In de Metaal Kathedraal

.

.

“Ik ben Alowieke, Ambassadeur van de Leegte,” zeg ik tegen de man van het kabinet, die zoëven nog achter zijn bureau zat. Maar ik praat tegen zijn rug, want razendsnel heeft hij zich omgekeerd en zegt tegen iemand achter een gordijn: “Is Abel er? Hij heeft een afspraak met de Ambassadeur van de Leegte.” Ik dacht dat ik hem zou verrassen met mijn woorden, dat hij op zou kijken met een verwonderde blik. Dat hij met een mond vol tanden zou staan. Niets van dit alles. En nu ben ik degene die sprakeloos is.
Hij loopt de kille hal in van de oude kerk, die een paar jaar geleden ”De Metaal Kathedraal” is genoemd. Het nieuwe leven bruist in de stenen buik van het gebouw. De stralende nazomerzon probeert mij door de openstaande achterdeuren naar buiten te lokken, naar het terrein dat er achter ligt. Wat is daar? Ondanks mijn nieuwsgierigheid blijf ik staan.

Ik kijk de man van het kabinet zwijgend na. Boven mij hangt de zware kettinglier aan de ijzeren balk. Een bekend gezicht voor mij als ex schipper. Ik ken de slome bewegingen van het zware staal, dat gelast of gestraald moet worden. Ik voel de rust van de schipper in mij, als ik ernaar kijk.
Mijn rust staat in groot contrast met de hectiek van het moment. Ineens komt er een vrouw uit een andere deur. De weglopende man van het kabinet draait zich naar mij om en zegt: “Dit is Maureen, onze Hemelbewaarder. Ik moet nu even in gesprek met haar. Ik zal de Aalmoezenier een seintje geven dat je er bent. Abel zal vast in de buurt zijn.” De twee verdwijnen achter een deur.

Ik ga midden in de grote lege hal staan, op de zanderige stenen vloer. Hier blijf ik staan, besluit ik, net zolang tot er iemand komt aan wie ik me voor kan stellen. In mijn hand heb ik het stapeltje visitekaartjes, de afbeelding heb ik gisteren getekend en uitgeprint. Het is mooi geworden. Er staat een groot donkerblauw ei op, met een bokaal erin. Uit het bokaal stijgt een rustteken omhoog. Het is het rustteken uit de muziek.
“Alowieke, Ambassadeur van de Leegte, ” staat er op. Het beeld en de tekst, het vat alles samen waar ik voor kom. En eigenlijk is die naam helemaal niet zo vreemd, op deze plek. Als hier ook een hemelbewaarder en een aalmoezenier rondloopt, dan kan je vroeg of laat een ambassadeur van de Leegte verwachten. Ik glimlach.

Na een half uurtje komt er een vrouw uit een open deur in de hoek. “Stadsherberg” staat er boven. Ze stelt zich voor als Lotte. Ze neemt me mee naar binnen en nodigt me uit om mijn verhaal te vertellen. Ze schenkt koffie in. De suiker is zoek, maar iemand vindt een pot versuikerde honing. Ik vertel haar over mijn plannen en ze luistert aandachtig. Als we klaar zijn met onze bespreking lopen we naar buiten, de zon in. Ze laat me het hele terrein zien. Als we terug komen staat er een man bij de deur. Het is Abel.

“Sorry dat we je zolang hebben laten wachten,” zegt Abel. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet erg vind, als Ambassadeur van de Leegte. Naast hem staat Lotte, met blozende wangen. “Alowieke heeft me zojuist van alles verteld,” legt Lotte hem uit. De vrouw straalt van enthousiasme. Ze werkt hier nog maar drie weken, ontvangt vrijwilligers en voelt zich helemaal thuis. “Alowieke wil een plek maken…” begint Lotte en aarzelt om haar zin af te maken. “Nou ja, vertel het zelf maar,” lacht ze tegen mij. Ik vertel.
“Ik wil hier een plek van Leegte maken. Het wordt een ei, twee-en-een halve meter hoog en rond van binnen, zonder hoeken.” Abel kijkt me aandachtig aan. “In het ei zit een rond eivormig gat, daardoor kan je naar binnen.” Ik ben even stil en kijk nadenkend in de verte. “Het is voor één persoon, ” zeg ik dan. “Je kan ook naar buiten kijken, door het eivormige gat. Binnen is leegte en buiten is rust en er is water en er groeien bloemen.”
Verbaasd kijkt Abel me aan. “Maar waarom kom je daarvoor bij òns? Dat vind je hier toch niet.. rust, water en bloemen?” Ik kijk hem fel aan. “Juist daaròm. Juist omdat het hier zo hectisch is wil ik dit voor jullie maken!”
Abel kijkt me verrast aan, glimlacht en zegt dan langzaam, “Ja… We kunnen zo’n plek scheppen…”

De ontmoeting met Abel is kort. Abel, en ook Lotte, wordt weggeroepen. “Ik zal erover praten met Maureen,” zegt Lotte nog, “Die gaat hier eigenlijk over..”

Ik weet genoeg. Dit is een goed begin. Ik kom hier terug, op een ander moment. Ik loop door de grote hal naar voren. Naast de ingang is een houten trap. Die had ik al gezien toen ik binnenkwam, twee uur geleden. En ik weet dat daarboven iets heel bijzonders is. Dus het enige wat ik nog wil doen is dit, om in mijn eentje nog hèèl even op die prachtige zolder te gaan kijken…

.

