Een bloeiend pad naar de uitgang

Blogtek bloeiend pad kl fr

.

„Dat je daar weg gaat, ik snap het niet. Het is zo’n mooi plekje! Ik zou helemaal gelukkig zijn als ik daar kon staan met mijn wagen.“ Buurman Jan kijkt met glimmende ogen naar de lege plek, waar zojuist nog mijn woonwagen stond. Die staat nu twintig meter verderop. Ton is net weg, met zijn jeep. De kippen krabben in de zwarte grond. Het stikt er van de wormen, die zaten lekker koel en nat onder de vloer. Daar lag karton met plastic zeil erop. Dat is nu allemaal verdwenen. Het is een fijne en vruchtbare plek geworden, rondom begroeid met tal van planten, bloemen en struikjes. Mezen, vinken, heggemussen en andere vogels vliegen af en aan.

Ik kijk Jan vrolijk aan. „Weet je?“ zeg ik „Ik maak op mijn nieuwe plek wèèr een tuin. Deze hier wordt dan de moedertuin. Er groeit zoveel tussenin wat ruimte kan gebruiken, kijk daar, het zonnige moederkruid, de sterke kruiptijm en dan die heerlijke framboos, die groeit als een raket! Hier steek ik de plantjes uit, en andere mensen kunnen dat ook doen. En rond bewoonde wagens, daar groeit het het beste. Er zijn beschutte hoekjes en er is bemesting. Het is de plek waar je bènt.”
„Wat een leuk idee!“ zegt Jan
„Jaaa! En als dit dan wat geworden is, dan schuif ik weer verder op. En maak ik dààr een tuin. Zo beweeg ik steeds verder naar de uitgang. En als ik daar ben aangeland, dàn ga ik weg.”
Jan lacht. „Geweldig! Dan krijgen we hier één lange groene strook op de camping.“
Ik grijns. „Wie weet. Wellicht gebruik ik de camping als uitvalsbasis, straks. Dan blijft mijn wagen hier voorlopig staan en kan ik dit plan rustig uitvoeren.“ Ik staar in gedachten naar de gretig gravende kippen.
Jan kijkt naar de mezen in de takken van de kersenboom, en naar de bloemen die eronder groeien. „Het is de mooiste plek van de camping geworden“ zegt hij uiteindelijk. „Dat heb je goed gedaan!“
Ik gloei.

.
Ik noem deze vorm van tuinieren „Nomadische permacultuur.“ Ik maak iets, ik heb iets en ik laat het achter op het juiste moment, wanneer ik weet dat er goed voor gezorgd wordt en anderen er blij mee zijn.

.

.

.

Na je dood de boom in

.

Alowieke 28-09-2015

.

Gebogen sta ik voor het aanrecht. Een zwarte handdoek sluit mijn hoofd af voor de buitenwereld en ik heb elk gaatje zorgvuldig dichtgevouwen. Stoom stijgt op en zet zich af in hete druppels op mijn huid. Ik adem, diep in en weer uit. Ik voel de warmte in mijn luchtpijp. Het gaat goed, ik voel het. Vastbesloten ga ik door, tot het weg is. Weren zal ik deze kou, zodat hij zich niet kan vastgezetten zoals vroeger, in diepe holtes van mijn borstkas. Ik adem. In en uit. In en uit. Na een paar minuten vind ik het welletjes. Ik droog mijn gezicht af en pak de computer om de berichten te lezen.

Iets trekt mijn aandacht. Het is een tekening van een mens in foetushouding. Hij zit in een soort cocon. Er groeit een boom uit de cocon. Wat is dit? Ik open de aplicatie en zie een stuk in het engels, “Bye bye coffin” heet het. Ik lees de tekst bij de foto. “Deze organische pot zal je veranderen in een boom, als je dood bent.” Geboeid lees ik verder. Na je dood wordt je opgevouwen in de druppelvormige pot, in dezelfde houding als voordat je geboren werd. De pot is gemaakt van recyclebaar plastic. De stoffen uit je lichaam dienen als voeding voor de boom. Je kan zelf kiezen welke boom je wilt worden. In Engeland kan het al. Ik kijk mijn ogen uit en fantaseer.

