Dorp in Transsylvanië

Dorp in Transylvanië

.

Terug in Roemenië. Ik verblijf bij een gastvrije vrouw die Agnes heet. Ze voert een klein boerenbedrijf en ik werk deze maand mee, tegen kost en inwoning. Ik zit op de drempel in de schaduw. Het is warm. Ik hoor alleen de krekels in het gras, een kip die aanhoudend blijft kukelen in de verte, een kind dat roept. Het huis staat in een klein dorp, gelegen aan een smalle beek, die uit de bergen komt. Als ik in de beek sta, dan kan ik de blauwgrijze toppen zien liggen als indrukwekkende schaduwen aan de horizon. Er ligt nu geen sneeuw op de bergtoppen, en de beek is niet meer dan een ondiepe stroom met glibberige keien. In de lente, als het smeltwater komt, dan kan het smalle beekje uitgroeien tot een rivier. Soms komt het zelfs tot over de drempels van de huizen. Over de kreek zijn hier en daar eenvoudige bruggen gemaakt, maar toen we gisteren aan kwamen rijden, reden we dwars door het water naar de overkant. Het dorp ligt als een lang lint langs de stroom. De wegen zijn van zand en grind. Voetpaden hebben zich in de jaren vanzelf gevormd, dwars door het gras en wilde bloemen naast de beek. Langs het water staan overal fruitbomen en kruidige bloemen en ik vond watermunt en wilde tijm. Alle huizen hebben een hoog houten hek voor het erf, niet om de boeven buiten te houden, maar om de loslopende koeien, honden en paarden tegen te houden. Gisteren was de deur open blijven staan. Toen stond er ineens een brutaal en onvriendelijk paard de spruitjesplant op te eten. Zijn voorpoten waren aan elkaar gebonden met een korte ketting, zodat hij niet kon rennen. Maar weglopen kon hij dus wel. Gelukkig duurde het niet lang voor we hem weg hadden en de schade viel mee. Agnes heeft gauw de deur op slot gedaan.

Agnes is een nu paar uur weg. Ze brengt twee Nederlandse gasten weg met de auto. Na een gezellig ontbijt ben ik nu een paar uur alleen. Het is anders om hier alleen te zijn en ik geniet er van. Ik heb de afwas gedaan en frambozen geplukt voor de verkoop. Tommy, een opgewekte Kooikerhond, ligt te slapen in de schaduw van het kleine gastenhuis. Het brede erf ligt tussen twee huisjes en twee schuren. Het is begroeid met gras en er is een moestuin met bonen, kolen en bloemen. Als ik erlangs loop, vliegt een groep mussen op uit de drogende bonen met het dorre blad. De bonen moeten rijpen, het is bedoeld als zaaigoed. Maar de vogels vinden het ook lekker.

Ik loop verder, langs de twee schuren, achter op het erf. De ene schuur is deels van gepleisterde steen, deels van hout. De deur is ook van hout. Ik ga naar binnen. Ik zie dat tussen de kieren van de planken door genoeg licht komt om alles te zien. Er staat het een en ander opgeslagen en er is een hooizolder. Ik loop verder naar de andere schuur. Die is van hout en van keien die uit de buurt komen. Er ontbreekt een wand. Als ik er naar toe loop, dan zie ik dat ook de kelder niet compleet is. Hij heeft maar een half dak. Het zijn grote balken met smalle stroken gewelfd metselwerk ertussen. Hoe zou je zoiets restaureren, vraag ik me af. Maar ik denk er niet te lang over na. Het land loopt nog verder door. Achter de twee schuren rusten de drie schapen en lopen kippen. Ze kennen me al en lopen niet meer voor me weg. Een van de drie schapen kijkt me nieuwsgierig aan. Ze hebben hier een mooi veldje om te grazen. Maar ze kunnen niet in het midden komen, daar staat een hek omheen. Er groeien pompoenen en frambozenstruiken. Heerlijke grote frambozen hangen te rijpen in de zon, rode en gele. Gisteren hebben we ze verkocht op de biologische markt in Sibiu. Achter de frambozen begint een heuvel met pruimenbomen, appels en acacia´s. Het gras eronder is ruig, maar wel gemaaid. De eerste pruimen en appeltjes zijn al op grond gevallen. Ik proef een paar maar ze zijn zuur, hard en klein. Nog even wachten voor ze rijp zijn.

