Klein en vertrouwd

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9,5 minuut.

.

Ik heb een hele mooie kachel. Hij staat in de hoek bij de deur. Daar past hij precies. Het is een kleine Salamander. Het is een hele oude, en doet denken aan vroeger tijden, toen de wereld nog overzichtelijk was en iedereen in het dorp elkaar kende. Er stond een keteltje op met heet water. De koffie stond altijd klaar.
De kachel is slank, rond en hoog en is bedekt met een laagje sjieke bruine emaille. Bovenop is in het dekseltje een salamander gegraveerd. Dat deksel geeft toegang tot het binnenste, dat al door zoveel handen is gevuld met hout. Alles is tot as vergaan, jaar in jaar uit opnieuw.

Om de kachel heen is het een zootje. Er liggen oude kranten, schoenen, houtblokjes, een koffiekom, en soms wat vuile sokken die de was in moeten.
Onder de kachel moet eigenlijk een vonkvaste plaat. Die heb ik nog niet. In de vloer zit hier en daar een brandplekje. Ook zitten er een paar krassen in van de bijl. Ik heb me er lang aan gestoord. Maar ach, alles went. Op een gegeven moment weet je niet anders meer.
„O?“ zegt iets in mij, „Dat laat je toch niet zomaar gebeuren met je prachtige huisje! Dit is het begin van het verval.“

Dus nu heb ik besloten dat dit een goed moment is om de boel eens lekker op te knappen. Met frisse moed maak ik een plan. Ik zaag de dikke vloerplanken af, rond de kachel. Ik laat ze bij het timmerbedrijf door de vandiktebank halen. Daarna schroef ik er een stalen plaat op. Die moet verroest zijn. De roest maakt het oppervlak stroef, waardoor de verf goed blijft zitten. Dat moet bij een kachel, want het is een werkhoek. Je moet er kunnen hakken met de bijl. Ik wil de plaat maisgeel maken, dezelfde kleur als de rest van de houten vloer.

Waar haal ik dat staal? Bij de oudijzerboer natuurlijk. En dan niet zo’n grote, maar een kleintje. Zo’n ouwe rommelaar, die moet ik hebben. Ik vind hem al snel, het is een half uurtje fietsen. Ik bel hem op en kan meteen komen. Eigenlijk sluit hij om vijf uur, maar hij zal wachten tot ik er ben. Het duurt iets langer, want ik fiets eerst verkeerd, en kom bij een ander bedrijf uit. Het terrein ligt vol enorme schroothopen en er rijden grote kranen rond. Ik keer meteen om. Ik moet een stuk terug zijn.
Uiteindelijk ben ik er. Het bedrijfje is aanzienlijk kleiner. Er staat een verroeste Atlaskraan, een kast met pannetjes, bakken met geplette blikjes, een bak met het hele interieur van een professionele keuken. Ik loop verder. Achter een stoffig raam zie ik een gestalte en de houten deur gaat open.

„Ah ben je daar! Hoe kon je nou bij mijn concurrent terechtkomen?!“ In zijn stem klinkt verbijstering door. Dat snap ik wel, stel je voor dat al zijn klanten uitkomen bij de concurrent, die toch al rijk zat is. „Ik wist wel dat ik verkeerd zat hoor, zo n groot bedrijf daar heb je niks aan. Hier moet ik wezen en nergens anders.“ Mijn stem klinkt vastbesloten. Hij grijnst gerustgesteld en ik vertel wat ik moet hebben. Hij leidt me rond en uiteindelijk vind ik een goede plaat, mooi recht en verroest. Alleen een beetje te groot. Maar dat is geen probleem. Die snijdt hij wel door met de snijbrander. Hij legt de plaat op een stevige ijzeren werkbank, en tekent de lijn af. Dan legt hij er een H-profiel op en gebruikt hem als geleider. De vlam gaat keurig langs de rand, tot het laatste stukje toe. „Kijk eens hoe mooi!“ straalt hij. Ik ben vol bewondering. „Niet aankomen hoor! Het is nog heet, “ waarschust hij. Ik waag het niet, want ik dat weet ik maar wat goed. Hij loopt naar de deur. „Wil je nog een bakkie koffie? Dan kan het ondertussen afkoelen.“
Ik volg hem door de donkere schuur. Er staat een mooi trekkertje te koop tussen tal van andere zaken. Aan de wand hangen grote roestvrijstalen harpsluitingen. In de hoek zit een deur. Achter de deur is een klein kantoortje met bruine wanden. Er hangen foto’s van honden en mensen.
Hij schuift een stoel naar me toe. „Doe je aan corona?“ vraagt hij me. Ik zeg nee. Hier niet. Gelukkig, zie ik hem denken. De tafel is maar klein. Lang geen anderhalve meter. Hij schenkt koffie in een kop en zet hem voor me op tafel. Hij schudt zijn hoofd: „De mensen zijn zo bang! Ze doen alles wat Rutte zegt. Ik heb nu veel minder klanten. Hij is niet goed voor ons, werklui. Die andere is beter.“ Ik vraag wie hij bedoelt. „Ach, die met die moeilijke Franse naam. En Wilders, zegt ook wel goeie dingen, al is het een raar mannetje.“ Ik kijk hem geïnteresseerd aan. Maar zo boeiend is de politiek nou ook weer niet. Het gaat al snel over zijn vrienden, vriendinnen, en al de trouwe hondevrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Hij geniet zichtbaar van mijn bezoekje. Na een half uur betaal ik hem en laat hij me uit. Ik bind de kachelplaat stevig vast op mijn bagagedrager. „Ik zie je vast nog wel eens terug!“ zegt hij vol vertrouwen.

Terwijl ik terugfiets over de smalle rustige plattelandsweg, denk ik eraan hoeveel we er mee zouden winnen als dorpen weer hun eigen bestuurders kenden. Als een dorp of wijk niet meer dan 500 bewoners had en eigen kleinschalige bedrijfjes. Dan kent iedereen elkaar. Dan zou de oudijzerboer op straat een praatje kunnen maken met de burgemeester. Hij zou zelfs kennis maken met dat ene Turkse of Marokaanse gezin. Dat ene is immers altijd anders dan de rest! Kleinschaligheid schept vertrouwen. Is dat het niet wat we nodig hebben in deze tijd? Klein beginnen. Gewoon, een bakkie doen bij de ijzerboer.

.

 

.

 

Wat ik wél kan doen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  7 min

.

Op mijn vouwfietsje sla ik af, de brede straat in, naar het centrum van Heerenveen. Het rode PTT bakje zit stevig achterop mijn bagagedrager gebonden. Daar doe ik straks mijn boodschappen in. Het is altijd weer even een uitje, naar de Ecowinkel en terug. Het is 7 km, de bocht om de brug over, het park door. Je bent er zomaar.

