Huisje in de sneeuw

.

.

Het is snijdend koud en het sneeuwt al urenlang. Er staat een keiharde oostenwind. De vlokken waaien horizontaal tegen mijn voordeur. Die bestaat uit vier kleinere deurtjes. Ik heb ze met veel zorg precies passend gemaakt. Dat duurde lang. De naden heb ik bedekt met afwerklatten. Mooi werk, vond ik, de wind kon er vast niet doorheen. Dat dacht ik. Maar mooi niet. Vandaag waait de wind medogeloos. Het is een robuuste jongen. Hij laat zich door niets weerhouden en geen kiertje is te klein. Ik kijk er naar en voel de tocht langs mijn handen. Ik weet maar één oplossing, dichtplakken.

En nu is alles dicht. De tocht is weg. Ik kan er niet meer door. Ik ben waar ik ben. Ik heb het bed niet opgeruimd en omgetoverd tot zithoek, zoals anders. Ik heb het bed het bed gelaten en dat is nu mijn leefhol. Ik schrijf, bewerk mijn foto’s. Af en toe sta ik op en kijk naar de vogels. Het zijn er een heleboel. Ze eten van vetbollen en zaad. Zelfs als het stormt.

.

.

Ik kan nog wèl door de achterdeur. Zo fijn dat ik die heb! Er zitten òòk vier deurtjes, net als voor. De bovenste twee zitten bij mijn bed. Als ik de twee deurtjes open doe, waait er geen koude wind naar binnen. De achterdeur zit nu in de luwte. Dat scheelt! Ik glimlach tevreden. Vanuit het bed klauter ik op mijn sokken naar beneden, de buitenkeuken in. Daar staan mijn klompen. Ze voelen koud aan mijn voeten. Zo kan ik het netjes doen, zonder het bed vies te maken. Het is een hele organisatie, om alles via deze omweg te doen. Water halen, kaas uit de keuken meenemen, schillen naar buiten gooien, plasflessen legen, hout voor de kachel naar binnen sjouwen, de asla van de kachel legen. O ja, ook nog mijn composttoilet, dat moet ook nog naar buiten. Ik ben er zowat twee uur zoet mee.

.

.

Als ik klaar ben voel ik me zo voldaan, dat ik er de hele dag tevreden over ben. Het uitzicht is adembenemend. Een rukwind waait de sneeuw van de takken. De wind rukt aan de dichtgeplakte voordeur en ik hoor het plakband knisperen. Toch blijft alles op zijn plek. Dan is het weer stil. En onmiddellijk zijn daar de vogels weer. De krulwilg, nog niet eens al zijn blaadjes kwijt, is één groot fladderballet van vleugels en wappersneeuw.

.

.

Ik geniet met volle teugen. Dit uitzicht is uniek. Straks is het er niet meer. Ik wil een tuinkas om mijn wagen hebben. Dan hoef ik de voordeur niet meer dicht te plakken. Dan kan ik gewoon naar buiten stappen, midden in de ergste sneeuwstorm, om iets buiten mijn wagen te doen. Superhandig, zo’n tuinkas. In de lente kan mijn huis eruit en kunnen de plantjes erin.

.

.

Als ik zo beschermd sta, dan is het ruige romantiek er wel een beetje af. Dan wiebelt mijn huis niet meer bij rukwinden, dan heb ik de mezen niet meer in mijn keuken. Geen pimpelmees die er nog schuilt, in een achteloos opgehangen broodzak, pal achter het raam. Dan zijn er weer andere dingen om naar te kijken.
Dus ik geniet van hoe het is. Elk moment opnieuw.

.

.

 

Dit is speciaal voor Herma van radio 4, die gezorgd heeft voor zoveel kristalheldere muziekmomenten en die nu weggaat.

.

 

.

 

Straks is het heel gewoon

.

Lekker hangen aan een oersterk dak. Het zit tjokvol schapenwol, het is warm en nog geventileerd ook. Met zo’n dak blijf ik gezond en lenig als een aap, al word ik honderd. Hoe de wereld er ook uit ziet in 2065, ik ga er voor.

.

De telefoon gaat. “Hallo met Hanna, ik ben student journalistiek. We hebben elkaar ontmoet in Tilburg op het perron en u vertelde over uw manier van leven en dat u zelf uw huis bouwde. Nu moet ik iemand interviewen die controversieel is. Ik dacht meteen aan u.”
Ik zeg haar dat ze welkom is en we maken een afspraak.

