Omdat ik besta

.

Aarde, maan en het bestaan

.

Precies op mijn verjaardag komen ze binnen. Vijf hoogstambomen en acht struiken bessenhulst. Ik ga ze planten. Want ik besta. Ik neem en ik geef. Een cadeautje voor de aarde is het, op mijn geboortedag. Eigenlijk kan ik het best elk jaar doen. Nu ben ik hier, dan weer daar. Het kan overal.

Een paar dagen later staan de bomen parmantig rechtop, verspreid over het terrein. De struiken gaan vandaag de grond in. We moeten er ruimte voor maken, kappen, hakken en graven. We maken ons klaar voor een flinke klus.
„Hé Dick, de stroom ligt er uit.“ Ik sta bij de werkbank, die ik achter mijn wagen heb gebouwd, samen met een flinke berging, waarin veel van mijn gereedschap ligt. Ik heb net een spade geslepen. De schep ligt nu in het nog half bevroren gras. Trots kijk ik naar de glimmende rand. Haarscherp fonkelt hij in de zon, scherp genoeg om dikke stronken uit de stijve zwarte grond te hakken. Een rij donkergroene struiken staan glimmend te wachten. Die moeten er straks in.
De elektrische kettingzaag hangt in mijn hand. Maar hij doet niks meer. Ik kijk naar Dick, die aan komt lopen. „Misschien was hij vastgeroest en liep hij warm,“ opper ik „ik heb WD40 bij de ketting gespoten, nou loopt hij soepeler.”
„Doet de slijpmachine het ook niet?”
„Nee,” antwoord ik. „De prik is er af.”
„Waar is de stroomkast?” vraagt Dick. Ik wijs.
Samen lopen we naar het kleine grijze kastje, aan het einde van de rij coniferen. Het deurtje staat half open, maar we worden geen wijs uit de rij gele, blauwe en groene knopjes en schuifjes. „Ach, ik bel Ton wel en dan neem nu de snoeizaag,” zeg ik onverschillig.
Even later sta ik bij een dikke conifeer. Ik kap wat kleine takjes weg en zet de vlijmscherpe zaag in de stam. Mijn arm maakt een lange beweging heen en weer. Bij het trekken zet ik kracht. Ik geniet van het ritme. Binnen de kortste tijd ligt de boom om. „Die stroom heb je helemaal niet nodig!“ grijnst mijn vriend.

We werken hard. We hakken de stronken weg met scherp geslepen spades. Grote kuilen van zwarte grond blijven over. Nu de compostaarde. Bij het veldje van de dieren ligt een grote berg, die dagelijks groeit. We halen er heel wat volle kruiwagens weg. Ik zet één van de struiken in een gat. Rond en onder de wortels stop ik fijn materiaal uit de kruiwagen, kleine takjes, losse grond en verrotte blaadjes. Fijn voor de struik, dan kan hij haarwortels maken. Er bovenop maak ik een dikke laag van rot blad. Er zit paarde- en ezelmest doorheen.

Het gaat veel sneller dan gedacht. We zijn bijna klaar als Ton de stroom komt aanzetten. De rij coniferen is nu onderbroken door hulst. Ze zijn net boven de knie, maar zullen groeien. Vogels vliegen nieuwsgierig door de ontstane gaten en pikken in de smeuïge bedjes compost. Op het veld ligt een berg gesneuvelde coniferen. „Sorry coniferen,“ mompel ik verontschuldigend. Tenslotte heeft alles recht om te bestaan. Ook coniferen. Maar deze mochten niet. Zoals veel zaken in het leven moesten ze wijken voor de menselijke wil.

Ik wil zorgvuldig zijn. Ik luister en kijk. Hier en daar grijp ik in, haal iets weg of voeg iets toe. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Het gaat niet om mij, gelukkig niet. Het gaat om iets anders, groter dan ik kan overzien. Ik help een handje bij het groeien. Heerlijk vind ik dat. Wat het ook mag worden.

.

INFORMATIE, over de bomen en hoe ze het deden.