Langs de kant van de weg  naast de huizen, zijn brede bermen met bomen er in. Er staat een vrouw gebukt boven het korte gras. Een grijze oudere dame met een net wit vestje aan. Ze plukt iets en doet het in het kleine tasje. Ik stop met trappen en stap van mijn fiets.
„Dag mevrouw! Plukt u madeliefjes?“ vraag ik. Verrast kijkt ze op. „Ja! Ik wil ze op een kaart plakken voor iemand,“ en ze kijkt een beetje bedremmeld naar het kleine kartonnen tasje. „Het is misschien een beetje gek om bloempjes te plukken en in een tasje te stoppen,“ zegt ze aarzelend. „Gek?“ Ik kijk haar vrolijk aan. „Helemaal niet gek hoor, dat doe ik ook altijd.“ Ze lacht opgelucht. „Ja, we beginnen het nu langzaam te bevatten, wat de impact is, van alles,“ begint ze langzaam en ze is even stil. „In deze tijd kun je wel heel somber worden over grote dingen en daarom…“ ze zoekt naar woorden en kijkt nadenkend de kruin van de boom in. „Daarom wilt u vooral genieten van kleine dingen!“ Vul ik haar aan. Ze knikt enthousiast en gaat meteen verder „En om goed voor elkaar te zorgen. Elkaar verrassen. Dat is ook belangrijk. Ik maak me soms zorgen over mijn kleinkinderen. Ik wil graag dat ze het net zo goed hebben als ik. Wij zijn gepensioneerd, wij zitten gebakken. Maar zij….. “ Ze praat steeds zachter, alsof ze hardop nadenkt.
„Ja dat begrijp ik,“ zeg ik „Al die grote leningen die nu worden gedaan door de regering, gaan ten koste van hún financiele toekomst.“ Toevallig heb ik daar net een artikel over gelezen in Follow The Money. Ze is blij met de aanvulling op haar gedachten.
„Ik zou willen dat ze het net zo goed krijgen. Maar ik kan niks doen. Daarom maak ik vandaag een mooie kaart met bloemen erop. Dat kan ik wél doen.“ Ik kijk haar stralend aan. „Dat vind ik mooi, mevrouw!“
„Dank je,“ zegt ze „En wat ik ook kan doen is op een goede partij stemmen. Ik ga duurzaam stemmen, zeker weten. Al die grote bedrijven die steeds maar doorgroeien, dat gaat niet goed. Dat moet maar eens afgelopen zijn.“ Grijnzend knik haar toe. „Daar ben ik het helemaal mee eens.“
Haar blik gaat naar de overkant en haar ogen lichten op. „Ik ga nog even verder met plukken. Ik zie daar nog meer madelieven.“ Ik volg haar blik naar de overkant. „Oh ja, daar zijn er een hoop!“ Mijn stem schalt door de straat. Ze lacht om mijn enthousiasme en steekt de weg over. Ik stap op de fiets, kijk nog één keer om, steek mijn hand op. Ze kijkt nog. „Een gezonde toekomst!“ roept ze. „Lekker buiten in de frisse lucht!“ roep ik terug. Glimlachend fiets ik verder.

We moeten goed voor elkaar zorgen, zei deze mevrouw. Voor mijn vriend Dick en ik gaat die zorg over grote afstand. We bellen. Maar deze week zouden we elkaar voor het eerst weer zien. We spraken af in Zwolle, dat ligt mooi tussen Brabant en Friesland in. Na twee maanden afzondering was het extra leuk. Lekker fietsen, zonder doel. Gekke plekjes en onverwachte paadjes vinden. We vonden ook een leeg podium bij een verlaten broedplaats. Daar heb ik een toespraakje gehouden, over alles wat we kunnen doen. Dick filmde het. Het was een heerlijk dagje.

.

Lege trein

.

 

Wat vroeger niet mocht is nu het beste

.

 

Stationspiano tegen de lift geschoven

.

 

Een eenzame café-eigenaar

.

 

Druk op de markt in Zwolle

.

 

Ronald A. Westerhuis, vlakbij Gerrits tuin met het lege podium.

 

.

Klik hier om de spontane toespraak te beluisteren op het lege podium

Gefilmd door Dick Verheul.

.

.

.

 

 

U boft maar

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

Ik gun mezelf een paar dagen ontspanning. Ik lees en wandel. Vandaag maak ik het rondje aan de overkant van de brug, door de weilanden. Ik kniel bij de koeien, die me gebiologeerd aan blijven kijken met hun zachtmoedige ogen. Ik sta weer op en loop door tot langs de kerk.  Uiteindelijk kom ik op de dorpsweg uit. Daar is een vrouw aan het werk in haar tuin. Ze is al oud. En haar tuin is eigenlijk meer een zandbak. Er groeien hier en daar wilde viooltjes. Een enkele veldkers heeft dapper zijn stengeltje boven de grond uitgestoken. De kleine witte bloemetjes zijn nauwelijks zichtbaar, zo armetierig staan ze erbij. Met een schoffel woelt ze het warme zand om. Het ziet er uit als plantjes pesten. De veldkersjes zullen er vast ook aan moeten geloven. Het werk gaat moeizaam maar gestaag. Ze heeft al twee vierkante meter klaar van de zestien.

„Dag mevrouw,“ zeg ik „Wat heeft u een mooie viooltjes in de tuin, zijn die er vanzelf gekomen?“ Ze schuifelt naar me toe. Ik zie nu pas dat ze een kruk bij zich heeft, die op het einde uitloopt in drie pootjes. „Ja,“ zegt ze „Ik heb het aan mijn knie. Die is geopereerd. De dokter heeft er iets mee gedaan. Nou doet het minder zeer.“ Ik toon mijn medeleven met een glimlach en een knik. „Gelukkig heb ik mijn kleinzoon, die me helpt,“ ze wijst naar achteren. Aan het einde van de oprit staat een rode auto. Ernaast staat een jongetje te spuiten, zijn mollige witte armen houden de tuinslang stevig vast. Hij gaat lekker door met zijn waterballet. Is die auto nou nog niet schoon? Wat een verspilling zeg, denk ik bij mezelf, en dat in deze tijden van almaar toenemende droogte. Maar dat zeg ik niet tegen een vrouw die al zo oud is.  „Fijn dat hij u zo goed helpt,“ lach ik opgewekt „U boft maar!“ Terwijl ik dat zeg komt er een man aanlopen met een bol gezicht. „Dat is mijn zoon,“ zegt ze „Hij helpt me ook.“
„De vader van de jongen?“
„Ja.“ Ze kijkt me aan met grote grijze ogen.
„Echt fijn dat ze u helpen. En dat u nog in dit huis woont. Er zijn zoveel oude mensen die nu opgesloten zitten.“
Ze knikt. „Ik ben al negentig,“ zegt ze trots. Ze leunt tijdens het praten op een gemetselde zuil van een meter hoog, waar het hek aan vast zit. De bovenkant is van cement. Er lopen een paar mieren op. Eén voor één drukt ze ze dood met haar duim. Wreed en zinloos. Ik kijk er maar niet naar. Als ik er niet naar kijk dan houdt ze er misschien mee op. De jongen en de vader zijn nu allebei aan het poetsen. „Jullie hebben het maar gezellig hier,“ merk ik op. Ze knikt en kijkt me strak aan met haar enorme kijkers. „Ik heb een nieuwe lens,“ zegt ze. „Ik moest weer naar het ziekenhuis maar dat kon niet.“
„Voor controle zeker. En kan u nu alles weer zien?“ vraag ik belangstellend.
„Jaaaa! Heel erg! Nou die knie nog.“
Ik knik haar nog eens vriendelijk toe. „Ik wens u heel veel sterkte. En nu ga ik weer verder. Als ik nog eens een rondje loop, kom ik weer een praatje maken.“
Ze glimlacht en knikt, alsof ze niets anders verwacht had. Dan draait ze zich om, en pakt de schoffel. Ik kijk nog eenmaal om, en zie haar woelen in het warme zand. Op naar de volgende vierkante meter. Geduld is een schone zaak. Ook voor mij.