Achter het laatste hek beginnen de velden, het hooiland, vol bloemen en vogels en andere dieren. In de verte ligt de hoge bergrug van de Karpaten en is de allerhoogste top te zien. Hoewel de lucht hier helder is, zijn de bergen vandaag in nevelen gehuld. Zou het morgen beter zijn? Misschien gaan we er wel heen. Als je in de wolken loopt kan je niks zien. Maar vandaag ben ik in elk geval hier. En nergens anders. En ik schrijf. Net zoals thuis. Alleen het decor is anders.

.

Huis in Transylvanië

Het lijkt wel oorlog op de akker

.

.

`Het lijkt wel oorlog`, zegt een jongen die naast een van de tentjes staat. Een grote stofwolk waait over het veld van de Augustehoeve, over de bossages en over het dak. Er lopen mensen met ontwerptekeningen in de hand, voor de grond die rond de hoeve ligt. Ze doen hier een tiendaagse cursus permacultuur en ze proberen zich niets van het het geraas en het stof aan te trekken. Met aandacht buigen ze zich in groepjes over hun werk. De wolk van stuifzand is zo groot dat de tenjes maar klein lijken. Achter de tentjes is een hek van twee meter hoog. Heras hekwerk. Rakelings daarlangs rijdt een enorme combine. Met veel kabaal worden erwten geoogst. Het lijkt erop dat ze niet zullen stoppen voor het klaar is. Verderop zijn nog drie van dezelfde machines. `Het is niet minder dan dertig hectare wat geoogst moet worden,` vertelt de jongen ernstig. Het geraas van de machines begon vanochtend om zes uur, pal naast de kleine tentjes startten de kolossen hun motor en reden rakelings langs de slapende mensen. `Net oorlog` zegt de jongen nog eens en kijkt gefrustreerd naar de langsrazende combine, die net weer een rijtje af heeft.
Hier zijn wij een avond en een ochtend te gast. Ik slaap met oordopjes in, maar evengoed beleef ik een onrustige nacht. Als we wakker worden, zijn ze nog steeds bezig. De cursisten gaan weer gemotiveerd aan het werk, geslapen of niet geslapen. Wij pakken onze fiets om weer te vertrekken. Het veld is nu kaal, er staat niets meer op. Aan het einde ervan staan de vier grote wagens in een cirkel om een klein groepje jongelui heen. Vier kleine mensen, drie jongens en een meisje ontbijten gezellig in de ochtendzon. Het ziet er heel onschuldig uit. Weten zij veel, wat er aan de andere kant van het hek is.

Ik moet denken aan de tijd toen ik zeventien was. Ik heb vakantiewerk gedaan, bij de Machinering. Ik heb duizenden smeerwortels uitgetrokken, in de polder, tussen de rijen bieten. Geen moment heb ik me afgevraagd wat voor plant dat was, die smeerwortel. Dat is nu dertig jaar geleden. Het boerenbedrijf wordt steeds grootschaliger, tot monsterlijke proporties. Anders is het niet meer winstgevend, men ziet geen andere uitweg. De jongeren die de machines besturen, die willen alleen maar werk en stellen geen vragen. Ze doen wat ze krijgen opgedragen. Voor de mensen in de tentjes bestaan ze eigenlijk niet. Hetzelfde geldt vise versa. Wie weet het, wat er aan de andere kant is van het hek, welke mensen? Waarom eigenlijk, een hek? Wat is oorlog? En is schaalvergroting ècht de enige manier? Veel vraagtekens. Wij fietsen verder, naar de stille camping bij Haghorst.

Meer over de Augustehoeve: http://www.augustehoeve.nl/

.

Rotspul, bestaat dat?

.