Later denk ik na over het woord “controversieel” Waarom is mijn manier van leven controversieel? Wekt het tegenspraak op? Het is meestal het tegenovergestelde. Ik kom veel vaker mensen tegen die er ook van dromen, maar het niet doen, dan mensen die er wat op tegen hebben.
Ik denk veel na over alle goede invloed die mijn manier van leven heeft op de omgeving. Ik gebruik weinig energie, ik heb weinig nodig en kan daardoor veel aandacht besteden aan mijn omgeving. Daarom tuinier ik veel, ik composteer alles wat er binnenkomt. Ik maak de grond rijker, de wereld mooier en waar ik ben wemelt het al gauw van de bloemen, hommels, vlinders en vogels. Als het moet, kan ik makkelijk verhuizen naar een plek waar ik nodig ben.
In deze tijd van klimaatverandering, ernstige bedreiging van de diversiteit en grondstoffen die op beginnen te raken, zou deze manier van wonen omarmd moeten worden. We moeten drastisch anders gaan leven, willen we het redden.
Inmiddels is ook duidelijk dat Antartica veel en veel sneller afsmelt dan gedacht en dat de zeespiegel aan het einde van de eeuw niet slechts een enkele meter, maar een aantal meters gestegen is.
Ik ben er niet bang voor. Ik denk ook niet, dat maak ik toch niet meer mee. Ergens is het in mijn bewustzijn, dat dit al in mijn leven kan gebeuren. En dan is het goed om mobiel te zijn, en zelfvoorzienend. Dan is het handig om je te kunnen redden met de gereedschappen die je hebt en het goed te kunnen vinden met de mensen om je heen.
Regels worden steeds strakker. Het zou juist andersom moeten. Om ons aan te kunnen passen aan de snel veranderende wereld, zou er meer ruimte moeten komen om te experimenteren met andere woonvormen. Zoals ik het op mijn manier doe. Als je ruimte krijgt om te spelen, dan merk je wat je ècht kan. Zelfvertrouwen groeit en je weet dat je je ook in moeilijke situaties kan redden.

Spelen maakt dat
enge dingen
zich gaan ontpoppen
tot uitdagingen

Hoe meer mensen de sprong maken, hoe meer er zullen volgen. Een leven zoals het mijne? Straks is het heel gewoon. Dat hoop ik zò!

.

In dit spannende filmpje van 10 minuten kun je het hele verhaal volgen. Als je meer wilt weten over details van hoe ik het gedaan heb, bekijk de andere video’s of kom langs!

.

.

.

Lang leve de bezielde pionier

Met aan het slot nieuws over een leuke ontwikkeling.

 

.

                                                                     De bezielde pionier

 

Een groepje mensen klopt aan bij de gemeente. Ze zijn geïnspireerd om het anders te doen en willen leven op kleine voet: Wonen in hun eigen Tiny House. Zo goed mogelijk leggen ze uit wat de bedoeling is. Dan horen ze dit: “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Ze zullen niet de eersten zijn, die hun tanden stuk bijten op zo’n eis.

.

Het is ochtend. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en sta fris en helder achter mijn laptop. Ik kijk naar mijn berichten, gooi de helft er ongezien uit en vind een uitnodiging van een vriendin. “Ga je mee naar de open dag van een Tiny Houseproject?” Ik kijk ernaar en zie dat het in de buurt van Den Haag is. Vorige week begon er ook al iemand over. Misschien moet ik er toch maar eens naar toe. Ik weet dat er een plek vrij is en je weet maar nooit hoe een balletje rolt.

Ik schrijf een korte brief. Ik ben geïnteresseerd in de mogelijkheid om aan te schuiven. Kan het nog? Ik plaats er een mooie foto bij van mijn huisje.

Het antwoord komt snel. “Nee, we hebben al een gegadigde en bovendien zoeken we een ander soort Tiny House. Warme groet.” Verbouwereerd staar ik in de verte. Het is nu de tweede keer dat ik zoiets hoor. De warme groet helpt maar weinig aan het feit dat ik me in de kou gezet voel. Wat krijgen we nou, ik heb een paar maal het gedachtegoed van het kleine wonen vertegenwoordigd, met volle overtuiging. En nu krijg ik deze afwijzing. Ik vraag me af waarom.
Is wat ik maak te kleurrijk, te authentiek? Daar ben ik dan mooi klaar mee. Ik wil niet worden weggezet aan de rand van de samenleving, als een veel te unieke paradijsvogel. Ik wil er middenin staan. Ik wil dat nog veel meer mensen dit kunnen doen. Een rijk en veelzijdig pallet van bedrijvige enthousiastelingen, dat wil ik zien. Ik meende dat ik met mensen te maken had die hetzelfde dachten. Blijkbaar is dat niet zo.
Is er zoveel verschil tussen hen en mij? Ik gebruik dezelfde eco-materialen. Ook ik heb een dikke laag isolatie van schapenwol, zonnepanelen, een lithium-ion accu en een infraroodpaneel voor kille zomerdagen. En straks komt er een grote opvouwbare zak onder mijn huisje voor opvang van regenwater. Ik kan het zuiveren tot drinkwater met een nanofilter. Ik kijk, ik onderzoek en vertel er over, zodat anderen er ook wat aan hebben.
Met al die dingen zijn ook deze Tiny House bewoners bezig. En toch mag ik hier kennelijk niet meedoen, niet onder deze, steeds populairder wordende naam.

.

Elke creatieve vernieuwing die de maatschappij omarmt, wordt in regels vertaald. Gemeentes en instanties willen wel meedoen, als ze ermee kunnen scoren. Steeds meer wordt gezocht naar wegen voor een groen imago. De omarming van die nieuwe ontwikkelingen gaat vaak gepaard met controledrift. Er moeten wèl scherpe voorwaarden zijn! De eerste emotie is angst, angst voor excessen. “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Goed bedoelende pioniers zullen op deze eis hun tanden kapot gebeten hebben. Mensen worden uitgekozen of buitengesloten. Het eenvormig korset perst de ziel eruit. Stukje bij beetje kwijnt de creativiteit en hapert de hartslag. Het zal niet de eerste keer zijn dat dit gebeurt. Wanneer er grotere belangen in het spel komen, verandert alles.

