund door studenten van roeivereniging Orca. Ons ijs is volledig biologisch.” Gek, dat heb ik nog nooit gezien. “Wat leuk hè, dat studenten dit met elkaar doen,” zeg ik tegen de rode dame. Ze knikt enthousiast,“Ja erg leuk!” antwoordt ze. Ze zit alsof ze alle tijd heeft, en geniet van de voorbijgangers. Haar hondje heeft net zo weinig haast als zij. Een mooi moment voor een praatje over het leven en de wereld.
“Ze zeggen wel eens,” begin ik, “De jeugd hangt alleen maar achter de laptop en is helemaal niet bewust van de wereld, maar dat geloof ik niet.” Ze knikt meteen “Nee, zeker niet, ik ben onderwijzeres op een school, en de kinderen zijn er allemaal mee bezig, het milieu en het klimaat. Ze weten dat het hun toekomst is. Alleen beseffen ze nog niet dat ze zelf vaker moeten inleveren aan luxe, dat ze veel te veel hebben.” Ik knik, “Maar is dat met veel volwassenen niet hetzelfde? Het doet me denken aan een boek van iemand,” en ik kijk haar even aan, ze luistert aandachtig, “Die man bekeek wat nou het einde inluidde van een beschaving en hij onderzocht er verschillende, zoals de Maya’s en Paaseiland. Hij kwam op vijf hoofdpunten, maar ik denk dat de hoofdzaak was, dat ze zichzelf het belangrijkst vonden en zich niet meer in het grote levende ecosysteem konden plaatsen.” Ze denkt even na en knikt. Ik ga door, “Hij schreef ook dat in Nederland de meeste mensen zijn die lid zijn van een milieuorganisatie. Hoe komt dat denk je?”
De rode dame kijkt verrast, “Dat wist ik niet, ik zou het niet weten.” Ze aait het hondje op haar schoot, zijn lange neerhangende oren bewegen heen en weer. Ik heb er al over nagedacht. “Ik denk dat het komt omdat hier zo weinig natuur meer is, en omdat alles steeds op de schop gaat,” zeg ik. Haar ogen lichten op. “Hé ja, zo heb ik het nog niet gezien. Dat is inderdaad zo, als hier een boom om gaat is er gelijk een gat, omdat er zo weinig is,” bedenkt ze hardop. Ik knik en ga verder, “Die man in het boek dacht dat het kwam omdat we hier allemaal achter dijken wonen, dat wij daarom zo milieubewust zijn, haha, ik hoor nooit iemand over dijken,” grinnik ik. Ze haalt haar schouders op. “Nee, ik ben ook niet dijkbewust. Buitenlanders, die zijn dijkbewust, voor hen is het iets bijzonders.”
Ze kijkt naar haar hondje op schoot, en haar handen liggen in zijn nek. “Dit is George,” zegt ze. Het is maar een kleine hond en hij kijkt lief. “Is het ook echt een George?” vraag ik “Dat weet ik niet, hij houdt van knuffelen,” zegt ze zeer beslist. Ik kijk het hondje nog eens goed aan. “Ik vind het een integer hondje,” besluit ik dan. “Ja dat issie zeker!” lacht ze. “Als ik een hond neem, wil ik ook een George,” zeg ik. “Dank je!” roept ze tevreden. Haar handen bewegen langs de lange flaporen. De roodbruine ogen van de hond kijken rustig de drukke winkelstraat in. Die hebben het wel naar de zin met zijn tweeën. Ik glimlach. “En nou ga ik weer hoor, dag!” zeg ik en loop weg terwijl ik mijn hand op steek. Ze groet terug en kijkt alweer naar de volgende voorbijgangers. Ik loop naar mijn vouwfiets. Ik ben precies op tijd om naar de tandarts te fietsen.

.