Stroomstruikels en verdwijningen

Merkwaardige omstandigheden zetten mij aan om na te denken over mijn digitale verslaving.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Eigenlijk is het al van begin af aan zo. Ik heb hem, maar eigenlijk vind ik het waanzin. De smartphone. Sinds 2018 neemt dat ding een van de eerste plekken in binnen mijn intiemste kring. Ik verbaasde me er meteen al over wat je er allemaal mee kon en de snelheid waarmee de duim van mijn voorlichter over het scherm ging. Het was een jongen van vijftien en al gauw deed ik het net zo vanzelfsprekend als hij, bezocht sociale apps, checkte vijf keer per dag mijn mail en het ding ging steeds vaker met me mee.
De eerste jaren gaat dat probleemloos. Maar na een tijdje denk ik het steeds vaker: Deze onzin moet maar weer eens afgelopen zijn. Terwijl die gedachte groeit neemt mijn gebruik juist toe. Voor het eten korte filmpjes kijken op Facebook. Steeds teruggaan naar de commentaren en Instagram. Goed voor de wereld, want ik steun immers oorlogsslachtoffers in mijn commentaren. Een goed excuus, vind ik. Maar de stem van mijn onbewuste roept en het wordt steeds sterker. Maak jezelf vrij! Weg met dat ding! Onbewust doe ik pogingen om ervan af te komen. Achteloos laten liggen op een tafeltje bijvoorbeeld. Maar van zo’n kostbaar ding afkomen, dat is nog niet zo makkelijk, in een maatschappij waar iedereen er verschrikkelijk afhankelijk van is. Al gauw komen mensen naar me toe met opgehaalde wenkbrauwen. Ze heffen het roze hoesje in de lucht waar mijn verslaving in zit. Met nadruk klinkt steeds weer hetzelfde zinnetje: “Is dit van jou?” Ik moet dus beter mijn best doen met kwijtraken.

Maar dan lijkt de tijd langzaam rijp te worden. Rijp om af te kicken van de dikke vette digitale tiet, die mij afhoudt van mijn eigen voedzame stroom. Welke gedachten en scheppingen wachten op een lege geest maar krijgen de kans niet? De achterliggende kracht om ervan af te komen wordt almaar sterker. De innerlijke bron die door steen kan breken. Dingen haperen of verdwijnen. Het strekt zich verder uit dan alleen de telefoon. Op een gegeven moment lijkt elk digitaal contact te worden belemmerd. Het stekkertje van mijn laptop past opeens niet meer, hij is gegroeid. Terwijl hij altijd op dezelfde plek ligt en ik hem nooit ergens mee naar toe neem. Ook mijn vriend buigt zich erover en we snappen er niks van. Daar blijft het niet bij. De volgende dag komen er mensen voor een interview. Ik ruim het huis op van voor naar achter, van onder tot boven. Als laatste leg ik mijn smartphone op de vensterbank, het roze hoesje is beduimeld en glad van de vele aanrakingen. Er zitten transparante stickers op van Treesistance. Liefkozend gaat mijn vinger over het roze leer, dat een plantaardige oorsprong heeft. Ik bedenk me net hoe vreemd het is dat ik dit doe. Een telefoonhoesje aaien. Alsof het mijn vriendje is! Wil ik dat wel?
Precies op dat moment komt er een auto aan. Het zijn de mannen waar ik op wacht, die van het interview, De een komt als interviewer, de andere is fotograaf. De auto rijdt het veld op om te parkeren, precies op het laagste stuk. Hij zwaait vrolijk door het raam, maar ik weet: daar komt hij vast te zitten. Dat is al zo vaak gebeurd! Ik moet ernaartoe, hoe eerder hij daar weg is hoe beter. En hoewel ik zojuist nog besloot dat mijn telefoon daar prima lag, kleeft hij nu als vanzelf aan mijn hand vast, zonder dat ik er acht op sla. In mijn gedachten is alleen nog de gestrande auto. Daarna draag ik een antislipmat aan, help duwen. Uiteindelijk lukt het. Maar als het interview voorbij is en de mannen zijn weg, ligt mijn telefoon niet meer op dat plekje in de vensterbank. Na een poos zoeken op plekken waarvan ik weet dat hij er toch niet ligt, dringt het besef bij me door, heel langzaam, van een telefoon in mijn hand. De razendsnelle keuze om hem niet in het natte gras te leggen maar op het droge staal van de auto. En daarna het rumoer van het moment en het vergeten. Ergens onderweg viel hij van de auto af. Dat was zelfs te traceren. Toen ik daarna mezelf belde deed hij het eerst nog. Maar van het ene op het andere moment was er geen bereikbaarheid. Gevallen en overreden. Zo moet het gegaan zijn.
Maar nu! Eindelijk is het gelukt. Ik ben ervan af. Ik ben er beduusd van. En er was nog een afscheid ook. Een laatste liefkozing van het roze leer.

Ik laat het tot me doordringen. Op het moment dat mijn smartphone weg is, kan ik helemaal nergens meer bij, ook niet bij mijn mail. Want dat stekkertje van mijn laptop was immers ook al op wonderlijke wijze van vorm veranderd en hij past nog steeds niet. Alles zet me aan om een pauze te nemen en me te bezinnen op deze verslaving. Bleek kijk ik voor me uit. En neem dan een radicale beslissing.

In de winkel van Odido zeggen ze dat het niet kan, mijn abonnement opzeggen. Dat kan alleen een paar maanden van tevoren en mijn abonnement loopt pas af in augustus. Dat zou betekenen dat ik nog tien maanden blijf doorbetalen, dat is meer dan tweehonderd euro. Omdat ik dat toch zonde vind, koop ik een tweedehands smartphone met een barst erin. Facebook en Instagram gooi ik eraf. Dat is dat. Maar Spotify wordt meteen geïnstalleerd en gelijk ga ik die avond naar mijn luisterboek alsof er niks gebeurd is. Als een kleuter lig ik te luisteren, zoals ik dat nu al avond na avond doe. Luisterboeken zijn tegenwoordig onbeperkt beschikbaar, actief lezen hoeft niet meer. Je hoeft steeds minder zelf te doen. Vlak voor het slapen gaan zie ik dat het apparaat nog maar zes procent stroom heeft. De lader, die ik meteen had aangesloten, heeft niks gedaan. En dat terwijl het stekkertje gewoon leek te passen. Ik probeer nog drie andere stekkertjes en fiets dan naar Dick die ook al zijn plugjes uitprobeert, echter zonder resultaat. Net als bij de laptop.