.

Ik schrijf een bericht naar een vriendin. Ze is een hartelijke vrouw die met volharding en geduld veel voor elkaar krijgt. Bij haar zal ik open oor vinden. Ze is al jaren bezig een nomadendorp voor elkaar te krijgen, in Friesland. Ze blijft scherp haar Poolster in de gaten houden, het vrijheidsideaal wat ze vóór zich ziet. Een wereld waarin creativiteit juist wordt omarmd en beloond, in plaats van ingepakt en weggezet. “Hoe is het met je dorp, komt het er nog? Ik zou er bijna gaan wonen, als het er was. Je bent een echte vrijdenker Irma! Dat mag ik aan je.” Dat schrijf ik haar.

“Dank voor je compliment!” schrijft ze terug. “Ons project is bijna helemaal rond: Frijlân. We zijn een groep vrouwen die creativiteit, zelfredzaamheid en samenwerking willen. We hebben elkaar hierin gevonden. Wat je beschrijft ervaar ik ook zo. De grotere partijen gaan aan de haal met wat we eigenlijk in essentie zoeken en willen: kleinschalig wonen met een minimum voetafdruk. En niet grondgebonden. Jij bent voor mij juist iemand waar we heel veel behoefte aan hebben om te laten zien. Je bent voor ons een inspirerende persoon die meer dan welkom is! Je vertegenwoordigt waar wij voor staan. Je bent dus van harte welkom om langs te rijden en wie weet… Glimlachend lees ik haar woorden. Heerlijk. Na de koude douche van zojuist, is dit een warm bad. Kon het altijd maar zo zijn…

.

Hoe kan ik met mijn werk meehelpen aan een veelkleurige, menselijke wereld? Ik denk er de rest van de dag aan en de hele nacht daarna. Na twee uurtjes slaap kom ik tot een eenvoudige conclusie. Ik maak wat ik maak. Wie het ziet, ziet het. Het zal hoe dan ook zijn werk doen.
Ik denk ook na over de afwijzingen die ik kreeg. We hebben allemaal te maken met de gevestigde orde en regels. De keuzes die we maken zijn lang niet altijd de onze. Hoe lang houd je het vol op jouw eigenwijze weg? Ik hoop dat mijn blog daarin een stimulans kan zijn. Tegelijkertijd ben ik een generator. Ik hoop door wie ik ben en wat ik schrijf, energie te kunnen geven aan wie het nodig heeft, op zijn of haar unieke weg.
Sommige mensen hebben als pionier een zware taak gekozen. Juist hèn draag ik nu een warm hart toe en ik ondersteun ze graag met dit verhaal.

Eén zo’n pionier is Jos de Blok van Buurtzorg. Waar hij zijn schouders onder gezet heeft in zijn eentje, dat is ongelooflijk. In dit interview van Tegenlicht kun je hem zien en horen. “Zorgeloos leven volgens Jos de Blok”, zo heet het.

 

Bekijk de uitzending

.

NIEUWS

Ik heb de eerste prijs gewonnen met een fotowedstrijd van Milieudefensie. Het thema was “Eerlijk omkeren”. Het is een foto van mezelf in mijn mini-huis. Ik noemde deze afbeelding:  “Mijn heerlijke wooncocon.” De foto, inclusief vijf begeleidende volzinnen, komt in het tijdschrift “Actief” in december. Als het zover is laat ik het zien.

 

Lees hier over de wedstrijd

.

.

PS Naar aanleiding van dit blog sprak ik met Frieda Bakker, die veel actief is met Tiny Houses in Amerika. Zij vertelde dat hier een zelfde soort ontwikkeling plaatsvond, met aanvankelijke verstrakking in norm en vorm. Het is verheugend om te horen dat ze daar ook weer zijn uitgegroeid. Het is een logische ontwikkeling. In elk begin worden de contracten getekend en de regels vastgesteld en moet het vertrouwen groeien. Als dat er is, komt er steeds meer ruimte voor flexibiliteit en keert de creativiteit terug. Zou dat hier nu ook gaan gebeuren? Nederland is Amerika niet. Maar toch…

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.

In de Metaal Kathedraal

.

.

“Ik ben Alowieke, Ambassadeur van de Leegte,” zeg ik tegen de man van het kabinet, die zoëven nog achter zijn bureau zat. Maar ik praat tegen zijn rug, want razendsnel heeft hij zich omgekeerd en zegt tegen iemand achter een gordijn: “Is Abel er? Hij heeft een afspraak met de Ambassadeur van de Leegte.” Ik dacht dat ik hem zou verrassen met mijn woorden, dat hij op zou kijken met een verwonderde blik. Dat hij met een mond vol tanden zou staan. Niets van dit alles. En nu ben ik degene die sprakeloos is.
Hij loopt de kille hal in van de oude kerk, die een paar jaar geleden ”De Metaal Kathedraal” is genoemd. Het nieuwe leven bruist in de stenen buik van het gebouw. De stralende nazomerzon probeert mij door de openstaande achterdeuren naar buiten te lokken, naar het terrein dat er achter ligt. Wat is daar? Ondanks mijn nieuwsgierigheid blijf ik staan.