Zo’n zolder heb ik werkelijk nog nooit van mijn leven gezien!

.

.

home

 

 

Ambassadeur van de leegte

.

.

Vanuit de stilte in de stroom van de wereld stappen. Hoe doe je dat? Ik kijk om me heen en maak af en toe uitstapjes, naar plekken die me interesseren. Om te kijken of het me  boeit, wat er gebeurt. Ik wil mee doen, een bijdrage te leveren aan geluk en bloei van aarde, mens en dier, met alles wat ik in me heb.
Maar zo makkelijk is dat nog niet. Vanuit stilte en eigenheid opnieuw de stroom opzoeken, het is alsof je met een gipsbeen, net uit het ziekenhuis, een roltrap moet opstappen om naar beneden te komen. Alles gaat veel te snel en iedereen heeft haast. Er zijn plekken waar iets moois gaande is. Mensen die elkaar hebben gevonden in een doel, plannen die zich uitkristalliseren en werkelijkheid worden. Als je er in wil stappen, moet je solliciteren naar een specifieke baan of taak.

Zo ontdekte ik de Metaal Kathedraal. Toen ik ervan hoorde werd ik meteen enthousiast. Het is een prachtig project bij Utrecht, in de Meern. Voor het een metaalfabriek was, was het een kerk. De kerk stond leeg en vergeten aan de oever van de Leidse Rijn. In vervallen staat gerakend, werd het gebouw in 2011 ontdekt door Maureen, theatervrouw. Ze vond het helemaal te gek en was niet de enige. Al snel werd het een bolwerk van kunstenaars en theatermakers. Het gebouw wordt nu gerestaureerd. Er worden festiviteiten georganiseerd en lezingen gehouden.
Wat me het meeste treft, is de samenwerking met bewoners uit de naastliggende wijk. Met elkaar werken ze aan een plan om een voedselbos aan te leggen, in een nieuw te bouwen woonwijk. Het wordt wel 15 hectare groot!
Terwijl ik met open mond naar filmpjes op internet kijk, bekruipt mij het gevoel hier nooit iets anders te kunnen zijn dan een toeschouwer. Wat een boel mensen houden zich hier mee bezig! Wat kan ik hier nog aan toevoegen als opmerkzame pionier en dromende doener?

Op een goed georganiseerde plek die bulkt van initiatieven moet je vaak bij voorbaat vertellen wat je wil. Dat is hier ook zo. Ik kan me aanmelden als terreinbeheerder, vrijwilliger met groene vingers, of geïnteresseerd kunstenaar. Ik moet een naam geven aan wat ik er wil doen en daarmee is mijn richting meteen bepaald, mede door hoe anderen dat opvatten. Hoewel ik subiet jeuk krijg als ik me in een hokje te laat zetten, ga ik tòch kijken. Ik zou mezelf kunnen voorstellen in een kader dat nog niet bestaat. Zouden ze dat begrijpen?

Ik zet mijn fiets weg en ga naar binnen. Het is een kille hal. De wanden zijn verweerd, maar het is nog zichtbaar dat het een kerkmuur is. Boven mij is een houten plafond met halverwege een zware ijzeren balk met een hijslier. Aan het einde van de grote hal is een open deur naar buiten. Aan een zonnig terrastafeltje in de verte, zitten twee mannen te kletsen. Verder zie ik niemand. Er is een deur. Er staat ”Kabinet“ boven. Door het glas zie ik een man achter een bureau. Ik klop zachtjes op de ruit. De man kijkt op met een vragende blik en knikt. Ik doe nieuwsgierig de deur open.

“Bent u Abel?” vraag ik.
Hij schudt van nee.
”Je had zeker een afspraak?“
”Ja,“ zeg ik en ik twijfel even.
Toch, als ik het zeg, komen de woorden als vanzelfsprekend uit mijn mond.

”Ik ben Alowieke, ambassadeur van de leegte.”

.

.

PS: Ik heb een nieuwe pagina aangemaakt met foto’s van de woonwagen, zoals hij uiteindelijk geworden is!

https://alowieke.wordpress.com/fotos-van-de-woonwagen/

 

Wilde droom zoekt huis

.

.

Altijd onderweg zijn is als een constante stroom. Rust is nodig om alle indrukken uit te diepen tot iets wat meer omvat dan een vluchtige ontmoeting.

.

Er is een vrouw bij mij. Ze heeft een droom. Ze zoekt een klein huisje op wielen om mee te trekken. Samen lopen we over het terrein, tot ze plotseling stilstaat voor een kleine woonwagen met een groene huif. Als door een magneet aangetrokken loopt ze er heen en tuurt door het plexiglas van de deur naar binnen. “Dit is het echt helemaal!” roept ze uit en ze draait zich om, haar krullen zwaaien wild om haar heen. Stralend gaat ze op het bordes zitten en haar blauwe ogen kijken in de verte. Ze ziet zichzelf gaan, langs allerlei wegen, door Nederland en België en misschien verder. Ze wil reizen, met de trekker ervoor, van de ene plek naar de andere, onderweg verhalen vertellen aan kinderen, als Wwooffer op boerderijen werken. En nu stelt ze zichzelf de eerste vraag: ”Wat heb ik nòdig?“

Het herinnert mij aan mijn eigen begintijd. Hoe ik droomde om te trekken met paard en wagen. Wat ik nooit heb verteld, was dat ik in die tijd heel erg verliefd was en deze droom deelde met die man. Ik heb de wagen ontworpen met hem in gedachten. Maar de man kon zich niet losmaken van zijn huidige bestaan en ik heb hem laten gaan en nooit meer gezien.

