Ik geef ze weg

.

Hubbard pompoenplantje.

Het regent dat het giet. Dat is fijn voor de tuin, want er valt een hoop in te halen. De planten mogen nog best een stukje groeien van mij. Ik ben hard aan het werk geweest, er is nu veel te wieden. En niet alleen in de tuin is er werk, ik kweek ook zaden op in kleine kasjes. Ik heb ze gemaakt van houten groentekistjes, tegels, plastic, een oude ruit, een deur met een barst in het glas. Er zijn nu een heleboel planten opgegroeid. Pompoenen, citroenkomkommers, courgettes, blauwschokkers. Het zijn er veel meer dan er in mijn tuin passen. En de doos met zaden is nog lang niet leeg. Ik wil ze weggeven. Vooral de planten en zaden die je niet in elke winkel kan kopen. En ik hoop dat mensen ze ook weer doorgeven.
Dus wat ik graag wilde, dat gebeurde. Deze week gaf ik de eerste plantjes weg. Het was een spontane ontmoeting. Op een mooie zonnige dag fietste ik een stukje op met een man uit Moergestel. Hij had altijd en de stad gewoond en vertelde blij en trots dat hij vorig jaar voor het eerst zijn eigen aardappelen had geoogst. Hij wilde best een stukje omrijden voor een paar plantjes. Planten met een verhaal, dat zijn de mooiste, vond hij.
Ik heb de man uit Moersgestel een komkommerplantje en een pompoenplant gegeven. Het Is een Hubbard, die straks knoeperds van pompoenen maakt. De grond waar hij zoveel plezier in had lag pal achter zijn huis. Het was van de gemeente , maar die deed er niet veel mee en dus ging hij lekker zijn gangetje daar, op die veertig vierkante meter. Hij had ook aardpeer gekregen van iemand. `Nog nooit van gehoord , zei hij, maar ze groeiden goed. Het begrip stadslandbouw was hem vreemd. Maar de beste man begint gewoon. Omdat de kans er is, pal naast zijn huis nota bene. En het gebeurt steeds meer, want gemeenten hebben steeds minder geld voor onderhoud. Een goeie zaak. Grond in bruikleen geven aan burgers. Ik heb hem gevraagd het zaad van de planten door te geven. Dat vond hij vanzelfsprekend. Veel mensen vinden het leuk, zaden en plantjes ruilen. Ook deze man hield ervan. Het is gezellig. En als mensen steeds vaker met elkaar gaan kletsen hoe ze hun zaad vermeerderen en hoe ze hun composthoop bijhouden, dan ziet de wereld er al heel anders uit.

Ik wilde alleen dat ik hem iets meer had verteld over de plant, de verzorging en het zaad. De volgende keer geef ik er een verhaaltje bij. Het zou leuk zijn de man op de fiets nog eens terug te zien. Hier, bij Juffrouw Kolibri.

Scheppend werk

.

.