Ik kijk de man van het kabinet zwijgend na. Boven mij hangt de zware kettinglier aan de ijzeren balk. Een bekend gezicht voor mij als ex schipper. Ik ken de slome bewegingen van het zware staal, dat gelast of gestraald moet worden. Ik voel de rust van de schipper in mij, als ik ernaar kijk.
Mijn rust staat in groot contrast met de hectiek van het moment. Ineens komt er een vrouw uit een andere deur. De weglopende man van het kabinet draait zich naar mij om en zegt: “Dit is Maureen, onze Hemelbewaarder. Ik moet nu even in gesprek met haar. Ik zal de Aalmoezenier een seintje geven dat je er bent. Abel zal vast in de buurt zijn.” De twee verdwijnen achter een deur.

Ik ga midden in de grote lege hal staan, op de zanderige stenen vloer. Hier blijf ik staan, besluit ik, net zolang tot er iemand komt aan wie ik me voor kan stellen. In mijn hand heb ik het stapeltje visitekaartjes, de afbeelding heb ik gisteren getekend en uitgeprint. Het is mooi geworden. Er staat een groot donkerblauw ei op, met een bokaal erin. Uit het bokaal stijgt een rustteken omhoog. Het is het rustteken uit de muziek.
“Alowieke, Ambassadeur van de Leegte, ” staat er op. Het beeld en de tekst, het vat alles samen waar ik voor kom. En eigenlijk is die naam helemaal niet zo vreemd, op deze plek. Als hier ook een hemelbewaarder en een aalmoezenier rondloopt, dan kan je vroeg of laat een ambassadeur van de Leegte verwachten. Ik glimlach.

Na een half uurtje komt er een vrouw uit een open deur in de hoek. “Stadsherberg” staat er boven. Ze stelt zich voor als Lotte. Ze neemt me mee naar binnen en nodigt me uit om mijn verhaal te vertellen. Ze schenkt koffie in. De suiker is zoek, maar iemand vindt een pot versuikerde honing. Ik vertel haar over mijn plannen en ze luistert aandachtig. Als we klaar zijn met onze bespreking lopen we naar buiten, de zon in. Ze laat me het hele terrein zien. Als we terug komen staat er een man bij de deur. Het is Abel.

“Sorry dat we je zolang hebben laten wachten,” zegt Abel. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet erg vind, als Ambassadeur van de Leegte. Naast hem staat Lotte, met blozende wangen. “Alowieke heeft me zojuist van alles verteld,” legt Lotte hem uit. De vrouw straalt van enthousiasme. Ze werkt hier nog maar drie weken, ontvangt vrijwilligers en voelt zich helemaal thuis. “Alowieke wil een plek maken…” begint Lotte en aarzelt om haar zin af te maken. “Nou ja, vertel het zelf maar,” lacht ze tegen mij. Ik vertel.
“Ik wil hier een plek van Leegte maken. Het wordt een ei, twee-en-een halve meter hoog en rond van binnen, zonder hoeken.” Abel kijkt me aandachtig aan. “In het ei zit een rond eivormig gat, daardoor kan je naar binnen.” Ik ben even stil en kijk nadenkend in de verte. “Het is voor één persoon, ” zeg ik dan. “Je kan ook naar buiten kijken, door het eivormige gat. Binnen is leegte en buiten is rust en er is water en er groeien bloemen.”
Verbaasd kijkt Abel me aan. “Maar waarom kom je daarvoor bij òns? Dat vind je hier toch niet.. rust, water en bloemen?” Ik kijk hem fel aan. “Juist daaròm. Juist omdat het hier zo hectisch is wil ik dit voor jullie maken!”
Abel kijkt me verrast aan, glimlacht en zegt dan langzaam, “Ja… We kunnen zo’n plek scheppen…”

De ontmoeting met Abel is kort. Abel, en ook Lotte, wordt weggeroepen. “Ik zal erover praten met Maureen,” zegt Lotte nog, “Die gaat hier eigenlijk over..”

Ik weet genoeg. Dit is een goed begin. Ik kom hier terug, op een ander moment. Ik loop door de grote hal naar voren. Naast de ingang is een houten trap. Die had ik al gezien toen ik binnenkwam, twee uur geleden. En ik weet dat daarboven iets heel bijzonders is. Dus het enige wat ik nog wil doen is dit, om in mijn eentje nog hèèl even op die prachtige zolder te gaan kijken…

.

Zo’n zolder heb ik werkelijk nog nooit van mijn leven gezien!

.

.

home

 

 

Het paadje dat niemand kent

.

 

.