Is dit een les? Tuimel ik er opnieuw in, door gewoon op dezelfde voet door te gaan? Er is een wijze stem in mijn hoofd die zegt: Ga ook van Spotify af en zet door. Bel Odido persoonlijk en vraag of ze nu al kunnen vastleggen om het abonnement te laten aflopen in augustus. Maak afspraken zodat je voor jezelf geen uitvluchten meer kan zoeken, of stiekum van uitstel afstel maakt. Tenslotte zit ik straks echt niet helemaal zonder internet. Ik kan altijd op de camping terecht, daar is Wifi. Het is maar vierhonderd meter hiervandaan. Toch zal die afstand mijn gedrag volkomen veranderen. Pech is niet voor niets. In feite is het een hele eer om met pech te worden bediend. Je bent uitverkoren om van koers te wijzigen en de signalen worden als duidelijke bakens voor je voeten geplaatst. Dat neemt niet weg dat ik kwaad ben. Ik weet niet op wie, maar heb zin om een bushokje in elkaar te trappen. Dat doe ik natuurlijk niet. Want eigenlijk is het helemaal niet leuk om bushokjes in elkaar te trappen. Een hele hoop mensen hebben daar last van.

De volgende dag ga ik vol goede moed naar de winkel. Gek genoeg is er geen probleem, bij hem doet het stekkertje precies wat het moet doen. Ik krijg het bewuste draadje mee naar huis, maar dan blijkt het plugje niet te passen op mijn adaptor. Mijn vriend lacht zich slap, maar mij verbaast niks meer. Ik weet nu dat het in elk geval goed komt. Ik ga door met afkicken en demp de stroom van buiten.

Er is ten slotte nog iets, waarom dit steeds belangrijker wordt. In deze tijd, waarin steeds meer bedrijven door Chinese of Amerikaanse multinationals worden opgeslokt, dient een digitale verslaving vooral de machthebbers. Ik geef mijn stekker dus niet alleen een andere aansluiting voor mezelf, maar ook uit maatschappelijke overwegingen. De oorlogsslachtoffers vergeet ik evengoed niet. Ik zal ze op gepaste tijden schrijven.
En nu is het stil. Stil genoeg om het te laten ontstaan, vanuit het binnenste, de innerlijke bron. Ik luister naar de wind, die buiten ijskoud waait. En verdraaid, ik hoor nog iets. Heel duidelijk. Een bel die rinkelt in de verte. Iemand roept wat. Zowaar! Het is de telefoonjuf van het universum. “Verbonden!” roept ze en knipoogt. Ik steek mijn vuist in de lucht en lach. Mijn dag is weer helemaal goed.

.

Het juiste moment

Het is net als in de Kleine Prins, wat je aandacht geeft, daar ga je van houden. Met liefde en transpiratie komt de transformatie.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het gras is nat, de lucht is helder. Het wordt weer warmer. Ondanks dat het wat geregend heeft is de grond is nog steeds hard en de mol heeft zich teruggetrokken in het gebied van de wadi’s en de greppels. De zonnepomp bevochtigt het stuk waar de nieuwe boompjes staan en een kikker neemt een duik in de modder, onderin de volgelopen kuil. De zwaluwen vliegen een stuk verderop. Ik zie ze in een vaart over het water scheren. Ze vangen kilo’s muggen en eendagsvliegen. Knap hoor! Ik pak mijn graszeis, die naast de ruigtezeis staat. Het wordt al een hele collectie. Dat is nodig ook, want de gepensioneerde man die kwam maaien heeft er steeds minder zin in, en loonwerkers zijn peperduur, zeker op dat hobbelige greppelland. Mijn aanschaf is dus niet alleen een cadeautje voor mezelf, maar dient ook een algemeen doel. Ten slotte is dit land wel acht hectare groot.Aan een spijker aan de muur hangt de sikkel, die ik voor riet gebruik. Met de zeis in de hand sluit de houten deur van het kleine schuurtje en loop tussen de wilgen door. Eerst door het Voorhof, tussen de jonge elzen door, verder naar het veld waar de nieuwe boomgaard moet komen. Elke dag een stukje zeisen, dat maakt de spieren sterk, en de band met het land groter. Het verhaal van de Kleine Prins vertelt het ons, waar je aandacht aan geeft, daar ga je van houden. Liefde met transpiratie, dat doet wat. De biodiversiteit groeit met de dag. Tussen de nieuwe aanplant kom ik niet met de zeis, daar trek ik het gras uit en ik gooi het neer. De begroeiing verandert. De moerasandoorn verspreidt zich het snelst. Die hoort hier echt thuis, ik vond hem een keer tussen het riet en de brandnetels. Daarna heb ik er nog een paar bij geplant. De daslook breidt zich ook uit, maar een stuk minder snel. De kleine boompjes doen het goed. Het is nog geen bosje maar dat wordt het wel. De elzen groeien en de zuurbessen en het sporkehout lopen zonder uitzondering allemaal uit. Ze hebben al drie maanden tijd gehad om te wortelen. Dan kunnen ze de droge lente goed aan en hoef ik weinig water te geven. Overal tussen de elsjes komt veldzuring op, die de harde grond perforeert met zijn penwortel. Al het leven werkt mee, om van dit land iets moois te maken. Er gebeurt hier veel. De grond heeft me nodig, heeft óns nodig. Soms speelt de verleiding om op avontuur te gaan, op ontdekkingstocht. Een droom die mij al lokt sinds mijn jeugd. Sinds ik op mijn veertiende zes weken door Noord Amerika reisde, met mijn ouders. Sindsdien speelt dat verlangen. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over bezoek aan indianenstammen en wereldreizen. Heb je niks te vertellen als je dat niet doet? Wat je van ver haalt is lekker. Maar wat dichtbij groeit hoort bij je. Al is het minder exotisch. Het is net zoiets als zacht spelen op een saxofoon. Een luide stem opzetten is makkelijker en iedereen hoort het. Zacht spelen is veel moeilijker en je valt minder op. Net zoiets is kiezen voor je eigen verhaal, en niet het exotische van ver weg. Juist thuis te blijven. In dit land, dat het jouwe is, al zijn er 18 miljoen die dat zeggen. Met elkaar is het ons land, een lappendeken waarop je steeds verder in kan zoomen. Nogal een uitdaging, om het zachte, subtiele spel toch vol te houden, ten midden van dit alles. Het gaat ook om beheersing, denk ik.