Ik graaf en schep. Wat een stuk van de schapeweide was, wordt nu een tuin. Alleen al het maken ervan is een spel. De vogels om me heen zingen om het hardst, en ik werk door want de lente komt er aan. Ik schep aarde en staal mijn spieren. Her en der ontstaat een heuveltje en daarna verdwijnt het weer naar elders. Het is nog niet direct te zien wat het moet gaan worden, maar ikzelf zie het helder voor me. Het beeld verandert en past zich aan, terwijl ik werk.
Ik scheid zorgvuldig het onderliggende zand van de vruchtbare bovenlaag. Die bovenlaag moet straks ook weer boven komen, alles heeft zijn plek en dat is niet voor niets. De aarde onder het gras is hard en platgestampt door de schapen. Het is zandgrond. Er hebben ook koeien gelopen, een geel oormerk diep onder de grond herinnert aan vervlogen tijden.
Liever schep ik helemaal niet in aarde, want je kunt het maar beter zoveel mogelijk met rust laten. Vooral geen grondlagen door elkaar gaan gooien. De bodem zit tjokvol micro-organismen. En dat wordt danig verstoord door al dat gegraaf. Maar ik doe het wel, één maal, om de grond los te maken en een wal te maken. Er is een hoop wat ik niet kan zien, maar wormen zie ik wel. Ik ben op elke beweging gespitst. Als ik een wurm zie spartelen, of bewegingloos zie lijden in de droge buitenlucht, dan stop ik hem onder een omgekeerde grasplag. Ik weet niet of hij daar zelf ook naar toe wilde, maar het lijkt me beter dan uitdrogen of opgegeten worden. Daarna pak ik mijn soldatenschep en graaf weer verder.
Ik bouw een kleine dijk met takken er binnen in, uit het boek van Holzer. Het is erg leuk om te maken. De takken onder de aarde zorgen voor heel wat jaren voeding, ze zullen langzaam verteren tot humus.
Terwijl ik ernaar kijk, zie ik dat het de vorm van een oorschelp heeft gekregen. De open kant is naar het zuiden gericht, om zoveel mogelijk zon op te vangen. In de schelp is de luwte. In het midden heb ik een klein vennetje gemaakt, een speelse ven op de plek van de gehoorgang. Eigenlijk is het een luistertuin. Een luistertuin in de vorm van een oor. Dat klopt wel, want ik luister veel. Naar de vogels, en naar de mensen hier.
Nu staat het vennetje droog. Je kunt goed de verschillende grondlagen zien, als je in de kuil kijkt. De aarde is donker, soms pikzwart. Diep daaronder zie je geel zand. Waarschijnlijk is er hier voor de ontginning een ven geweest. Die was waarschijnlijk een stuk groter dan mijn kleine kuil. Ik hoop dat het een poosje veel gaat regenen. Ik wil zien wat er gebeurt. Ik wil water zien in de ven, zaaien en wilde planten ontdekken, kijken wat er groeit. Mijn handen zijn stijf van het vele scheppen, vanochtend werd ik wakker met slapende vingers. Even wat zwaaien en strekken. Dan weer verder. Nog maar een klein stukje. Dan is het scheppen klaar.

PS: Vannacht heeft het zoveel geregend dat er water in mijn vijvertje stond!

Net op tijd!

.

 

Een tuin! Hij is er echt. En ik kan al beginnen met spitten. Een lapje grond is het. Heel gewoon, maar voor mij bijzonder. Want ik zorg dat er straks van alles op gaat groeien. Je kan het zien op de foto. Nu is het nog een stukje schapewei. Je kan aan de sneeuw bijna zien hoe groot het is. Het is niet supergroot maar het is ook niet klein. Kaalgevreten gras zie je, bezaaid met keutels en een hek er omheen. Maar veel gras blijft er niet van over straks. Dat is wat mij betreft de bedoeling. Er is al genoeg gras. Ik heb een grote bestelling zaad gedaan, allerlei bijzondere soorten, bij „De Nieuwe Tuin”, in België. Allemaal een- en twee jarigen. De postbode komt het brengen. Ik hoop deze week al. Want wat ik teveel heb kan ik dan weer weggeven op de zadenruilbeurs. Dat is in Den Bosch, zaterdag aanstaande. Het gaat nu snel. Ineens is het zover. De dooi is ingevallen, vogels claimen alvast hun nestelplek. De eerste zaden kunnen nu de grond in, een vroege erwt, tuinbonen. Oei, ik ben net op het nippertje met mijn besluit hier dit jaar te blijven! Wat fijn dat ik mijn groene vingers nu weer kan trainen. En het is zo vlakbij. Ik hoef niet eerst twintig minuten door de drukke stad te fietsen voor ik bij mijn landje ben. Ik hoef niet meer dan vijftig meter te lopen. Dus ik ga hard aan het werk deze week! Spitten, hekken plaatsen tegen vraat, verhoogde bedden maken. Want straks komt er nog veel meer… Daar heb ik een goudgeel vermoeden van.