Hoe pijnlijk het ook was, eigenlijk was het maar goed ook.

Want ondertussen was Dick in mijn leven gekomen en aan hem heb ik veel gehad. Het is erg fijn als je een nieuw leven begint vol dromen en er is iemand met wie je dat alles kan delen. Iemand die helpt na te denken over wat belangrijk is en met wie je tot de kern kan komen. Als ik zou gaan trekken, dan zou Dick niet meegaan. Ik zou het alleen doen. Een prachtige uitdaging, maar wilde ik dat wel? Was het ook leuk?
Ik liet de vraag een tijdje rusten en begon met het bouwen van mijn eigen huis op wielen. Dat vroeg alles van me.

.

Werken aan het ontwerp

.

Ik ben gaan ontwerpen, maakte tekeningen op schaal, zocht uit of het kon wat ik wilde. Het was een jaar werk, een jaar met veel slapeloze nachten.

Daarna begon het bouwen en dat viel ook niet mee. Elke klus vroeg veel meer tijd dan ik had ingeschat. Maar ik genoot er ook van. Ik nam de tijd ervoor. Tijdens het bouwen begreep ik ook steeds beter wat mijn behoeften waren. Een reizend bestaan leek me uiteindelijk een bron van onrust, zéker in je eentje. Je bent voornamelijk bezig met je eerste levensbehoeften, waar zet ik mijn wagen neer en hoe kom ik daar? Waar kan ik water en voedsel vinden? Is er genoeg geld om rond te komen? Ik had dan mijn spaargeld nog. Maar als je dat ook niet hebt, lijkt me het best stressvol om elke keer te moeten zoeken naar een manier om geld te verdienen en verder te kunnen.

De vrouw zit nog steeds op het bordes. Boven haar hoofd hangt een hertengewei, een kleintje. Het hangt naast de deuropening. “Het past goed bij je, deze wagen,” zeg ik. “Als je echt wilt reizen zou ik het zeker doen. Ik zou goed nadenken over hoe je je geld wil verdienen. Ik zie om me heen dat het niet zo makkelijk is de kost te verdienen. Het komt er vaak op neer dat je steeds hetzelfde doet.” De rode schoonheid volgt mijn woorden aandachtig. “Als je houtbewerker bent, willen ze kaarsenstandaards of houten armaturen. Als je tekenaar bent, willen ze snelle karikaturen. En als je geen geld hebt en verder wilt dan moet je wel, je hebt geen keus. Jij wilt verhalen vertellen. Dan is het de kunst dat de mensen al van je weten voor je aankomt. Je moet je PR goed kunnen regelen. Dan lukt het.”

Ik ken het verlangen naar de horizon, om ruimte te voelen, om samen te ontdekken wat er achter ligt. Het lijkt me geweldig, voor een periode. Maar altijd onderweg zijn is als een constante stroom. Rust is nodig om alle indrukken op te bouwen tot iets wat meer omvat dan een vluchtige ontmoeting. Je kunt het uitdiepen, uittekenen en op verhaal komen. O die rust! Ikzelf heb de eenzaamheid nu vijf jaar geproefd. Ik heb er alles uit laten groeien wat ik kon. En nu. Het is tijd om de stroom van de wereld op te zoeken. Niet door op reis te gaan, nee niet nu. Maar door rustig uit te kijken naar de plek waar mijn volgende taak ligt.

De vrouw op het bordes kijkt in de verte. Haar rode haar glanst in de zon en op haar gezicht zie ik een vastbesloten trek. Ze gaat het doen. Hoe dan ook.

.

“Talent vormt zich in eenzaamheid, maar karakter vormt zich in de stroom van de wereld.”
Goethe.

.

Deze wijsheid van Goethe hoorde ik van mijn leraar Nederlands, toen ik vijftien was. Ik ben het nooit meer vergeten. Het is  nu 37 jaar geleden..

.

Over liefde en afscheid:
https://alowieke.wordpress.com/2015/07/14/aan-de-overkant/
Wat is een Wwooffer?
http://www.wwoofnetherlands.org/

De man op het laatste perron

.

.

Aan het einde van Nederland staat een man, een man met blauwe ogen en handen als kolenschoppen. Hij staat bij het absolute eindpunt, het perron dat eindigt enkele tientallen meters voor de zee.

Als je het hele land doorkruist hebt en alle grote steden zijn gepasseerd, dan kom je bij het wijdse Friese land. Voorbij Leeuwarden leidt het spoor, met het allerlaatste boemeltje van het land. Het eindpunt is Harlingen haven. Verder kan je niet komen met de trein.