Ik stap het veld op. De dauw hangt aan de lange halmen. Het is goed dat het nat is, dan glijdt de zeis beter door het gras. Ik maai zoals ik geleerd heb. Linker voet vooruit, zeis naar achteren, zwaai naar voren. Een mooie lange beweging, bijna halfrond om me heen. Dan een volgende stap. Even gaat het bijna mis. Ik moet de zeis wel goed horizontaal houden, anders botst hij tegen de harde klei. Maar elke dag gaat het beter en ik raak ook niet meer buiten adem. Het gras valt neer en bedekt de bodem. Het zal het vocht vasthouden, de wormen voeden. Ik help de aarde. Elke dag is er wel iets wat om me vraagt. De wei, de wormen, de bijen, de bomen. Maar ook de boer of de buren. Ik zing mijn partij, subtiel en zacht, maar toch krachtig.

Het is een uitdaging om niet het meest spectaculaire of exotische te kiezen. Om rustig te wachten tot het zover is, gewoon dichtbij huis. En tot die tijd heel rustig door te gaan. Zwoesj, zwoesj, gaat de zeis. Het wordt een warme dag. Nog even en de zon droogt het gras. Maar nu is het nog vroeg en het veld glinstert van de dauw. En ik ben er. Precies op het juiste moment.

.

.

Van Sandy van Zeisles.nl, in Zeeland

Kiezen voor leven in een tijd van afbraak

Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is dubbel. Enerzijds is het een tijd om blij te worden. Het toverachtige stofje dat alles doet groeien staat op het punt om los te barsten. Alles is ervan doordrongen. De 730 bomen en struiken die ik plantte laten nog weinig zien, maar de wilgenroosjes, de zilverschoon en de smeerwortel ontvouwen hun eerste blaadjes boven de zwarte grond van het Verhalenpad. Op een andere plek ben ik ook bezig, vlak langs het openbare pad. Ik noem het “Het Voorhof”. Er groeien nu 200 struiken en bomen. Ze groeien langs een dicht op elkaar geplante rij wilgen, achter mijn kleine huis. Op de hoek staan ze zo dicht op elkaar, dat er nodig meer ruimte moet komen. Ik zaag een paar wilgenbomen om, de meidoorn en de kastanje kunnen hun takken nu vrij uitstrekken. Met veel genoegen stapel ik de takken op tot een houtril. Ietsje verderop loopt de wilgenrij weer gewoon door, de stammen dicht op elkaar, steeds hoger groeiend. Het is maar een klein hoekje, dat ik heb weggehaald. De stronken zullen opnieuw uitlopen en terugkomen als dichte struiken. Vogels en insecten zullen er beschutting vinden. Daarachter staat mijn gereedschapswagen, een aanhanger met deksel. Er zitten nog steeds zonnepanelen op, die stammen uit de tijd toen ik rondtrok door het Noorden van Friesland. Ernaast liggen de restanten van het vlot, dat ik maakte voor een documentaire, en daarna weer uit elkaar heb gehaald. Ik heb het zo opgestapeld, dat eronder ruimte is. Zo is het weer iets nieuws geworden. Het is het terrein van het winterkoninkje, een plek vol hoekjes om weg te kruipen en beestjes te vinden. Ik heb hem ook nog een eigen nestkast gegeven, die ik middenin de houtril heb verstopt. Ik hoorde het, toen hij het ontdekte. Een opgewonden gekwetter klonk vanuit de dichte berg takken.

.

.

Ik kan heel gelukkig worden van zulke ontwikkelingen. Alles te zien wat dichtbij is en groeit, waarvan ik de planter en de verzorger ben. Maar als ik kijk naar onze positie in groter verband, maak ik me soms zorgen. Rondom strekken de weilanden zich uit van boeren en de rijke paardenfokker en achter de Swette ligt de snelweg, de Haak genoemd. De snelweg, die ecologische leefgebieden doorkruist en veel kapot heeft gemaakt. Het is een economisch bepaald landschap, waar greppels worden dichtgegooid en drijfmest in de weiden wordt geïnjecteerd. De weg ligt er plompverloren ingekwakt en voor het land rondom is geen nieuw ecologisch plan gemaakt. Het is simpelweg opgeofferd, zoals er veel meer wordt opgeofferd. Soms word ik somber, en dan denk ik, wat doe ik hier, in dit land waar steeds meer kapot wordt gemaakt. Is het niet een eindeloze strijd, ik David en zij Goliath? Ben ik water naar de zee aan het dragen door het gras uit te trekken dat zich steeds maar blijft opdringen door de overmaat aan stikstof in de grond? En wat gebeurt er als ik er niet meer ben, verdwijnt het dan? Alles wat ik doe?

Toch ga ik door. Want het is zeker niet zinloos. De manier waarop ik het doe, ruig en divers, met hollingen en bollingen, dat doen er maar weinigen. Het is ook niet alleen ellende. Zeker niet! Het is voor mij als kunstenaar een heerlijke bezigheid, om het land te herscheppen. Het land vraagt om hogere en lagere delen. Wat vocht wil plant ik laag, wat geen natte voeten wil komt hoog. Ik zie hoe duizendpoten, pissebedden en kleine bruine rupsen hun schuilplaats vinden waar het hoger is en de grond losser. En hoewel ik veel genoegen schep om dit alles te zien groeien, komt die vraag steeds weer terug: Hoe levensvatbaar is dit, op lange duur? Iets is levensvatbaar als het op kan gaan in een groter geheel. Als er grond is waar nieuw zaad verwelkomd wordt, en niet per se gemaaid, omgehakt, of uitgetrokken. Als ik er niet meer ben, zal er dan nog iemand zijn die er met liefde voor zorgt? Of zal het met wortel en kluit worden uitgerukt omdat het in de weg staat?

Mijn positie is nogal opstandig. Ik heb letterlijk een groen opstandje, midden in de vlakte. Met opstandjes kan van alles gebeuren. Soms worden ze weggeveegd, soms inspireert het anderen en groeit het juist. Maar als je ermee kapt gebeurt er sowieso niks. En terwijl de mezen en de winterkoninkjes opgewonden hun vogelhuisjes inspecteren, groeit mijn beslissing om taai te blijven en blijmoedig door te gaan. Als we allemaal doorgaan op de plek waar we zijn, dan alleen hebben we kans dat het zal groeien. We hebben overal te maken met dezelfde waarden. Zolang de groei-economie en concurrentiestrijd het belangrijkste is, is de continuïteit van het leven ondergeschikt. Dat is overal zo. Dus ik ga door. Hier, want dit is de plek waar ik me mee verbonden heb. Misschien duurt het nog een tijd, voor de mensen beter met het land om zullen gaan. Maar ondertussen vertellen we elkaar onze verhalen. We wisselen zaden uit en stekken. Soms moet je er een eind voor fietsen. Ruimte blijven maken, in je eigen tijd en ook op het land, dat anders overwoekerd raakt door stikstoflievende gasten. Kiezen wat je ervoor in de plaats zet, wellicht iets dat de ruimte kan vullen, overvloedig en rijk. Na elke keuze weer kijken, wat gebeurt er. Misschien duurt het lang. Misschien blijven de slakken komen, de mollen en de hazen en de woelmuizen, het kweekgras en de horden brandnetels die in snel tempo verder kruipen over het land. Misschien groeit het tergend langzaam, waar je aan begonnen bent. De diversiteit, het voedsel voor mens en dier. Maar elk jaar is er iets wat overleeft. En dat wordt steeds meer. Voeden wat levensvatbaar is. Hoe de toekomst zal zijn dat weet ik niet. Dat weet niemand. Maar wel weet ik: Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar. Zelfs in een tijd van dood en afbraak, dan juist is het je plicht om te kiezen voor de kant van het leven. Als het fiere gefluit van de winterkoning op een grijze stille dag. Zo zie ik het.