Spiegel van het verleden

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

.

Dit jaar maakte ik een wandeltocht in Friesland. Onderweg kreeg ik gezelschap van een bijzondere reisgenoot.

“Tocht langs kantelende wegen,“ dat is de titel van het boek, dat ik schrijf. Dit jaar maakte ik een tocht van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Mijn wielen rollen over kantelende wegen. Hoe sneller een auto gaat, des te schever is het wegdek als je de bocht om gaat. Dat percentage is berekend, en wordt overal toegepast. Het houdt je voertuig in balans. Eigenlijk heet het “verkanting” maar ik vind kanteling toepasselijker. De wegen kantelen steeds vaker, want het verkeer gaat hard.
Maar ik ben geen snelle weggebruiker. Ik ben een voetganger met een elektrische mover van 150 kilo aan de hand en daarachter een Wandelhuis. Ik ga maar 3 kilometer per uur.
Alles gaat sneller en sneller. Voor mij is dat een metafoor. Want de kantelingen gaan verder dan de weg alleen. Het is een tijd van kantelingen, waarden die lange tijd heilig waren, werken niet meer.

Door langzaam te reizen, hoop ik die veranderingen te kunnen zien, de kiemen van wat er komt. Op mijn eerste reis heb ik veel gezien en bijzondere dingen meegemaakt.

Elke dag beschreef ik het landschap en de ontmoetingen die ik had. Ik hoopte dat ik onderweg gesprekspartners zou ontmoeten, die met me mee zouden wandelen. Maar ik liep alleen. Dat bleek precies het juiste. Er was namelijk een andere reizigster, die met me meeging. Gaandeweg ontdekte ik haar. Een vrouw die lang geleden leefde, Auck van Hearsma. Zij leefde van 1705 tot 1786. Ze leefde óók in een tijd van kantelingen. De kerk verloor steeds meer macht. Het was de tijd van de Verlichting, van het intellect en de waarneming. Het was de tijd van Eise Eisinga die met verbazingwekkende precisie zijn planetarium bouwde, een kopie van ons zonnestelsel in beweging. En vooral was het een tijd van groeiend zelfbewustzijn en opstanden.

Auck groeide op in een adellijke familie en trouwde op haar 25e. Kinderen kreeg ze niet. Haar man stierf toen ze 37 was. De mijne ook en ook ik had geen kinderen. Ze hield net als ik, van eenvoud en was nieuwsgierig en intelligent. Ze maakte lange voettochten door Friesland. Van opsmuk hield ze niet, en de dikke lagen lange rokken, die de andere adellijke vrouwen droegen vond ze verschrikkelijk. Ze ging zelfs zo eenvoudig gekleed, dat ze soms zelfs werd weggestuurd met de woorden: „Aan de deur wordt niet gekocht!“

Door haar word ik een andere tijd ingeleid. Ze maakt veel mee. Haar man is zeven jaar overleden, wanneer de pleuris uit breekt, aangestoken door de rellen in Groningen en de rest van het land. In de rest van Nederland zijn ook opstanden, maar die zijn anders van karakter. Men eist daar vooral een nieuwe stadhouder. In Friesland is al een stadhouder. Hier hebben de mensen andere wensen. Eisen, die uiteindelijk pas in 1852 gemeengoed zullen worden.

Door haar kom ik terecht tussen woedende boeren, die niet alleen belastingverlaging eisen, maar ook stemrecht voor iedereen, een einde aan de bonussen, in die tijd “tractaten“ genoemd. Ze eisen een einde aan de vriendjespolitiek, waarin de adel elkaar bijbaantjes geeft, en onder elkaar het geld verdeelt wat uit belastingen wordt verdiend. Er staan meer eisen op het lijstje, maar deze vind ik het meest opmerkelijk, vanwege hun gelijkenis met onze tijd.

Verbaasd volg ik haar verhaal. Ik denk aan de gele hesjes en de maatschappelijke verontwaardiging over bonussen. Ik denk aan grote bedrijven als Amazon, Bayer-Monsanto, Shell, die net zo machtig lijken te zijn als de 28 adellijke families die in de tijd van Auck in Friesland woonden.
En is het spoor van de Verlichting ten einde? Ik denk het niet. Ik denk aan al die mensen, die niet langer willen dienen als een radertje in de groei-economie, die op zoek zijn naar hun authentieke zélf, en die hun eigen beslissingen willen nemen.

De Verlichting betekende in de zeventiende en achttiende eeuw een tijd voor persoonlijke groei. Door de industrialisatie groeide ook de materiële welvaart. Dat heeft veel opgeleverd. Maar we zijn te ver doorgeschoten en het heeft ons op een dood spoor gebracht. En nu onderzoeken we wat werkelijk van waarde is.

Auck geeft niet om geld. Toch stroomt het van alle kanten naar haar toe, want haar rijke zwager, die tal van lucratieve bestuursbaantjes heeft gehad, heeft geen kinderen. Ze sterft in haar landhuis in Menaldum. Op haar erf lopen allerlei dieren rond, halfwilde zwijntjes, runderen, kippen, en honden, alles dwars door elkaar heen. Zelfs in huis lopen ze. Haar laatste wens is dat al die dieren om zich heen te hebben. Haar trouwe huisknecht doet wat ze vraagt. Hij opent alle deuren en ramen, en drijft de dieren haar slaapkamer in. Omringd door haar levende have blaast ze de laatste adem uit.