Ik was op minicamping de Ontginner in Haghorst, zandgrond in Brabant, met zeer wisselende waterstanden. ‘s Winters nat, zomers droog. Hier heb ik twee soorten kersenbomen geplant. De eerste is “Prunus Bigarrea Napoleon”

Een kleine gele kers, zelfbestuivend, weinig gevoelig voor ziektes. Twee van de drie gingen dood. De eerste stond midden in  keiharde platgereden grond, waar elke winter een enorme plas staat. Ik heb een grote kuil gegraven, humusrijke grond toegevoegd, de grond rond de boom iets opgehoogd, maar dat heeft allemaal geen zin gehad. Hij ging dood. Ik heb mijn broer gevraagd hoe het bij hem ging, hij is boer in Denemarken en heeft 2000 kersen geplant. Ook bij hem zijn alle bomen die te nat stonden dood gegaan. Op zo’n natte plek wil een prunus het kennelijk niet doen en de volgende keer zal ik op zo’n locatie geen kers planten, zelfs niet als iemand er om vraagt. Tenzij iemand komt met een uitzonderlijk soort, die er tegen kan.
De tweede stond pal naast een muurtje, waar veel mieren hun nesten hadden onder de stenen. Omdat er naast het muurtje gereden moest kunnen worden met de trekker en om woonwagens te slepen, werd hij er strak naast geplant en kreeg weinig ruimte. De boom deed het eerst heel erg goed, maar ging plotseling dood. Mierennesten hebben de wortels blootgelegd met tal van gangen. Ik heb dat vaker gezien. Dus geen boom planten pal naast een muurtje met mieren eronder.
De derde staat midden op het veld, op een plek die minder nat is, maar nog steeds met een behoorlijke compactie van de bodem. Hij leeft nog, maar groeit na anderhalf jaar nog steeds niet verder.

De tweede kers heet “Prunus a Kordia”.

Pluktijd half juli. Een grote hartvormige vrucht, diep donkerrood met een goede smaak. Lange vruchtsteel. Zelfbestuivend.
De twee bomen groeien ontzettend goed. Ze hebben allebei een betere plek gekregen dan de andere drie, daarom is moeilijk uit te maken of het veel sterkere groeiers zijn, of dat het komt door omstandigheden. De één staat mooi hoog, op losse bossige grond, naast een tegelplaatsje, met een diverse ondergroei. De tweede staat bij de ingang. In de winter kan ook daar veel water staan, maar toch heeft deze kers daar totaal geen last van gehad. Misschien stond hij net in een beter stukje, of kan deze boom toevallig wèl tegen wat nattere grond.
Wie hier ervaring mee heeft, vertel het!

 

 

Het groeit uit het papier

Blogtek KrachtvandePen kl frm

.

De wind giert langs de schoorsteen, terwijl ik mijn pen op het papier zet. Harde windvlagen schudden de wagen zachtjes heen en weer, al dagen lang. Toch schrijf ik door met vaste hand, staande achter mijn lessenaar, letter voor letter. Ik schrijf een boek met echte inkt, bijna als een monnik. Langzaam volgt mijn hand de woorden die zich al lijken te vormen vóór ik er ben. Alsof ze langzaam uit het papier groeien, wazig nog, tot de zwarte inkt de opkomende regels bevestigt. Het regelmatige handschrift is sierlijk, maar even leesbaar als een drukletter. Ik ben één en al pen en heb mijn tong tussen de tanden.
Het boek dat straks gedrukt wordt, heet „Drakenlief,“ de koosnaam van Agremone. Ik ben nu bij hoofdstuk twee. Ze is op een plek gekomen waar geen bloemen zijn en maakt een weelderige tuin. Mensen komen en zien het. Ze willen mèèr, nog meer bloemen! En wanneer liefdevolle handen haar werk voortzetten, weet ze dat het tijd is. Het is moeilijk om afscheid te nemen. Toch, haar taak is gedaan en ze moet gaan. Want Agremone is een pionier, een vrouw die leven brengt op plekken waar niets of weinig is.