.

.

.

Klik hier voor de luisterversie:

.

PS: Zojuist sprak ik de boerin die woordvoerder is voor agroforestry Fryslan. Zij zegt dat steeds meer boeren zich aansluiten. Moedgevend!

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.

Verwelkoming van het esdoornjaar

Hoe een gehekelde zaailing geliefd werd.

.

Twee zaailingen van esdoorns.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is miezerig. Het Verhalenpad is te drassig om met de kruiwagen te rijden. Eigenlijk moet dat nog, de berg compost is nog niet helemaal weg. Zo nat is het! De eenden vinden het heerlijk, al die plassen. Ik zie ze overal kuieren, alleen of in groepjes. Maar boeren en hoveniers worden er mesjokke van. Er moet ingezaaid worden, maar daar is het telkens weer te nat voor. Ik heb ook nog een paar zakjes met zaad. Het zijn kleine zakjes van Joop. Na zeventien jaar tuinieren en planten heb ik het inmiddels afgeleerd om al te enthousiast te beginnen. Ik weet hoe bordjes met namen al gauw verdwijnen in een wir war van groen. Die verdraaide diversiteit ook! Ik moest die eerste keer erg om mezelf lachen. Natúúrlijk gaat het anders dan ik bedacht had. Op nieuwe grond die honderden jaren niks anders kent dan weide en riet, moet je ook niet al te hoogmoedig zijn, met zaaiwerk. Tussen de bomen en heesters die ik plantte, groeit al genoeg. Wilgenroosje, speenkruid, gele melkdistel, kaardebol, paardebloemen, veldkers, zilverschoon, hondsdraf, om maar eens enkele te noemen. De twaalfjarige luzerne die ik zaaide, zijn allemaal opgegeten door de hazen. De drie salieplanten trokken het niet. Ook de lijsterbes heeft er moeite mee. De klei valt ze zwaar. Het is een optimistische struik, die graag weer opnieuw begint. Maar als de bodem zo ontoegankelijk is, raakt ze ook snel ontmoedigd. Het is boeiend om te zien hoe dingen goed gaan, maar ook hoe moeizaam het kan zijn. Ik doe er dus alles aan om de overgang van weide naar bostuin te bespoedigen, zodat meer planten zich thuis zullen voelen. Zeker op harde weidegrond in een overgangsfase.

Ik herinner me de dag dat ik bomen haalde, bij MeerbomenNu. Ik ontmoette daar een kloek groepje vrouwen en een enthousiaste man. De man bleek de leiding te hebben, hij was één van de twee opperhoofden van het land. Tjeerd, heette hij. “Hé ben jij Alowieke!” riep hij tot mijn verrassing. Hij had van me gehoord, en was mijn blog gaan volgen. We hadden een levendig gesprek. “Misschien kun je daar ook wel een voedselbos planten!” zei hij. Ik vertelde dat de boer het daar inderdaad over gehad heeft. “Maar ik heb het idee niet met beide handen aangegrepen“ ging ik verder “Ik denk dat enige terughoudendheid op zijn plek is. Ik weet nu hoeveel werk het is. Het is keiharde weidegrond en na vijftien centimeter begint de stijve grijze zeeklei.” Hij keek bedenkelijk. “Ja, dan moet je eenvoudig beginnen.” Hij geeft me gelijk zijn advies. “Begin met esdoorns.” Aan dat idee moet ik wennen. Eén van de eerste dingen die ik leerde van de hoveniers bij Copijn, was esdoorns uittrekken. Voor je het weet heb je ze overal. Esdoorns, die plant ik dus niet. Ik vertel hem dat ik vooral wilgen en elzen heb geplant. En ook nog een zootje hazelaars, notenbomen, berken, lijsterbessen, maar dan wel met heel veel compost erbij. Ook plantte ik veel bomen op het hoge stuk, waar ze niet kunnen verzuipen. “Het is een mooi begin, voor een voedselbos. Maar voor een hele hectare is dat een hele opgave,” zei ik.

Nu kijk ik naar de esdoorns achter mijn huis. Ik heb er zeventien omgezaagd. Ze zijn allemaal weer vrolijk uitgelopen, tot mooie compacte bosjes. Gaandeweg ben ik ze steeds meer gaan waarderen. Er zitten graag vogels in en ik hoor ze de hele dag. Daar achter mijn kleine huis, daar komt verder niemand. De esdoornstruiken geven wat beschutting, want ondergroei is er nauwelijks onder de hoog opschietende schietwilgen.

.

Allemaal zaailingen van esdoorns

.

Deze lente is het bezaaid met piepkleine esdoorns. Overal zie ik de kiemen opkomen, op alle paden, langs de bosranden, tussen de tegels. Nog nooit heb ik er zoveel gezien. Je zal maar hovenier zijn en ze allemaal uit moeten trekken! De natte winter was kennelijk ideaal voor het zaad. Overal zijn de helikopters heen gedwarreld, de harde herfstwinden hebben ze ver gedragen. Maar de boer lacht erom. Als je ze maait, dan verdwijnen ze wel, zegt hij. Ik ben benieuwd. Er zullen vast heel wat kieren en spleten zijn, waar ze een tijd ongezien hun gang kunnen gaan. En tussen de bomen en bosjes zullen ze overal opkomen, net als in het riet. Eenmaal wortels gemaakt, krijg je ze moeilijk meer weg.
Maar langzaam maar zeker ben ik er anders tegenaan gaan kijken. De esdoorns horen hier. Ik zal ze niet meer tegenhouden. Laat ze de grond maar klaarmaken voor de anderen, samen met de wilgen en de elzen. Als ze groter zijn zal ik ze knotten, net als de esdoorns achter mijn huis. Het wordt laag kreupelhout, en dat is fijne beschutting voor de dieren. De takken zullen de bodem verrijken en steeds geschikter maken voor anderen. Er is wat er is en daar kan ik steeds vaker blij om zijn. Ik vind een manier om er mee om te gaan, zodat het verrijkend werkt voor alles. Toch maar eens vaker met mensen als Tjeerd praten. Het opperhoofd bij de bomenplanters. Er valt nog veel uit te wisselen.