Ik sta op het perron, na een paar dagen Vlieland. Ik ben op weg naar huis. De zon staat al laag aan de hemel op deze zonnige nazomerdag. Mijn groene rugzak hangt stevig op mijn heupen en aan mijn schouders.
Ik loop naar de wachtruimte. Van het bruine glazen hok zijn vier ramen gebroken. Grote sterren zijn vastgeplakt met kit, zodat het niet verder uit elkaar kan vallen. Ik ga met mijn wijsvinger over het wittige spul. Het voelt aan als plastik.
Er komt een man naast me staan. Hij is klein en breed en hij ziet er uit als een dokwerker, onder gespierde schouders hangen zijn stevige armen, de handpalmen naar voren gericht.
“Ja, dat was een flinke baksteen,” begint hij “Die jongelui vinden dat leuk, een beetje rotzooi trappen in het donker. Ik hoop dat ze het zelf moeten betalen. Het is gehard glas, dat kost ze vier keer vierhonderd euro.”
Ik knik bedenkelijk. “Zonde hoor.”
“Ik ben hier vaak.” zegt hij. “Ik help de conducteur. Ik houd het hier in de gaten.”
Ik kijk naar hem. Hij heeft grote blauwe ogen, als van een kind, zijn blauwe trui bedekt een strakke bolle buik. Zijn ronde gezicht kijkt me vriendelijk lachend aan.
“Bent u een schipper?” vraag ik.
“Ook,” zegt hij “En ik heb een harem, met vier dames. Sinds vier weken. Kijk maar eens naar de strootjes op mijn trui.”
“Vier dames?” Ik ben even stil en denk na. “Kippen?”
“Nee, ze zijn een stukje groter.”
“Lama’s?”
“Ook niet,” grinnikt hij “maar je zit in de buurt.”
“Kangoeroes dan!”
“Nee. Ik zal het zeggen. Het zijn vier kamelen. Ze zijn van een vriendin en ik zorg voor ze. Ze krijgen oud brood en stro. Poezelig lief zijn ze! Poezelig lief.”
“Wat een eer dat je ze mag verzorgen!” roep ik uit.
“Dat is het zeker,” knikt hij tevreden.
“En wat doe je nog meer?”
“Ik ben hier,” zegt hij rustig.
“Je helpt de conducteur,” herinner ik me.
“Ik heb er voor gezorgd dat dat afdakje er gekomen is, boven de automaat. Zo lastig, je zag helemaal niks van het scherm met dat licht erin. Formulieren in vullen dan maar hè? Naar de NS. Blijven invullen, die formulieren. Dan komt het er.”
Ik knik bewonderend.
“En ik zorg dat de fietsen op de juiste plek staan. En zeg ze dat het ene deurtje het niet doet en het andere wel.”
“Ik snap het.”
Ondertussen komt de trein aanrijden. “Ik moet nu instappen.” zeg ik “Bedankt voor uw verhalen!”
“Jaja, ik sta hier al twintig jaar…” mompelt hij trots.
De deuren openen zich. Ik stap in. Op het perron staat de kleine brede man met een blauwe trui. Hij is waar hij is. “Je doet goed werk!” roep ik hem na.
Hij glundert.

De wolken achterna

.

.

Ik loop rond de werktafel en verzamel een handje vol kromme spijkers. Ik ben weer alleen op de camping en werk aan de luiken, die voor de ramen komen. Ze worden hemelsblauw met een lila rand en zullen me beschermen tegen hitte en kou. Ik sta stil en kijk naar de horizon. De toppen van de bomen staan roerloos, alleen de wolken bewegen. Heel zachtjes drijven ze verder. Gelukkig, denk ik, niet àlles is roerloos.

Wat moet ik met die spijkers? Ze zijn klein en dun en van roestvrij staal. Het RVS is wat zacht voor het harde hout, dat ik voor de vensterluiken gebruik. Ik sla ze steeds krom. Ik had beter staal kunnen nemen. Keihard staal.

Er is geen zuchtje wind. Het maakt me suf. Slaperig gooi ik de kromme spijkers in een afvalemmer. Ik duik onder de wagen en pak het doosje oude roestige nagels. Er zitten er nog net genoeg in. Roestig of niet, deze laten zich tenminste rechtstandig in het hout slaan.

Ik werk tot het schemerig wordt. Ik zaag, ik lijm, ik schroef en ik timmer. Al doende word mijn hoofd helder en zelfs de zachte spijkers gaan er nu  loodrecht in. Ik werk tot ik het vijfde luik af heb. Een lichte bries steekt op. Steeds meer wolken bedekken de blauwe hemel.

De zon zakt als rood goud weg achter de vlierstruik, tussen de takken van de eikenboom en verder zakt hij, achter de meidoornhaag, tot hij alleen nog maar uit gouden vonken bestaat, die schitteren tussen de bosjes.
Ik kijk er naar, mijn handen hangen slap naast mijn lijf. Het is genoeg. Tevreden sta ik naast mijn werk. Vijf van de vensterluiken zijn klaar, ik moet er nog drie. Ik tuur naar de toppen van de bomen. Ze bewegen nu heen en weer in de wind. De wolken drijven verder, op weg naar de horizon. Ze verdampen, regenen leeg of ze waaien uit elkaar door de wind. Gelukkig, er is beweging. Niets staat stil, nooit.

Ik stapel het hout op elkaar, de onderdelen die ik heb afgemeten en uitgezaagd. Ik bedek het tegen de dauw en berg het gereedschap op. Morgen ga ik weer verder. Nog even. Nog even doorwerken. Dan kan ik straks misschien de wolken achterna, wie weet met welke bestemming..

.

.

.

Een welkomstaanbod

.

.

