Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

Ezel

Ezel 002
.
Het is al laat als ik uit bed stap. Al negen uur. Mijn lijf is nog wat zwaar en loom van alle inspanning van deze week. Maar daar is wat aan te doen. Zonder aarzelen ga ik op mijn rug liggen en adem in en uit. Heel geconcentreerd doe ik de eerste oefeningen. Langzaam word ik frisser en wakkerder. Als ik bij de vierde oefening ben hoor ik gebalk. Het is Ezel. Elke ochtend knip ik beukentakken voor hem. Van de beukenhaag. Hij wil ze, nu! Het duurt hem vast veel te lang. Ik maak rustig de oefeningen af en ga naar buiten.
Ezel beukt met zijn grijze borst tegen het hek aan, als hij me ziet. Het lijkt er op dat hij er uit wil. Soms mag hij dat. Ikzelf heb het nog niet eerder gedaan. Ik weet dat hij erg sterk is en niet gecastreerd. Soms is hij baldadig en dan is er geen houden meer aan. Dan rent hij bokkig het hele terrein over. Maar ik heb geen zin om langer terughoudend te zijn. Ezel is een maatje geworden en ik wil graag wat voor hem doen.
Om zijn hals hangt een riem, met een oog er aan. De ketting en de pen liggen voor me, in het gras, met een haak eraan vast. Ik neem de musketonhaak in mijn hand. Dan open ik het hek en in één beweging zit de ezel vast aan de haak. Met moeite druk ik de pen in de keiharde, natte bodem. Genietend begint ezel te grazen. Terwijl hij met zijn lange tanden het heldergroene gras afsnijdt en kauwt, kijkt hij al vast waar het volgende hapje staat. Ik kijk met hem mee. Er staat raaigras, kweek, witte klaver zonder bloemen en blad van de kruipende boterbloem. Ezel eet dit allemaal, maar toch het meest gras. De grond is zompig van de vele regen. Rond de kleine hoeven komt het vocht omhoog, de grond uit. Zijn hoeven zijn vol nat en opgedroogd zand. Ze zijn een beetje rafelig aan het uiteinde, maar nog niet alarmerend. Ik zou ze graag willen voelen, die hoeven. Hoe hard zouden ze zijn? Als ik mijn hand naar zijn linkervoorpoot richt, wendt ezel zich af. Nu niet. Een andere keer misschien.

Ik wil graag muildieren leren kennen en ezels. Overal zijn ezels. Toch is er maar ééntje hier. Dus met hem begin ik. Met de onze. Ik kijk naar hem. Al heeft hij nooit iets geleerd en zal hij nooit een wagen kunnen trekken. Daar gaat het nu niet om. Ik kijk en ik ben er. Naast Ezel.
.


Hier geef ik de dieren appeltjes. Ezel komt aan de beurt in de derde minuut.

Trappen tot de horizon

fietseninnoodweer 002

.

Ik sla rechtsaf. Een snelweg vijftig meter verderop leidt het verkeer van west naar oost en andersom. Een harde onophoudelijke ruis van heel veel wielen, razend over nat asfalt. De westenwind is stevig en dikke droppels waaien hard in mijn gezicht en op mijn regenpak. Ik stel me in op een paar kilometer wind tegen en houd mijn spieren aan het werk, niet snel, maar gestadig als een trekpaard, zonder stoppen. Het karretje achter mijn fiets weegt zo’n vijftig kilo. Mijn nieuwe tent zit er in en de rest van mijn bagage. Ik zet de versnelling heel licht en houd dit tempo tot het einde van de weg. Daar sla ik linksaf en opgelucht voel ik nu de wind nu schuin van achteren komen.
Ik denk aan mijn fijne warme woonwagen, heel even. Ik denk aan de weg die nog voor me ligt. Van Utrecht naar mijn plekje bij Haghorst, dat is het doel. Maar ook die gedachte leg ik gauw naast me neer. Zo ver ben ik nog lang niet.
Mijn linker tenen hebben kramp, ik beweeg ze in mijn grote schoen. Dijen voelen wat zwaar, maar doen hun werk nog prima. Wolkenluchten komen en gaan en ik hoor de wind in kruinen van hoge populieren. Ze zijn als ferme wachters die een grote vlakte begrenzen van aan één gesloten hectares landbouw. Hier, verder naar het westen, ziet ons land er anders uit dan meer naar het oosten. Daar fietste ik op de heen weg, vijf dagen geleden nog maar. Kleine weggetjes en fietspaden zigzaggend door kleinschalig ingerichte landschappen en natuurgebieden. Ik werd vaak ingehaald door andere trekkers, al dan niet met bagage. Hier heb ik nog niemand gezien. Ik ben een eenzame fietser die, moeizaam gebogen over zijn stuur, zichzelf een weg baant. Hoe sterk ben ik?