Begraafplaatsen zullen bossen zijn, met grote heilige bomen, honderden jaren oud. En als een vader met zijn zoontje er wandelt zal hij fluisteren: “Kijk jochie, dit zijn je opa en oma en álle opa’s en oma’s die daarvoor leefden.” Met grote ogen zal het kind de bomen bewonderen en de magie van leven en dood beleven. Een kind weet misschien wel meer dan een volwassene! In plaats van een onderwerp dat zorgvuldig vermeden en verzwegen wordt, zal het iets moois en wonderlijks zijn. Een plek waar je zachtjes kan fluisteren en om raad kan vragen. Of schreeuwen. Heel hard schreeuwen en zingen als het moet.
Hoe lang geleden is het, dat al die eeuwenoude bomen werden geveld. Fanatieke Christenen met verbeten trekken hakten de ene reus na de andere om. Bijgeloof moest met man en macht bestreden worden. De rest was kachelhout.
Na de Christenen kwam het geloof in het economisch groeimodel en de vrijhandel. Dit nieuwe geloof maakte af wat de Christenen over hadden gelaten. Het ene na het andere bos wordt nog steeds geveld. De mensen die het woud onderhielden, wonen nu in krotjes in buitenwijken van stoffige steden. De bodem onder hun voeten weggeslagen.
En dan nu dit bericht. Een boom worden na je dood. Terug de aarde in met je voeten, met takken
tot de hemel. Dan wil ik een tamme kastanje worden. In een heel groot woud, waar voorouders
huizen en eekhoorntjes mijn noten eten. Net als vroeger.

.
.
Castanea Sativa, de Tamme Kastanje (napjesdragersfamilie)
De Tamme Kastanje wordt 25 tot 35 meter hoog.  Ze heeft een diep wortelstelsel en barst van levenskracht. Storm, bliksem, ze overleeft alles. De stam kan een diameter bereiken van twee meter. Als de boom de ruimte heeft, kan ze een weelderige brede kruin ontwikkelen. Het is geen familie van de paardenkastanje, waarvan de noten niet eetbaar zijn. Deze zijn wèl eetbaar. Je kunt ze vermalen tot meel, poffen of koken. Het hout heeft een hoge duurzaamheidsklasse en is goed te gebruiken voor doeleinden in de buitenlucht. Maar liever laat ik de boom heel. Dan kan ze  heel oud worden, duizend jaar worden ze zéker! De oudste staat in Sicilië en is 2000 tot 4000 jaar.  Ik noem deze boom “een zij” omdat in de naam afkomstig is van de wonderschone nimph “Nea”, door Jupiter betoverd uit wraak. Ze wilde niet met hem vrijen.

Dit is vast een zusje geweest van Nea.

https://scontent-ams3-1.xx.fbcdn.net/hphotos-xfa1/t31.0-8/476442_10150855033837151_92969409_o.jpg?efg=eyJpIjoiYiJ9

LINKS

Dit is het bericht wat ik las.

Bye-Bye Coffins! Tree Pod Burial Will Turn You Into A Tree When You Die


Mooie bomen kijken, en houtige verhalen lezen. Prachtige foto’s. Ook van de Tamme Kastanje.
http://www.mypassionfortrees.nl/tammekastanje.html

Aan de overkant

.

.

EEN EEUWENOUD DILEMMA

eeuwenoud liefdesverhaal

.

.