“Mensen denken nog stééds dat het mijn doel is, om een reizend bestaan te gaan leiden!” Ik kom uit de woonwagen en kijk naar Dick, die Tijl Uylespiegel leest op het bordes. “Zelfs al volgen ze me jaren, toch lezen ze mijn verhalen vaak met de bril die ze bij aanvang hebben opgezet.”
Dick kijkt op en lacht. “Ja, dat klopt.” Mijn vriend is journalist van beroep. Journalisten weten dat. “Mensen lezen vaak een heel ander verhaal dan jij geschreven hebt.”
Ik knik. “Toch kan het anders. Als je zelf niet teveel wilt en rust hebt, dan kan je je beter open stellen voor wat iemand echt wil zeggen.”
“Ja, dat is misschien wel zo…” zegt hij, “ het kan dat je dan meer opneemt.”
Ik kijk naar de lucht waarin een vliegtuig rond cirkelt, in de wacht voor landing op het vliegveld in Eindhoven.
“En dààrom ga ik nu géén reizend bestaan leiden, ” roep ik uit. Iedereen reist maar rusteloos van hot naar her, waarom zou ik daar aan mee gaan doen? Laat dat bij deze duidelijk zijn, in zo’n onrustige wereld waarin iedereen van alles wil en zo nodig ergens heen moet, ben ik waar ik bèn. Alsof het zo leuk is om in die hectiek op de weg te zijn. Dat doe ik in elk geval niet voor mijn lol. Reizen is op dit moment geen doel voor me, maar bijzaak. Ik ben waar ik ben en ik houd het klein en eenvoudig.“

 

Ik denk er vaak aan. De wereld om ons heen is bijna confuus van onophoudelijke beweging, die steeds sneller lijkt te gaan, virtueel of concreet. Reizen of vermaak, het moet steeds verder, steeds gekker, om de sleur te doorbreken.
Vroeger waren er Dominicanen. Het waren monniken met de gelofte van eenvoud en bescheidenheid. Nog steeds zijn ze er, maar niet veel. Die monniken doen ook een stabiliteitsgelofte. Ze zullen altijd blijven waar ze zijn, in hun klooster. Door hun rust en concentratie konden ze grootse dingen tot stand brengen. Hele bibliotheken brachten ze bij elkaar en in de kunst en de wetenschap hebben ze veel bijgedragen.
Maar niet iedereen heeft een gelofte nodig om te blijven waar hij is. Hele volkeren wonen al eeuwenlang op dezelfde plek en nu nog steeds! Westerlingen vinden dat zo bijzonder, die willen van ze leren. Ze willen zien, hoe ze zo in harmonie kunnen leven met hun omgeving. Om dat te zien maken ze de ene reis na de andere, met de meest verschillende bestemmingen.

Toch, de enige plek om het in praktijk te brengen, dat is thuis. Eigenlijk weet iedereen dat wel. “Aarden”, noemen sommigen het. Er zijn zelfs cursussen voor. Maar in wezen is het heel simpel. Het is zo simpel, dat je het zomaar weer over het hoofd ziet.

Alles kan veranderen. Ik weet niet welke wendingen in aantocht zijn. Misschien dat eens de wereld zo verandert, dat er meer rust zal zijn om als voetganger vanuit ons eigen landje de wereld te verkennen. Misschien zijn er dan overal bloemrijke brede bermen omdat er geen geld is voor onderhoud. Dat vind ik helemaal niet erg. Je kan dan vast heel mooi wandelen en er kunnen weer paarden grazen. Maar mocht dat nog een een poosje duren, ik kan altijd klein beginnen. Want misschien hoef ik nergens op te wachten. Misschien zie ik ergens een heel lief paadje. Het mooiste paadje van de wereld. Dan ga ik daar fijn wandelen. En ik zal het elke dag begroeten in de ochtendzon.

.

 

Lief slim paadje
wie weet,
waar jij nu bent

en al eeuwen
wacht op mij

oeroud kronkelpaadje
dat niemand
nu meer kent

omdat je
pal voor de voeten verdwijnt
van wie haastig hijgend rent
immer op weg naar ergens.

.

.

 

 

 

 

.

.

Vraag aan jou,

Weet je een nieuwe plek voor mij en mijn woonwagen? Voorlopig leid ik een semi-nomadisch bestaan. Ik blijf ergens zolang als het nodig is. Ik houd van plekken waar creativiteit nodig is of waar je inventief moet zijn.

Ik leer veel van beestjes en plantjes. Ik let graag op eetbare soorten en kijk naar verbanden.

Ik kan bouwen aan iets moois. Ik houd van zingen, zuiver en meerstemmig, maar net zoveel van meeslepende ritmes, slome jazz en eigenzinnige liedjes.

Ik houd van onverwachte ontmoetingen met telkens andere mensen. Behalve dat ik er gewoon van geniet,  krijg ik er goeie ingevingen van, voor schrijf-, teken- en filmwerk.  Ik houd van vieze handen en lekker doorwerken in een rustig maar gestadig ritme. Of het nou ijskoud is of heel warm, dat maakt me niet uit. Als mijn voeten maar droog blijven.

Ik wil mijn wagen het liefst meerdere functies geven dan alleen wonen en zie het als een uitdaging om dat compact en efficiënt in te bouwen. Bijvoorbeeld als koek en zopie of mini-solarbioscoopje met filosofische naborrel. Hoe klein kan het!