Soms sturen mensen me plaatjes met pieremagoggelkarretjes. Gekke, originele zelfgebouwde rijwielen met kleine huisjes eraan vast. Die moet je dan fietsend voortbewegen. Als ik dat zou overwegen, dan ben ik nu wel van die gedachte af gebracht. Met een kleine kar tegen de wind in fietsen is al zwaar, zo’n huisje zou ik waarschijnlijk niet eens in beweging krijgen. Dus kies ik graag voor een trekdier. En dan ga ik naast hem lopen, met een tamme kraai op mijn schouder of een geit bij me. Want een ezel of muildier heeft ook een maatje nodig. En zo gaan we voort. Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet.

Ik ben nu naar de Ezelsociëteit in Zeist geweest, het volgende bezoek zal zijn de Ezelshoeve in Baarle Nassau. De Ezelstoeterij in de Vlaamse Ardennen staat op mijn verlanglijstje. Daar ga ik pas naar toe als ik meer ervaring heb opgedaan.

Fietsen naar de ezels

Op reis, Liempde Zeist 002
Voor mijn voeten, op de vloer van mijn huisje ligt een rijtje spullen. Noten, rozijnen, gierst. Peren, peper en zout, de kaart van midden Nederland, regenkleding. Het kistje met de maquette ligt er naast. “Wiekies Kolibri, schitteren gouden letters op mat zwart. Daar zit mijn kleine, nieuwe wagen in. Ik ga weer op pad.
„Wéér op de fiets? “ vraagt Dick opgewekt.
“Dat is vér hoor!” zegt Ton “En met al die buien..”
Ja, ik weet dat het ver is. En soms erg nat. Maar toch doe ik het. Want ik ben moe van de grote stations, de voortschrijdende automatisering, de anonimiteit. Ik word niet blij van het gepiep van toegangspaaltjes. De groeiende rij van schreeuwerige fastfood loop ik gauw voorbij. Toiletten met razendsnelle klaphekjes vind ik eveneens geen vooruitgang. Ik heb steeds meer moeite met het opzetten van de noodzakelijke oogkleppen, om hier doorheen te kunnen lopen. Eigenlijk vind ik het zonde van mijn tijd. In een langere weg op eigen kracht, heb ik meer plezier.
Dus ik ga weer op de fiets. Langs de oeverlandroute, richting Utrecht. Eindoel is de ezelsociëteit in Zeist.
Vanavond ga ik alleen maar naar een camping in Liempde. Dat is niet ver. Maar er is wel een simpele houten hut met een bed. Daar slaap ik. De Oeverlandroute loopt er vlak langs, en de volgende morgen kan ik direkt beginnen met de bordjes te volgen. Ik ben benieuwd wie en wat ik tegenkom onderweg.
Ik kijk naar de spullen op de grond. Zou het allemaal passen? Nog even puzzelen. Het lukt vast.

Revolutie van de kolibri’s

 

.revolutievdkolibries 001

Revolution of the hummingbirds
. . . .

 

