De lucht staat stil

Mistige flarden van tijd kl fr

.

De lucht staat stil. Het lijkt wel
of de tijd zich verdicht,
net zoals de lage lucht buiten.
Stroperig bewegen de wijzers van de wekker
en vertellen me dat het negen uur is.

De wereld probeert door te draaien in
hetzelfde tempo, maar de files verdikken zich
als verstopte aderen in een
afgetakeld lichaam dat zich stoterig beweegt
naar het einde van de wereld,
waar alles mistig is.

Ik pak de stenen vijzel en de kom,
leg er een walnoot in en kraak hem
op het puntje,
zodat hij in vier delen uitéén valt
en nog één, en nog één
zoals mijn moeder deed en mijn moedersmoeder
al zoveel seizoenen voor mij

Herfst.

.

Ik heb mijn ochtendoefeningen gedaan, maar het helpt niet. Mijn hoofd is even mistig als de buitenlucht. Wat kan ik doen, met een slome kop? Geen ingewikkelde constructies maken, dat is duidelijk. Zonder er lang over na te denken, pak ik de doos met walnoten en tamme kastanjes. Ik heb ze gisteren geraapt en ze zijn nog vochtig van de buitenlucht. Beter dat ze niet te lang liggen, want dan gaan ze rotten. Ik pak de zware stenen vijzel en de kom, leg er een walnoot in en kraak hem op het puntje, zodat hij in vier delen uitéén valt. En nog één, en nog één. Ik kom al snel in een prettige ritme. De doppen gaan de zak in. Aanmaakmateriaal. Ik voel me best tevreden zo. Het is de tijd niet, om bergen te verzetten, en mijn nieuwe wagen hoeft écht niet af voor de winter. Nu is het herfst. Tijd om de voorraden aan te vullen, terwijl de klok maar tikt en tikt. Zo gaat het nu en zo ging het al eeuwen voor mij.

.

Na je dood de boom in

.

Alowieke 28-09-2015

.

Gebogen sta ik voor het aanrecht. Een zwarte handdoek sluit mijn hoofd af voor de buitenwereld en ik heb elk gaatje zorgvuldig dichtgevouwen. Stoom stijgt op en zet zich af in hete druppels op mijn huid. Ik adem, diep in en weer uit. Ik voel de warmte in mijn luchtpijp. Het gaat goed, ik voel het. Vastbesloten ga ik door, tot het weg is. Weren zal ik deze kou, zodat hij zich niet kan vastgezetten zoals vroeger, in diepe holtes van mijn borstkas. Ik adem. In en uit. In en uit. Na een paar minuten vind ik het welletjes. Ik droog mijn gezicht af en pak de computer om de berichten te lezen.

Iets trekt mijn aandacht. Het is een tekening van een mens in foetushouding. Hij zit in een soort cocon. Er groeit een boom uit de cocon. Wat is dit? Ik open de aplicatie en zie een stuk in het engels, “Bye bye coffin” heet het. Ik lees de tekst bij de foto. “Deze organische pot zal je veranderen in een boom, als je dood bent.” Geboeid lees ik verder. Na je dood wordt je opgevouwen in de druppelvormige pot, in dezelfde houding als voordat je geboren werd. De pot is gemaakt van recyclebaar plastic. De stoffen uit je lichaam dienen als voeding voor de boom. Je kan zelf kiezen welke boom je wilt worden. In Engeland kan het al. Ik kijk mijn ogen uit en fantaseer.

Begraafplaatsen zullen bossen zijn, met grote heilige bomen, honderden jaren oud. En als een vader met zijn zoontje er wandelt zal hij fluisteren: “Kijk jochie, dit zijn je opa en oma en álle opa’s en oma’s die daarvoor leefden.” Met grote ogen zal het kind de bomen bewonderen en de magie van leven en dood beleven. Een kind weet misschien wel meer dan een volwassene! In plaats van een onderwerp dat zorgvuldig vermeden en verzwegen wordt, zal het iets moois en wonderlijks zijn. Een plek waar je zachtjes kan fluisteren en om raad kan vragen. Of schreeuwen. Heel hard schreeuwen en zingen als het moet.
Hoe lang geleden is het, dat al die eeuwenoude bomen werden geveld. Fanatieke Christenen met verbeten trekken hakten de ene reus na de andere om. Bijgeloof moest met man en macht bestreden worden. De rest was kachelhout.
Na de Christenen kwam het geloof in het economisch groeimodel en de vrijhandel. Dit nieuwe geloof maakte af wat de Christenen over hadden gelaten. Het ene na het andere bos wordt nog steeds geveld. De mensen die het woud onderhielden, wonen nu in krotjes in buitenwijken van stoffige steden. De bodem onder hun voeten weggeslagen.
En dan nu dit bericht. Een boom worden na je dood. Terug de aarde in met je voeten, met takken
tot de hemel. Dan wil ik een tamme kastanje worden. In een heel groot woud, waar voorouders
huizen en eekhoorntjes mijn noten eten. Net als vroeger.