 Vandaag, woensdag 2 augustus en morgen, 3 augustus, ben ik in de buurt van Zutphen om te kijken op Natuurcamping Wientjesvoort Zuid. Het zou leuk zijn als ik op mijn verkenningstocht nog meer mensen kan opzoeken. Ook als niet alles wat ik noem er is, laat van je horen, ik ben hoe-dan-ook benieuwd! ❤

ALOWIEKE  06-23207532      of       tt.alowieke@gmail.com

.

.

.

Wijsheid van José Munica, president van Urugay van 2010 tot 2015, bekend als “The worlds poorest president.” Pleidooi voor de vrijheid, die uit eenvoud groeit.

Al lachen ze om me

.

.

Er wordt gekeken. Als je het leven anders leeft dan de rest, dan is dat één van de consequenties. Dat je te kijk staat. Voor de één ben je hartstikke gek, voor de ander een exoot, of het gedroomde ideaal.

Ik zit in mijn nachthemd op de rand van het bed en kijk door de halfgeopende deur. De zon staat laag aan de ochtendhemel en schijnt recht naar binnen. Er hangt een waas van ochtenddamp en het gras is nat van dauw. Een stuk verder op de camping, onder de bomen van de kleine boomgaard, staan twee fietsen en een half ingezakt tentje. Een man kruipt op zijn knieën door het gras en verzamelt haringen. Een vrouw staat met de rug naar hem toe en staart naar mijn wagen. Het zal er vast mooi uit zien, in het goudgele licht. Ik negeer haar blik en spring van het hoge bed af. De vrouw ziet mij nu opeens en alsof ze zich betrapt voelt, draait ze zich om.

De zon klimt hoger de hemel in en het wordt al snel warm en benauwd. De fietsers zijn allang vertrokken. Ik heb het bed opgeruimd en nu verlang ik naar koel, stromend water om mezelf op te frissen. In de doucheruimte is iemand bezig. Ik hoor het geraas van een oude stofzuiger. Daar heb ik geen zin in. Dan maar niet douchen. Ik heb een beter idee. Ik ga gewoon zwemmen. Ik gooi mijn handdoek in de fietstas en fiets weg naar het Wilhelminakanaal.

Het kanaal is al in 1983 natuurvriendelijk gemaakt, het was het eerste kanaal met doorlatende damwanden, waarachter waterplanten konden groeien. Er zwemmen meerkoeten, eenden en futen. In het riet broedt de karekiet. Er is ook ruimte gemaakt voor taluds. Jonge watervogels kunnen er de kant op, landdieren kunnen er drinken. Ze zijn verstopt achter het lange gras dat langs het fietspad groeit. Als je het niet weet, dan zie je het niet. Ik weet dat het talud er is, omdat er aan de overkant net zo eentje is, een gat in de beschoeiïng, dat de lange rietkraag doorbreekt.
Ik trek een paar brandnetels uit, die in de weg staan. Ik pak ze onder aan de steel, in het zand bij de wortel, zodat het niet prikt. Kennelijk is hier al een tijdje niemand geweest. Ik zet mijn voet in het water. Het is koud, maar niet hèèl koud. Voetje voor voetje waad ik dieper en dieper en voel de glibberige korrelige steen van het verweerde talud onder mijn voeten. Ik loop tot het diepste punt. Daar kijk ik uit over het kanaal, met het water tot aan mijn middel. Ik zak door mijn knieën en maak een brede schoolslag. Er is niemand behalve ik en kleine rimpelingen schitteren in het licht van de zon. Het is behoorlijk helder, een beetje bruinig van het omgewoelde fijne slib dat op de bodem ligt. Dat is logisch. Dit is een doorgaande scheepsroute, weliswaar niet zo druk bevaren als vroeger, maar toch zie je soms nog grote schepen voorbijgaan, hoog boven het water uittorenend, of diep liggend door hun zware lading. Nu zijn er ook jachtjes, omdat het zomer is. Maar op dit moment is het stil.

Ik heb net een eindje gezwommen, als er twee fietsers aankomen en stoppen, een man en een vrouw. Kennelijk zijn het toeristen, hongerig op zoek naar bezienswaardigheden. Ik zie dat ze hun fiets op de standaard zetten. Zonder een woord te wisselen, gaan ze naast elkaar naar mij staan kijken.
Ik kijk verbaasd naar de oever. De vrouw tilt het fototoestel op, dat op haar buik hangt en maakt een foto, terwijl ze haar blik niet van me afwendt. Even ben ik verontwaardigd, maar dan denk ik, wat maakt het ook uit. Als ze dan toch kijken, dan doe ik voor de show ook maar een balletbeen, zoals ik dat vroeger bij kunstzwemmen heb geleerd. Strak pijlt mijn rechterbeen boven het water uit, voor ik het sierlijk terug sla en wegduik in het water. Dan zwem ik terug naar de kant. Ik voel hun blikken maar negeer het. Pas als ik mijn handdoek pak, zie ik ze verdwijnen. Ik hoop dat ze tevreden waren met de show.