Mijn vriend Kees is er. Fijn. Het was al een jaar geleden dat ik hem zag.
„Moet je eens zien wat er allemaal veranderd is,” zeg ik opgewekt, terwijl ik naast hem langs de bedden loop. Van alles gaat langs onze voeten voorbij. De witte bloemschermen van wilde en tamme peen, oranje oost-indische Kers, blauwe borage, de snel groeiende takken van een wijnbes, de zich voort slingerende pompoenen en courgettes, de kruiden die overal tussen in staan en nog zoveel meer.
“Alles is één groot paradijs,” zegt Kees, een tikkeltje afwezig. En even later, wat verontwaardigd:
“Toch is het idioot, hiernaast zijn ze ik weet niet hoeveel hectares grond aan het platwalsen, openscheuren, pletten, door elkaar gooien en nog eens en nog eens. En jij bent hier hele dagen aan het tuinieren op maar honderd-en-zestig vierkante meter.”
“Iets meer,” zeg ik. “Hier en daar legde ik eilandjes met andere planten aan. Waar alleen maar gras staat of brandnetels. Vlier, Grote Klis, Smeerwortel, en Koningskaars zijn goed aangeslagen. Het effect daarvan is niet uit te drukken in vierkante meters, Kees. Ik noem het guerillagardening met nazorg.”
“Ja,” zegt hij wat somber, “Maar toch…”

Als Kees weg gaat is hij blij en uitgerust. “Het heeft me zo goed gedaan, hier even te zijn,” zegt hij. “Ik krijg allemaal goeie gedachtes.” Ik glim.
Als Kees op zijn fietsje de hoek om is, ga ik voor het raam zitten. Buiten, vlak voor het venster staan grote zonnebloemen. Er vliegt een pimpelmees langs en hij landt op een stevige bladstengel. De enorme bloem wiegt een beetje. Dromerig kijkt het meesje om zich heen en vliegt dan verder. De zon schemert vaag door sluierwolken. Ik laat de afgelopen dag aan mijn geest voorbij gaan.
Terwijl ik denk aan Kees zijn verontwaardiging, zie ik een kleine wollige hommel. Hij kruipt in een witte bloem van de pronkboon, die zich in de reuzenstengel voor mijn raam omhoog slingert. Zo’n klein beestje die zulk mooi werk doet… Die boon, díe groeit straks wel! Al wordt hij omringd door kale vlaktes.

Ooit bracht iemand me op een site van een collega-Kolibri. Het was een Franse site. Helaas is mijn frans niet best, dus kon ik het niet goed lezen. Maar ik begreep de strekking.
“Revolutie van de kolibri’s” las ik. Zo zie je maar, dacht ik toen. Ik ben niet de enige kolibri. Er zijn vast miljoenen bezige kolibri’s, op de hele wereld. Allemaal kleine eilandjes van bruisend leven. En als mieren bergen kunnen verzetten omdat ze met veel zijn, dan kunnen wij dat ook. Misschien is het er al, en groeit het. Zelfs zonder revolutie.

Bloemen plukken

.

.

Ik ben thuis, op de camping. Ton heeft gemaaid. De machine heeft lange strepen hooi achtergelaten. Het is meer dan anders en ik ben er blij mee. Ik hark de strepen bij elkaar en maak er bultjes van. Met een grote arm vol loop ik naar de slangecourgette, de goudsbloemen, de wijnbes en de borage, en leg het er onder. Ook de kleine kersenboom krijgt krijgt een flinke laag. Ik hoop dat het hem goed doet. Tevreden kijk ik ernaar. Fijn dat hooi, nu de zon zo heet schijnt. Ik kan de grond extra beschermen tegen uitdrogen.
Ik loop verder naar een stukje waar heel veel bij elkaar ligt, en zie hoe onder mijn hark heldergroen gras tevoorschijn komt. Leuk om te doen. Het hooi ziet er ook goed uit. Nog een dagje wachten en het is droog genoeg om in mijn compostemmer te gebruiken.
Terwijl ik hark, hoor ik gebabbel, verderop, achter de bosjes. Er is vandaag een gezin aangekomen, met twee meisjes van een jaar of tien. Ik hoor hun hoge kinderstemmen. Ik kan niet verstaan waar ze het over hebben, maar het lijkt erop dat ze iets moois hebben gevonden, waar ze blij mee zijn. Nieuwsgierig loop ik het hoekje om. Het ene meisje komt naar me toe, met een stralend gezicht. In haar handen heeft ze een schitterende bos grote oranje kelken, op korte stelen. Verschrikt kijk ik haar aan. „O nee!” roep ik uit. “Dat zijn de bloemen van de slangecourgette!” Een lange donkere man komt uit de caravan gelopen. “Lianne, deze mag je nog niet plukken. Je moet wachten. Er komen pompoenen aan.” Het meisje kijkt van mij naar haar vader, nog niet begrijpend wat die bloem nou met groente voor de soep te maken heeft.
“Wacht”, zeg ik, “Ik zal jullie laten zien wat er uit komt.” Op een holletje ga ik naar binnen, om de lange courgette te halen. Ik breng hem naar de vader en de twee meisjes. Het is een mooie grote, lichtgroen van kleur, met een indrukwekkende kronkel er in. Het meisje zet hele grote ogen op, vol verbazing dat er zoiets uit een bloem kan groeien. Tegelijkertijd ben ik nog steeds ontdaan van het recente verlies. “Ze waren zo mooi!” moet ik nog even kwijt, terwijl ik naar de plant kijk, waar alleen nog blad aanzit. Het meisje kijkt heel erg beteuterd naar het bosje in haar hand. “Maar er komen weer nieuwe bloemen aan!” zeg ik dan, om haar schrik te verzachten en ook de mijne. Ik hoop maar dat ze zichzelf nu niet stom gaat vinden, ze kon ook niet helpen.