 

„Hondsdraf? Dat is rotspul!” hoorde ik pas. Zo’n plantje dat overal maar tussendoorkruipt, dat wordt meestal niet gewaardeerd. Het komt op in gazons, daar waar mensen gras willen hebben. Inplaats van het glanzend groene raaigras, zie je dan een paarse zee met beestjes die er rondvliegen. Dat is niet de bedoeling van een gazon. Flora en fauna delen we in. Zoals we het zelf willen zien. Nuttig en niet nuttig. Hondsdraf is niet nuttig. Zeker niet in het gazon. Smeerwortel en hoefblad ook niet. Dus dat moet weg. Maar er is een wereld die veel groter is dan wat we weten. De bodem en de bijen en beestjes hebben wellicht iets heel anders nodig. En wij hebben hun weer nodig. Dus wat is wijs?
Ik doe het zelf ook. Ik kies ook welke planten ik niet wil en welke ik wel wil. Ik haal weg wat dominant is, maar er mag altijd wat van blijven staan. Alles heeft zijn funktie. Op kweekgras wordt bijvoorbeeld veel gescholden. Maar ik wist niet dat kweekgras goed is voor de stofwisseling en voor de huid. Dat weet ik pas sinds gisteren. Misschien doet kweek in de bodem ook wel dingen die de bodem gezond maakt. Geneest het niet alleen mijn huid, maar ook de huid van onze planeet, de bodem onder mijn voeten. En dan trek ik het er zomaar uit.
In de permacultuur probeert men funkties te achterhalen, van de plant die er groeit. En dan ruil je die plant voor een andere, die dezelfde rol speelt, maar nóg meer funkties heeft. Een plant waar je ook nog goed van kan eten. Of mandjes van kan vlechten. Of een windhaag van kan maken. En graag een plant die we mooier vinden dan kweek, en makkelijker te verwijderen wanneer wij dat willen. Dan halen we alle kweek weg tot het laatste halmpje, en zetten we er andere plantjes voor in de plaats. Het liefst met grote vruchten en een rijke oogst. Ik ken die verleiding om zo snel mogelijk een grote oogst binnen te halen. En er is dikwijls commerciele noodzaak. Maar wat geven we en wat nemen we?
Ook in de permacultuur zijn mensen hongerig naar kennis, naar feiten die houvast bieden in hun tuinontwerp, of boerderij. Wat is zinvol en wat niet. Je kan dingen lezen op internet of in boeken, en horen van anderen. Maar elke plek is anders, en heeft iets anders nodig. En de natuur is flink in beweging. Alles verandert in hoog tempo. Bodem, klimaat en hele ecosystemen. Wat weet ik nou eigenlijk. Zo weinig toch… Daarom kijk ik maar gewoon. Naar dat hondsdrafje. Of naar de smeerwortel of het kleine hoefblad. Wat staat het daar te doen, op die plek? Hoe ziet het er uit? De aarde geeft zelf aan wat ze nodig heeft. Ik wil daar eerst lekker lang naar kijken en luisteren. Er valt vast en zeker een hoop plezier te beleven aan dingen waar ik nog niks van weet. Misschien vraagt het land wel om iets heel anders, dan ik kan bedenken. Voor mij is het zoiets als een relatie. Pas na een tijd weet je van elkaar wat je prettig en niet prettig vindt. Dan begint er iets te groeien wat blijvend kan zijn. Op deze ontdekkingstocht is er niemand die mij werkelijk kan vertellen wat ik moet doen. Of waar ik naar moet kijken. Gelukkig maar.

Zomaar een dag

Goudsbloem, digitalis, komkommerkruid

Zeven uur. Dick gaat weg naar Eindhoven, voor een nieuwe week. Ik sta ook op. Wassen, tandenpoetsen, aankleden, ontbijten met speltbrood.

Half acht. Roemeens leren.

Negen uur. Tweede kop koffie. Mijn ochtend-oefeningen doen, extra lang want heb een beetje stijve schouder van eentonig werk van gisteren.

Kwart over tien. Paard roskammen.

Kwart voor elf. Optutten, liedje zingen bij de gitaar.

Elf uur. Kop of munt. Kop is “Permacultuurstudie over plantenfamilies”, munt is “Eerst boodschappen doen.” Het is kop.

Half twaalf. Begin is gemaakt. Nu honger. Geitenyoghurt met appel, boekweitvlokken, honing, kaneel en noten.

