Met modder gooien

.

.

 

Anna staat in de sloot met haar laarzen vast in de modder. Haar voeten zitten vastgezogen in de laarzen, in een vacuümtoestand. “Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”

 

Mijn watervoorraad bewaar ik in mijn fietskar. Op Frijlân is nog maar één watertap, helemaal aan de andere kant. Het is gewoon een tuinslang, die uit de grote betonnen waterput komt, waarin de kraan van de waterleiding zit. Omdat het een eind lopen is, sla ik groot in. Mijn fietskar heeft een mooie plastic bak, genoeg voor zo’n veertig liter water.
Ik heb mijn waskom schoongepoetst met een doek en wil vers water scheppen uit mijn voorraad. Ik til het tentzeil op, dat het water schoon moet houden. Eronder is nog maar een klein bodempje. Het word tijd om het aan te vullen.
Ik pak het handvat van de kar en loop over de betonplaten om het veld knalgele koolzaad heen. Eerst kom ik bij de caravan van Anna. Anna is een jonge blonde vrouw en de kinderen van Elbrecht zijn gek op haar. Ik kijk naar de planten, die voor haar wagen staan. Een roze spirea is op sterven na dood en de anderen liggen droog bij elkaar.
“Hee Anna, zal ik die planten van je even redden?” vraag ik. Anna kijkt me somber aan. “Ik kan het niet, ze gaan dood bij mij. En ik heb mijn dag niet,” moppert Anna.
“Kom op, we leggen ze gewoon in de sloot. Dan kunnen ze zich even flink volzuigen en bij komen. Dan zijn ze vast te redden.” Anna stemt in, dat vindt ze een goed idee. “Ik zou het heel rot vinden als de planten doodgingen”, zegt ze ongelukkig.

Anna voegt daad bij woord. Over de net iets te schuine helling glijdt ze richting sloot. Ze pakt de planten aan die ik haar aangeef. De sloot is dieper dan we dachten, de potten raken de bodem niet. Ik moet aparte kom voor de planten uitgraven, vlak langs de oever. Ik ga weg om de spade te halen. Anna zegt vastbesloten dat zij ervoor zal zorgen dat de planten niet wegdrijven.

Als ik terug kom staat ze nog steeds in het water en  houdt de potten op hun plek. Ik hak een hazetrapje naar beneden, zodat ik makkelijk weer bij de sloot kom. Ik graaf een zijkom aan de sloot. We geven alle planten een plek.  Anna haalt allerlei capriolen uit om niet te vallen. De bodem van de sloot is onbegroeid en de grijze klei is spekglad. “Haal die grote ook nog even, die nog bij de caravan staat.” zegt Anna wankelend. “Die is er ook slecht aan toe.”
Ik klim weer naar boven voor de laatste pot met de grote vergeelde kornoelje. “Zal ik hem eerst even flink nat maken?” vraagt Anna me. Ik knik instemmend. Met alle toewijding die ze in haar onhandige positie kan opbrengen, dompelt ze de rand van de pot onder water. Nu moet hij naar de kant. De pot is tien keer zo zwaar geworden. Anna strekt haar armen om de pot aan te geven. Ze verliest bijna haar evenwicht en laat de pot los. “Help, mijn laarzen zitten muurvast in de modder!” Ze zwaait met haar armen. Het volgende ogenblik ligt ze languit in de sloot. Verbouwereerd en lacherig komt ze overeind en duwt alsnog de pot naar de kant. We klaren de klus. Anna is al die tijd niet van haar plek afgekomen. Haar laarzen en de bodem van de sloot zijn één onbeweeglijk geheel geworden. Haar voeten zitten vastgezogen de laarzen, in een vacuümtoestand.
“Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”
“Jij hebt makkelijk praten!” roept ze quasi verontwaardigd “Jij staat schoon en droog langs de kant!”
“Okee, zal ik dan ook de sloot in komen?” Eigenlijk heb ik daar best zin in.
“Ja!” roept Anna stellig. Solidariteit gaat boven alles.
“Maar dan doe ik wel even mijn badpak aan.”