.
.
Castanea Sativa, de Tamme Kastanje (napjesdragersfamilie)
De Tamme Kastanje wordt 25 tot 35 meter hoog.  Ze heeft een diep wortelstelsel en barst van levenskracht. Storm, bliksem, ze overleeft alles. De stam kan een diameter bereiken van twee meter. Als de boom de ruimte heeft, kan ze een weelderige brede kruin ontwikkelen. Het is geen familie van de paardenkastanje, waarvan de noten niet eetbaar zijn. Deze zijn wèl eetbaar. Je kunt ze vermalen tot meel, poffen of koken. Het hout heeft een hoge duurzaamheidsklasse en is goed te gebruiken voor doeleinden in de buitenlucht. Maar liever laat ik de boom heel. Dan kan ze  heel oud worden, duizend jaar worden ze zéker! De oudste staat in Sicilië en is 2000 tot 4000 jaar.  Ik noem deze boom “een zij” omdat in de naam afkomstig is van de wonderschone nimph “Nea”, door Jupiter betoverd uit wraak. Ze wilde niet met hem vrijen.

Dit is vast een zusje geweest van Nea.

https://scontent-ams3-1.xx.fbcdn.net/hphotos-xfa1/t31.0-8/476442_10150855033837151_92969409_o.jpg?efg=eyJpIjoiYiJ9

LINKS

Dit is het bericht wat ik las.

Bye-Bye Coffins! Tree Pod Burial Will Turn You Into A Tree When You Die


Mooie bomen kijken, en houtige verhalen lezen. Prachtige foto’s. Ook van de Tamme Kastanje.
http://www.mypassionfortrees.nl/tammekastanje.html

Vrijkaartje voor de Aarde

Vrijkaartje Aarde

.

Het is half acht. Na een warme dag begint het af te koelen. Een lichte bries waait mijn wagen in. Ik zit op de bank en luister.  Mijn favoriete radioprogramma heet “Passaggio” op radio4. Het is al een tijdje bezig. De laatste tonen sterven weg, van een rustig, melancholiek stuk. Verder is het enige geluid dat van twee vinken, buiten. Ze zingen hun riedel, als een vraag en antwoordspel. Twee vliegen zigzaggen om me heen om dan zoemend te gaan seksen op het blote vel van mijn knie. Ik wuif ze weg en schuif de dunne katoen van mijn rok erover. Dan hoor ik Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij zegt dat hij vrijkaartjes heeft. Een muzikale voorstelling is het, notabene op Fort Rijnauwen! Ik ken het. Het ligt aan dezelfde rivier als waar ik vroeger woonde.
Het stuk speelt zich af in de weelderige natuur rond het fort, vertelt hij. Het gaat over het einde van de wereld. “Wie wil er vrijkaartjes winnen?” vraagt Lex. Dan moeten we vandaag of morgen een kort verhaal opsturen. “Hoe kunnen we de aarde redden?” Dat is het thema. Morgen is de uitslag. Ik aarzel geen moment en klim in de pen. Drie kwartier later heb ik geen verhaal. Wel een gedicht.

Hoe redden we de aarde. (Sterk bewerkte versie)

.
Op de dag dat alles dor was
liep op straat een liefdespaar
omarmden levenloze stad
en gingen voort, al zingend
langs het uitgestorven pad

Bomen, heuvels, dode dorpen
elke plek een eigen vers
ze  liefden elkaar met het lied
en waar ze kwamen trilde het
ging doffe starheid snel teniet

Ze zagen alles wat ze zagen
dansend langs hun wonderpad
een kind een boom een land een naam
zelfs stenen werden langzaam levend en
de oude man voor ’t raam

Aarzelend kijkt hij nu op
verrassing in zijn blauwe blik
die kinderlijk hun canon echoot
alles kan en wil weer zingen
Op deze dag gaat niemand dood

.