Kwart voor twaalf. Weer verder.

Twee uur. Even stoppen om twee boterhammen te eten.

Vier uur. Even pauze. Boodschappen doen.

Half zes. Ben er weer. Meloen eten uit Spanje. Buiten in de zon. Rammetje uit de wei gepakt, die staat nu voor mijn voeten te grazen.

Zes uur. Klavertje vier gevonden.

Half zeven. Verder met het uitzoeken van flora. Het is veel werk, wat ik wil doen. Maar wel leuk. Ik ben op een kwart nu, in het klad. En dan moet het straks nog in het net. Al die plantenfamilies en hun eigenschappen. Vlinderbloemigen, schermbloemigen, rosales, enz. enz.

Half negen. Ik stop. Eten verzamelen in de tuin.

Negen uur. Ik ga koken. Bremer scheerkool, komkommerkruid, ui, hele jonge erwtjes. Zonnebloempasta en water erdoor en boekweitvlokken. Gebakken ei erbij.

Kwart voor tien. Klaar met eten. Glaasje wijn en relaxen.

Half elf. Klaarmaken voor de nacht. Tandenpoetsen. Vier verschillende avondoefeningen doen, een kwartiertje. Doe ik elke dag. Zo blijf ik sterk en soepel.

Elf uur. Ik lig er in.

“Bloemetjes en bijtjes”


Het komkommerkruid staat nu vol op in bloei! En wie weet hoe dat laatste beestje heet? Ik denk toch dat het een vlieg is.

Vrijheid en zure melk

.

.

Op weg met Juf Kolibri.

 

Totale vrijheid leidt uiteindelijk tot verveling. Beperkingen dagen uit tot iets nieuws.

“Zit er zo genoeg melk in?” vraagt mijn vriend Dick, en hij geeft me een mok koffie. “”Ja hoor”, zeg ik. Ik proef. Het smaakt wat zurig en ik zie kleine vlokjes in de sojamelk. “De melk is niet goed meer.” Dick vraagt of hij alles nu voor niks heeft gemaakt. “Nee hoor,” stel ik hem gerust, “als we er een lepel honing in doen dan gaat het wel.” Hij kijkt tevreden en knikt. “Ja, daarom zijn oosterse vleesgerechten ook zo goed gekruid. Het vlees was vaak bedorven en dan proef je het niet zo.”
We praten erover. “Totale vrijheid leidt uiteindelijk tot verveling, denk ik. Beperkingen dagen uit tot iets nieuws.” Dick nipt van zijn dampende koffie en kijkt nadenkend in de verte. “Ja, dat is mooi gezegd. Zo is het wel.” zegt hij. “Doordat niet alles er is word je uitgedaagd om naar oplossingen te zoeken voor een probleem. Dat kan een waardevolle vondst zijn.”

Ik woon in een huisje op wielen. Maar twaalf vierkante meter. Dat is te weinig, heb ik ontdekt. Ik heb er dertien nodig. Een vierkante meter extra voor een extra kast. Die ben ik aan het bouwen. Hij komt voorop de wagen. Je kan er ook op zitten tijdens het rijden, en in de winter komt de houtvoorraad erop te liggen. Alles wat ik nodig heb krijgt een plek. Zo efficiënt mogelijk. Het is de slotfinale van een proces van jaren. Ik maak mijn bezit kleiner en kleiner. Als ik klaar ben dan vier ik het. En daarna oefenritjes maken. Met een trekker er voor. Of twee paarden. Maar waarschijnlijk een trekker. Kijken of het kan, rijden met mijn wagen. Spannend. Maar voor het zover is, gaat er nog zeker een winter overheen, denk ik. Ik weet nog niet. Alles ontvouwt zich stap voor stap. En ik kan lekker zelf kiezen. Zelf uitvinden wat ik echt nodig heb. Nu. Dat is vrijheid.

begrenzing

Als het broeit bij spreeuwen

Foto uit florafauna.middendelfland

.