Later zit ik in mijn wagen te mijmeren. Zijn die paar courgettes wel belangrijk? Die meisjes weten nu voor de rest van hun leven hoe er een vrucht uit een bloem kan groeien. En ik vergeet nooit die blik in haar ogen. Ik kijk naar buiten, naar de weelderige bloeiende massa voor mijn deur. Ik bewonder de zonnebloemen, waarvan de vierde nu begint te bloeien en ik kijk naar de bijtjes die over het bolle bloemhart kruipen. Er lopen wel eens mensen langs, ze kunnen van alles gaan plukken. Maar ach. Waar nooit iemand komt, leert niemand wat.

 

 

 

Expeditie naar de Millranch

Op pad om muildieren te zien.

Denk je dat we op tijd komen?” vraagt Dick. Als een ploegpaard hangt hij over zijn stuur gebogen, boven het grote pakket aan bagage, waar ons bed in zit. Zijn fiets maakt een hard tikkend geluid, want de kettingspanner is kapot. De versnelling doet het ook niet. Terwijl ik fluitend naar boven scheer, op de hoogste versnelling, worstelt hij zwaar trappend achter mij aan.
“We zijn vast precies op tijd!” beantwoord ik zijn vraag.
Om vijf voor half één rijden we onder een poort door, waar een groot plastic paard boven hangt. “The Millranch.”
In een doolhof van stallen en stegen vinden we uiteindelijk de weg naar een kantine, gebouwd van ruwe planken. In de deur zit ondoorzichtig glas en er zijn zo goed als geen ramen. Er blaft een hond. Ik doe de deur open, de hond besnuffelt me vriendelijk en aan een grote houten tafel zitten vijf mensen te eten bij lamplicht.
“Ik had een afspraak om half één, om vragen te stellen over muildieren.”
“Ja, met mij!” roept een schone brunette, vlak voor ze de lepel opnieuw in haar mond steekt. Dit zal Chantal zijn, met wie ik gesproken heb. Maar voor ze verder iets kan zeggen, neemt een stevige vent het woord over.
“Wat wil je met het muildier?”
Ik vertel dat ik langdurig wil gaan trekken met een zigeunerwagen, die ik zelf ga bouwen.
“Zorg dat het dier niet langdurig in de regen staat. Daar houden ze niet van. Paarden wel, maar ezels niet. Muildieren ook niet.”
“Hoe doe ik dat?”
“Een regendeken is genoeg,” hoor ik. En dan zegt hij: “Ga eens om het hoekje kijken, ik heb een ezeltje, zo eentje heb je nog nooit gezien!”
We laten de eters achter ons en lopen in de richting die hij ons wees. Er staan diverse paarden. Maar wat het meest in het oog valt is een enorme roodbruine ezel. Een prachtig dier, en onderzoekend steekt hij zijn grote fluwelen lippen tussen het hek door. Het is een Franse “Poitou” horen we later. Ik raak het dier nieuwsgierig aan, vol bewondering.
Als we even later terugkeren, staat Chantal op. Ze is klaar met eten. “Kom maar mee!” zegt ze. We lopen de ranch af, langs de weides met paarden. Chantal praat vol enthousiasme. “Ik vind het zo leuk dat je me dit allemaal vertelt,” zeg ik, “als kind liep ik altijd rond in de manege, maar toen mocht ik daar niks. Dit is voor het eerst dat iemand, speciaal voor mij de moeite neemt om zoveel te vertellen!”
Chantal heeft plezier in die opmerking en gaat gedreven verder. “Kijk” zegt ze. “Dit is een heel temperamentvol muildier. En deze is hier, is meer een vriendelijke lomperik. Die nemen we mee als we heel rustig willen rijden. Ik houd het meest van de lomperik. Hij is heel lief. En sterk dat ze zijn! Oersterk en nooit ziek. Maar niet teveel eten geven, dan krijgen ze hoef- of spierbevang.” zegt ze deskundig.
Langzaam lopen we weer terug naar de ranch. Ze leidt een muildier aan de teugels, wij lopen er naast. “Muildieren zijn fijne dieren. Het duurt langer voor ze naar je luisteren, ze moeten je eerst vertrouwen. Maar daarna doen ze alles voor je!”
“Dus het is echt een maatje, een makker.”
“Ja!” zegt ze volmondig. “en als ik jou was, dan zou ik eerst een poos gaan werken op een plek waar ze zijn, zodat je aan de dieren kan wennen. Niet meteen op pad gaan met een muildier wat je helemaal niet kent.”
Hoe langer ik naast Chantal tussen de dieren loop, hoe mooier ik het vind. We lopen door tot de stallen. Daar gaat Chantal verder aan het werk en wij stappen op onze fiets. Verder. En wie weet, waar de weg nu weer naartoe leidt.