Zal ik ook zo eindigen? Mijn tijd is nog niet gekomen. Gelukkig maar. Mijn reis is nog maar net begonnen! En er is nog veel te doen.

.

.

Ik schreef dit  voor tijdschrift ZOZ van Omslag, maar mocht het ook voor mijn blog gebruiken

.

Ontmoeting met een omdenker

.

.

[/audio]Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  7,5  minuten

.

Het is nog vroeg. Ik loop de oprit af, de smalle asfaltweg op. Voor ik aan het werk ga, maak ik een frisse ochtendwandeling. Ik kijk naar de lucht, de zon en de vogels en adem de ruimte in. Dat heb ik echt wel nodig, voor ik weer in het vierkante scherm duik, om verder te schrijven aan mijn boek. Voor ik de weg op stap kijk ik naar rechts, om de scherpe bocht kan van alles aankomen. Verderop, in de elektriciteitspaal, staat een ooievaar, in zijn nest. Ik hoor het geklepper van snavels.

Langzaam sjokkend kom ik bij het erf van de overburen, honderd meter verderop. Ze zijn allebei in de dertig, en ik weet dat ze kinderen hebben. Ze wonen in een mooi oud huis met een heel stuk grond eromheen. Er zijn jonge boompjes geplant en achter het hek lopen schapen met smalle horens, die recht naar voren steken. Zulke heb ik nog gezien! Altijd als ik er langs loop, staat er een bont beschilderd busje voor het huis. Verder zie ik nooit iemand. Maar vandaag wél!
Nu de regen en de wind voorbij is, wordt er gewerkt aan een hoge houten schuur, van donkerbruine planken. Ze zijn er allebei mee bezig. Op de oprit staat de vrouw van het stel, haar lange donkere haar valt over haar schouders. Ik sta stil, ze lacht naar me. „Heb je de ooievaars gezien?“ roep ik vanuit de verte. „Ja“ zegt ze en komt naar me toelopen. „En we zagen ook een tweede stel. Ik hoop op veel jonge ooievaars!“ Ze glundert.

Ik geef haar een hand ter kennismaking, en noem mijn naam. „O nee, dat mag niet!“ Geschrokken trek ik mijn hand terug en maak een sprongetje achteruit. Ze lacht. „Ik heet Syl,zegt ze. „Hier mag het wel hoor, wij zitten al wéken in quarantaine. Ik vind het heerlijk! Ik hoop dat het zo blijft, dat ik thuis kan blijven, met de kinderen.“ Ik luister geïnteresseerd naar haar verhaal.
Ze vertelt hoe fijn ze het vindt, dat de kinderen thuis school hebben. „Ze spijbelen nu ook niet meer. Dat deden ze vroeger nog wel eens. Het kan nu niet meer. Er is gewoon een knopje, wat je aanzet, en dan ben je er al. Perfect!“ Haar bruine ogen fonkelen van plezier. „Ik hoef nu niet steeds heen en weer met de auto om ze weg te brengen. Wat een gedoe was dat zeg, naast mijn werk. En dan ook nog het huishouden en de was, nee het leven is er een stuk beter op geworden nu we allemaal thuis kunnen zijn. Ik hoop dat het zo blijft.“

Ze hebben het getroffen hier, met zoveel ruimte. In de stad is dat heel anders, zeker als je maar een piepklein tuintje hebt of niet eens een balkon. Wat voor de één een zegen is, is voor de ander een hel. We vragen ons allebei af hoe deze crisis zal aflopen. Zouden mensen straks ook thuis kunnen blijven werken?

 

Dat de mensen nu thuis kunnen werken is fijn. De wegen zijn rustig, de lucht is schoner, er wordt veel minder brandstof verbruikt. Maar het heeft ook een andere kant.

Mensen vergaderen nu met elkaar via het programma Zoom. Dat bedrijf krijgt nu steeds meer macht, net als Facebook. Gelukkig  zijn er ook andere manieren om te vergaderen, bijvoorbeeld via het alternatief Jit.si.  Ik heb aan een videomeeting meegedaan en het werkte prima, op mijn smartphone. Op de computer kan je het beste met Google Chrome inloggen, of met Firefox. Dan werkt het goed.

 

We praten nog een poos door. Ze is optimistisch. Ze is een omdenker. Als ze tegen een probleem aan loopt, denkt ze altijd de andere kant op. „Dan vind ik altijd de oplossing!“ zegt ze slim. Ik zeg dat ik dat een mooie eigenschap vind. Dan ben ik even stil. Mijn blik gaat over de weiden, naar de Tjonger, die in de verte ligt. De lucht is stralend blauw en de wind is gaan liggen. „We boffen, Syl,“ zeg ik.

 

Artikel over online macht van overheden en bedrijven

Pagina van Omlslag met mogelijke Jit.si ontmoeting.

Artikel: Thuisonderwijs versterkt sociale ongelijkheid

.

 

Waar mensen elkaar treffen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zes minuten.

.

Waar tref je je buren, je collega’s, je landgenoten? Op de hoek, in de tuin of elders? Misschien op het strand van Zandvoort? Het zijn soms kleine gesprekken, maar je weet nooit waar het goed voor is. 

.

Al urenlang sta ik voor het raam te tekenen, de lessenaar ter hoogte van mijn middel op de vensterbank. Het is een fijn plekje om te werken, zoals ik altijd al heb gewild. Soms sta ik schuin voorover geleund met mijn voorhoofd tegen het raamkozijn aan, als mijn nek moe en pijnlijk wordt van de naar beneden geknikte stand. Hoelang ben ik hier al aan het werk, als een non, in stilte, met Annemarie als buurvrouw en aanspraakpunt? De buren heb ik nog nauwelijks gezien. Ik kreeg wel een paar nieuwjaarskaartjes. Die heb ik beantwoord met een uitnodiging. „Kom gerust eens langs,“ schreef ik. Maar daar is nog niet op in gegaan. Het geeft niet. Ik heb de stilte ook nodig om in te werken. Maar de laatste dagen begint het te kriebelen, is mijn concentratie vaker gebroken, als één van de vele krokussen in het gras, die zijn groene kiem boven de grond uitsteekt. De energie begint te sprankelen en laat zich moeilijker intomen.

De lucht is al de hele dag donkergrijs, net als gisteren. Toch heb ik aan het raam genoeg licht. Geconcentreerd arceer ik in rechte strepen de suggestie van blauwe lucht, tot ineens een fel licht op mijn witte papier schijnt. Ik knipper met mijn ogen en kijk op. De zon heeft een stukje blauw gevonden, niet groter dan een hemd. Verbaasd kijk ik ernaar.