Even later staan we schaterend in de sloot elkaar met modder te bekogelen. Marin is er ook bij gekomen, in haar mooie jurkje. We smeren de modder in elkaars haar en maken een gezichtsmasker. Wat een heerlijke verfrissing!
Na een tijdje krijg ik het koud. De twee twintigers zijn nog vrolijk bezig, met hun modderbad. Ik ga eruit en trek de handdoek om me heen. Alles tintelt. Ik voel me een heel ander mens. Dit gaan we vaker doen. Zeker weten!

.

.

Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Inpakken en wegwezen

.

.

Mijn gedachten branden
als een oranjegele vlam
in zomers korte nachten.
Onrustig wacht ik op de dag

De dag komt dichterbij
dat ik mijn vleugels spreid
na zes jaar vlieg ik weer
voor ’t eerst in eigen wooncocon
Als een havik vlieg ik
een nieuwe tijd tegemoet.

Ik zal landen in het Noorden
samen met mijn huis.
Vijftien mei twee-duizend-achttien!
O, wie zal ik daar allemaal zien?

 

Volgende week verslag van de reis en de aankomst!

 

(Fototitel: “De vlam van gedachten in de nacht.”)

.

.

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Groei maar!

.

.

De tiende kruiwagen met aarde weegt zwaar van de regen. Ik loop van het boerenland terug naar de camping, waar de potten staan, de potten voor de kleine boompjes die vanochtend arriveerden in een grote zware doos. Wat is het toch fijn, dat ik deze compost mag gebruiken! “Pak maar van mij,” had de buurman gezegd, “Ik heb 40 kuub besteld, een beetje minder daar merk ik niks van. Pak maar.” “Is het stadscompost?” Had ik gevraagd, maar tevreden hoorde ik zijn antwoord. “Nee,nee, geen stadscompost. Andere, voor bomen en struiken.” Het was precies wat ik wilde.

Mijn haar hangt in natte slierten over mijn gezicht, wanneer ik buk en met blote handen de donkere compostaarde in de zoveelste pot stop. De bodem van de pot is helemaal bedekt en ik pak vijf boompjes uit de cementkuip, die ik met water heb gevuld. Kleine kerspruimen zijn het van meer dan een meter lang. Voorzichtig spreid ik de wortels uit en bedek ze onder een dikke deken van rulle aarde, ik vul de zwarte emmergrote pot tot vlak onder de rand.
Ik ga staan en recht mijn rug. Ik tel. Het is de honderdste pot.

Die avond lig ik in bed en luister naar de dichte motregen die tikt op mijn dak. Ik luister en kan de boompjes bijna horen, al die jonge scheuten, hoe ze lispelen met elkaar. “Groei maar boompjes”, fluister ik in het donker. “Weten jullie wel hoe bijzonder je bent? Jullie gaan naar Friesland! Jullie mogen de wind keren en bijen en vogels ontvangen in jullie takken en bloesems. Groei maar!” Ik spreek mijn wens uit over alle kleine meidoorns, seringen, lindes en de kerspruimen. Prachtige bloesems zullen jullie maken en de lucht zal vol zijn van levensgeuren.

De regen tikt op mijn dak. Zwijgend spreken de boompjes het antwoord van verlangen. Het antwoord van de lente, boom te worden, steeds meer boom. Ik zal ze helpen.

.

.

Dit filmpje gaat over de plek waar ik naar toe ga, met de boompjes. Frijlân is een leerplek in wording, in het open Friese land. En plek waar je eenvoudigweg naar toe getrokken wordt. Er wordt hard gewerkt, want het moet van een desolate plek tot een zelfvoorzienend ecoparadijsje worden omgetoverd, waar het voor mens en dier heerlijk toeven is. Een plek waar je je in je element kan zijn, als je wilt leren van de natuur. 

Wat niet in het filmpje staat,  is dat  ook technisch geïnteresseerden straks kunnen zien hoe we bijvoorbeeld uit compost warm water maken. Er komen zonnepanelen en omdat het er altijd waait, is een windmolen wenselijk. Bovendien wordt het een plek vol cultuur, kunstenaars, dichters, verhalenvertellers, muzikanten zijn er allemaal van harte welkom.