Deze week kreeg ik bezoek. Het was John uit Tilburg met zijn vriend Henk Kuiper. Ik had al veel over hem gehoord. De eerste keer is al langer dan twintig jaar geleden. Toen kreeg ik een boekje van hem in handen. „Huttonia” heet het. Henk heeft in een bakfiets gewoond en daar gaat het over. Hij houdt heel veel van de natuur en van eenvoudig leven, en was benieuwd naar me. En ik naar hem natuurlijk. Maar ze konden niet op de fiets komen, want Henk is erg ziek. Ze kwamen met de auto. Ik heb Henk het hele terrein laten zien en de tuin. Hij vond het prachtig. En alle vogels die er te horen waren ook. Hij was verrukt toen hij de wulpen hoorde. Die had hij al lang niet meer gehoord. Ik denk dat hij graag nog langer had willen blijven.
Toen we samen koffie dronken vertelde Henk een mooi verhaal. Soms zie je een hele groep spreeuwen in de kruinen van de bomen zitten. Tientallen, soms honderden. Op een gegeven moment wordt er eentje onrustig. Die begint met zijn vleugels te flapperen en te draaien en te wiebelen. Hij steekt anderen aan. Die beginnen ook te flapperen. Het worden er steeds meer. Het broeit. De onrust groeit en dat duurt lang, pas na een hele poos is de hele groep aangestoken en dan is het moment daar. De hele groep stijgt in één keer op. Adembenemend. Met mensen is het vast net zo, zegt Henk. Ik denk het ook.

 

PS. Niet lang daarna namen Henk zijn krachten af en hij werd zieker en zieker. Hij had kanker en overleed niet lang daarna. Ik ben blij dat ik hem heb kunnen ontmoeten. Helaas maar èèn keer. Een kennismaking en een afscheid tegelijk.

Maar groente komt toch uit de kas?!

.

e2-bk-randje-dra

Ik heb net de Smeerwortel water gegeven, die ik een tijdje terug in de berm heb geplant. Ik wilde hem graag in mijn buurt, het jonge blad is lekker om te roerbakken, en het is een prachtig kruid, ontstekingsremmend, verzachtend en genezend. Het zit tjokvol voedingsstoffen, en bevat twee keer zoveel kalium als stalmest. Dat zouden de boeren moeten weten, die ze rigoreus hun land uit werken. Tussen Esbeek en Haghorst is er maar een enkele te vinden.
Ik kijk nog eens tevreden naar mijn plant, hier tussen het nogal eentonige gras onder het jonge boompje. Hij doet het goed. Er zit een bijtje op. Een dikke wollige bij. Bijen houden ook van Smeerwortel. Hij kruipt in alle bloemetjes. Mijn fiets staat er naast, met een karretje eraan vast. Daarmee ga ik nog meer Smeerwortels halen, tien kilometer verderop, helemaal voorbij Esbeek. Daar staan er veel. Er komt een groep jongens voorbij, ook op de fiets. Eentje vraagt in het voorbijgaan wat ik doe. “Dit is een plant voor de bijen, die hebben hier helemaal niks te eten!” roep ik hem na. “Wat zou dat dan?!” roept hij verongelijkt, vanuit de verte.
Even later heb ik de groep ingehaald. “Gaat u nou dat hele eind fietsen voor een plánt?” vraagt hetzelfde jongetje. Ik houd vaart in en kijk hem aan. Hij is bijna thuis. De school is in Oirschot, thuis is in Diessen, vertelt hij. Dat is een heel eind. Toch begrijpt hij niet dat iemand het er voor over heeft om hetzelfde eind te trappen voor een plant. Ik leg hem nog eens uit waarom. “We hebben de bijen nodig voor de bestuiving, anders groeit er geen fruit en ook andere dingen niet.” “Maar groente en fruit komt toch gewoon uit een kas?” vraagt hij dan. “Heel veel niet”, zeg ik. “En overal in de natuur zijn bijen nodig. Ik wil niet alleen bijen in eigen tuin, ik wil overal bijen. En ik vind het zo leuk, dat gezoem van die beestjes…” zeg ik genietend. Hij lacht.

 

.

 

Zaadbom zijn in de woestijn

.

.