Ik mag bij de camping een stuk grond pachten. Zo’n hartelijk aanbod neem ik serieus. Ik zou hier mijn thuis kunnen maken. Tegelijkertijd schuilt er een levendige ontdekkingsreiziger in mij, die haar werkveld verkent.

“Vernieuwing is een gebrek aan zelfbeheersing”. Dat was het motto van Jan Fisher, eigenaar van hotel van der Werf op Schiermonnikoog. Hij stierf in 2014. Het hotel ademt nog altijd de sfeer die hij bewaarde. Het heeft de charme van vergane glorie. Elke hoek van het gebouw is vol zichtbare geschiedenis. Boven de ingang nestelen elk jaar zwaluwen, die boven de hoofden van de gasten heen en weer scheren. Als je daarna naar binnen gaat, zie je houten tafels en stoelen en overal vergeelde foto’s aan de wand, die herinneren aan vroeger tijden. Je ziet slijtplekken, daar waar talloze malen een hand overheen ging, of waar een achterwerk verschoof. Fisher heeft het hotel wel aangepast aan de moderne tijd, zoals een badkamer bij elke kamer. Maar de sfeer bleef hetzelfde. Zijn dochter is in zijn voetspoor verder gegaan.

Ik moet wel eens denken, aan die uitspraak van hem. Is vernieuwing wel goed? Is het niet beter om alles bij het oude te laten? Nu ben ik hier, op deze camping in Brabant. De koolmezen, de kippen, de mensen, iedereen is er zo aan gewend dat ik hier ben. De kippen zitten ‘s ochtends voor mijn deur te wachten op eten. De jonge koolmezen vliegen piepend heen en weer in mijn buitenkeuken, wetend dat ik zo naar buiten kom. De ooit ingezaaide bloemstroken groeien steeds uitbundiger en hebben een verzorgende hand nodig. De mensen die hier wonen, de eigenaresse, de beheerder en hun kinderen en kleinkinderen, iedereen kent me en ziet me hier al vijf jaar bezig.
Als vernieuwing gebrek aan zelfbeheersing is, dan zou het de boodschap zijn om hier te blijven. Dan zou ik ingaan op het aanbod, dat ik gisteren kreeg, om hier een halve hectare te pachten of te kopen en er mijn thuis van te maken, met voedselbos en al. Dat is nogal wat. Als iemand je zoiets aanbiedt, dan overweeg je de mogelijkheid. Dan voel je je welkom.

Maar wat is thuis? Thuis, ja, dat is mijn woonwagen. Maar op deze plek voel ik me nog steeds een bezoeker. Thuis, dat is waar je je wortels hebt. En dat is voor mij Utrecht. Ik heb daar veel geschiedenis. Toch ben ik er niet tot mijn dood gebleven. Dat ik wegging was voor sommigen een schok. Maar die vernieuwing was geen gebrek aan zelfbeheersing, zoals Fisher het noemt. Soms is het echt nodig. En bij mij was dat zo.
Toen het startschot gegeven werd, zat alles mee. Ik werd gelanceerd. De plek waar ik terecht kwam was mij volkomen vreemd. Ik ontmoette mensen die zo plat praatten dat ik ze niet kon verstaan. En hier ben ik nu, op het platteland van Brabant. Al vijf jaar, op een veld dat bijna al die tijd verlaten is geweest. Die leegte was de ideale kweekvijver voor iets volkomen nieuws. Ik ontwierp en bouwde mijn eigen huisje. Dat is nu bijna af.
En nu heb ik het aanbod gekregen om hier mijn thuis te maken. “We kennen je nu al zolang, zoiets zeg ik niet tegen iedereen,” zeiden ze. Ik ben blij met het aanbod. Tegelijkertijd schuilt er ook een ontdekkingsreiziger in mij, die haar werkveld verkent.

Vijftien jaar lang had ik een rondvaartbedrijfje in Utrecht, mijn thuisstad. Het mooiste was het contact met de mensen. En daar is maar weinig voor nodig. Als je twee uur in tijdloze toestand naast je gasten zit, werkt dat prachtige gesprekken in de hand. En steeds weer anders! Dat begin ik nu te missen.
Dat was ook de reden waarom ik met paarden aan de wandel wilde, niet in de eerste plaats om ergens te komen, maar om het rustige voortgaan. Ik dacht te gaan langs stille paadjes, vergezeld door anderen, aan de grenzen van ons land. En onderweg koken met wilde planten.
De camping waar ik nu ben, ligt dichtbij de grens van België. Helaas zijn ook hier wegen met onverwacht hard verkeer. En juist dat onverwachte is zo link, met paarden. Ik ben veel wijzer geworden, wat dat betreft.

De camping ligt wèl op één van de stilste plekken bij het bos, erg geschikt om in alle rust creatief te zijn, ver van alle drukte. Je kunt van de natuur genieten en groene vingers trainen. Ik denk dat veel mensen hier naar verlangen. Toch, na vijf jaar werken stilte, krijg ik steeds meer behoefte aan bedrijvigheid en uitwisseling.

Wil ik hier een eigen stuk grond? De beheerder heeft gezegd, dat als ik ter afwisseling een tijdje ergens anders heen wil, hij me er wel heen wil trekken. Ik neem nu geen beslissing. Ik haast me niet. En zo luister ik toch een beetje naar het motto van Jan Fisher. Eerst de wagen maar eens afmaken. En dan zien we wel weer verder.