Zo even was hun omarming nog innig. Een man en een vrouw staan stil naast elkaar. Zij is klein, taai en lenig, haar lange dikke vlecht glanst als rood goud in de zon. Zijn brede schouders hangen werkeloos neer onder zwart-grijs haar. Als bevroren staan ze te staren naar de kloof voor hun voeten, waar alle speelsheid van zojuist in verdwenen lijkt te zijn. Aan de andere kant zijn heuvels vol kamille, duizendblad, korenbloem, klaprozen en nog veel meer. Een groepje lindebomen geurt weldadig. Kleine rotspartijen en bosjes strekken zich uit als een vlekkendeken. Er doorheen zijn diverse kronkelwegen te onderscheiden. Het kruidige weiland lokt en geurt. Er graast een wit gevlekt paard en een ezel. De schimmel loopt omlaag naar een meertje, omringd door riet, elzen en wilgen. Ze kijkt naar de soepele tred en ziet hoe het dier zich vooroverbuigt om te drinken. Ze kijkt vragend naar haar lief, die nog steeds naast haar staat. Hun omhelzing zindert nog na, als een stroom van het klaarste water. Het geeft haar kracht. Ze kàn het, weet ze. Juìst nu!
“Nee,” antwoordt hij haar vragende blik, “ik spring niet. Jij bent jong en vol energie, ik ben oud.” Ze kijkt hem ontsteld aan. “Jij oud? Dat dènk je maar. Was het niet heerlijk, te ravotten in de rivier en klommen we niet in de hoogste bomen?”
“Nee. Ik doe het niet. Veel te groot, dat land aan de overkant. En wat heb ik daar? Hier heb ik een huis en een vijver met vissen erin. En mijn hondje. Ik kan het niet.”
“Dan spring ik alleen,” zegt ze. Ze neemt een aanloop en maakt een sprong als een reuzenpanter. Tegelijkertijd gebeurt er iets merkwaardigs. Terwijl ze door de lucht vliegt, verdwijnt het ravijn. Maar zodra haar voeten de grond raken is het er weer. Ze staat aan de overkant van een gapende spleet.
“Zag je het?!” roept ze hoopvol, “Jij kan het òòk!”
“Nee,” zegt hij “Ik denk niet dat ik dat ook kan.”
“Ik ga nu verder,” de woorden komen met moeite uit haar mond. “Lief, kom mee! Dan kunnen we samen jong zijn in dit prachtige land.”
“Ik kan het niet. Jij bent een optimist en je kan bergen verzetten. Ik niet. Ik geloof er niet in.”
Ze draait zich resoluut om en loopt verder. Duizend kleuren groen breken in het licht van haar tranen. Nog een paar maal kijkt ze achter zich, strekt haar armen zo breed uit, alsof ze de hemel wil omvatten. De hemel boven haar hoofd is het enige wat ze nog met hem deelt. Zijn profiel verdwijnt langzaam in de verte. Hij kan nog steeds springen, denkt ze. Maar toch blijft ze niet staan. Het kronkelpad voor haar voeten lokt, het lijkt een eigen leven te leiden. En veel dieren lijken haar als nieuwkomer te willen zien, de roodborst, het paard en de ezel. Vanuit de struiken kijken er nog meer toe, die wel nieuwsgierig, maar minder dapper zijn. Om haar hoofd zoemt een dikke hommel. Dan hoort ze voetstappen. Over het pad loopt een man, hij komt rustig haar kant op. In zijn hand heeft hij een dienblad, met geurend brood en een rode theepot er op. “Welkom!” roept hij stralend. Ze lacht terug.

Vrijkaartje voor de Aarde

Vrijkaartje Aarde

.

Het is half acht. Na een warme dag begint het af te koelen. Een lichte bries waait mijn wagen in. Ik zit op de bank en luister.  Mijn favoriete radioprogramma heet “Passaggio” op radio4. Het is al een tijdje bezig. De laatste tonen sterven weg, van een rustig, melancholiek stuk. Verder is het enige geluid dat van twee vinken, buiten. Ze zingen hun riedel, als een vraag en antwoordspel. Twee vliegen zigzaggen om me heen om dan zoemend te gaan seksen op het blote vel van mijn knie. Ik wuif ze weg en schuif de dunne katoen van mijn rok erover. Dan hoor ik Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij zegt dat hij vrijkaartjes heeft. Een muzikale voorstelling is het, notabene op Fort Rijnauwen! Ik ken het. Het ligt aan dezelfde rivier als waar ik vroeger woonde.
Het stuk speelt zich af in de weelderige natuur rond het fort, vertelt hij. Het gaat over het einde van de wereld. “Wie wil er vrijkaartjes winnen?” vraagt Lex. Dan moeten we vandaag of morgen een kort verhaal opsturen. “Hoe kunnen we de aarde redden?” Dat is het thema. Morgen is de uitslag. Ik aarzel geen moment en klim in de pen. Drie kwartier later heb ik geen verhaal. Wel een gedicht.