Een zaadbom is een bal van zand, klei en voedingstoffen met zaden erin. Gooien ermee wordt „Guerillagardening” genoemd. Leuk om te doen, gooien met die ballen, die dan in vergeten hoekjes uit elkaar patsen. Maar als je later gaat kijken wat er is opgekomen, dan zie je slechts hier en daar een bloemetje. „Er is iemand nodig die de uitgegooide zaden nazorg geeft, anders wordt het niks.” Dat zei een ervaren bommengooier op een actiedag van ASEED. Het is alweer even geleden, maar ik moet er nog wel eens aan denken, als ik me afvraag wat ik hier kan doen, op deze plek.

Er zijn veel luwtes, op het terrein. Een oase is het, tussen de uitgestrekte stoffige akkers. Er staan allerlei bloesem- en fruitbomen. Het terrein is omringt door dikke bomenhagen met allerlei soorten. In de lente is het hier een gezoem van jewelste. Allemaal bijen. Maar nu niet meer. De bloesembomen zijn opgehouden met bloeien en bloemen zijn er maar weinig. Dat is op heel veel plaatsen zo, in ons land. Maar insecten zijn hier wel veel, tussen de bomen en bij de donkere vijver. Het grote kort gemaaide grasveld staat vol madelieven en klaver. En paardenbloemen op hele korte steeltjes. Maar de bijen hebben er niks aan, helaas.
Mens en dier zijn gewend geraakt aan schaarste. Er zijn best grote natuurgebieden, de Campina, de Utrecht, en de lange strook langs de Beerze. Je ziet er veel fietsers op een mooie dag. Er zijn ook veel boeren, die landbouw bedrijven zoals het hun geleerd is. Ze houden koeien, of varkens in stallen. Maar wat je ziet zijn eentonige stoffige akkers, met drijfmest en gif. Hooilanden met maar een soort gras en zonder bloemen. Dagjesmensen fietsen er gauw doorheen, door die saaie vlaktes, op weg naar de leukere stukken.
Op de weilanden met een natuurvriendelijk beleid is uitzicht vaak geel. Het is de kruipende boterbloem die overheerst. Er is een schaarste aan bijenbloemen, en diversiteit. Maar de bermen en de randen van akkers zijn een uitdaging voor schatzoekers. Dat ene bijzonder plantje te vinden, in deze omgeving. Die paar vlinders die overleven aan de rand van het veld, waar minder gespoten wordt. Je kunt er een sport van maken ze te vinden en ze te helpen overleven. Gelukkig zijn die mensen er.

In dit land ben ik nu terechtgekomen. Voorlopig is dit mijn stek. Wat heb ik hier te doen? Ik kan van mijn tuin een zaadbom maken. Het boeit me wat er allemaal opkomt uit de grond en ik bekijk elke vierkante centimeter. Tuin betekent voor mij voedsel, maar is ook kunst. Kunst van de aarde zelf. Niet na te maken en niet te verzinnen. Ik geniet ervan. Ik wil het helpen groeien. Tot het zo uitbundig is dat je er sprakeloos van wordt.
Ik ben ook begonnen met het uitplanten van wilde bloemen in bermen en op plekken waar niet gemaaid wordt. Bloemen voor de bijen, maar ook eetbaar voor ons, of met geneeskrachtige eigenschappen. Smeerwortel en witte dovenetel gaan goed. En ik deel een paar zeldzame groenten uit, zoals Bremer scheerkool. Ik hoop dat mensen het zaad laten schieten, voor vermeerdering en niet gewoon alles opeten.
Wat ik doe is klein. Alle grote dingen zijn ooit klein begonnen. Als een zaadbom. Hoe meer zaadbommen hoe liever, wat mij betreft. Wie wil ook zaadbom zijn op deze plek? Het terrein is groot en er is veel mogelijk hier. Wagens om in te wonen en grond om zelf ook een tuin te beginnen. Dan kunnen onze tuinen zich aaneenrijgen. Het kan! Samen kunnen we meer.