Als ik de laatste woorden heb opgeschreven staar ik voor me uit. Zou het hier nèt zo gaan als
in dit sprookje? In mijn verbeelding zie ik de camping als een groeiende oase, maar er moeten wèl handen voor zijn. Ja, er zijn mensen gekomen. An en buurman Jan kunnen het samen goed vinden. An is kruidenvrouw en Jan is handig als tuinman. En Nicole is er in de weekends. Zal het echt doorgaan als ik straks weg ben?

Ach, komt zoals het komt, besluit ik en ik kijk naar de waterpot. Ik heb dorst maar er zit geen druppel meer in.

Ik loop over het grasveld naar het wasgebouw met twee waterpotten in mijn armen. Buurman Jan dweilt de vloer en ziet me aankomen. Hij gaat rechtop staan en lacht me breed tegemoet.
„Ik ga de vorige plek van jouw wagen helemaal inzaaien met bloemen.“ zegt hij. „Het lijkt me zo mooi! Voorlopig staat daar toch niks… Dan wordt het een prachtplek, met jouw oude tuin er ook nog naast!“

Ik vul mijn potten terwijl buurman Jan verder uitweidt over zijn plannen. Even later loop ik voorzichtig, met gevulde potten terug naar mijn woonwagen. Ik glim. Misschien word ik straks uitgezwaaid door een heel stel handen, zwart van aarde, met overal bloemen. Net als in het verhaal. Maar… eerst de wagen afbouwen!

Wie het boek “Drakenlief” wil hebben kan nu al reageren, dan zet ik je op de bestellijst. Je kan ook nog even wachten. Ik laat het eerste proefdruk zien als het er is, met de prijs erbij. In het boek komt niet meer tekst, maar wel wat aanpassingen en meer illustraties dan in het verhaal op internet.
Mail naar: tt.alowieke@gmail.com.

Dit is de link naar het verhaal op internet…..https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

 

Ver weg in Idaho

.

Blogtek Idaho kl fr

Terwijl ik aan het raamkozijn werk, komt er een jongen aan die gek is op het land van Idaho. Er volgt een gesprek. Onderaan zie je de foto’s van waar ik op dat moment aan werkte.

.

Een grote brede vent sjouwt met stoeptegels. Hij is al een paar dagen bezig. Hij doet zwaar en voorbereidend werk voor An, een vrouw die hier komt wonen. Onder het zeil verstopt ligt een stapel materialen voor de prachtige yurt. Ernaast is hij bezig. Hij tilt de tegels uit de kruiwagen en legt ze neer op het weiland. Ik zie het vanuit de verte en loop erheen. “Lukt het met egaliseren, Marco?” roep ik. “Ja hoor,” zegt hij opgewekt, de dieren hebben het hier goed platgetrapt. Gelukkig maar, want met die harde grond kun je het zand niet schuiven.” Ik knik bevestigend en kijk naar de balkjes die hij gezaagd heeft. “Mooi recht hout”, merk ik op. “Veel hout trekt krom, met dit vochtige weer. Ik heb een paar balkjes waar ik niks mee kan.”
“Heb jij hier ook een project dan?”
“Ja, ik bouw een kleine woonwagen. Verderop, onder dat transparante zeil.” Hij lacht. “Gaaf zeg, en ga je ermee trekken?”
“Zou kunnen. Maar eerst wil ik onderzoek doen, vooral naar muildieren. Daarna pas beslis ik.”
“Muildieren…. die hebben ze veel in Amerika.”
“Kom je daar wel eens dan?”
“Elk jaar wel een paar maanden, ik ga naar Idaho, al vijfentwintig jaar.”
“Dan ben je er vast helemaal mee vergroeid…. Maar dat land is toch heel plat, droog en kaal,” vraag ik.
“Nee, er zijn bergen van meer dan 3000 meter, net als in de Alpen.”
“En dan niet beplant met sparren voor houtkap, zoals in Zwitserland zeker…”
“Nee, daar is alles nog wild.”
“Is er ook water?”
“Ja, bergen, rivieren en steppen. En prachtige rode aarde. Alles is er. Ik hou veel van dat land..” Marco is even stil voor hij verder gaat. “Er is een gebied ter grootte van Nederland, waar je niks op de motor mag doen. Boswachters moeten er zagen met een trekzaag. Daar trokken wij rond. We kwamen een groep mensen tegen, die rondtrokken met muildieren. Het waren er zoveel!” Hij lacht bij de herinnering. “We hebben een biertje bij ze gedronken. Muildieren zijn heel rustig, weet ik nu. Ze rennen niet weg voor iets, zoals paarden. Ze willen ook alleen maar langzaam lopen.”
“Ja,” antwoord ik opgewekt, “ik heb al veel over ze gehoord. Jammer dat er hier maar zo weinig van zijn. Ik zou de dieren graag leren kennen en de mensen die bij ze horen.”
“Ga je ervoor naar Amerika dan?” vraagt Marco nieuwsgierig.
“Wie weet. Ik ben in elk geval blij met je verhaal. Dank je wel!”
“Succes met je wagen. Ik kom zo even kijken.”
“Okee!” lach ik.
Ik loop terug over het bedauwde gras, op mijn blauwe klompen.