. . .

Wiekies kolibri met paardje

Dit wordt hem.

Slapen in een Ierse huifkar

Ierse huifkar

.

“Stam of Van de Giessen,” vraagt Dick. Hij bekijkt het adresboekje van Vrienden op de fiets. “Stam,” zeg ik. Daar zullen we slapen vannacht. We hebben langs rivieren gefietst en zijn verdwaald geweest. We hebben gezocht naar de overkant en hebben die gevonden. Het doel is Ede, om muildieren te bekijken. Er is daar een kenner en ik wil hem die hemd van het lijf vragen. Ik heb de maquette van mijn nieuw te bouwen woonwagen meegenomen en heel zorgvuldig ingepakt in een kistje.
De zon is al aan het ondergaan als we bij ons slaapadres aankomen. We bellen aan. Aan de overkant zie ik een woonwagen staan en een Ierse huifkar. Maar die zijn natuurlijk van de buren, denk ik in een oogwenk, voor de deur open gaat. Het is een kleine blonde vrouw die open doet. Ze stelt zich voor en loopt kordaat voor ons uit. “Ik zal jullie meteen laten zien waar jullie slapen. Het past echt bij jullie!” zegt ze. Zou het, vraag ik me af.
Tot mijn verrassing lopen we naar de overkant. Bij het kleine Ierse woonwagentje houdt ze halt. “Hier is het. Ik heb deze wagen pas gekocht met een trekker erbij. Ik wilde er mee gaan reizen. Maar de trekker is kapot. Daarom mogen jullie er nu in slapen.”
“Wat ontzettend leuk! Ik wil een woonwagen gaan bouwen,” zeg ik en ik haal de maquette uit zijn kistje. Ze zet grote ogen op.
“Echt waar, ga je dat doen?” vraagt onze gastvrouw, “en wist je van niks, voor dat je hier kwam?”
“Nee,” zeg ik.
“Toeval bestaat niet,” zegt ze.
We kruipen de wagen in. Het is klein en gezellig. Voor ik naar bed ga, haal ik eerst de rolmaat uit mijn fietstas. Ik meet alles op wat ik maar zie. Zo krijg ik idee van de grootte van mijn eigen nieuw te bouwen wagen. Als ik naar bed ga ligt Dick er al in. Het bed is niet groot, maar groot genoeg. Al gauw liggen we op één oor, moe van een lange dag fietsen.

Kleine verwarring na kleurrijk bezoek

Muildier voor zigeunerwagen

.

Ik sta in de deur en kijk het veld over. Ik verwacht een vriend. Leuk, het gebeurt niet vaak. Fiets langs het kanaal,” zei ik hem. “Dat is een mooie route.” Dat zou hij doen, mijn vriend Marc.