 

Als het maar bij me hoort

Kleine rimpelingen
in het zonlicht,
een stille schoolslag
in verlaten water
en niets dan
wuivend riet

Dit alles
is mij liever dan
wat dan ook

Ik hoef geen
strak betegelde gangen
geen chique hotel met bubbelbaden
fonkelend, met blinkende spiegels
behangen

Ik zwem
ik ben buiten

En dan
als ik terug fiets
en mijn wonderhuisje zie
Dan is er niets
of niemand
rijker dan ik.

 

Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

Er zit een beestje in

.

.

.

De smalle groene weg gaat recht omhoog. Mijn pootjes passen er precies op. Ik word getrokken naar het heldere geel, dat afsteekt tegen de blauwe lucht. Omhóóg gaat de smalle lijn en omhoog ga ik. Tot ik er ben. Ik ben geel en ik zit op geel. Ik zit op geel, zacht aan mijn pootjes. De wind wiegt mijn wiegwieg.

Het is er opeens. Het is iets enorms. Een grote schok beweegt mij en mijn gele wereld en ik vlieg. En dan, met een kleinere schok is het weer stil. Doodstil. Stiller dan ooit. Ik zit op geel, maar ken het niet. Het is slap en beweegt niet. Waar is mijn wiegwieg? Ik vind de smalle groene lijn. Ik loop hard. In godsnaam, de uitweg!! Daarlangs, daarlangs is de veilige wereld. Ik ren. Maar dan knal ik aan tegen een hete zwarte leegte, een afgrond die mijn wereld als een strop omknelt. Ik snel terug naar het vertrouwde geel. Maar het kwijnt. Er is geen bries die wiegt en waait. Waar kan ik heen? De grenzen van het niets omsluiten me. Terug, gauw weer terug. Misschien is het er nog nèt, een klein stukje wereld waarlangs ik naar mijn oude wiegwieg kan. Misschien is het er. Ik ren. Maar het einde hangt in dode lucht. Ik kan niet verder. Er is alleen maar einde. Overal. Ik zoek en zoek. Terug langs de groene lijn. Terug naar mijn wiegwieg. Waar kan ik heen? Oooooo…….

.

Ik zit bij mijn vader in de auto. De rit gaat naar Denemarken, mijn broer woont er, daar gaan wij heen. Af en toe stoppen we om te rusten. Op één van de rustplekken zie ik een Italiaanse familie. Hun haren zijn zwart en hun nummerbord is Italiaans. Ze kamperen onder de groene bomen, op het grasveld van de parkeerplaats. Ik kijk uitgebreid rond. Er zijn tentjes en overal langs het terrein hangt wasgoed. Ze koken soep op de picknicktafel. Kinderen zitten op hun knieën in het zand. Het ziet er gezellig uit, maar ik denk niet dat het mag. Nou ja, ze doen maar.
Ik ga in de auto zitten en sluit de deur. We gaan bijna weg. Eén van de mannen zag mij kijken en nu loopt hij naar me toe, tot vlak bij onze auto. Met brede glimlach nodigt hij me uit, terwijl hij me kushandjes toe werpt. Ik schud van nee, en blaas een kusje terug.

 .

Dan bukt hij zich. Er staan twéé wilde viooltjes in het gras. Hij bukt en plukt er één. Met een breed gebaar geeft hij het viooltje aan mij, door het openstaande raampje. Ik lach, maar het spijt me voor het viooltje. Had hij hem maar laten staan.
Ik sluit het raam. We vertrekken. Terwijl mijn vader de parkeerplaats af rijdt, tuur ik naar het bloempje. „Er zit een beestje in“, zeg ik tegen mijn vader, die inmiddels flink gas geeft en de snelweg op rijdt. „Maak maar dood,“ zegt hij. „Nee,“ zeg ik „Ik maak geen beestjes dood. Tenzij ze ziek zijn.“
Ik leg het verwelkende bloempje op het dashbord. Ik leg het neer en kijk. Het is een heel klein beestje, lichtgeel van kleur. Ik denk niet dat het vliegen kan. Het rent heen en weer, een rondje op de snel verdorrende bloem en dan het slappe stengeltje op, tot vlak voor het zwarte dashbord. Daar houdt hij abrupt stil, als bij een afgrond. Hij doet het keer op keer. Hij kan er niet mee ophouden. De eindeloze zwarte vlakte van kunststof lijkt ontoegankelijk.

.

Mijn vader is een aardige man, maar voor kleine beestjes stopt hij niet. Later, als we langzamer rijden, draai ik het raampje open en ik gooi het miniscule diertje eruit, samen met het dode bloempje. Het verdwijnt in het kielzog van de auto, weg in de harde wind. Liever was ik er voor gestopt. Maar het is in elk geval beter dan doodgaan op een dashboard.

 

Voor elk levend wezen

geldt hetzelfde ding

Een ieder kent ellende

na ontworteling

.

.

.

Wees trager, kijk langzamer. Hèèl in het klein gebeuren schitterende dingen. Wat horen wij nou, wat zien we eigenlijk? Neem nou de krekels. Die kunnen zingen! Neem de tijd en luister langzaam. Je beweegt je zomaar op de golven van het krekelkoor, dansend het heelal in, bij dit filmpje van Jim Wilson.

 .