.

.

HET RAAMKOZIJN

.

Waar keek Marco naar toen hij kwam kijken bij mijn nieuwe wagen? Op dat moment was ik de kozijnverbinding aan het maken. De gaten boorde ik met een verzinkboortje.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 001

.

Om het gat aan de andere kan precies op de goede plek te krijgen, wilde ik graag een afdruk maken. Ik bedacht me dat ik het verzinkboortje opnieuw kon gebruiken. Je kan het boortje er ook uithalen, met een imbussleuteltje. Ik heb dat gedaan en het andersom in het gat gestopt. Nu kon ik het kozijn er tegen aan drukken en komt er de afdruk van een klein cirkeltje in het hout.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 004

.

Eruit halen was even lastig. Met een griptang wilde niet. De oplossing bleek simpel. Boortje in het gat stoppen en zijwaarts kracht zetten, alsof je hem scheef probeert te duwen en tegelijkertijd trekken. Hoppekee daar komt hij al.

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 005

.

Dat is genieten, beide gaten precies op de juiste plaats!

.

bouwen kozijnverbinding kl fr 006

.

 

Vrijkaartje voor de Aarde

Vrijkaartje Aarde

.

Het is half acht. Na een warme dag begint het af te koelen. Een lichte bries waait mijn wagen in. Ik zit op de bank en luister.  Mijn favoriete radioprogramma heet “Passaggio” op radio4. Het is al een tijdje bezig. De laatste tonen sterven weg, van een rustig, melancholiek stuk. Verder is het enige geluid dat van twee vinken, buiten. Ze zingen hun riedel, als een vraag en antwoordspel. Twee vliegen zigzaggen om me heen om dan zoemend te gaan seksen op het blote vel van mijn knie. Ik wuif ze weg en schuif de dunne katoen van mijn rok erover. Dan hoor ik Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij zegt dat hij vrijkaartjes heeft. Een muzikale voorstelling is het, notabene op Fort Rijnauwen! Ik ken het. Het ligt aan dezelfde rivier als waar ik vroeger woonde.
Het stuk speelt zich af in de weelderige natuur rond het fort, vertelt hij. Het gaat over het einde van de wereld. “Wie wil er vrijkaartjes winnen?” vraagt Lex. Dan moeten we vandaag of morgen een kort verhaal opsturen. “Hoe kunnen we de aarde redden?” Dat is het thema. Morgen is de uitslag. Ik aarzel geen moment en klim in de pen. Drie kwartier later heb ik geen verhaal. Wel een gedicht.