 

Het hek dat altijd dicht was

.

 

Ik zit op mijn grote Gazelle, met een fietskaart van de Achterhoek in mijn hand. Ik ben de route kwijtgeraakt en fiets nu maar gewoon langs de autoweg, die naar Zutphen leidt. Het fietspad gaat over een groot kaal kruispunt en harde wind blaast mijn hele kaart open en hij wappert wild. Ik frummel hem gauw in elkaar, voordat hij uit elkaar scheurt of in de bosjes belandt.
Ik steek over en ga een zijstraat in. Ik fiets nu in de luwte, aan de rechterhand is een bos met loofbomen. Tot mijn verrassing zie ik links naast het pad een groot weiland vol met bruine Barnevelders. Ik ken dat soort kip. Bij ons op de camping zijn ze ook. Je kan er goed mee praten en ik vind ze grappig. “Heeeeeee Kippetjes!” roep ik luid, vol blijde herkenning. De reactie is overweldigend. Alle kippen steken hun kop uit het gras en kijken me aan, tientallen! Helemaal gelukkig fiets ik verder, op weg naar de trein.

Als ik thuis ben moet ik nog aan ze denken. Wat fijn hadden ze het daar, die kippen. En wat een verschil met die scharrelkippen hier verder op!
Een maand geleden fietste ik naar de geitenboer, langs het bekende bord met “Scharreleieren te koop”. Het is een mooi plaatje van een grote tevreden kip op zijn nest. Ik hoor altijd een kakefonie van gekakel als ik erlangs fiets. Het is een groot koor met veel harde kakels. Ik ken dat soort kakel. Het klinkt net zo als ik één van onze kippen betrap bij het zoeken naar een plek om eieren te leggen, tussen de bloemen, of achter een stapel planken. Dan krijg ik luid commentaar, in duidelijk verstaanbaar kips. Het klinkt als “Stomme trut waarom stoor je me!” Maar meestal kakelt ze niet en ontevreden is ze zelden. In tegenstelling tot de kakelende meute bij de buren, scharrelt en krabbelt dit kipje rustig rond en doet waar ze zin in heeft.

Ik fiets langs het bord met “Scharreleieren te koop.” Er is iets. Ik mis het gebruikelijke gekakel en het hek, dat normaal gesproken gesloten is, staat nu open. Dit is mijn kans. Ik aarzel niet en fiets het erf op, klaar om vriendelijk goeiedag te zeggen en belangstellend naar de kippen te informeren. Maar er is niemand. De schuurdeur staat open. Nu kan ik eindelijk kijken hoe het er daarbinnen uit ziet.
Ik zie drie rijen hokken die in twee verdiepingen boven elkaar liggen. De onderste hokken op kniehoogte, de bovenste op borsthoogte. Een hok bestaat uit een staalplaat van ongeveer twee bij vijf. Hoeveel kippen zouden daar geleefd hebben? Ik weet het niet. Maar het lijkt er op dat er weinig te scharrelen valt.
Ik kijk opzij en zie iemand uit de andere schuur komen. Het is een jonge man. Zijn gezicht staat strak en zijn schouders zijn gespannen. Met grote pas komt hij op me af. Ik wijs naar de schuur. “Ik wilde vragen…” begin ik, maar de man heeft zich alweer omgedraaid en trekt de deur resoluut achter zich dicht. Ik stap weer op mijn fiets en rijd het erf af.
Even later vertelt de geitenboer dat de legkippen na een jaar geslacht worden. Dan zijn ze niet meer productief genoeg en dan komen er weer nieuwe. Hij kijkt me een beetje verontschuldigend aan, alsof hij het eigenlijk ook niet leuk vindt en verwacht dat ik commentaar zal geven. Maar dat doe ik niet. Ik knik en draai de dop op mijn fles met verse geitenmelk.

Er zijn vier weken voorbij. Op weg naar de geitenboer zie ik een grote witte vrachtwagen bij de pluimveehouder. Ik houd even op met trappen, om te kijken wat er op staat. “Living animals” zie ik staan, met kleine sierlijke letters. Rond de wagen en op het erf lopen mannen in witte pakken. Ze hebben alle huidskleuren van de wereld behalve de onze. Drie van hen zien me, lachen en zwaaien naar me. Ik lach terug. Ach, ze zijn blij dat ze werk hebben en dat er brood op de plank komt. Blij dat er een olijke vrouw op de fiets langskomt, met groene klompen aan. Geef ze eens ongelijk.

.

Dit verhaal begon met een fietstocht bij Zutphen. Het doel was om te kijken of mijn nieuwe uitdaging lag op Natuurcamping Wientjesvoort Zuid. Ik vind het een leuke plek, maar op dit moment is het niet iets  voor mij. Ik blijf waar ik ben tot ik volledig overtuigd ben van mijn volgende stap. Ik denk dat die eerder kan verwachten van uit een rechtstreekse uitnodiging, dan vanuit tips. Of ik loop er zomaar tegen aan. Zo gaan die dingen. Bij mij, althans.

 

 

Het paadje dat niemand kent

.

 

.