Tom Waits hierover: “Wilson, he’s always playing with time. I heard a recording recently of crickets slowed way down. It sounds like a choir, it sounds like angel music. Something sparkling, celestial with full harmony and bass parts – you wouldn’t believe it. It’s like a sweeping chorus of heaven, and it’s just slowed down, they didn’t manipulate the tape at all. So I think when Wilson slows people down, it gives you a chance to watch them moving through space. And there’s something to be said for slowing down the world.”

.

.

Onze bermen hebben meer bloemen nodig, voor de beestjes. Doe mee met deze campagne van Floron en de Vlinderstichting

Klik om toegang te krijgen tot floron-zoekkaart-nectarplanten.pdf

Een loden lucht en lentesoep

.

.

Als je moe bent en de ooit zo blauwe lentelucht is grijs geworden, dan lijkt alles somber. Hoe heerlijk smaakt dan verse, zelfgemaakte lentesoep! (Alowieke)

 

Ik sta voor de deur en staar naar buiten. Donkergrijze wolken jagen langs de hemel, voortgestuwd door harde wind. De kruinen van de bomen waaien heen en weer, sommigen al in blad, anderen zijn nog kaal. Ik kijk op de wekker. Het is al één uur en ik heb nog steeds niks gedaan. Mijn keel is een beetje dik en mijn hoofd voelt zwaar en suf. Ik vraag me af wat ik met deze dag aan moet. Ik staar nog een poosje naar de wind in de boomtoppen. Dan weet ik het. Ik kan twee dingen doen. De hele dag verse kruidenthee gaan drinken of toch nog iets proberen te doen. Ik kies voor het laatste.

Ik loop over het veld naar mijn werk, de bouw van mijn nieuwe woonwagen. Er zijn nog drie plankjes die ik wil ophangen en ook twee kastdeurtjes. Maar eenmaal binnen, laat ik me zakken op de harde planken vloer. De deurtjes die ik nog moet vastmaken, staan vlak vóór me, tegen de andere houten wand aan geleund. Ik ben niet geneigd er iets mee te doen. Misschien komt het als ik er wat langer ernaar kijk. Ik hou vol en kijk nog een poosje naar de witgeschilderde plaat met het pianoscharnier er aan. Het helpt niet.
Misschien is dit niet de beste plek om te zitten. Ik kan mijn heil beter wat hoger zoeken. In de zithoek achterin, kijk je uit over de hele lengte van de wagen en zie je de ramen. Daar ervaar je de ruimte. Dan komt het vast wel.
Ik sta op en klim op dat, wat een bedbank moet worden. De spijlen van de zitting duwen hard in mijn billen. De kussens komen volgende week pas. De wagen schudt een beetje heen en weer door de harde wind. Ik kijk nog een tijdje voor me uit. Langzaam aan vergeet ik de deurtjes, die ik op had willen hangen. De wens komt in me op om terug te gaan. Ik ben moe. Ik wil terug naar mijn wollige schapenvacht.

In de andere wagen is de kachel lekker warm. Ik dompel mij onder in niks en pak een boek.
Als de zon ondergaat heb ik een lange luie dag achter de rug. Maar er is één ding wat nog ontbreekt. De soep.

Ik ga naar buiten om de ingrediënten plukken. Inmiddels is de lucht niet meer egaal grijs. Er zijn stukken blauw te zien, al staat er nog steeds een fikse koude wind. Ik loop naar het perk vlak naast mijn wagen. Er staat van alles wat eetbaar is, sommige dingen heb ik zelf gezaaid, andere plantjes groeien er uit zichzelf. De levenslustige lenteblaadjes barsten van frisgroene voedzaamheid. Precies wat ik nodig heb.
Ik pluk, ik hak en ik kook. De blaadjes en bloemetjes hoeven maar een minuutje te koken, ik wil het zo vers mogelijk. Het wordt een heerlijk soepje. Na de eerste happen al voel ik me een heel ander mens. Daar kan geen supermarkt tegen op.

Niets liever dan lentesoep.

 

Lentesoep uit Brabant

madeliefjes…………………  het kort gemaaide veld staat er vol van.
veldkersblad……………….  groeit hier vanzelf, vlak naast mijn wagen in een perk dat ik maakte
duizendblad……………….. krachtige sterk uitdijende plant, van zaad uit Roemenië. brandneteltoppen……….. Overal, het is een plaag! Laat iedereen er zoveel mogelijk van eten.
selderij ……………………….  staat naast de bessenstruik, tussen de appelmunt en de veldkers.
knolraap, rode ui………… van kwekerij Oppers in Middelbeers, vier kilometer fietsen.
linzen en knoflook……… uit de biowinkel in Tilburg waar ik twee uur voor gefietst heb.
een lepel sesampasta …. biowinkel Balans uit Eindhoven, gekregen van mijn vriendje marmite……………………..  van de supermarkt, voor de vitamine B12
laos en  peper …………….. zwarte peperkorrels  en laos in een zakje van de Turk in Eindhoven

 

Voor mensen die niks van plantjes weten of die geen tijd hebben om te plukken:

http://www.herenboeren.nl/ (van eigen grond, maar niet persé biologisch. Wie weet komt dat nog?)

.