Een wereldwijde demonstratie

Het is zaterdagmiddag, in Wageningen. Ik heb mijn bord meegenomen, “Share and Care”, staat erop. Velen met mij zijn de straat op gegaan voor een wereldwijd protest. Geweldig. Honderd-duizenden mensen demonstreren tegelijk, vandaag. Is dat ooit eerder gebeurd, vraag ik me af. Het gaat om niets anders dan onze aarde, deze mars tegen Monsanto. Een bedrijf dat enorme macht heeft op de wereldmarkt. Een demonstratie tegen gif, tegen genetisch gemanipuleerde zaden. Dat is heel kort gezegd. Maar er is meer. Er kleven veel oneindig veel verhalen aan, meer dan ik ooit zou kunnen vertellen. Vooral heel veel leed. Maar er is veel in beweging!

Het is een flink eind lopen, vanuit Wageningen de stad uit. Ik kan het begin en het einde van de stoet niet zien. Het is een bonte optocht, mensen van jong tot oud, joelende roodharige vrouwen met bloemen in de haren, mannen met grote borden op hun blote schouders waarop een tekst staat over zaad. Kinderen plukken bloemen of slapen in een kinderwagen. Een lange stoet slingert langs een landelijke weg. Tot we bij een pand aankomen van Monsanto. Het staat met grote oranje letters op een fantasieloos, vierkant gebouw. De Universiteit van Wageningen werkt hier mee aan onderzoek. Dit is ons einddoel, en hier houden we halt.
Waar het terrein van Monsanto begint, daar leggen we onze bloemen neer, voor de doden. Doden die we niet kennen, en waar de meesten nooit van horen. Mensen die het slachtoffer werden van deze wereldmacht. Tijdens de hele tocht was het een chaos van geluiden, geroep van leuzen, en muziek, maar hier is het stil. Ik sta tussen de anderen en leg mijn boeket neer, dat ik onderweg heb geplukt. Boterbloemen, fluitekruid, heermoes en lange madelieven.
Ik denk aan de boeren, kleine boeren wereldwijd, die hun eigen traditionele landbouwmethodes moesten vergeten, om zaad van Monsanto, kunstmest en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Ik denk aan de dwang die hier bij te pas komt, en de schat aan eeuwenoude kennis die verloren gaat in allerlei culturen. Monsanto zegt dat landbouw zonder chemische middelen elitair is. De geweldloze communicatie zegt, dat een oordeel meer over jezelf vertelt dan over de ander. Elitair? Ik vind het schrijnend. Boeren overal ter wereld betalen zich blauw aan investeringen. Zoals in India. Ze zien de eerste paar jaar een goede oogst, zoals beloofd. Maar al rap loopt de opbrengst terug. De veel te eenzijdige kunstmest werkt niet meer, de insecticide ook niet, het land degenereert en verliest zijn vruchtbare bodem. Veel kleine boeren kunnen de schulden niet terug betalen. Uit wanhoop en ellende maken velen een einde aan hun leven.
Dit gebeurt niet alleen in India of Afrika, ook in Nederland komt het voor dat boeren geen uitweg zien. Of in Amerika. Alleen de rijksten kunnen overleven, en kopen het land van kleine boeren op. Steeds grotere peperdure olieslurpende machines walsen over de aarde en transformeren haar tot een eenheidsworst zonder leven. Voor wie?

Elke plant, elk dier, elk mens heeft een eigen plek. De plek waar je in je element bent. Op natte zandgrond of in rotsachtige bergen. In de zompige klei aan de koele zee, of op een warme hoogvlakte. Als reiziger kun je je verwonderen over al die verschillen, en hoe uitbundig de natuur is met al haar gaven. Hoe hartelijk de mensen je kunnen onthalen met alles wat ze in huis hebben. Als één bedrijf patent heeft op de gehele voedselproductie, en al het zaad dat op grote schaal wordt verbouwd, dan verdwijnen al die soorten, dan is er geen thuis meer voor niets en niemand. Dan is er niets dat zijn eigen plek nog heeft. Inclusief de mensen zelf, met al hun kleuren, gewoontes en cultuur. De aarde kan niet zonder deze rijkdommen. Alles heeft elkaar nodig.
Wat er onder mensen wereldwijd in beroering is, is niet te overzien. Maar duizenden kleine initiatieven rijgen zich langzaam maar zeker aaneen. Het groeit uit tot een beweging die niet tegen te houden is. We zijn niet alleen, dat is zeker. En alles wat er is werkt mee. Ik ook. Vanuit mijn kleine wagen, tussen dooie akkers in Brabant.