Hoe redden we de aarde. (Sterk bewerkte versie)

.
Op de dag dat alles dor was
liep op straat een liefdespaar
omarmden levenloze stad
en gingen voort, al zingend
langs het uitgestorven pad

Bomen, heuvels, dode dorpen
elke plek een eigen vers
ze  liefden elkaar met het lied
en waar ze kwamen trilde het
ging doffe starheid snel teniet

Ze zagen alles wat ze zagen
dansend langs hun wonderpad
een kind een boom een land een naam
zelfs stenen werden langzaam levend en
de oude man voor ’t raam

Aarzelend kijkt hij nu op
verrassing in zijn blauwe blik
die kinderlijk hun canon echoot
alles kan en wil weer zingen
Op deze dag gaat niemand dood

.

De volgende dag luister ik in gespannen afwachting naar de radio. Lex wacht even met het laten horen van de uitkomst. Na een kwartier komt het. De vrijkaartjes gaan naar Marijke. Zij schreef: “Mijn kleindochter heeft al gezegd dat als ik win, zij met me meegaat. Is dat niet het redden van de aarde?” Lex ziet het graag. Grootmoeder met kleindochter samen op pad. Ik eigenlijk ook wel. Maar ik heb níet gewonnen. Jammer. Het was een leuk idee. Maar vrijkaartjes kreeg ik toch. Een kaartje voor de Aarde en eentje voor een bezoek aan de Tuinen der Fantasie. Zo kom je nog eens ergens…

Klik hier voor het beluisteren van het radiopramma op NPO4

.

Inspiratiebronnen.

Het gedicht is onder andere geïnspireerd door “De Droomtijd”, een mythe over het begin van het leven op aarde. Dit is waar de Australische Aborigionals in geloofden en leefden, lang voordat de westerse mens een voet aan land deed.  Ik las er over toen ik twintig was, nu dertig jaar geleden. Het boek dat zoveel indruk op me maakte heet “Gezongen Aarde”, geschreven door reisschrijver Bruce Chatwin.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bruce_Chatwin

Ook heb ik gedacht aan het oneindige verhaal van Michaël Ende. De kracht van de fantasie werkt door al zijn boeken heen, en hoe belangrijk dat is voor een leefbare wereld.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_oneindige_verhaal

.
En dan is er Paul Biegel met  “De tuinen van Dorr.” Een sprookjesachtige vertelling over een hartelief en een stenen stad. Ik heb het vast al vijftien keer gelezen. Biegel hield van twee van zijn boeken het meest. Dit is er één van. Dat begrijp ik goed. Heerlijke taal, heerlijk verhaal.

De foto van het aboriginalkunstwerk heb ik gehaald van deze site: http://www.guidodevliegher.be

Voeten van de lente

.

.

blogtek-meisje-in-t-groen

.

 

 

 

 

 

Ik ben gegaan
langs strakke rijen bomen
en doodgeploegde aarde
elke stap die ik zet
kondigt verandering aan

Al is het maar een lichte bries
of slechts een zweem ervan
mijn adem is een dapper lied
mijn hart verlicht verlies

Achter mij, daar groeien bloemen
ik loop de bodem rijk
ik bedek de naakte aarde
en laat de bijen zoemen

Geweld op doodgeslagen grond
lang liep ik op grijze keien
zag groen ertussen, al maar meer
en zo loop ik de wereld rond

Wat wil bewegen zal nooit dood gaan
zaad blijft leven heel diep weg
de ziel van alles wat er is
blijft altijd in de kern bestaan

Ik loop ik loop steeds verder rond
heel de aarde, dicht de wond

…………….Mensenwens voor een wurm

WurmMensenwens voor een wurm

Stil onder een natte steen
bewegingloos vol leven
hoeveel kun jij ons nog vergeven
lieve wurm, ga nog niet heen

Ik weet dat ik je broer een keer
dwars door midden sneed, pardoes
een scherpe spade zonder roest
en weer en weer en weer…

We hakken en we woelen
het gaat maar door en door
ik heb er een gebedje voor
Laat het weer krioelen.

Zonder messen, zonder ploeg
geen reuzenwielen niets ontziend
zoveel meer heb jij verdiend
na al wat je verdroeg

Dit hoop ik en maar ja, ik weet
het is maar slechts een wens
van één enkel simpel mens
maar de plaat is nog niet heet

De druppel kan nog vallen
in aarde waar jij bent
lieve wurm, zo onderkend
Ik gun je duizendtallen

Wij houden van rotzooi

.