Ik zie nog niemand en keer om, naar binnen. Op dat moment hoor ik rinkelende belletjes, luider en luider. Ik draai me om en zie een echte zigeunerwagen het veld op rijden. De wagen stopt en ik loop er naar toe. Ik zie twee mensen op de bok. Ik herken ze.

Wat leuk dat jullie er zijn! We hebben elkaar al eerder ontmoet, is ’t niet?”

“Ja, dat was vorig jaar.” zegt de man van het stel. Hij ziet er uit als een ouwe hippie met lang zwartgrijs haar in een staart,  levendige bruine ogen. Naast hem zit zijn vrouw, hip gekleed in een paarse legging. Voor de wagen staat een klein muildier, prachtig opgetuigd, met glimmende riemen en rode pluimen. Het lijkt alsof ze al jaren zo de wereld doortrekken.

“Weet je nog dat ik vorig jaar zei dat ik een wagen ging bouwen?” vervolgt hij, “Nu is het klaar. Dit is onze eerste tocht.”

Hij vertelt vol enthousiasme en laat alles zien. Het is een heel kleine wagen, met ronde huif. Als je op de bok staat kan je er over heen kijken. De huif heeft geen zijramen. Er is een kleine ruimte waarin ik net kan staan, op de verlaagde vloer. Hij legt uit hoe handig het is, de ruimte op de as,  tussen de wielen te gebruiken. “Ja”, erken ik,  “Ik heb kastruimte ontworpen, op die plek.”

De man is nog lang niet uitverteld. Er is zoveel om te laten zien! Er is een bedbank, uitschuifbaar. Hij vouwt zijn handen en laat met zijn vingers zien hoe je het lattenwerk uit elkaar kan schuiven. Het idee is zo simpel en doeltreffend, dat ik verbaasd ben dat ik het nog niet eerder heb gezien of bedacht.

Hij vertelt me nog veel meer en bij vertrek zegt hij: “Kom vanavond voor een borrel en neem je schetsboek en maquette mee.”

“Neeeee!” zeg ik luidkeels. “Voor vandaag is het genoeg. Ik heb alweer zoveel gezien, anders raak ik helemaal in de war. Ik kom morgenochtend koffie drinken. Okee?”

“Dat is goed.” zegt hij tevreden, en zo gaat ieder terug naar zijn eigen stekkie.

.

De volgende ochtend kijk ik opgewekt naar buiten, waar het tentje van Marc staat. Ik zie hem nog niet. Rond de zigeunerwagen is het ook stil. Terwijl ik koffie zet komt het veld langzaam tot leven. Onder een stralende, tijdloze hemel gaat ieder zijn gang en kletsen we verder, nog urenlang. Tot ik iedereen heb uitgezwaaid en het veld leeg achterblijft.

Ik staar naar het groene gras en de lucht daarboven. Ik denk aan het ontwerp van mijn eigen zigeunerwagen, “Wiekie’s Kolibri”.  Ik vraag me af, is wat ik gemaakt heb goed? Of zal ik opnieuw beginnen? Ik loop naar de tafel, pak pen en papier. Aarzelend begin ik te tekenen. Een wagen die lager is, zodat je er overheen kan kijken. Kan ik daar wel in leven? En het is zò anders dan mijn eerste ontwerp! Trouwens, ik mis de stroom en de geestdrift. Met plezier herinner ik me de dagen die in sneltreinvaart voorbij gingen, uren die verstreken zonder besef van tijd, terwijl ik nadacht, tekende en knutselde. “Dit is niet te herhalen.” besef ik met een stelligheid die mezelf verrast. Ik leg mijn pen neer en neem ik het kleine groene wagentje in handen. “Dit is de mijne, en geen andere. Dit is wat ik ga maken.”

Opgelucht draai ik me om naar het aanrecht. Eerst thee, dan verder.

.

.

Latcho Drom

Latcho Drom”, staat er op de wagen die ik van binnen mocht bekijken. Het betekent “Goede reis”. Een bekende groet onder Roma. Er bestaat een documentairefilm met dezelfde naam van Tony Gatlif,  waarin het harde leven van zigeuners wordt getoond, in allerlei landen. Veel muziek en dans.