De volgende dag luister ik in gespannen afwachting naar de radio. Lex wacht even met het laten horen van de uitkomst. Na een kwartier komt het. De vrijkaartjes gaan naar Marijke. Zij schreef: “Mijn kleindochter heeft al gezegd dat als ik win, zij met me meegaat. Is dat niet het redden van de aarde?” Lex ziet het graag. Grootmoeder met kleindochter samen op pad. Ik eigenlijk ook wel. Maar ik heb níet gewonnen. Jammer. Het was een leuk idee. Maar vrijkaartjes kreeg ik toch. Een kaartje voor de Aarde en eentje voor een bezoek aan de Tuinen der Fantasie. Zo kom je nog eens ergens…

Klik hier voor het beluisteren van het radiopramma op NPO4

.

Inspiratiebronnen.

Het gedicht is onder andere geïnspireerd door “De Droomtijd”, een mythe over het begin van het leven op aarde. Dit is waar de Australische Aborigionals in geloofden en leefden, lang voordat de westerse mens een voet aan land deed.  Ik las er over toen ik twintig was, nu dertig jaar geleden. Het boek dat zoveel indruk op me maakte heet “Gezongen Aarde”, geschreven door reisschrijver Bruce Chatwin.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bruce_Chatwin

Ook heb ik gedacht aan het oneindige verhaal van Michaël Ende. De kracht van de fantasie werkt door al zijn boeken heen, en hoe belangrijk dat is voor een leefbare wereld.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_oneindige_verhaal

.
En dan is er Paul Biegel met  “De tuinen van Dorr.” Een sprookjesachtige vertelling over een hartelief en een stenen stad. Ik heb het vast al vijftien keer gelezen. Biegel hield van twee van zijn boeken het meest. Dit is er één van. Dat begrijp ik goed. Heerlijke taal, heerlijk verhaal.

De foto van het aboriginalkunstwerk heb ik gehaald van deze site: http://www.guidodevliegher.be

Dansen op de grens

dansenopdegrens 003

.

„Wil je ook koffie? “ vraagt Nicole. Ze komt achter de caravan vandaan en doet een paar passen in mijn richting. “Ja graag, of eigenlijk liever thee als het kan.” Ik trek nog een paar graspollen weg en doe een pas achteruit om te kijken. Ik heb het perk breder gemaakt. Heel langzaam help ik de natuur met uitdijen. De grens is duidelijk zichtbaar. Een strakke, licht golvende lijn van frisgroen gras steekt scherp af tegen de klaargemaakte zwarte grond. Strakke grenzen, dat snappen mensen. Dan weten ze, dáár is wat. . . Daarom doe ik het hier zo. Dat werkt tenminste.
De novemberzon schijnt met een laag, warm licht. Ik loop naar de regenton en was mijn handen.

Glimlachend neem ik het warme glas thee in ontvangst. Henk en Nicole hebben hun koffie op de witte kampeertafel gezet. Ik geniet van momenten van samenzijn. Tegelijk met een toenemende vloed aan bloemen, planten en insecten, keert het leven terug op de camping.
Nicole kijkt me vrolijk aan. “Ik heb zaad van mijn tuin in Amsterdam in het nieuwe perk gestopt,” zegt ze. “Zo leuk, die plek bij het ronde minihuisje!”
“Elke keer is er weer iets veranderd” zegt Henk “daarom vinden we het fijn om hier te komen.” Blij kijk ik hem aan. “Ik heb op meer plekken uitgebreid,” vertel ik opgewekt. “Naast het huis in aanbouw ook. De boomspiegels onder de pruimen zijn nu nog groter. Maar ik moet daar wel ophouden. Ton wil graag om het huis heen kunnen om er aan te werken.” Henk en Nicole knikken begrijpend.
“Eigenlijk is perk al wat te groot,” vervolg ik, “want misschien komt er in de toekomst weer een steiger. Maar nu staat er géén steiger. Dan kunnen de bloemen toch nog mooi even verder groeien en zaad maken, dacht ik zo. . .”
“Maar ik kan me voorstellen dat je wel wil dat het blìjft, wat je allemaal doet.”
“Nee hoor,” zeg ik, “Ik stel me er steeds op in dat er iets anders kan gebeuren. Morgen kan er opeens een steiger in mijn perk staan. Of zo. Het gaat om de beweging. Ik stel geen paal en perk, ik begin steeds overnieuw. Waar dan ook.”
“Ja,” zegt Henk grijnzend, “Mooi is dat.”