.

Ik kijk naar dat ene hoekje onder mijn wagen. Daar staat een kleine groene gasfles. Al een hele poos. Maar eigenlijk hoort hij daar niet. De fles staat te wachten onder mijn wagen, want hij is leeg. Ik besluit niet langer uit te stellen, en hem vandaag in te wisselen. Ik pak het ijzeren ding bij het handvat en met een kleine zwaai komt hij in mijn fietskarretje terecht. Ik ga op pad.
Als ik net een eindje op weg ben, zie ik een kleine oude man langs de weg. Hij is iets aan het doen met prikkeldraad, naast de sloot van het grasland. Achter hem ligt een lange zanderige oprit naar een oud boerderijtje. Zou hij nou degene zijn die daar woont? Ik kijk altijd graag naar die oude boerderij. Tussen het huis en de weg in is een mooi weitje. Er graast een paard. Een echte wei is het, vol ridderzuring, klaver, weegbree, kruipende boterbloem… Ik aarzel niet en houd stil.

“Goeiemorgen!” roep ik. De man onderbreekt meteen zijn werk, en komt op zijn gemak naar me toe lopen. „Ik ben doof,” zegt hij “Okee,” antwoord ik, “dan zal ik duidelijk praten.” Ik vraag of hij hier woont. Dat is inderdaad zo en hij steekt meteen van wal. De weiden rond het huis zijn van hem, kom ik te weten. Een kleinere voor het paard en de acht hectare ernaast verhuurt hij aan een boer aan de overkant. Die boer heeft wel honderd koeien en die moeten allemaal blijven eten. “Het gáát maar door,” zegt de oude man, “maaien, drijfmest spuiten zodat het gras in noodvaart omhoog schiet, en dan hooien. Met geweld! Er is geen bloem meer te zien. Soms ligt er wel eens wat koeienstront ergens. Maar de vogels moeten de mest van die koeien niet. Er zit niks in. Niets aan voeding. Dat is bij mijn paard wel anders. Zijn stront, die plukken ze meteen helemaal uit elkaar.”
Ik kijk naar het paardje. Hij ziet er goed uit. Hij is al vijfentwintig, hoor ik. “Ja en ikzelf ben al zeventig! Daarom heb ik een deel van de paardenwei ook aan de boer verhuurd. Ik heb geen zin meer in al dat beregenen. Nu ben ik het prikkeldraad aan het weghalen, zodat ze straks makkelijk van het land de weg op kunnen rijden. Ze gaan weer maaien.”
Hij vertelt hoe het hooien vroeger ging. Het gras was toen nog stug, lang en vol rotzooi. Dat rolde makkelijk op. Het gras van tegenwoordig is zo slap, dat kun je niet meer rollen. Nu moeten ze het inpakken. In plastic.
Ondertussen vraag ik me af wat hij bedoelt met rotzooi, tot hij verder praat. “Wij houden van rotzooi.” zegt hij. “ Het is veel beter voor de dieren.” Ik begrijp dat hij bloemen en kruiden bedoelt. Hij werpt een spijtige blik op de monotone grasvlakte en richt zich dan weer tot mij.
“Maar ach, ik heb het goed. Ik krijg mijn AOW, mijn pensioen, en het de opbrengst van de huur. En verder doen ze maar.”

Toch hij vertelt nog veel verhalen. Over de reeën die zijn verdwenen. Over de nesten van de vinken die steeds maar uit elkaar op de grond vallen. Bovendien hadden de vogels vroeger nattigheid, om hun nesten aan elkaar te plakken. Stront lag toen gewoon boven de grond. Perfect bouwmateriaal. Maar er ligt geen stront meer op de lege weides. Het is allemaal geïnjecteerde drijfmest. En hoe lang is het al geleden, dat hij kivietseieren heeft gezien? Hij kan het zich niet meer herinneren.
Toch is er iets wat blijft. Want het volgende moment hoor ik een schel gekras, dat vanachter zijn huis weg komt. “Wat is dát?” vraag ik nieuwsgierig. “O, dat is nest jonge steenuilen. Die zitten daar al járen…”

Wat zie ik

.