.

.

Links:

“Wiekie’s Kolibri” : https://alowieke.wordpress.com/2014/06/19/vanuit-de-chaos-komt-het/

“Latcho Drom”: http://vorige.nrc.nl/film/article2425783.ece/Latcho_Drom

Kippen!

Haan in mijn tuin

.

Ik heb een tuin voor mijn deur. Ik onderhoud het zelf. Een weelderige boel is het geworden, vol verrassingen. Het kostte veel geduld en nu is het zoals het is. Maar één hoekje heeft nog teveel zwarte grond, naar mijn zin. Daar moet het nog groeien.
Ik kijk langs een kier van het witte gordijn naar buiten. Een blauwe lucht schemert tussen het luchtige bladerdak van de vlier. Het lijkt een aangename dag te worden. Ik heb de gordijnen vast dicht gedaan om de koelte vast te houden en ook heb ik vogelzaad gestrooid, onder de haagbeuk en de kerspruim. Door mijn kier zie ik alles daarbuiten. Het fladdert en scharrelt. Ze woelen en pikken. Een ringmus gooit zijn borst met met volle kracht tegen een dorre pol gras, die in de weg ligt. Ik glimlach.
Dan hoor ik opeens een luid gekukel in de bosjes. Het is het nieuwe haantje. Wat doet hij daar, met zijn twee hennetjes? Gewaarschuwd kijk ik door het zijraampje en zie ze de tuin in lopen, tussen de bosjes en verder. Naar zaad zoekend schrapen ze rakelings langs mijn kleine plantgoed, en lopen er bovenop.
Resoluut doe ik de deur open. “Wat mot dat!” roep ik. Ik pak de langwerpige steen die ik helemaal meegenomen heb uit Roemenië, en slinger hem de tuin in. Alle vogeltjes vliegen weg. De kippen rennen op een holletje het hoekje om. Ze begrijpen me meteen. Ik ga de tuin in om mijn steen weer op te halen. Ik zie hem nergens meer. Nou ja. Dan maar geen steen uit Roemenië.
Na een minuut zie ik de kippen vanuit een andere hoek terugkeren. Lekker zaad en leuke scharrelhoekjes lokken. Dat onthoudt een kip goed. De rest zal ze een worst wezen.

Daar sta ik dan. Gooien met stenen lijkt zinloos en primitief. Ik moet iets anders bedenken. Ik besluit om barrières neer te leggen. Materiaal genoeg. Ik loop naar het bosje verderop en raap een armvol takjes op. Ze liggen er genoeg, er is deze winter flink gesnoeid. Ik zet ze rechtop in de grond, tussen de planten. Even sta ik ernaar te kijken. Kan ik nog meer doen? Ik herinner me de stapel stenen en kapotte dakpannen naast het pad bij de oprit. Die zijn ook handig. In meerdere opzichten zelfs. Ze houden meteen het vocht vast in de grond, en de steen zelf houdt warmte vast. Fijn voor kleine plantjes, die nog groeien moeten. Dat doe ik. Met mijn fietskar hobbel ik er heen en stapel de kar flink vol.

Uiteindelijk ligt mijn tuin vol rode scherven en staan overal stokjes. Om te testen heb ik nieuw zaad gestrooid. Terwijl ik er bij sta zie ik de kippen terugkeren. Ze lopen er gewoon tussendoor en krabben er lustig op los. Ik stuur de kippen weg, pak een stapel zwarte potjes achter mij en maak de compositie nog ingewikkelder. Even later kijk ik van een afstandje. De lichte plastic bakjes gooien ze gewoon om. Uiteindelijk werp ik de ene barrière op na de andere. Als mijn tuin vol takkenzooi, potjes en keramiekscherven ligt, kijk ik vol spanning toe. Opnieuw komen ze terug en .. wagen zich er niet meer in! Twee heggenmussen pikken ongestoord. Een koolmees zit bovenop een neergegooid takkenbosje. Hij kijkt of er nog zonnebloempitten liggen. Opgelucht begin ik eindelijk aan mijn ontbijt.

 

kippenbarrières

 

kippenbarrieres

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

kippenbarrières

Ik geloof dat het nu toch eindelijk gelukt is..