.

.

Alsof ik er nooit was

.

.

Het is een tijd van dubbele gevoelens. Ik ben blij dat ik naar Friesland ga, en mee kan doen aan een project waar mijn hart naar uit gaat, “Frijlân”. Ik zit in de wachtkamer. En terwijl de lente met rasse schreden nadert, is het bij mij herfst. Afscheid komt dichterbij.

Ik kijk naar de rotanstoel. Toen ik hier kwam wonen heb ik hem daar neergezet, in de bosjes. Ooit zat ik er vaak in, hand in hand met mijn lief en poes Gijs op schoot. Ze zijn allebei dood. De glimmende rotan wordt groener en groener en de zitting verzakt, tot het volledig uit elkaar valt.
Ik stel me voor hoe het is, als ik hier straks weg ben. Meesjes hippen er in en omheen, pikken er rietjes uit voor hun nesten. Ze kijken overal rond, op zoek naar de heerlijke zonnebloempitten die daar te vinden waren. Maar die zijn er niet meer. Ook niet tussen de struiken, die ik daar plantte en die steeds meer overwoekerd raken door kweekgras en brandnetel. Alowieke is weg.

Zo zal het zijn. Straks is er niemand, die hier pitten strooit. Niet meer op deze plek. Het is er niet meer. Ik ben er niet.

De dag komt nader
De wereld verstomt
Een laatste voet
trekt zich los uit de aarde
Ik excuseer mij nu
Het moet.

En hoe is het dan als ik weg ben.

De mezen hebben niks gehad
de zaadpot blijft nu leeg
De droge kikker mist het nat
wacht op water wat hij kreeg
mijn gieter voor zijn bad

Braam zal woekeren in de perken
alles wordt als voor mijn komst
als voor mijn hele harde werken
en overal komt gras
alsof ik er nooit was.

Niemand weet wanneer het zaad van dode bloemen

ontkiemd op het moment dat honderden bijen weer zoemen

Er is zaad en hoop op meer

hulp van een groene mensenhand
Ooit komt er weer
een paradijs tot stand

.

.

.

.

.

Bèèèèèèèèèh!

.

.

Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèh” zegt het schaap. 

 

Het is nu echt januari. Ik kijk uit het raam. Dick is net weg. Dit keer hoeft hij nìet door de regen. Hij kan in de zon naar huis. Maar koud is het wel. Ik geniet van het witte winterlicht. Het is zo helder.

De schapen voor het raam hebben van de wei een modderpoel gemaakt. Het gras is geel en ligt slap in de drab. De madelieven zijn verdwenen. Het verborgen leven rust in zompige aarde tot het tijd is. En met het terugkerende licht wordt het popelen om lente bijna hoorbaar, als een terugkerend refrein, luider en luider.

Het is een tijd vol veranderingen. Tegelijkertijd gaat het traag, voor wie de wereld anders wil zien. In de winter is alles extra traag. Voor mij is dat juist goed. Al jaren leef ik in het ritme van het licht en pas er mijn dagen en werkzaamheden op aan. De winter is een tijd voor denkwerk, om plannen uit te werken.
Voor me heb ik een vel papier. Het is een werklijstje. Het zijn allemaal restjes werk, bij elkaar geveegd van het laatste jaar, de laatste dingen. Maar dit jaar wordt alles anders. Dat weet ik. Ik vraag me af of het nog klopt, wat ik te doen heb. Ik maak daarom geen haast. Nieuwe plannen krijgen langzaam vorm in mijn gedachten. Ik pak ze beet en leg ze weer neer. In de lente, ja, dán gebeurt het. Dat weet ik.
De schapen staren naar me, door mijn raam. Ik kijk terug. Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèèèèèh”, zegt het schaap en kijkt naar het hek. Er komt iemand aan.

.

.

Voet aan de grond

.

.

 

Ik bouwde een huisje op wielen
en ga.
De Aarde zelf
weet wel waarheen.