Wat zie ik? Voeten in het gras

 

Het is ochtend en heerlijk weer. Voor ik weer aan het werk ga maak ik eerst een wandeling, besluit ik. Ik doe een kort jurkje aan en ga naar buiten. De zon schijnt warm en een harde bries waait verkoelend langs mijn blote huid. Als ik het zandpad naast de camping op loop, stuift het droge stof tussen mijn tenen en in mijn sandalen. Ik doe ze uit en loop met mijn schoeisel in de hand verder. Even verderop kan ik op het gras lopen van het hooiland. Het is van de manege, een minuut of vijf fietsen hier vandaan. Ik zie de paarden lopen als ik naar Haghorst rijd. Hun grasland ligt pal achter de dikke rij bomen van ons terrein. Het gras ziet er gezond en stevig uit. Er wordt gelukkig nooit geploegd, alleen gemaaid en geoogst. Na het oogsten wordt er geïnjecteerd met drijfmest.

.Wat zie ik ? Gras

Nu is het gras half lang. Onder het gras zie ik lange strepen van voren in de grond. Dat is van de messen. Met die messen maken ze snedes van een centimeter of vier. Achter het mes komt gelijk de spuit met mest. De bagger loopt in de voren. Zo gaat het. Je blijft de strepen zien tot het gras te lang wordt, als littekens in de bodem. Op plekken waar minder gras is, zie ik hier en daar wormenhoopjes. Ze zien er uit als torentjes van zand. Het is ook zand. Zand in vorm van wormenpoep. Ik vind ze leuk, die torentjes. Maar als de grond nat is zie je ze beter. Deze lente waren het er ontzettend veel. Toch zie ik dat ze er nog zitten, de wormen. Ik had gehoord dat ze massaal stikken in land waar ze drijfmest injecteren. Kennelijk valt het mee. Maar bij ons op het terrein zijn het er meer.

Achter het grote grasveld ligt een akker van een boer uit de buurt. Ik heb hem alleen van afstand gezien op zijn trekker.
Vorig jaar heeft het land een tijd braak gelegen. De eerste pioniers kwamen dapper tevoorschijn. Perzikkruid, zwaluwtong, veldkers, valse kamille.. Voor de boer zaaide, heeft hij de beginnende wildernis platgespoten en omgeploegd. Ik wist wel dat het zo ging. Maar toen ik het voor het eerst zag geloofde ik mijn ogen niet. Onthutsend. Wat een dode massa, op zo’n groene stralende lentedag. (*) En dat zomaar opeens, van de ene dag op de andere leeft er niks meer. En waar is de boer? Geen mens te bekennen. Als een boer een keer zijn trekker uitstapt, moet je er als de kippen bij zijn als je hem wilt leren kennen. Voor je het weet zie je hem het hele jaar niet meer.
Ik ben aan het einde van de akker en hier buigt het pad af naar rechts. Eerst langs de uitbundig bloeiende strook van Brabants landschap. Vorig jaar was het een armzalig strookje langs de grote akker, vol trekkersporen. Verder zag je nog wat kleine boompjes die het volhielden. Dit jaar blijft de boer meer op eigen land. En óf dat scheelt!
Voor ik het bos in loop, komt er eerst een rijtje zielige eiken. Ze vormen een frontlinie langs dit pad, dat de bosrand markeert. Voor de eiken sta ik stil en werp een laatste blik op de bewuste akker. Ik kan nog steeds niet goed thuisbrengen wat er nu op groeit. Het blad lijkt op snijbiet, en er tussen staan grote velden gras van een wat robuuste soort. Het overheerst al het andere. Ik vraag me af, is dit gras nou een onkruid dat resistent is tegen het gif roundup? En wat is dat blad dan, netjes in rijtjes daartussen in? Ach…. wellicht zijn het gewoon groenbemesters, gezaaid door de boer. Zou hij straks alles weer doodspuiten? Ik blijf kijken. Elke dag opnieuw. En vragen. Want niets blijft ooit hetzelfde. Ook mensen niet.