Hoe redden we de aarde. (Sterk bewerkte versie)

.
Op de dag dat alles dor was
liep op straat een liefdespaar
omarmden levenloze stad
en gingen voort, al zingend
langs het uitgestorven pad

Bomen, heuvels, dode dorpen
elke plek een eigen vers
ze  liefden elkaar met het lied
en waar ze kwamen trilde het
ging doffe starheid snel teniet

Ze zagen alles wat ze zagen
dansend langs hun wonderpad
een kind een boom een land een naam
zelfs stenen werden langzaam levend en
de oude man voor ’t raam

Aarzelend kijkt hij nu op
verrassing in zijn blauwe blik
die kinderlijk hun canon echoot
alles kan en wil weer zingen
Op deze dag gaat niemand dood

.

De volgende dag luister ik in gespannen afwachting naar de radio. Lex wacht even met het laten horen van de uitkomst. Na een kwartier komt het. De vrijkaartjes gaan naar Marijke. Zij schreef: “Mijn kleindochter heeft al gezegd dat als ik win, zij met me meegaat. Is dat niet het redden van de aarde?” Lex ziet het graag. Grootmoeder met kleindochter samen op pad. Ik eigenlijk ook wel. Maar ik heb níet gewonnen. Jammer. Het was een leuk idee. Maar vrijkaartjes kreeg ik toch. Een kaartje voor de Aarde en eentje voor een bezoek aan de Tuinen der Fantasie. Zo kom je nog eens ergens…

Klik hier voor het beluisteren van het radiopramma op NPO4

.

Inspiratiebronnen.

Het gedicht is onder andere geïnspireerd door “De Droomtijd”, een mythe over het begin van het leven op aarde. Dit is waar de Australische Aborigionals in geloofden en leefden, lang voordat de westerse mens een voet aan land deed.  Ik las er over toen ik twintig was, nu dertig jaar geleden. Het boek dat zoveel indruk op me maakte heet “Gezongen Aarde”, geschreven door reisschrijver Bruce Chatwin.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bruce_Chatwin

Ook heb ik gedacht aan het oneindige verhaal van Michaël Ende. De kracht van de fantasie werkt door al zijn boeken heen, en hoe belangrijk dat is voor een leefbare wereld.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_oneindige_verhaal

.
En dan is er Paul Biegel met  “De tuinen van Dorr.” Een sprookjesachtige vertelling over een hartelief en een stenen stad. Ik heb het vast al vijftien keer gelezen. Biegel hield van twee van zijn boeken het meest. Dit is er één van. Dat begrijp ik goed. Heerlijke taal, heerlijk verhaal.

De foto van het aboriginalkunstwerk heb ik gehaald van deze site: http://www.guidodevliegher.be

Voeten van de lente

.

.

blogtek-meisje-in-t-groen

.

 

 

 

 

 

Ik ben gegaan
langs strakke rijen bomen
en doodgeploegde aarde
elke stap die ik zet
kondigt verandering aan

Al is het maar een lichte bries
of slechts een zweem ervan
mijn adem is een dapper lied
mijn hart verlicht verlies

Achter mij, daar groeien bloemen
ik loop de bodem rijk
ik bedek de naakte aarde
en laat de bijen zoemen

Geweld op doodgeslagen grond
lang liep ik op grijze keien
zag groen ertussen, al maar meer
en zo loop ik de wereld rond

Wat wil bewegen zal nooit dood gaan
zaad blijft leven heel diep weg
de ziel van alles wat er is
blijft altijd in de kern bestaan

Ik loop ik loop steeds verder rond
heel de aarde, dicht de wond

Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

Trots

.