.

.

We moeten voeten in aarde maken

.

De brug van droom naar een gastvrije bodem.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

De droom kan zo mooi zijn. In een droom kan je de werkelijkheid opkleuren, verlichten, je kan weggetjes maken die er nooit geweest zijn. Wat recht is kan je laten kronkelen en vervuilde rivieren zijn in je gedachten zo helder als kristal. Jarenlang kun je dromen over een bos dat bulkt van allerlei soorten. En je kunt dromen hoe donker het daar is, onder al die kruinen. Je voelt aan de oude stammen vol scheuren in de schors. Je laat lange baarden van mos langs je hoofd gaan zoals je nog nooit in het echt hebt gevoeld. In je droom kan alles.
Tot je op de harde natte klei terecht komt, waar het bos moet komen, dat je zo mooi had bedacht. Waar de jonge bomen met hun wortels tegen een stijve muur aanbotsen. En als ze dan eindelijk met veel moeite kunnen doordringen in de ongastvrije massa, dan wordt het winter, gaat het regenen, en verzuipen ze in de natte klei. Of je staat op de zandgrond en wekenlange droogte teert al het leven uit. De jonge loten die je hebt geplant verdorren tot armzalige sprietjes en gaan dood.

Dat kan anders. In een tijd van toenemende extremen is een rustige, volhardende houding nodig. Ideeën zijn als lucht, ze komen even snel als ze gaan. Aan een idee alleen heb je niks. Er zijn al er al gauw teveel van. Brainstorms genoeg op deze aardkloot. Dromen zijn al wat bestendiger dan ideeën, ze bestrijken een langere tijd om te wortelen in je hart. Vervlecht het idee met hoop en behandel dit met zachtheid en geduld.

Vuur op zijn tijd is goed, maar let op dat het niet te hoog oplaait, op onwillekeurige momenten.

Teveel aan vuur verschroeit de aanzet tot groei, knoppen die nog maar zo klein zijn dat je ze nauwelijks ziet. De piepkleine aanzet tot wortelgroei, die bodem zoekt. Een vurige droom zonder bodem glipt uit je handen en daar sta je dan. Vol onrust en volkomen alleen met weer een illusie minder. En hoe meer er uit je handen glijdt, hoe meer gaten er vallen. Het geeft ruimte aan anderen, waar je niet voor gekozen hebt. Gespuis dat het belang niet dient. Ze komen als virussen in een lichaam dat zijn weerstand kwijt is. Als verwarde zwervers die niet weten wat ze moeten. De gaten zijn het begin van het verval.

Ja, Dat kan anders, heel anders. Een droom heeft een rustperiode nodig en een blik die kan doorvorsen of het moment daar is of niet. Het hart is getraind in geduld om in stilte te zien of de tijd rijp is, om te zien wat levensvatbaar is en wat moet wachten of wat onverbiddelijk moet worden doorgestreept. Stap voor stap worden keuzes gemaakt. De vitale delen krijgen de aandacht en krijgen wat ze nodig hebben. Er is wat er is, elk mens, elke boom op dit unieke moment, alles wat is moet zo zijn. Daar ga je vanuit. Dat is de basis, daar kies je voor. En dan kom je in de stroom op gang, die meewerkt. Op het land groeien de bomen die het wél redden op de natte klei of de droge grond. Je verbetert de omstandigheden, meer en meer, zonder haast of dwang. Langzaam maar zeker komt de beloning. Dieren die weg waren keren terug. Zaden die je ooit strooide, komen ineens op. Planten die je nog nooit gezien had, komen spontaan omhoog en tot bloei. Het begin is gemaakt. Zodra er iets is wat voeten in aarde maakt, kan het andere daar steun bij vinden. Zo bouwen we aan een vitale plek, in een vitale wereld. Al is het begin klein, met rust en volharding groeit het. Een bodem voor alles wat voeten in aarde zoekt.

Dingen langzaam doen is het geheim van de transformatie. (Kazuaki Tanahashi, 1933)

Vernieuwen zolang het nog kan (Regenerate while you can)

.

.

Het reageren op weersomstandigheden in de tuin doet denken aan de weersomstandigheden in de wereld. De urgentie die vraagt om vernieuwing. Als je snel reageert kun je nog kiezen. Als je te laat bent niet meer. En dan zit je met allemaal dode dingen waar je niks meer mee kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath

.

Het heeft veel geregend, al lijkt het al weer een hele poos geleden. De overvloedige regenval in de vroege lente heeft het groen tot grote hoogtes gebracht. Fluitekruid, brandnetel, wilgenroosje, ze zijn groter gegroeid dan ik. Het meest overheersend is het kleefkruid, dat in de hoge stengels klimt, en in de kromme, gescheurde appelboom. Op sommige plekken ligt het als een dik tapijt op de grond. Ook de bomen zijn flink gegroeid. De wilgen, de hazelaars, de meidoorn. Maar als ik langs het verhalenpad loop, zie ik roest. Roest is een soort van schimmel met onregelmatige rode verkleuringen. De blaadjes verdorren en vallen af. Ook langs het Swettepaad zie ik het, onderaan de stengels en in het gras. Na de natte tijd nu ineens die droogte, dat doet wat. Bovenin zitten de stengels dicht en hoog op elkaar, maar onder de grond is het concurreren om het laatste vocht. Dat geeft stress. Daar moet je snel de helpende hand bieden, zolang het nog kan.
Ik aarzel geen moment, maar begin meteen te knippen. De aangetaste wilgenroosjes weg en ook de zielige takken van de appelboom en de meidoorn. Gezonde planten als fluitekruid en kleefkruid haksel ik. Ik leg het als mulch onder de geknipte exemplaren. Ook de lange brandnetels komen aan de beurt. Voorzichtig, want het prikt. Nu is er nog tijd, om dit te doen. Straks is alles dor en droog, en vol rode vlekken. Dan is het leven eruit en vliegt de koolstof als CO2 de lucht in. Nu kunnen we wat er is nog gebruiken en opslaan in de bodem. Er is nog tijd voor groei. Het is nog steeds lente. Hakselen en mulchen.