“Mensen denken nog stééds dat het mijn doel is, om een reizend bestaan te gaan leiden!” Ik kom uit de woonwagen en kijk naar Dick, die Tijl Uylespiegel leest op het bordes. “Zelfs al volgen ze me jaren, toch lezen ze mijn verhalen vaak met de bril die ze bij aanvang hebben opgezet.”
Dick kijkt op en lacht. “Ja, dat klopt.” Mijn vriend is journalist van beroep. Journalisten weten dat. “Mensen lezen vaak een heel ander verhaal dan jij geschreven hebt.”
Ik knik. “Toch kan het anders. Als je zelf niet teveel wilt en rust hebt, dan kan je je beter open stellen voor wat iemand echt wil zeggen.”
“Ja, dat is misschien wel zo…” zegt hij, “ het kan dat je dan meer opneemt.”
Ik kijk naar de lucht waarin een vliegtuig rond cirkelt, in de wacht voor landing op het vliegveld in Eindhoven.
“En dààrom ga ik nu géén reizend bestaan leiden, ” roep ik uit. Iedereen reist maar rusteloos van hot naar her, waarom zou ik daar aan mee gaan doen? Laat dat bij deze duidelijk zijn, in zo’n onrustige wereld waarin iedereen van alles wil en zo nodig ergens heen moet, ben ik waar ik bèn. Alsof het zo leuk is om in die hectiek op de weg te zijn. Dat doe ik in elk geval niet voor mijn lol. Reizen is op dit moment geen doel voor me, maar bijzaak. Ik ben waar ik ben en ik houd het klein en eenvoudig.“

 

Ik denk er vaak aan. De wereld om ons heen is bijna confuus van onophoudelijke beweging, die steeds sneller lijkt te gaan, virtueel of concreet. Reizen of vermaak, het moet steeds verder, steeds gekker, om de sleur te doorbreken.
Vroeger waren er Dominicanen. Het waren monniken met de gelofte van eenvoud en bescheidenheid. Nog steeds zijn ze er, maar niet veel. Die monniken doen ook een stabiliteitsgelofte. Ze zullen altijd blijven waar ze zijn, in hun klooster. Door hun rust en concentratie konden ze grootse dingen tot stand brengen. Hele bibliotheken brachten ze bij elkaar en in de kunst en de wetenschap hebben ze veel bijgedragen.
Maar niet iedereen heeft een gelofte nodig om te blijven waar hij is. Hele volkeren wonen al eeuwenlang op dezelfde plek en nu nog steeds! Westerlingen vinden dat zo bijzonder, die willen van ze leren. Ze willen zien, hoe ze zo in harmonie kunnen leven met hun omgeving. Om dat te zien maken ze de ene reis na de andere, met de meest verschillende bestemmingen.

Toch, de enige plek om het in praktijk te brengen, dat is thuis. Eigenlijk weet iedereen dat wel. “Aarden”, noemen sommigen het. Er zijn zelfs cursussen voor. Maar in wezen is het heel simpel. Het is zo simpel, dat je het zomaar weer over het hoofd ziet.

Alles kan veranderen. Ik weet niet welke wendingen in aantocht zijn. Misschien dat eens de wereld zo verandert, dat er meer rust zal zijn om als voetganger vanuit ons eigen landje de wereld te verkennen. Misschien zijn er dan overal bloemrijke brede bermen omdat er geen geld is voor onderhoud. Dat vind ik helemaal niet erg. Je kan dan vast heel mooi wandelen en er kunnen weer paarden grazen. Maar mocht dat nog een een poosje duren, ik kan altijd klein beginnen. Want misschien hoef ik nergens op te wachten. Misschien zie ik ergens een heel lief paadje. Het mooiste paadje van de wereld. Dan ga ik daar fijn wandelen. En ik zal het elke dag begroeten in de ochtendzon.

.

 

Lief slim paadje
wie weet,
waar jij nu bent

en al eeuwen
wacht op mij

oeroud kronkelpaadje
dat niemand
nu meer kent

omdat je
pal voor de voeten verdwijnt
van wie haastig hijgend rent
immer op weg naar ergens.

.

.

 

 

 

 

.

.

Vraag aan jou,

Weet je een nieuwe plek voor mij en mijn woonwagen? Voorlopig leid ik een semi-nomadisch bestaan. Ik blijf ergens zolang als het nodig is. Ik houd van plekken waar creativiteit nodig is of waar je inventief moet zijn.

Ik leer veel van beestjes en plantjes. Ik let graag op eetbare soorten en kijk naar verbanden.

Ik kan bouwen aan iets moois. Ik houd van zingen, zuiver en meerstemmig, maar net zoveel van meeslepende ritmes, slome jazz en eigenzinnige liedjes.

Ik houd van onverwachte ontmoetingen met telkens andere mensen. Behalve dat ik er gewoon van geniet,  krijg ik er goeie ingevingen van, voor schrijf-, teken- en filmwerk.  Ik houd van vieze handen en lekker doorwerken in een rustig maar gestadig ritme. Of het nou ijskoud is of heel warm, dat maakt me niet uit. Als mijn voeten maar droog blijven.

Ik wil mijn wagen het liefst meerdere functies geven dan alleen wonen en zie het als een uitdaging om dat compact en efficiënt in te bouwen. Bijvoorbeeld als koek en zopie of mini-solarbioscoopje met filosofische naborrel. Hoe klein kan het!