Poep, de mijne.

 

Met een gevoel van trots kijk ik in het kleine emmertje. Wat een prachtige drol weer. Een mooi gekruld hoopje, een beetje vezelig van structuur en de lucht is vele malen lekkerder dan wanneer de boer hiernaast met drijfmest bezig is. Ik omlijst het donkerbruine torentje met wat oud wc papier, in losse stukjes uit elkaar getrokken, zodat het goed kan verteren straks, op de composthoop. Ik pak een handvol zaagsel uit het zwarte emmertje ernaast en gooi dat er over. En nog eentje. Met een stuk dik karton maak ik het plat . Vroeger kon dit een goor werkje zijn, maar nu gaat het heel netjes. Tevreden doe ik de deksel er weer op. Ik ben blij. Mijn poep stinkt niet meer.
Wie kan dat nog zeggen in deze tijd. Ik weet het niet. Ik hoor er zelden iemand over. Hoewel, het begint te komen. Ik hoorde laatst zelfs een reclame over poep. Toen moest ik wel even glimlachen. Mooi zo! Er valt steeds meer over te lezen. Over hoe gezonde poep er uit ziet. Maar ook over het gebruik, van goeie poep.
“Het bruine goud”, schrijft Sietze Leeflang in het boek „Vierduizend jaar kringlooplandbouw.” Het gaat over het oude China, en het is een bewerking van een veel ouder boek, uit 1910. Ik was zo geboeid dat ik het in een ruk uitlas. Alle poep uit de stad lag binnen de kortste tijd bij de boeren op het land. Ik vroeg me dan af hoe dat ging en hoe smerig dat geroken moest hebben. Maar nu ik de substantie van mijn eigen drollen zo zie veranderen, begin ik er een heel ander beeld bij te krijgen. Bij mij gaat het ook terug de grond in, net als bij de Chinezen. Ik gooi het in een kuiltje, beetje grond, blaadjes en zaagsel erover en er is niks van te ruiken. Ook een opvallend gegeven is dat de Chinezen meestal vegetariërs waren, net als ik. Poep van vleeseters stinkt meer, dat moet je er maar voor over hebben, als vleeseter. Maar onze poep stinkt ook om tal van andere redenen; Omdat je ziek bent of stress hebt, omdat je medicijnen slikt. Of doodsimpel omdat het lichaam niet het voedsel krijgt waar het om vraagt. Verse groenten en kruiden kunnen ontbreken. Maar, ik heb het kunnen zien. Ik zie de verandering in mijn eigen kleine compostemmertje, sinds ik de stad uit ben en ik een ander leven leid, is het veranderd.

Hier, op het rustige platteland, geniet ik van eenvoudig voedsel. Veel fruit met kaneel, en een lepel honing. Havervlokken, roggevlokken, zelfgeplet met de handmolen en geweekt met rozijnen en water. Een handje noten en zaden. En ’s avonds ga ik plukken. Verse groenten, kruiden, bloemen en onkruiden, aangevuld met knollen wortelen en linzen, bonen, gierst of boekweit. Ik begin ook steeds meer te experimenteren met wild voedsel. Er zijn zoveel eetbare planten in de natuur! Voedsel, de basis van alle leven. Soms krijg ik een blij en opgetogen gevoel. Ik besef dat we nu grenzen overgaan, die vele eeuwen afgesloten waren of taboe. We kullen kruiden en onkruiden eten, terwijl veel nieuwsgierige ogen toekijken. We worden dan niet meer uitgemaakt voor armoedzaaiers of heks, wat zoveel generaties lang de wereld verzuurde.
Met goed eten maken we mooie drollen. En met mooie poep en goeie plas maken we gezonde aarde. En met gezonde aarde maken we veel groene blaadjes, kleurige bloemen, smaakvolle appeltjes en gezonde bomen. En met gezonde bomen maken we de lucht weer fris. En als je dat eenmaal geroken hebt, dan zijn luchtverfrissers op de plee maar rare dingen.