Het moet nu gebeuren. Die urgentie is op alle gebieden actueel. We leven in een tijd van overvloed, alles zat mee, een halve eeuw lang. Maar nu… We weten dat de bronnen opdrogen, waar we zo overvloedig uit putten en de balans is verstoord. Er moet geknipt worden, keuzes gemaakt. Keuzes maken, dat levert wat op. Wat je niet meer hebt of doet, daar hou je aan over. Je houdt geld over, energie en tijd en ruimte. Wie zegt hoelang we die luxe nog hebben om te kiezen en hoelang houden we er nog iets aan over? Als je te lang wacht zit je straks met allemaal dingen waar je niks meer mee kan.

Ik knip de munt eraf. Alles. Als ik het nu niet kortknip heb ik er straks niks meer aan. Het wordt toch een aardige bos, meer dan ik dacht. Met mijn armen vol van het geurige kruid, loop ik naar de boerderij. Kijken of ik boer Jochum zie, dan krijgt hij de helft. Opeens hoor ik de stem van Rein. “Hee, ben je al aan het oogsten?” Ik kijk om. “Ik heb het geknipt omdat er roest in kwam. Ik zie het op meer plekken beginnen. Nu is het nog mooi groen. Straks is het te laat.” Rein bromt iets onverstaanbaars. Hij is het er niet mee eens. Hij heeft het hartstikke druk en wil helemaal niet horen dat er ook nog werk in de tuin is.
Even later komt Sjoukje langslopen, een bekend gezicht op de Swetteblom. Ik loop net met de heggenschaar de boomgaard uit. “Hee, ben je lekker aan het tuinieren?” vraagt ze opgewekt. Ik vertel dat ik elke dag hard aan het werk ben. Blij geeft ze antwoord. “Ja wat is alles gegroeid hè! We kwamen terug van vakantie en wisten niet wat we zagen!” Ik knik en vertel wat ik net heb ontdekt. De rode schimmel. Dat na het vele nat nu een tekort ontstaat, door de lange droogte. En voorlopig is er geen regen in zicht. Ik vertel dat ik die stress vóór wil zijn. Knippen, mulchen, nu. Ze kijkt me met open mond aan. “Oh! Als dat hier is, dan is dat bij mij ook!” Ik knik. “Dat denk ik wel. Het begint.” Ik ga verder met wat ik deed. Met mijn bruine vest verdwijn ik helemaal in de bosjes. Nu ziet niemand me meer. Ik ben lekker onzichtbaar. Even later hoor ik een auto voorbij gaan. Het is Sjoukje. Ze gaat dus toch maar naar huis. De tuin roept.

Je kan het voor jezelf zo druk maken als je maar wilt. Maar wie het nodige tot zich door laat dringen en omkeert, voor die mensen is mijn glimlach van herkenning. Laten we hopen dat het aanstekelijk is.

.

NEDERLANDS

ENGELS

Reacting to weather conditions in the garden is reminiscent of weather conditions in the world. The urgency that calls for innovation. If you react quickly you can still choose. If you are late there is no choise anymore. And then you’re left with all those worthless dead things. ACT now.

Ik houd niet van doem (I don’t like doom)

.

Ik ben op de markt en heb een discussie. Ik voel me alleen. Ben ik de enige die nog ergens in gelooft? Is de voedselmarkt eeuwig gedoemd tot sommen winst, volume en eigenbelang? Geeft er nog iemand om? Jazeker! Er is een belangrijke beweging. Ik lees de Nyéléni verklaring van het internationale forum voor agro ecologie

Boerenforum, Toekomstboeren, Wervel, Oxfam, FIAN Belgium, Voedsel Anders, Alowieke

.

.

Mijn kinderen zijn niet van vlees en bloed. Het zijn bomen en beestjes. Het zijn verhalen en gesprekken op de markt en onderweg, wanneer ik door het weidse land fiets. Ik produceer ze niet. Ik plant ze, ik deel ze en ze geven het leven inhoud. Hetzelfde geldt voor de zaden, die klaarliggen om op te kweken, in de nieuwe kas. Het is meer dan voedsel. Het is zin. Dikwijls is dat anders. In de wereld van nu draait alles om een grote productie. Maar als leven een optelsom is, hoe vruchtbaar is het dan? En waar is het respect voor de aarde?

.

.

Er zijn dagen dat het discussies regent. De donkere dagen zijn voorbij, met lage luchten en motregen. Het is marktdag en de lucht is licht. Ik heb deze week veel nagedacht over mijn eenzame werk op het land, tijdens deze miezerige januaridagen. Ik dacht aan de toekomst van dit land en aan mensen dichtbij en ver, mensen waar ik van houd. Het ging door tot ik in bed lag. Ik slaap al jaren prima. Ik houd ervan, me over te geven aan de nacht. Maar nu lag ik wakker in mijn hangmat.

Ik doe mijn ogen open. Ik heb toch nog een poosje geslapen. Het is zeven uur, zegt de wekker, net als anders. Ik kruip niet terug in mijn hol, maar sta op met het vertrouwen dat het wel weer goed komt. Het is ook geen onprettig gevoel. Ik ben niet moe, er ligt alleen een waas over de wereld, als een lichte vitrage. Na slechts een paar uur slaap is het of mijn ziel dichter onder de huid zit. Het hart ligt broeierig op de tong. Ik was me met ijskoud water en kleed me netjes aan. Het is vrijdag en vrijdag is marktdag. Daar ga ik heen. Net als vorige week. En de week ervoor.

De markt is een heel eind fietsen. Ik ga ook een stukje met de trein, want er is een harde tegenwind. Dat is niet fijn met een fiets vol zware boodschappen. De biologische markt is op het hoekje van de veel grotere markt, niet ver van het station. Het is er gezellig en langzaamaan leer ik iedereen kennen. Mensen ontmoeten elkaar en eten soep bij de Reizende Kookvrouw. Een enkele marktman of vrouw houdt van een discussie of een kort gesprek over de bizarre vorm die het leven neemt in onze tijd. De één is serieus, de ander maakt er grapjes over.