 Vandaag, woensdag 2 augustus en morgen, 3 augustus, ben ik in de buurt van Zutphen om te kijken op Natuurcamping Wientjesvoort Zuid. Het zou leuk zijn als ik op mijn verkenningstocht nog meer mensen kan opzoeken. Ook als niet alles wat ik noem er is, laat van je horen, ik ben hoe-dan-ook benieuwd! ❤

ALOWIEKE  06-23207532      of       tt.alowieke@gmail.com

.

.

.

Wijsheid van José Munica, president van Urugay van 2010 tot 2015, bekend als “The worlds poorest president.” Pleidooi voor de vrijheid, die uit eenvoud groeit.

Al lachen ze om me

.

.

Er wordt gekeken. Als je het leven anders leeft dan de rest, dan is dat één van de consequenties. Dat je te kijk staat. Voor de één ben je hartstikke gek, voor de ander een exoot, of het gedroomde ideaal.

Ik zit in mijn nachthemd op de rand van het bed en kijk door de halfgeopende deur. De zon staat laag aan de ochtendhemel en schijnt recht naar binnen. Er hangt een waas van ochtenddamp en het gras is nat van dauw. Een stuk verder op de camping, onder de bomen van de kleine boomgaard, staan twee fietsen en een half ingezakt tentje. Een man kruipt op zijn knieën door het gras en verzamelt haringen. Een vrouw staat met de rug naar hem toe en staart naar mijn wagen. Het zal er vast mooi uit zien, in het goudgele licht. Ik negeer haar blik en spring van het hoge bed af. De vrouw ziet mij nu opeens en alsof ze zich betrapt voelt, draait ze zich om.

De zon klimt hoger de hemel in en het wordt al snel warm en benauwd. De fietsers zijn allang vertrokken. Ik heb het bed opgeruimd en nu verlang ik naar koel, stromend water om mezelf op te frissen. In de doucheruimte is iemand bezig. Ik hoor het geraas van een oude stofzuiger. Daar heb ik geen zin in. Dan maar niet douchen. Ik heb een beter idee. Ik ga gewoon zwemmen. Ik gooi mijn handdoek in de fietstas en fiets weg naar het Wilhelminakanaal.

Het kanaal is al in 1983 natuurvriendelijk gemaakt, het was het eerste kanaal met doorlatende damwanden, waarachter waterplanten konden groeien. Er zwemmen meerkoeten, eenden en futen. In het riet broedt de karekiet. Er is ook ruimte gemaakt voor taluds. Jonge watervogels kunnen er de kant op, landdieren kunnen er drinken. Ze zijn verstopt achter het lange gras dat langs het fietspad groeit. Als je het niet weet, dan zie je het niet. Ik weet dat het talud er is, omdat er aan de overkant net zo eentje is, een gat in de beschoeiïng, dat de lange rietkraag doorbreekt.
Ik trek een paar brandnetels uit, die in de weg staan. Ik pak ze onder aan de steel, in het zand bij de wortel, zodat het niet prikt. Kennelijk is hier al een tijdje niemand geweest. Ik zet mijn voet in het water. Het is koud, maar niet hèèl koud. Voetje voor voetje waad ik dieper en dieper en voel de glibberige korrelige steen van het verweerde talud onder mijn voeten. Ik loop tot het diepste punt. Daar kijk ik uit over het kanaal, met het water tot aan mijn middel. Ik zak door mijn knieën en maak een brede schoolslag. Er is niemand behalve ik en kleine rimpelingen schitteren in het licht van de zon. Het is behoorlijk helder, een beetje bruinig van het omgewoelde fijne slib dat op de bodem ligt. Dat is logisch. Dit is een doorgaande scheepsroute, weliswaar niet zo druk bevaren als vroeger, maar toch zie je soms nog grote schepen voorbijgaan, hoog boven het water uittorenend, of diep liggend door hun zware lading. Nu zijn er ook jachtjes, omdat het zomer is. Maar op dit moment is het stil.

Ik heb net een eindje gezwommen, als er twee fietsers aankomen en stoppen, een man en een vrouw. Kennelijk zijn het toeristen, hongerig op zoek naar bezienswaardigheden. Ik zie dat ze hun fiets op de standaard zetten. Zonder een woord te wisselen, gaan ze naast elkaar naar mij staan kijken.
Ik kijk verbaasd naar de oever. De vrouw tilt het fototoestel op, dat op haar buik hangt en maakt een foto, terwijl ze haar blik niet van me afwendt. Even ben ik verontwaardigd, maar dan denk ik, wat maakt het ook uit. Als ze dan toch kijken, dan doe ik voor de show ook maar een balletbeen, zoals ik dat vroeger bij kunstzwemmen heb geleerd. Strak pijlt mijn rechterbeen boven het water uit, voor ik het sierlijk terug sla en wegduik in het water. Dan zwem ik terug naar de kant. Ik voel hun blikken maar negeer het. Pas als ik mijn handdoek pak, zie ik ze verdwijnen. Ik hoop dat ze tevreden waren met de show.

 

Als het maar bij me hoort

Kleine rimpelingen
in het zonlicht,
een stille schoolslag
in verlaten water
en niets dan
wuivend riet

Dit alles
is mij liever dan
wat dan ook

Ik hoef geen
strak betegelde gangen
geen chique hotel met bubbelbaden
fonkelend, met blinkende spiegels
behangen

Ik zwem
ik ben buiten

En dan
als ik terug fiets
en mijn wonderhuisje zie
Dan is er niets
of niemand
rijker dan ik.