Leven naar de wet van wederkerigheid.
Living by the law of reciprocity.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
“Wat een mooi huis heb je” zeg ik. Ik ben even binnen bij een vriendin. Het is een groot huis, althans, voor mij dan. Voor andere mensen is het gewoon een redelijk kleine stacaravan. Maar toch, er is een slaapkamer, een keuken en een werkhoek. Bovendien een fijne zithoek en een plee. Er is een ingang waar je zonder moeilijk te doen in kan. Als ik even later thuiskom, ben ik het even zat, dat kleine kamertje, waar je alleen kan schrijven, slapen, dromen en naar buiten kijken. Geen plek om schilderijen te maken. Zeker niet met olieverf, dat duurt wel drie dagen, voor het droog is. In zo’n klein huisje zit alles eronder, als dat zo lang duurt. Deze winter kocht ik drie hele mooie tubes. Precies de goeie kleuren om alle tinten te kunnen mengen. Maar ja. Waar??
Wat doe ik dan wel, behalve schilderen? Ik ben altijd buiten aan het werk. Er is dan ook enorm veel gebeurd, dit jaar. Er is een verscheidenheid aan planten gaan groeien, op diverse plekken. Het begin van het Verhalenpad is echt mooi aan het worden. Tussen de opgroeiende bomen bloeit pastinaak, lila raapzaad, en twaalfjarige luzerne. Vijf aardappels zijn uitgegroeid tot planten van wel een meter doorsnee. Nooit heb ik zulke mooie bloemen gezien, aan aardappels. Paars met wit zijn ze. Ik kijk mijn ogen uit. Werk aan de bodem loont. En er zijn meer parels bij het pad gekomen. Er is nu ook wilde appel en wilde mispel. Ik verzorg een aantal kleinblijvende walnootbomen, die op de bult staan. Ik plantte een James Grieve en een Cox, appels die ik erg lekker vind. En nog veel meer.
Maar ook mijn woonerf is veranderd, met de nieuwe kas. De zwarte constructie valt mooi weg tegen het groen. Er is een dikke stenen vloer, die houdt de warmte vast. Op regenachtige dagen is het er nog steeds goed toeven. Ik zit er soms te lezen en met een bakkie koffie. Het harde werk is niet voor niks geweest.
En toch ben ik het soms opeens zat. Had ik maar een echt huis, denk ik dan. Niet voor al die planten en beestjes, maar helemaal voor mijzelf. Dat ik breeduit en met grote passen naar mijn voordeur kan lopen, in plaats van voorzichtig tussen de jonge walnootbomen te moeten kruipen die daar opgroeien in een pot. We delen met zijn allen het kleine lapje grond, waar beschutting is. De bomen en de vogels en wat al niet meer. Voor hen kruip ik elke dag mijn huis in, heel stilletjes. Omdat ik mijn ruimte klein houdt en wil delen. We hebben allemaal beschutting nodig. Niet alleen ik. Maar soms ben ik dat zat, dat gekruip, dat gemier naar de voordeur en een kleine kamer. Had ik maar een echt huis, met een echte deur en allerlei kamers. Een riant atelier waar mijn doek kan hangen. Waar ik een aanloop kan nemen met mijn kwast. Net als Karel Appel.
Het is een bui. Een onweersbui, die komt en gaat. Soms knettert het, heel even maar. Dan is het goed om eens een paar dagen uit te rusten.
Zo gezegd zo gedaan. Op een warme dag zit ik stil in mijn koele hol. De luiken zijn gesloten. Toch is het niet donker. Het daklicht en de geopende achter en voordeuren zorgen voor licht in huis. Er waait een verkoelend briesje om mij heen. Ik zit hier goed. Ik kijk naar boven. Er zit nog iets voor het dakraam. Het donkere doek, waarmee ik ’s nachts mijn kot verduister. Een klein stukje hangt er nog voor en houdt het licht tegen. Ik trek eraan. Het doek valt en er komt een hele wolk nachtvlindertjes uit. Gauw stop ik het weer terug. Dat krijg je, als je met de bovendeuren open slaapt. Boven de geopende deurtjes hangt het markies met brede groene strepen. Ik kan er net onderdoor kijken. Ik kijk naar de kas, vlakbij me. Ik zie de bloemenpracht erachter. Allemaal dit jaar uit de grond gekomen. Wat een wonder eigenlijk. Dromerig kijk ik naar de rode papavers, die boven de kleinere bloemen uitsteken. Achter de wagen klinkt het gekwetter van mussen en jonge mezen. Terwijl daarnaar luister, komt er opeens iets aanvliegen. Zomaar onder het markies door. Het landt op mijn voet. Het is een jonge koolmees, zijn zwarte kap is nog wat grijs. Verbaasd kijk ik naar het jonge ding. Hij ziet mij niet, alleen mijn sok. Hij bestudeert hem zorgvuldig. Ik heb vanochtend kleefkruid gewied en er kleven nog steeds een paar zaadbolletjes aan. Doodstil kijk ik wat er gebeurt. Hij pikt vakkundig een zo’n piepklein bolletje van mijn sok en vliegt ermee weg. Verbaasd kijk ik naar mijn voet. Er zitten nog meer zaadjes op, maar hij komt niet meer terug. Wel gebeurt er vlak daarna iets anders. Onder het zeil bij de voordeur hoor ik gescharrel. En dan is daar ineens het winterkoninkje. Bovenop de onderdeuren zit hij rustig naar binnen te kijken. Even maar. En weg is hij weer.