 

Levensboom

.

Levensboom

Zingen doe ik elke morgen
totdat het hier groeien zal
De boom die voedsel draagt voor al
herstelt wat was verborgen

Een landschap draagt hij in zijn kruin
Met vennen, wulpen en patrijzen
Wat ooit was, zal weer verrijzen
Ons land een bloementuin

Voedselbossen overal
voor mens en dier, er is genoeg
waar de aarde lang om vroeg
In de kiem, het is er al.

Rivieren stromen vol zoet water
Zachte regen drenkt de grond
Laat groeien wat allang bestond
Op dit moment, er is geen later

Blijf hier tot de knoppen springen
hoorde ik iemand zeggen
we gaan de grenzen nu verleggen
wat dood was, zal weer zingen

.

blogtek-wereldboom

.

Ook in de politiek worden grenzen verlegd. Lees het volgende artikel over de unanieme afwijzing van de zadenwet.
http://www.omslag.nl/nieuws/00731.html#.Ux82nJp2lcM.facebook

.

.

Begin de dag met een droom

.

.

Kikker in de ven

.

Het is avond. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en mijn tanden gepoetst. Mijn nachthemd is warm van de kachel als ik hem aan doe. Dan gaat de telefoon. Het is Dick.

“Ik zou net gaan slapen.”
“O dus dan stoor ik? “
“Nee hoor, ik ga wel met de telefoon in bed liggen.”
Ik doe het licht uit en kruip onder het schapenwollen dekbed. Het is heel anders om in het donker te bellen. Wel gezellig eigenlijk.
“Ben je weer de hele dag met plantjes bezig geweest? “ vraagt Dick.
“Ja, net als gisteren. Studeren en aantekeningen maken. En nu ben ik helemaal leeg. Weet niks te vertellen. Ook geen verhaaltjes. Wat moet ik nou gaan schrijven deze week?”
“Misschien iets over je woonwagen? Daar heb je nog maar weinig over verteld.”
“Ik zou over het opstaan kunnen vertellen, en de oefeningen die ik doe.”
“Dat kan leuk zijn. En als je dan vertelt wat je denkt, terwijl je oefent.”
“Dan denk ik niks.”
“Nee, echt niet?”
“Nou ja, ik heb een ritueel. Bij de laatste oefening. Dan stel ik me voor hoe het landschap rond de minicamping eruit zou kunnen zien als we die vlaktes opnieuw zouden laten begroeien. Weer vennen zouden graven, en al de vogels en planten die dan terug komen. Hoe we daar lisdodde en mannagras kunnen oogsten. En moerasgamander. Hoe er weer schapen en koeien in de wei mogen lopen, om de vennen heen. Gewoon een bescheiden aantal en niet die massa’s die nu in de megastallen staan. Weides met bloemen erin. Overal zingende vogels. Ik stel me voor hoe het zou zijn als mensen meer met de natuur mee gingen denken, in plaats van ertegen in.”
“Dat is een goeie gedachte.” zegt Dick. “Het zou best eens kunnen, dat het werkt.”
“Vroeg of laat werkt het vast. Als we geduld hebben.”
Het is even stil. Het hout knapt in de kachel en het vogeltje dat zijn slaapplek heeft onder de dakrand, schudt zijn vleugels. Ik hoor het ritselen tegen de dunne wand. Dat doet hij wel vaker als ik aan het praten ben. Zou het een koolmees zijn of een pimpelmees? Of iets anders? Ik weet het nog steeds niet.
“Ik denk dat ik nu ook maar naar bed ga.” hoor ik dan aan de andere kant van de lijn.
“Lekker vroeg, goed idee. Welterusten Dick.”
“Welterusten Alowieke.”

.

Juffrouw Kolibri bij nacht.

.