Ik kijk naar wat beweegt en leg mijn oor te luister. Wat doe jij, wat doe ik? Het leven is een stroom, mensen, dieren, bomen, planten . . . Soms doe ik een brutale stap naar voren en help de natuur een handje. Maar het is niet altijd de natuur die wint. Mensen hebben ook tegels nodig en huizen. En wegen om te gaan. Waar nodig, trek ik me terug en laat ruimte in aandacht. Samen spelen we met grenzen, van de ene wereld met de andere.

Eeuwige dans die verder gaat
van stille eb tot volle vloed
steeds ben ik waar ik wezen moet
en kijk dan waar jij staat

.

.

Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

Revolutie van de kolibri’s

 

.revolutievdkolibries 001

Revolution of the hummingbirds
. . . .

 

Mijn vriend Kees is er. Fijn. Het was al een jaar geleden dat ik hem zag.
„Moet je eens zien wat er allemaal veranderd is,” zeg ik opgewekt, terwijl ik naast hem langs de bedden loop. Van alles gaat langs onze voeten voorbij. De witte bloemschermen van wilde en tamme peen, oranje oost-indische Kers, blauwe borage, de snel groeiende takken van een wijnbes, de zich voort slingerende pompoenen en courgettes, de kruiden die overal tussen in staan en nog zoveel meer.
“Alles is één groot paradijs,” zegt Kees, een tikkeltje afwezig. En even later, wat verontwaardigd:
“Toch is het idioot, hiernaast zijn ze ik weet niet hoeveel hectares grond aan het platwalsen, openscheuren, pletten, door elkaar gooien en nog eens en nog eens. En jij bent hier hele dagen aan het tuinieren op maar honderd-en-zestig vierkante meter.”
“Iets meer,” zeg ik. “Hier en daar legde ik eilandjes met andere planten aan. Waar alleen maar gras staat of brandnetels. Vlier, Grote Klis, Smeerwortel, en Koningskaars zijn goed aangeslagen. Het effect daarvan is niet uit te drukken in vierkante meters, Kees. Ik noem het guerillagardening met nazorg.”
“Ja,” zegt hij wat somber, “Maar toch…”

Als Kees weg gaat is hij blij en uitgerust. “Het heeft me zo goed gedaan, hier even te zijn,” zegt hij. “Ik krijg allemaal goeie gedachtes.” Ik glim.
Als Kees op zijn fietsje de hoek om is, ga ik voor het raam zitten. Buiten, vlak voor het venster staan grote zonnebloemen. Er vliegt een pimpelmees langs en hij landt op een stevige bladstengel. De enorme bloem wiegt een beetje. Dromerig kijkt het meesje om zich heen en vliegt dan verder. De zon schemert vaag door sluierwolken. Ik laat de afgelopen dag aan mijn geest voorbij gaan.
Terwijl ik denk aan Kees zijn verontwaardiging, zie ik een kleine wollige hommel. Hij kruipt in een witte bloem van de pronkboon, die zich in de reuzenstengel voor mijn raam omhoog slingert. Zo’n klein beestje die zulk mooi werk doet… Die boon, díe groeit straks wel! Al wordt hij omringd door kale vlaktes.

Ooit bracht iemand me op een site van een collega-Kolibri. Het was een Franse site. Helaas is mijn frans niet best, dus kon ik het niet goed lezen. Maar ik begreep de strekking.
“Revolutie van de kolibri’s” las ik. Zo zie je maar, dacht ik toen. Ik ben niet de enige kolibri. Er zijn vast miljoenen bezige kolibri’s, op de hele wereld. Allemaal kleine eilandjes van bruisend leven. En als mieren bergen kunnen verzetten omdat ze met veel zijn, dan kunnen wij dat ook. Misschien is het er al, en groeit het. Zelfs zonder revolutie.

Verhaal van een oude boom in een verre toekomst

.

.

Oude boom

.

Mensenlief, vergeet…

 

Alle weelde van vandaag
is morgen maar wat vuil in t zand
een enkeling stelt nog de vraag
wat was er toen toch aan de hand

Wat is echt en wat is duister
waarheid of legende
de zachte wind waar ‘k nu naar luister
een hand die mij verwende

Een bij die neerstreek in mijn kruin
toen iedereen verdween
en ik bleef wachten in de tuin
die groeide, om mij heen

Ik zag wat kwam en is verdwenen
machten van het harde geld
die ooit zo ongenaakbaar schenen
geen kind die ’t nog vertelt

Twee schurkjes klimmen in mijn stam
hoog, nog hoger, wat een lol
teveel aan goud dat maakt je lam
Je klimt niet met je zakken vol

Hier sta ik nu al zoveel eeuwen
ik alleen die het nog weet
van het razen en het schreeuwen
Mensenlief, vergeet . .