De foto aan de kop komt van de site van “Earth matters”

Bij deze beëindig ik het contract

Ik kap ermee

“Als het goed is, ben ik per twintig juni 2013 uitgeschreven”. Dat typte ik naar de KPN, om mijn mobiele internetcontract te beëindigen. Ik heb in het begin een dongel van ze gekregen, een wit stickje dat ik in mijn laptop moest stoppen. Dan heb je overal verbinding zeiden ze, waar je ook bent. Je betaalt een vast bedrag per maand en er zijn allerlei soorten abonnementen. Die kan je helemaal afstemmen op je behoefte. Maar wat is dat dan. Wat is mijn behoefte?
In dit geval rees de vraag, nadat ik dacht dat ik een grotere bundel wilde. Dat vond de KPN natuurlijk prima, maar op de dag dat het in zou gaan, zat ik opeens zonder verbinding. Ik heb drie keer de klantenservice gebeld en minutenlang gewacht. Ik ben naar de telefoonwinkel in Utrecht geweest. Daar konden ze niets doen als ik mijn laptop niet mee had. Daarna ben ik in de KPN winkel in Emmeloord geweest. Ik had mijn laptop mee. De jongen probeerde wat, maar kreeg het ook niet voor elkaar. Hij zei dat ik het zelf moest oplossen door de helpdesk te bellen. Dat was helemaal gratis. Maar ondertussen betaal ik wel voor een verbinding die er niet is. Ik hakte de knoop door. Laat maar, dacht ik. Ik doe geen moeite meer. Ik had al dagen niet meer naar dat kleine schermpje gekeken en werd er eigenlijk best rustig van.

Ik heb geen bedrijf meer waardoor ik altijd bereikbaar moet zijn. Elk moment op facebook kunnen kijken, voegt het iets toe voor mij? Verslavend gedrag is goed voor de groei-economie. Bedrijven verdienen aan allerlei soorten van verslaving. Maar ik doe niet meer mee.
Ik ga verder zonder internet in huis. Via de radio kan ik luisteren wat er gebeurt. Ik schrijf stukjes en berichten. Ik verzamel ze op momenten dat ik het verwerk. Ik maak een lijstje van wat ik wil weten en wat ik wil doen, en ga ervoor op pad. Zo eenvoudig is het nu.
Af en toe stap ik op de fiets en rijdt een stukje door het bos. Achter het bos ligt Diessen. Daar is een café waar WIFI is, en waar ik een glaasje sap drink tijdens het werk. Ze kennen me al. Ik kan ook doorfietsen naar Beek, naar de bieb. Daar ben ik nog niet geweest, maar dat komt nog wel. Mooie voorziening eigenlijk, zo’n openbare plek waar kennis ligt opgeslagen. Waar je kan werken en elkaar kan ontmoeten. Waar je ook een poster op kan hangen als je iets organiseert. Een echte plek, met mensen. Én internet.

Ik maak mezelf los van contracten die me binden aan de oude groei-economie. Het gaat niet in één keer en soms is het eenzaam. Maar ik word gedragen door de golf van deze tijd. Ik ben niet bang. Ik merk op dat veel mensen zich graag zouden willen bevrijden van een heel pakket aan lasten. Het gaat niet vanzelf. Ik vertel hoe ik het doe en wat ik ontdek. Er kan veel, als je wilt en geduld hebt. Als de dikke schil van lasten van ons afvalt, dan is er ruimte voor dat, wat van binnenuit wil groeien.

Ik word blij van een wereld die opleeft, en die groeit van binnenuit. Met oergezond zaad. Oude volksfeesten om het zaaigoed te bezingen, en de eindeloze vruchtbaarheid van de natuur. Zaad dat ontkiemt en zich vermeerdert waar het zich thuis voelt. Vruchten om te oogsten, smaakvol en kleurig uitgestald bij het oogstfeest. Verscheidenheid die zich uitbreidt. Alles en iedereen in zijn element. Daar ga ik voor.

.

.

.

.