Dan gaat mijn blik naar de weg, daar staan drie papiercontainers met blauwe deksels. Opeens schiet het me te binnen, Annemarie is weg en vroeg me die binnen te halen, aan het einde van de middag! Ik schiet in mijn schoenen en loop naar de overkant. Ik draai de grijze container iets opzij en zoek het huisnummer. Dan komt de buurman aanlopen.
„Hee, hallo buurvrouw! Ja die moet je hebben hoor! Kijk maar, daar staat het nummer.” Hij praat enthousiast verder. „Ik heb je gezien op televisie!“ Ik lach. Dus ik word toch gevolgd, al merk ik het niet. Hij vertelt dat hij lekker weg is geweest naar een sauna in Duitsland. „Waarom Duitsland?” vraag ik, maar dan komt er nog een man aan. Grappig, denk ik bij mezelf. Dat is dus de manier om aan de praat te raken. Het ophalen van de containers. De tweede man stelt zich voor. Ook hij heeft me op tv gezien. Hij heeft veel tijd voor dat soort dingen, want hij heeft iets gekregen waardoor hij zijn werk niet kan doen. Ik sta over mijn container gehangen en kijk beurtelings van de één naar de ander.

De zon is allang weer achter de wolken. Het begint te druppelen. „Ik ga gauw naar binnen,“ zeg ik. De twee mannen verdwijnen ook in hun huizen. Poppetje gezien, kastje dicht, en de container staat weer op zijn plek.

.

Nieuws: De Formule 1 racers mogen niet over het strand. Om files te vermijden had de gemeente Noordwijk toegezegd dat ze naar hun hotel mochten over het strand. Zandvoort twijfelde nog. Maar dit bizarre plan heeft internationaal comotie veroorzaakt en in Nederland zijn 50.000 handtekeningen opgehaald. Dit was genoeg om het af te blazen. Hoera!

Maar daarmee is de kous nog niet af. Want het circuit is er nog, en heeft dit jaar verruimde openingstijden gekregen: 300 dagen per jaar actie, staat er trots op hun kalender. Al mogen ze niet over het strand, hun feestjes gaan gewoon door en het worden er alleen maar meer. Dus combineer het actievoeren met het aangename, blijf naar Zandvoort gaan, koop een ijsje, leg je oor te luisteren en steun de kleine ondernemers die lijden onder dit asociale gedrag.

Kijk eens naar deze advertentie! En die vind ik nog wel op mijn milieuvriendelijke browser, Ecosia. Met de laatste overwinning hebben we misschien een stengeltje weggetrokken, maar er zit nog een gigantische wortel in de grond, van dit ongewenste kruid.

 

Hoe het racecircuit reclame maakt.

Teken hier de petitie om de racefeestjes in zijn geheel te beeïndigen.

Met vouwfiets de trein in

.

Soms word je verrast door ontwapenende eerlijkheid, iemand die zegt dat het hem spijt dat hij je onterecht heeft toegesnauwd. Zoals conducteur Hamas: “Soms moet je je kwetsbaar opstellen.”

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Ik sta te wachten op het perron van Almere. Ik ben uit geweest in Amsterdam. Van Amsterdam naar Heerenveen hoef je gelukkig maar één keer over te stappen. Met een wat grotere vouwfiets is dat toch wel fijn. Mijn grote tas heb ik achterop gebonden en het elegante leren rugzakje hangt aan het stuur. Hij is kapot, één van de banden is afgescheurd. Dus eigenlijk is het geen rugzakje meer, maar een onhandig fietsstuurzakje. Ik heb mijn fiets niet opgeklapt, dat sjouwt wat onhandig met een kapot rugzakje aan het stuur.

Daar komt de trein aan. Naast mij staat een jongen van een jaar of twintig, met een stoere zwarte fiets. „Waar moet jij er uit?“ vraag ik hem. Ik kijk nog eens naar zijn fiets. Die kan je niet opklappen. „Lelystad,“ zegt hij. „Ik moet naar Heerenveen! Dan moet…“ begin ik, en denk  na „Jij er het eerst in!“ vult hij grijnzend aan. Ik lach terug. De deuren staan al open. Ik til mijn vouwfiets naar binnen en kijk hoe ik hem nu zal op klappen. Dan komt er een conducteur tevoorschijn, die vanuit het niets lijkt te komen. „Ja mevrouw u maakt van uw probleem óns probleem!“ Roept hij boos.
Verbijsterd kijk ik hem aan. Waar heeft die man het over? „Het is hartstikke druk en wij proberen dat in goede banen te leiden, en behulpzaam te zijn. U kunt uw fiets gewoon opvouwen in een hoekje zetten, ziet u? Dan kan die jongen ervoor en dan kan er zelfs nog iemand zitten!!“ roept hij verontwaardigd.
„Ik probéér juist mee te denken,“ zeg ik. Ik begrijp nog steeds niet waar hij zich druk om maakt. Wat bedoelt hij? Wat bezielt die man? Hij ratelt nog een poosje door, zonder te stoppen. Dan zegt hij : „Maar kunt u zich ook in mij verplaatsen??“ Fel geef ik antwoord. „Ja! Natuurlijk!” roep ik welwillend. “Het is ook hartstikke druk!“ Hij knikt, kennelijk is hij gerustgesteld en loopt weg.

Ik ben in de war. Ik begrijp zijn uitval nog steeds niet helemaal. Als hij opnieuw langs me heen loopt voel ik me ongemakkelijk en gespannen. Ik kijk gauw uit het raam. Nee, denk ik dan, niet wegkijken. Gewoon rustig naar hem blijven kijken, vanuit je eigen hoek. Ik sta naast mijn fiets tegen de wand geleund en zie hoe hij na de laatste controles om de hoek verdwijnt, het hokje van de conducteur in. Zou hij nog terugkomen? Misschien kan ik het hem nog vragen.