.

.

Vrijheid en zure melk

.

.

Op weg met Juf Kolibri.

 

Totale vrijheid leidt uiteindelijk tot verveling. Beperkingen dagen uit tot iets nieuws.

“Zit er zo genoeg melk in?” vraagt mijn vriend Dick, en hij geeft me een mok koffie. “”Ja hoor”, zeg ik. Ik proef. Het smaakt wat zurig en ik zie kleine vlokjes in de sojamelk. “De melk is niet goed meer.” Dick vraagt of hij alles nu voor niks heeft gemaakt. “Nee hoor,” stel ik hem gerust, “als we er een lepel honing in doen dan gaat het wel.” Hij kijkt tevreden en knikt. “Ja, daarom zijn oosterse vleesgerechten ook zo goed gekruid. Het vlees was vaak bedorven en dan proef je het niet zo.”
We praten erover. “Totale vrijheid leidt uiteindelijk tot verveling, denk ik. Beperkingen dagen uit tot iets nieuws.” Dick nipt van zijn dampende koffie en kijkt nadenkend in de verte. “Ja, dat is mooi gezegd. Zo is het wel.” zegt hij. “Doordat niet alles er is word je uitgedaagd om naar oplossingen te zoeken voor een probleem. Dat kan een waardevolle vondst zijn.”

Ik woon in een huisje op wielen. Maar twaalf vierkante meter. Dat is te weinig, heb ik ontdekt. Ik heb er dertien nodig. Een vierkante meter extra voor een extra kast. Die ben ik aan het bouwen. Hij komt voorop de wagen. Je kan er ook op zitten tijdens het rijden, en in de winter komt de houtvoorraad erop te liggen. Alles wat ik nodig heb krijgt een plek. Zo efficiënt mogelijk. Het is de slotfinale van een proces van jaren. Ik maak mijn bezit kleiner en kleiner. Als ik klaar ben dan vier ik het. En daarna oefenritjes maken. Met een trekker er voor. Of twee paarden. Maar waarschijnlijk een trekker. Kijken of het kan, rijden met mijn wagen. Spannend. Maar voor het zover is, gaat er nog zeker een winter overheen, denk ik. Ik weet nog niet. Alles ontvouwt zich stap voor stap. En ik kan lekker zelf kiezen. Zelf uitvinden wat ik echt nodig heb. Nu. Dat is vrijheid.

begrenzing

Als het broeit bij spreeuwen

Foto uit florafauna.middendelfland

.

Deze week kreeg ik bezoek. Het was John uit Tilburg met zijn vriend Henk Kuiper. Ik had al veel over hem gehoord. De eerste keer is al langer dan twintig jaar geleden. Toen kreeg ik een boekje van hem in handen. „Huttonia” heet het. Henk heeft in een bakfiets gewoond en daar gaat het over. Hij houdt heel veel van de natuur en van eenvoudig leven, en was benieuwd naar me. En ik naar hem natuurlijk. Maar ze konden niet op de fiets komen, want Henk is erg ziek. Ze kwamen met de auto. Ik heb Henk het hele terrein laten zien en de tuin. Hij vond het prachtig. En alle vogels die er te horen waren ook. Hij was verrukt toen hij de wulpen hoorde. Die had hij al lang niet meer gehoord. Ik denk dat hij graag nog langer had willen blijven.
Toen we samen koffie dronken vertelde Henk een mooi verhaal. Soms zie je een hele groep spreeuwen in de kruinen van de bomen zitten. Tientallen, soms honderden. Op een gegeven moment wordt er eentje onrustig. Die begint met zijn vleugels te flapperen en te draaien en te wiebelen. Hij steekt anderen aan. Die beginnen ook te flapperen. Het worden er steeds meer. Het broeit. De onrust groeit en dat duurt lang, pas na een hele poos is de hele groep aangestoken en dan is het moment daar. De hele groep stijgt in één keer op. Adembenemend. Met mensen is het vast net zo, zegt Henk. Ik denk het ook.

 

PS. Niet lang daarna namen Henk zijn krachten af en hij werd zieker en zieker. Hij had kanker en overleed niet lang daarna. Ik ben blij dat ik hem heb kunnen ontmoeten. Helaas maar èèn keer. Een kennismaking en een afscheid tegelijk.