.

Wat zie ik? Planten in het zand

Link:

Verhandeling over glycosfaat: http://www.brabantsemilieufederatie.nl/sites/www.brabantsemilieufederatie.nl/files/2%20stedelijk%20gebied/glyfosaat/121030%20samenvatting_onderzoek_greenpeace.pdf

.

 

Aardappels in een penenveld en de man met de stok

AArdappelsin Penenveld

Ik fiets richting Diessen. Als ik het bos uit kom is daar een veld aardappels. Langs de rand van het veld staan de grootsten en daar kijk ik altijd naar. In het midden van het veld loopt een man langs de rijen, met een stok. Het zwaait er wat mee heen en weer, alsof het een wiggelroede is. Hij heeft iets op zijn buik hangen. Ik kan niet zien wat het is en fiets verder, want aan het einde van het veld is iemand in de greppel bezig. Misschien weet hij het wel.
Het is een oude man, zie ik als ik dichter bij kom. De man kijkt verrast op en groet me vriendelijk. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en ik vertel hem waar ik verblijf. Dan pas geeft hij antwoord op mijn vraag. „Wat hij doet?”antwoordt hij, “Ik weet het niet. Hij was net ook al op dat andere veld bezig. Er staan penen in. Misschien is hij aan het spuiten.” Hij gaat intussen verder met zijn werk, staande op de droge bodem van de sloot. Hij gaat handig om met een klein minizeisje waarmee hij alles op buikhoogte afsnijdt. “Mooi gereedschap heeft u, “ zeg ik. “Jaja! Ik doe de hele sloot met de hand. Dat zouden zij daar ook moeten doen!” Hij wijst verontwaardigd naar de man op het veld en de kleine zeis zwaait vervaarlijk door de lucht. “Ze hebben dit jaar al vier of vijf keer gespoten. Nou nou nou, dat is toch niet normaal meer.”
Ik ben het met hem eens.
“U zegt dat het een wortelveld is.” ga ik verder “Ik dacht dat het aardappels waren.”
“Ja, dat zijn aardappels van vorig jaar. Het was een slecht jaar, en er zijn een hoop kleintjes aan de oogst ontsnapt. Die groeien nu verder.”
“Maar hoe komt het dan dat ze aan de rand het grootst zijn, en het meest?”
“Aan de bosrand groeit het altijd het slechtst. Daar blijven de meeste kleintjes over.” zegt hij.
Ik ben onthutst. Wat ik dacht te zien blijkt anders te zijn. Is het dan niet zo, dat de randen van het veld juist het vruchtbaarst zijn? Of doen aardappels het slecht bij eikenbomen vanwege het looizuur? Tegen de man zeg ik niets van mijn overwegingen.
“Maar nú doen ze het in elk geval prima!” roep ik.
De man grinnikt alsof ik een ironisch grapje maak en gaat verder met zijn werk. Ik stap weer op de fiets.
Ergens anders zie ik nog iemand bij hetzelfde veld staan. Ik stop. Op mijn vraag of hij de boer is, zegt hij “Nee.”
“Wat is die man daar aan het doen, weet u dat?” Ik wijs naar de kerel in het veld. Hij loopt nog steeds te zwaaien met zijn toverstok.
“Aardappels wegspuiten.” zegt hij. “Anders groeien de penen niet hè!” lacht hij.
Gek om dat iemand dat met zoveel zorgeloosheid te horen zeggen. Het verbaast me telkens weer. Vaak besef ik hoe weinig ik weet. Ik wil eigenlijk ook zo min mogelijk weten, zeker nu, in de lente. Ik wil zíjn, zien en ruiken. Maar hoe weinig ik ook weet, één ding weet ik wel. Dit verradelijke goedje is zéker niet onschuldig. De ouwe weet het. En vast nog veel meer boeren en burgers. Eigenlijk weten ze het dondersgoed. Durf er maar eens bij stil te staan.