Ineens komt hij weer tevoorschijn. Hij loopt recht naar me toe. Zijn bruine ogen staan helder in zijn bruin getinte huid. „Soms moet je je kwetsbaar opstellen,“ zegt hij en hij recht zijn rug. „Mevrouw, ik heb u onterecht toegesnauwd. Dat was niet juist. Ik kom terug omdat ik vanavond niet met een rotgevoel naar bed wil gaan, en voor u wens ik dat ook niet. Ik wil mijn karma graag schoon houden.“ Ontroerd kijk ik hem aan en pak zijn schouders beet. „Wat mooi!!“ roep ik. „O vind je het mooi? Nou dat is fijn.” Hij knikt en neemt wat meer afstand.  Ik ontspan en luister. “Weet je, je neemt soms dingen mee die eerder die dag zijn gebeurt. Ik had in de vorige trein gedoe met een meisje.“ Hij is even stil en kijkt naar de deuren, die nu dicht zijn. Het polderlandschap raast voorbij door de kleine raampjes. „Ze wilde eruit, met haar fiets. Maar ik was al aan het vertrekken. Ik spreidde mijn armen uit, om haar tegen te houden. Ze keek me kwaad aan. „Rustig!!“ snauwde ze. Nee, JIJ rustig! zei ik, ik ben bezig te vertrekken en ik wil niet dat je met je gezicht op de stenen belandt, tot bloedens toe kapot geschaafd.“
Ik luister geconcentreerd. Ja, ik weet dat treinpersoneel veel meemaakt, en dat er ook regelmatig ongelukken gebeuren. Zoiets blijft voor altijd op je netvlies staan. Toen ik jonger was deed ik ook dwaze dingen. Ik ben een keer zomaar het spoor over gerend om de trein te halen. De conducteur was laaiend. Ik mocht niet mee en iedereen keek naar me. Ik ging door de grond. Gelukkig ben ik nu wijzer. En ik begrijp hem goed. Zo’n meisje dat per se naar buiten wil en nergens rekening mee houdt, dat geeft stress.
„Ik ben een sociale man,“ gaat hij verder „Ik houd ervan om met al die verschillende mensen om te gaan, en we krijgen een uitgebreide opleiding van de NS, hoe dat te doen. We hebben huisregels, waar mensen zich aan dienen te houden. Maar ik houd er niet van om als een zure politie agent rond te lopen. Als het geen kwaad kan, dan zie ik het door de vingers. Het is veel beter om de sfeer goed te houden. Dat is het belangrijkste. Maar  als mensen geen rekening met elkaar houden, dan zeg ik daar wat van.

„Maar wat deed ik nou eigenlijk verkeerd met mijn vouwfiets?“ vraag ik. Hij kijkt me aan alsof hij wakker wordt. „Oh, je hoort hem op het perron in te klappen, en daar ook weer uit te klappen.“ Ik begrijp het meteen. Het balkon van de trein is niet groot. Als er veel mensen zijn, kan dat gedoe met in en uitklappen ergernis opleveren. „Ik zal er in het vervolg aan denken,“ beloof ik hem en ik meen het. Vaak helpen mensen mee als ik hem opvouw, maar de vorige keer, toen ik aan het hannesen was op een druk balkon, werd er iemand boos. Nu besef ik dat die vrouw in principe gelijk had. Hij knik nog eens. „Zo hoort het eigenlijk. Maar het is geen wet van Meden en Perzen. Ik zag ook wel dat u zoekende was, wat u moest doen. Het was niet terecht wat ik zei. Hoe vaak gaat u met de trein?“ vraagt hij „Oh, heel af en toe,“ zeg ik. Hij knikt, alsof hij dat al dacht. Hij grijpt in zijn heuptas, en pakt er een bonnetje uit. „Dit wil ik je geven,“ zegt hij „Mag ik -je- zeggen?“ Ik knik van ja, en neem de tegoedbon van hem aan. “Een consumptie ter waarde van 2,50,“ staat er op. Het is dezelfde die mensen krijgen bij code rood en blaadjes op het spoor, wanneer ze urenlang moeten wachten.
De trein stopt en de deuren gaan open. Er staat een vrouw met een kinderwagen. Opgewekt helpt hij haar tillen, informeert naar het kind en maakt grapjes over de zijne. Gemoedelijk blijft hij staan praten. Na een poosje vertraagt de trein opnieuw zijn snelheid. We naderen station Zwolle. De jongen met de zwarte fiets is er allang uit. „Ik moet hier overstappen naar het volgende treinstel, dus ik zie je niet meer,“ zegt hij. „Ik wens je nog een goede reis!“ Breed glimlachend stapt hij de deur uit.
„Hoe heet je?“ vraag ik hem gauw „Hamas,“ zegt hij „Hamas uit Den Haag!“ Ik knoop het in mijn oren. Op het laatste nippertje geef ik hem de high five. Dan draait hij zich om.

Als ik een poosje later uitstap in Heerenveen staat hij verderop in een openstaande deur naar me te kijken, vanuit het andere treinstel. Hij zwaait enthousiast, wanneer hij me ziet. Ik zwaai terug. Hoe snel kan je van iemand gaan houden. Ongelooflijk.

Thuis zoek ik de naam op. Hamas is een Marokkaanse jongensnaam en het betekent: Geestdrift, of verrukking. Ja, pit had deze man zeker!

.

Aan de rand van Nederland (Deel 2)

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min

Dit is deel twee van een tocht aan de rand van Nederland

De regen loopt in straaltjes van mijn gezicht. Ik loop door de Kennemerduinen, op weg naar Zappa, een trouwe blogvolger. Het is veel verder dan ik dacht, maar dat geeft niet. Ik houd ervan, dat dingen niet altijd zijn, zoals ik het bedacht had. Als de dagen te lang voortgaan volgens dezelfde routine, dan zoek ik het op, de dwaaltocht, het avontuur, het niet-weten. Het levert dikwijls een goed verhaal op en het maakt me levenslustig en opgewekt.  Zelfs al verdwaal ik. Ik heb het er allemaal voor over.
Ik heb al meer dan twee uur gelopen, door de duinen.

Ik heb een klein dwarspaadje genomen en nu ben ik de weg kwijt. Onder de grijze hemel groeit een dichte vegetatie van kale duindoornstruiken. De regen waait in dichte kleine druppels op mijn natte pak. Soms loop ik tussen de dennen en berkebosjes door, even uit de wind. Waar is het grote pad? Waar is het strand? Ik loop de bocht om en zie een wandelaar. Hij kijkt me stralend aan, blij nog een dappere ziel te ontmoeten. „Hoe kom ik bij de Zeeweg?“ vraag ik hem. Hij wijst. „Die kant op. De wind is Zuid West-“ en hij kijkt me even scherp aan en wijst nog een keer. „Dus dáár is het westen, daar is de zee! Als je de blauwe route paaltjes weer ziet, volg die dan.“ Ik groet hem en loop in de aangewezen richting. En dan is daar eindelijk weer een bord. „Parnassastrand,“ met een pijl en een blauw paaltje. Het is nog 3,5 kilometer. En dan moet ik nog naar Zandvoort. Misschien moet ik maar even bellen. Als ik al te lang rond blijf dolen, komt er immers niks meer van een ontmoeting.

Ik pak de telefoon uit mijn natte zak. Om mijn jas heb ik een regencape. Het is een goedkoop ding en hij was meteen al doorweekt. De jas eronder is ook drijfnat, net als mijn telefoon. Op het verlichte scherm komen meteen druppels, maar hij doet het nog. Even later hoor ik een mannenstem zeggen:“Ik kom je ophalen! Op de fiets gaat een stuk sneller!“

Ik ben blij als ik mijn stijve been op de grond kan zetten. Minutenlang balanceren op zo’n klein rekje is niet lekker. Liever stá ik op een bagagedrager, maar met tegenwind is dat niet handig. We zijn bij een flat. Ik had niet gedacht dat hij in een stapelhuis woonde, die Zappa.