Ik sta bij de laatste kraam voor vandaag. Ik wil nog boekweit kopen. Boekweit in een papieren zak. Dat hebben ze hier. De man achter de kraam praat met een klant, die al met één been weggelopen is. “De nierbonen van mij komen van eigen land,” zegt hij. “Ik produceer twee keer zoveel als Hak per hectare, maar ik ben dan ook al zeven jaar aan het veredelen. Zij beginnen pas, met biologische teelt!” Maar hij praat tegen dovemansoren. De vorige klant is al weg. Dus ik neem het gesprek over. “Zijn ze zaadvast?” vraag ik. Hij leunt voorover, zijn handen steunend op de kraam. “Daar gaat het niet meer om,” zegt hij. “Het gaat om een grote productie. De voedingswaarde gaat steeds meer achteruit, maar dat wil de markt. Vroeger komt nooit meer terug.” Verbaasd kijk ik hem aan. Ik geef tegengas. Dat niemand de toekomst kent. Dat er ook een andere tendens is. Maar hij gelooft er niet in. Hij glimlacht meewarig, terwijl hij mijn boekweit inpakt. Naast me staat de volgende klant te wachten. Ze lacht om mijn brede gebaren en deinst achteruit als ik haar bijna raak, met mijn vingertoppen. Ze staat breed te grijnzen alsof ik een clown ben. Ik wilde ook nog gierst, maar dat laat ik nu maar zitten. Ik betaal, pak de boekweit en vlucht weg. Ik voel me alleen en de laatste woorden liggen onuitgesproken op mijn lippen. Verdorie, ik ben toch niet de enige die nog ergens in gelooft? Is de voedselmarkt voor eeuwig gedoemd tot sommen van winst, volume en eigenbelang? Wie maakt het eigenlijk nog uit?

.

.

Bij een andere kraam zit een meisje op de lege kratten uit te blazen. Ze heeft me kort geleden nog geholpen. Ze glimlacht naar me. “Heb je pauze?” Vraag ik. “Nee,” zegt ze “Ik ben klaar voor vandaag.”. “O, zou ik dan wat mogen vragen?” Ze knikt en kijkt me nieuwsgierig aan. “Denk jij dat de voedselmarkt voor altijd gedoemd is tot meer en meer, ten koste van wat dan ook?” Ze kijkt me helder aan. “Ik houd niet van doem,” zegt ze kort en bondig. “Ik denk dat er wel degelijk een beweging is, de andere kant op. Steeds meer mensen willen dat helemaal niet, steeds meer en meer. Genoeg is genoeg, vinden ze.” Ze praat in alle rust verder, zonder dat ik haar nog maar één vraag hoef te stellen. Dit gaat ons aan, haar en mij. Ik luister aandachtig en het doet ons beide goed. “Dank je wel,” zeg ik uiteindelijk. “Ik had zojuist een discussie daarover. Ik ben blij dat ik in deze kraam iemand vind die net zo denkt als ik.” Ze knikt en antwoordt oprecht: ”Dat snap ik best.” Ik lach haar hartelijk toe, wanneer ik de zware tas weer oppak. Ook mijn rugzak is zwaar en mijn schouders verlangen naar ontspanning. Bepakt en bezakt kuier ik het plein af, de trein in en dan naar mijn fiets. Het is maar zes kilometer. Ik heb de wind schuin in de rug.

Eenmaal thuis pak ik het boekje met de Nyeleni verklaring, het internationale forum voor Agro ecologie. Want natuurlijk ben ik niet alleen. Overal op de wereld zijn mensen bezig. Met elkaar bouwen we aan een andere manier van leven. Ik blader en put hoop, meer nog dan anders. Dan kom ik bij punt zes:

Mens, natuur en spiritualiteit zijn aan elkaar verbonden.

De kern van onze holistische visie is het noodzakelijke evenwicht tussen de natuur, de kosmos en de mens. We erkennen dat we als mensen slechts een deel van de natuur en de kosmos zijn. We delen een spirituele band met ons land en met het web des levens. We houden van ons land en van onze volkeren. Zonder dat, kunnen we onze agro-ecologie niet verdedigen, niet vechten voor onze rechten, of de wereld voeden. Wij verwerpen de commodificatie van elke vorm van leven.

Goddank. Ik ben niet alleen.

(Commodificatie is het proces waarbij steeds meer aspecten van het menselijk handelen en de resultaten daarvan worden uitgedruikt in een geldwaarde in plaats van de intrinsieke waarde. Het begrip werd geïntroduceerd door Karl Marx.)

.

.

.

LINK naar Nyeleni Europe: https://nyeleni-eca.net/
De Nyéléni declaration in English: https://www.foodsovereignty.org/wp-content/uploads/2015/02/Download-declaration-Agroecology-Nyeleni-2015.pdf

.

NEDERLANDS:

.

ENGELS:

.

I’m on the market and having a discussion. I feel alone. Am I the only one who still believes in something? Is the food market eternally doomed to sums of profit, volume and self-interest? Who really cares anyway? Yes, yes! There is an important movement. I read the Nyeleni Statement of the International Forum for Agro Ecology:

The core of our cosmovisions is the necessary balance between nature, the cosmos and human
beings. We recognize that as humans we are but a part of nature and the cosmos We share a spiritual
connection with our lands and with the web of life. We love our lands and our peoples, and without that,
we cannot defend our agroecology, fight for our rights, or feed the world. We reject the commodification
of all forms of life.

.

Song that calls for action: Fight for our lands and web of life

.

Fights for our rights

hands for our lands

every man and every wife

will take part of web of life

Every woman with her spouse

creates a world that not allows

the loss of value of the hart

an economic world so smart

in last spasms it is curled

we don’t need to feed the world

feed yourself an feed your neighbour

an end will come to senseless labor

without a soul within

.

De tijd van het zevende vuur ( The time of the seventh fire)

.

.

Ik lees het boek: “Een vlecht van heilig gras” van Robin Wall Kimmerer en herken de hoopvolle symboliek.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

Het is al dagenlang mistig. Ik houd van die dagen rond de zonnewende. Het is een sluier, die het nieuwe zonnejaar verbergt. De mist nodigt uit om te dromen, dromen van wat er komt en dan weer stilletjes aan in te dommelen, om dan weer verder te dromen, als een egel in zijn winterbed van dor blad. En dan, als de zon weer terugkeert, helder en stralend, dan ontvouwen zich de nieuwe mogelijkheden. Wie vastberaden is onthoudt haar of zijn dromen. Dromen krijgen handen en voeten. Ze lijken klein in het tumult van alledag. De krant staat bol van oorlog, klimaatverandering, biodiversiteitsverlies. Hardnekkige multinationals die niet willen opgeven wat ze hebben. Er is een groeiende kloof tussen arm en rijk, terwijl we van de ene crisis in de andere belanden. Maar ook groeit er veel onder, in de schaduw van de tijd. En zonder dat we elkaar ooit hebben ontmoet, dromen we van dezelfde dingen.

Het was dan ook een feest van herkenning, toen ik in het boek begon dat al lang op mijn lijstje stond: ”Een vlecht van heilig gras,” van Robin Wall Kimmerer. Alleen al de inleiding die ze schreef in de nieuwste druk, in 2022. Ik kwam beelden tegen die ik zelf ook gebruik. Dit is wat ik las.