Ik ga waar de bodem
mij asiel verleent
om klei te wroeten
compost te broeien
voet aan de grond
om te groeien.

Ik ben in klei geboren
en ben te gast op zand
om dit van de grond
in de hoogte te bouwen
ik investeer mijn ademhaling
in dagelijks vertrouwen

Waar ga ik heen
naar welke taak
ik wil geen toerist zijn
slechts voor vermaak.

En alléééé

dan is het er
of wellicht was het er al

Ik krijg voet aan de grond
een gunst aan mij verleend
Ik spreid het laken
voor ‘t laatste stille ontbijt
krachten worden nu vereend
en alles is op tijd
om een brede lach te maken
om lippen
van elke mond

Dat ieder zich verheugen kan
op die ochtendstond
nog verzonken in mist
en het ei dat zachtjes sist
in de koekepan

.

.

 

Straks is het heel gewoon

.

Lekker hangen aan een oersterk dak. Het zit tjokvol schapenwol, het is warm en nog geventileerd ook. Met zo’n dak blijf ik gezond en lenig als een aap, al word ik honderd. Hoe de wereld er ook uit ziet in 2065, ik ga er voor.

.

De telefoon gaat. “Hallo met Hanna, ik ben student journalistiek. We hebben elkaar ontmoet in Tilburg op het perron en u vertelde over uw manier van leven en dat u zelf uw huis bouwde. Nu moet ik iemand interviewen die controversieel is. Ik dacht meteen aan u.”
Ik zeg haar dat ze welkom is en we maken een afspraak.

Later denk ik na over het woord “controversieel” Waarom is mijn manier van leven controversieel? Wekt het tegenspraak op? Het is meestal het tegenovergestelde. Ik kom veel vaker mensen tegen die er ook van dromen, maar het niet doen, dan mensen die er wat op tegen hebben.
Ik denk veel na over alle goede invloed die mijn manier van leven heeft op de omgeving. Ik gebruik weinig energie, ik heb weinig nodig en kan daardoor veel aandacht besteden aan mijn omgeving. Daarom tuinier ik veel, ik composteer alles wat er binnenkomt. Ik maak de grond rijker, de wereld mooier en waar ik ben wemelt het al gauw van de bloemen, hommels, vlinders en vogels. Als het moet, kan ik makkelijk verhuizen naar een plek waar ik nodig ben.
In deze tijd van klimaatverandering, ernstige bedreiging van de diversiteit en grondstoffen die op beginnen te raken, zou deze manier van wonen omarmd moeten worden. We moeten drastisch anders gaan leven, willen we het redden.
Inmiddels is ook duidelijk dat Antartica veel en veel sneller afsmelt dan gedacht en dat de zeespiegel aan het einde van de eeuw niet slechts een enkele meter, maar een aantal meters gestegen is.
Ik ben er niet bang voor. Ik denk ook niet, dat maak ik toch niet meer mee. Ergens is het in mijn bewustzijn, dat dit al in mijn leven kan gebeuren. En dan is het goed om mobiel te zijn, en zelfvoorzienend. Dan is het handig om je te kunnen redden met de gereedschappen die je hebt en het goed te kunnen vinden met de mensen om je heen.
Regels worden steeds strakker. Het zou juist andersom moeten. Om ons aan te kunnen passen aan de snel veranderende wereld, zou er meer ruimte moeten komen om te experimenteren met andere woonvormen. Zoals ik het op mijn manier doe. Als je ruimte krijgt om te spelen, dan merk je wat je ècht kan. Zelfvertrouwen groeit en je weet dat je je ook in moeilijke situaties kan redden.

Spelen maakt dat
enge dingen
zich gaan ontpoppen
tot uitdagingen

Hoe meer mensen de sprong maken, hoe meer er zullen volgen. Een leven zoals het mijne? Straks is het heel gewoon. Dat hoop ik zò!

.

In dit spannende filmpje van 10 minuten kun je het hele verhaal volgen. Als je meer wilt weten over details van hoe ik het gedaan heb, bekijk de andere video’s of kom langs!

.

.

.