Eenmaal binnen gaat er een wereld voor me open. Alles hangt vol met kunst, de muren, maar ook de ruimte, kleurige cirkels hangen als platte planeten aan draadjes en ergens daartussen zie ik twee stoelen staan. Genietend ga ik zitten, Zappa biedt me koffie aan en wijst uit het raam. Een uitgestrekt gebied van duinen eindigt in donkere vierkante schaduwen. „Zie je die blokkendozen aan de horizon?“ vraagt hij „Dat is het racecircuit van Prins Bernard. De neef.“ Ik kijk en zie wat hij bedoelt. „Dat moet een racecircuit worden met internationale bekendheid. Ze mogen nu 20 dagen per jaar open zijn, maar straks mogen ze wel 320 dagen open zijn. Je wil niet weten wat een herrie dat geeft.“ Zijn blauwe ogen kijken bezorgd. „Maar ik blijf hier wel wonen. Je vind niet snel zoveel ruimte. Ik heb het nodig voor mijn kunst.“ Ik knik en kijk nog eens. Het is eigenlijk best dichtbij. Ongelooflijk, dat dat kan, in zo’n natuurgebied!
Hij vertelt verder. „Er moet een speciaal station komen, voor de racebaan, met treinen die om de vijf minuten gaan rijden. Kun je nagaan! Dat gaat dan door die kleine kustplaatsjes, waar dan de halve dag de spoorbomen dicht zijn. Allemaal voor de portemonnee van de prins. Het circuit zal worden verhuurd aan racers van allerlei slag, die komen van heinde en verre. De koffietentjes aan het strand kunnen wel opdoeken. Want straks moeten al die nieuwe toeristen koffiedrinken bij het circuit. Het slokt alle andere bedrijvigheid op. En de gemeente werkt eraan mee!“
Verbaasd luister ik naar hem. „En dan is er ook nog dat jaarlijkse circuit? Waarover nu zoveel gedoe is?“ Hij antwoord bevestigend. „Dat moet een enorm evenement worden. Ze willen over het strand naar Noordwijk kunnen rijden. Dwars door een natuurgebied, in het broedseizoen. Dwars door de rustplek van de zeehonden. Omwonenden, natuurliefhebbers, en organisaties, ze zijn verbijsterd. Noordwijk heeft al toegezegd en Zandvoort nu ook. Maar alleen na zessen, als het strand leeg is…

Ik neem een slok van mijn koffie, voor hij koud wordt. Er gebeuren rare dingen in Nederland. Ik had me nooit kunnen voorstellen, dat zoiets zou gebeuren. „Houd me op de hoogte,“ zeg ik „Ik ben heel benieuwd hoe dit afloopt.“ Hij knikt. „Dat zal ik doen. En wil je nu zien wat ik vond deze week? Een prachtige strandvondst, tijdens het jutten.“ Nieuwsgierig loop ik hem na.

Zo inspireren wij elkaar, nieuwsgierige ontdekkers, creatieve betrokkenen, als een familie van levendige vrijheidsstrijders, die opstaan voor alles wat leeft, ter land, ter zee, en in de lucht. Er staat ons nog een hoop te doen!

.

PS1

Ik heb nu een goeie waterdichte jas gekocht. En de Goretex schoenen die ik in Leiden kocht, zijn geweldig. Laat het maar regenen. Voor nog grotere nood heb ik straks ook een visserscape, maat XL, waar ik ook een tentje van kan maken.

PS2

Dit verhaal lijkt sprekend op wat ik deze zomer in Zwarte Haan tegen kwam. Evenementen en toerisme gaat vóór het welbevinden van bewoners, die ook geen enkele inspraak meer hebben. Economie gaat vóór cultuur, die voortkomt uit de mensen zelf. Als je ook van zulke verhalen hebt, dan hoor ik het graag.

PS 3

Wie gaat er begin mei mee wandelen over het strand? Nadere inlichtingen volgen.

.

Cape waar je een tentje van kan maken.

Schoonheid uit een netje

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

.

Dick is er. We staan klaar om naar een concert te gaan, met tangomuziek en hebben ons mooi aangekleed. Ik heb mijn strakke rode vestje aan, en Dick zijn roze blouse. Als je elkaar niet zo vaak meer ziet is het extra leuk om er op uit te gaan en er iets bijzonders van te maken. “Nu mijn pruik nog op,” zeg ik tegen Dick. Ik pruts wat met de kammetjes en het gespje en dan zit de pruik stevig vast, zo goed, dat ik er zelfs radslag mee kan doen. De blonde krullen vallen weelderig over mijn schouder. Met een verleidelijke lach kijk ik naar hem. Hij begint helemaal te stralen. “Oh, wat ben je nu mooi!”
“Misschien moet ik nog iets aan mijn gezicht doen,” zeg ik nog. “Ach nee joh,” antwoordt mijn vriend “Met zulk haar maakt het toch niet uit wat eronder zit.” Zo makkelijk is het dus om een schoonheid te zijn, gewoon een pruik opzetten. (Zonder vindt hij me trouwens ook leuk)

De uitvoering is in een klein charmant kerkje aan de andere kant van Heerenveen. Als ik binnenkom, staat er een mooi geklede dame bij de ingang. Dat moet Sieta Keizer zujn, de zangeres. Ze kijkt me blij aan en groet me allerhartelijkst. “Je bent de mooiste, met dat haar,” fluistert mijn vriend “Dat kan eigenlijk niet, dat moet de zangeres zijn!” Verder komen er bijna alleen maar grijze hoofden binnen. Het publiek is duidelijk 55 plus.
De zangeres is van mijn leeftijd en zingt Friese tangoliederen. Ze heeft een warme stem, die vooral in de uithalen omfloerst klinkt, zoals het past bij een tango. Kay Sleking, de gitarist speelt soepel en subtiel. En wanneer de twee een paar ritmische tango’s spelen, worden we uitgenodigd om te gaan dansen. Dick en ik zijn de enigen die opstaan. We lopen naar achteren, tussen de houten kerkbanken door, en daar, onder het orgel, is ruimte. Ik doe mijn bergschoenen uit en ook mijn beenwarmers. Op sokken schuiven we over de stenen vloer, volledig conconcentreerd. Ik zie de blikken niet van de mensen in de banken en ook niet die van de muzikanten.