Wat moet dit alles beduiden? Ik denk dat ze dit tegen me zeggen: Houd jij het maar zoals het is. Klein en bescheiden. Geef ons ruimte en respect, en heel veel stille hoekjes, vol zaad en beestjes. Hou vol! Dan zullen wij je telkens opnieuw verrassen! Ja. Dat zeggen ze. Vast en zeker.
.
.

.
Living by the law of reciprocity.
“What a beautiful house you have” I say. I’m just hanging out with a friend. It’s a big house, at least for me. For other people it’s just a fairly small mobile home. But still, there is a bedroom, a kitchen and a work area. In addition, a nice sitting area and a toilet. There is an entrance where you can enter without difficulty.
When I come home a little later, I’m just fed up with that little room where you can only write, sleep, dream and look outside. No place to make paintings. Certainly not with oil paint, which takes three days before it dries. In such a small house everything will be stained, if it takes that long. This winter I bought three very nice tubes. Just the right colors to mix all shades. But yeah. Where??
What do I do, besides painting? I am always working outside. So a lot has happened this year. A variety of plants have started to grow in various places. The beginning of the Story Path is getting really nice. Parsnip, lilac rapeseed, and twelve-year-old alfalfa bloom between the growing trees. Five potatoes have grown into plants up to a meter in diameter. Never have I seen such beautiful flowers on potatoes. They are purple and white. I am astonished. Work on the soil pays off. And more pearls have come to the path. There is now also wild apple and wild medlar. I take care of a number of small walnut trees that are on the hump. I planted a James Grieve and a Cox, apples that I really like. And much more. But my residential area has also changed, with the new greenhouse. The black construction blends nicely against the green. There is a thick stone floor, which retains the heat. On rainy days it is still a good place to be. I sometimes sit there reading and with a cup of coffee. The hard work has not been in vain.
And yet sometimes I suddenly get tired of it. If only I had a real house, I think. Not for all those plants and critters, but completely for myself. That I can walk wide and with long strides to my front door, instead of having to carefully crawl between the young walnut trees that grow up there in a pot. We all share the small piece of land, where there is shelter. The trees and the birds and whatnot. For them I crawl into my house every day. Because I keep my space small and want to share. We all need shelter. Not just me. But sometimes I’m tired of that, that crawling, that nodding to the front door and a small room. If only I had a real house, with a real door and all kinds of rooms. A spacious studio where my canvas can hang. Where I can take a run-up with my brush. Just like Karel Appel.
It’s just like stormy weather. A thunderstorm that comes and goes. Sometimes it crackles, just for a moment. Then it is good to rest for a few days.
No sooner said than done. On a hot day I sit quietly in my cool hole. The shutters are closed. Yet it is not dark. The skylight and the open rear and front doors provide light in the house. A cooling breeze blows around me. I’m fine here. I look up. There’s something else in front of the skylight. The dark cloth, with which I darken my room at night. A small piece still hangs in front of it and blocks the light. I pull it. The curtain falls and a whole cloud of night moths comes out. Soon I put it back again. That’s what you get when you sleep with the top doors open. Above the open doors hangs the awning with wide green stripes. I can just see under it. I look at the greenhouse, near me. I see the floral splendor behind it. All came out this year. What a miracle really. Dreamily I look at the red poppies, which rise above the smaller flowers. Behind the wall I can hear the twittering of sparrows and young tits. While listening to that, suddenly something comes flying up to me. Just under the awning. It lands on my foot. It is a young great tit, its black hood is still a bit grey. I look at the young thing in surprise. He doesn’t see me, only my sock. He studies it carefully. I weeded cleavers this morning and there are still a few seed balls stuck to it. Silently I watch what happens. He skillfully picks one of those teeny-tiny balls off my sock and flies off with it. I look at my foot in surprise. It has more seeds on it, but it won’t come back. However, something else happens shortly afterwards. Under the transparant tarpaulin at the front door I hear scrambling. And then suddenly there is the wren. On top of the lower doors he is quietly looking inside. Just a moment. And he’s gone again. What should all this mean? I think they say this to me: You keep it the way it is. Small and modest. Give us space and respect, and lots of quiet corners, full of seed and bugs. Hold on! Then we will surprise you again and again! Yes. That’s what they say. Surely.
.
.
Wat heb je toch een geweldige vertelster! Echt genieten voor mij! Dankjewel Alowieke voor weer zo’n liefdevol verhaal! Fijne dag vandaag.. Falderalderalderaldera!
LikeGeliked door 1 persoon
Ja, zo gaat het, dan komt een soort van reactie, een antwoord, voor hen die het zien of horen. Prachtige troost.
LikeLike
Geen troost.. Eerder een soort vervulling.
LikeLike
Daar doe je het dus voor ja. En wat een fijne kas!
LikeGeliked door 1 persoon