Aan het einde van het optreden krijgen de muzikanten bloemen, en wij worden tot mijn verrassing bedankt. Dan stroomt het kerkje langzaam leeg en wij trekken we onze kousen en schoenen weer aan en pakken onze jassen.
Net wanneer ik mijn arm in de mouw wil steken komt er een man van in de zeventig naar me toe, met dun grijs haar. “Heb je een stukje in je haar? Het is zo weelderig!” Ik grijns ondeugend. “Zal ik het laten zien?” vraag ik en de man knikt nieuwsgierig. Met een breed gebaar trek ik in één ruk de pruik van mijn hoofd.
De man lacht, dit had hij niet gedacht. “Het was zo mooi, hoe het over je schouder viel, toen je danste!” zegt hij, het maakt hem kennelijk niks uit dat het niet echt was.
In het gangpad tussen de banken staat de zangeres met een bezoekster. De zangeres wijst naar ons met een knikje en de vrouw kijkt onthutst achterom. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Dick. We lopen naar de muzikanten om ze te bedanken. Ik heb de pruik nog in mijn hand en de blonde zangeres kijkt bewonderend naar de massa krullen. “Hadden we maar zulk haar,” zegt ze verlangend.

Zonder pruik zie ik er weer heel gewoontjes uit. Ik vraag me af, zou ik dat echt willen, zulk haar? Vroeger had ik ook lang haar, geen krullen zoals de pruik, maar wel heel lang en dik, tot over mijn staartbotje. Als ik het los had hangen of een mooi kapsel had, keken mensen ernaar, en spraken erover hoe prachtig het was. Soms leek het wel of ik alleen maar uit haar bestond en niemand mij in het gezicht keek, naar wie ik was. Dat was een reden om het vaak in een staart of vlecht te dragen.
Nee, ik zou niet altijd maar mooi willen zijn. Weelderige vrouwen zien er misschien uit als een prinses, maar kunnen heel eenzaam zijn.

Als we thuis komen haal ik de pruik weer uit de doos, van mijn bagagedrager. Ik prop de krullen tot een balletje en stop het weer in het netje. Als ik weer de show wil stelen, dan ligt  hij klaar. Misschien doe ik dan mijn lange rok aan van rood fluweel, om echt te gaan zwieren en zwaaien. Heerlijk, die schoonheid in een netje, kant en klaar van de plank.

.

.

 

Bij mijn pa

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

Annemarie en ik staan in de garderobe van de Jeruzalemkerk in Emmeloord. We wachten op mijn vader, hij zal zo komen. Mijn pa is al negentig en omdat ik al vele jaren niet meer met hem ben mee geweest, wil ik hem graag een plezier doen. “O ga je naar de kerk? Ik ga met je mee,” zei mijn buurvrouw resoluut, dus nu staan we hier, tussen de jassen. Het duurt lang, hij zou er tien voor negen zijn, maar het is al 8.56 en ik zie hem nog steeds niet. Gelukkig heb ik mijn telefoon mee en kan ik hem bellen. “Pa, waar blijf je?” vraag ik en aan de andere kant is het even stil, mijn punctuele pa zijn adem stokt even voor hij uitbrengt: “Ohhh, vergeten! Ik kom er meteen aan!”
Ik sta voor de kerkdeur en kijk de brede stenen trap af, de parkeerplaats over, naar de bomen langs de Schokkerwal, waar ik geboren ben, maar ik zie zijn auto nog niet. Hij zal toch niet uitgegleden zijn in de stress, vraag ik me af, maar precies op dat moment zie ik zijn kleine gestalte opdagen. Hij is niet met de auto. Natuurlijk niet, hij is met de fiets! Keihard scheurt mijn negentigjarige pa de bocht om en stalt zijn oude trouwe rijwiel naast de kerk. Hijgend komt hij aanlopen: “Ik had me vergist, normaal gesproken begint de kerk altijd om half tien, wat goed dat je belde!”

Ik hou van zingen. Ik zing graag, altijd en overal, het liefst met een tweede stem. Dus ik geniet van het uurtje in de kerkbank, en er is zelfs een lied bij met meerdere stemmen. De vrouw achter de kansel praat over leven dat altijd terugkeert, zelfs na de donkerste duisternis en er worden drie doden herdacht, die deze week zijn heengegaan. Mooi is dat, denk ik bij mezelf, dat je in de kerk met elkaar aan mensen denkt, en aan hun nabestaanden. Dat missen we, in een samenleving zonder geloof.

Even later zitten we in de kamer van mijn ouderlijk huis koffie te drinken. Mijn pa praat levendig en heeft hele verhalen. Wat een verschil met vroeger. Toen mijn moeder nog leefde was hij nogal zwijgzaam. Haar dood heeft veel bij hem gedaan en hij belt me nu regelmatig om te vragen hoe het gaat. Nu zit ik op onze oude leren bank, die er al decennia staat, en ik kijk naar de beeldjes en stukken hout, die mijn moeder ooit op een rij heeft gezet op de vensterbank. Annemarie vraagt naar zijn leven, zijn tijd op de HBS en hoe het ging in de oorlog met dat grote gezin. Ze vraagt honderduit. Ik heb ook vragen maar blijf stil en luister. Er komen nog genoeg dagen voor vragen.
Dan begint hij opeens over dat dramatische moment, dat hij op negenjarige leeftijd zijn vader verloor, en ik hoor het tot in de details. Terwijl hij naar school liep, werd de vrachtwagen aangereden door een dieseltrein, die zijn vader vanuit de mist verrastte. Er waren nog veel onbewaakte spoorwegovergangen in 1939, en dit was er eentje van. Het was een drama. Zijn moeder bleef achter met twaalf kinderen en zijn oudste broer van negentien nam het werk als molenaar over.

Ik hou mijn adem in terwijl hij dit vertelt, en ik kijk naar zijn handen, die elk woord met gebaren ondersteunen. Zijn ogen staan helder en ik merk geen enkele aarzeling in zijn stem. We praten nog lang door. “Willen jullie nog een kopje koffie?” vraagt hij opgewekt en na onze bevestiging komt hij terug met drie gevulde koppen en een schaaltje pepernoten. Wat lief, denk ik, en ik pak er een paar, alleen al om hem een plezier te doen.

Mijn pa kijkt op de klok. “O is het al zo laat? Dan moet ik jullie wegsturen. Ik moet nog naar de verjaardag van mijn jongste zus in Lunteren!” Ik vraag hoe oud ze wordt, mijn tante Miek. “Tachtig,” antwoordt hij. “Dat is nog jong,” zeg ik tegen de rug van mijn pa, terwijl hij de kopjes terugbrengt naar de keuken. Annemarie grinnikt.
Even later rijden we terug naar Friesland. Het is vlakbij en voor ik het weet, parkeert mijn buurvrouw haar auto in op de bekende oprit. Ik ga naar binnen en steek de kachel aan in mijn afgekoelde huisje, terwijl de lage winterzon net precies het hoekje van het huis om kijkt. Ik ben blij dat ik hier ben beland, op deze plek, bij zo’n toffe buurvrouw met wie ik mijn oude kwieke pa kan bezoeken. Nu is hij er nog en je weet maar nooit hoelang het duurt. Maar ik denk dat hij wel honderd wordt.

.