De hemel wordt donker. Maar zoals altijd laat ik me leiden door de bossen, die ons iets over verandering leren. De krachten van schepping en vernietiging zijn zo nauw met elkaar verbonden dat we soms niet kunnen zien waar de ene begint en de andere ophoudt. Een oud bladerdak kan generaties lang overheersen in een bos en de ecologische omstandigheden creëren waarbij het zelf goed gedijt, en tegelijkertijd anderen onderdrukken door alle natuurlijke hulpmiddelen voor zichzelf te gebruiken. Maar al die tijd brengt het alles in gereedheid voor wat er daarna gebeurt – en er gebeurt altijd iets wat krachtiger is dan dat bladerdak: een brand, een storm, een ziekte.
Uiteindelijk wordt het oude bos verstoord en vervangen door de ondergroei, door de begraven zadenbank die zichzelf heeft voorbereid op dit moment van transformatie en vernieuwing. Er ontstaat een compleet nieuw ecosysteem om te vervangen wat niet meer werkt in een veranderde wereld. Kimmerer zegt: Ik hoop dat “Een vlecht van heilig gras” deel uitmaakt van die ondergroei, gezaaid door vele denkers en doeners die de zadenbank vullen met allerlei soorten, zodat wanneer het bladerdak sneuvelt, wat ongetwijfeld gaat gebeuren, er al een nieuwe wereld opkomt. Nieuw, maar ook oud, met zijn oorsprong in het inheemse wereldbeeld van een juiste relatie tussen land en mensen. Wat het bladerdak van kolonialisme probeerde te onderdrukken, zwelt aan. Het is de voorspelde periode van het Zevende Vuur, een heilige tijd waarin de wereld verandert door collectief te herinneren. Een donkere tijd en een tijd vol licht. We herinneren ons de vaak gebruikte verzetswoorden: ‘Ze probeerden ons te begraven, maar ze wisten niet dat we zaden waren.’ 

Het beeld van het sneuvelende bladerdak staat ook in mijn geest gegrift. Ik weet van de vele kiemen die eronder groeien en de kracht ervan. We verspreiden het zaad en dragen het mee in onze harten en in kistjes op koele plekken. Het is de tijd van het Zevende Vuur. Hoe maken we de sprong naar de nieuwe tijd? Hier laat ik Robin weer aan het woord.

Wat is ervoor nodig om te stoppen met wat niet werkt en de risico’s van onzekerheid te nemen? We zullen moed nodig hebben; we zullen elkaars hand moeten vasthouden en erop moeten vertrouwen dat de ganzen ons opvangen. Het zou helpen als we zongen. Het kan zijn dat we niet zacht landen, maar de natuur bevat veel medicijnen. Voortgestuwd door liefde, klaar om de handen uit de mouwen te steken, kunnen we de sprong maken naar de wereld die we samen willen scheppen, met zakken vol zaad. En wortelstokken. (Robin Wall Kimmerer, New York, 2020 )

Zing voor de elfen. Laat de elfen weer zingen, voor alles wat er is. Plant het zaad, verspreid de wortelstokken. Een nieuw lichtjaar is op komst. (Alowieke)

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

Many young sprouts grow under the heavy canopy. One day it will fall. Colonialism is coming to an end, new forces are getting light. I’m reading “Braiding sweetgrass” by Robin Wall Kimmerer. I recognize this hopefull symbolism..

Van hoever komen we (From where do we come)

.

.

De bult voor ik begon te planten, gemaakt met grond die niet van ver kwam. Zo hoort het.
Wat er is, dat is er en dat scheelt een hoop heen en weer gedoe. Hoe lang
doen we dat al? Hakken, graven en slepen, overal en ergens?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Ik heb een jonge walnootboom in mijn hand. Hij is geënt. Het is een bijzonder exemplaar, dit boompje wordt niet hoger dan drie meter en geeft binnen een paar jaar al aardig wat bloesems en noten. Dit soort boompjes, daar moet je naar zoeken en ik schep daar plezier in. Hij komt tussen allerlei wilde, kleine bomen in te staan en inheemse struiken als rozenbottel, hazelaar, els en lijsterbes. Langzaam maar zeker groeit hier een paradijs.

Ik loop over het smalle pad op de lange bult, op zoek naar een goede plek. De notenbomen moeten hoog staan, dan doen ze het veel beter. En dit is niet de enige, ik heb er nog acht. Die moeten hier allemaal worden geplant. Dat is wel een heel werk, want er staat veel riet. Dat wil ik diep weghakken, rond de boom. Dat riet is hier niet zomaar gekomen. De grond van de bult komt namelijk uit de sloot. Op een dag moest die worden verbreed en boer Jochum vond het niet nodig om de grond af te voeren. “Leg maar op de kant neer, dat kan nog van pas komen!” zei hij. Dat werd dus deze lange bult, van meer dan honderd meter. Wat dichtbij te vinden is, hoef je niet van elders te halen. Zo hoort het te zijn. Maar o, wat zijn we afgedwaald. Er wordt veel onnodig heen en weer gesleept. Het meeste komt van ver. En hoelang is dat al bezig!

Eeuwenlang heeft Europa de hele wereld naar zich toegetrokken uit eigenbelang. Na de Middeleeuwen groeide de bevolking snel. Overal werd lukraak hout gekapt, voor huizen, schuren en brandhout. Er werden schepen gebouwd en de VOC werd opgericht. Rijke landen voeren uit om andere continenten te koloniseren. Er kwam koffie en nootmuskaat en suiker. Voor het vele werk werden slaven geronseld. Het bracht schatkisten vol geld op, voor grotere huizen met prachtige versieringen om mee te pronken. Perfect aangelegde parken met exotische planten, alles voor de welgestelde Europeaan. Steeds grotere haarden kwamen er, omdat ze ook als lichtbron dienden. Je zag dat bij arm en rijk. Er werd turf gestookt, steenkool, maar ook hout. Tijdens lange winteravonden werd bij de haard gelezen, gesponnen en gebreid door de mannen. Er werden netten geknoopt en manden gevlochten. Het hout vloog er doorheen. Het bouwen van schepen en schuren hield ook niet op. Nederland werd kaler en kaler. Landgenoten voeren de oceanen op, overal naartoe. Er werd gekapt en gekapt. Aan herbebossing deed men niet.

.

.

In 1850 was er nog 1 procent bos over. Toen Zocher in Utrecht het singelpark ontwierp, waren bomen in de wijde omtrek zeldzaam. Alleen parken en landgoederen hadden nog bossen, zoals Amelisweerd, zulke heren zorgden in Nederland goed voor hun bomen, dat gelukkig wèl. Maar verder, hoelang is ons volkje al bezig de omgeving op te consumeren en naar de hand te zetten? Nederlanders staan ver van de natuur af. Het is leuk om doorheen te rijden, op vakantie. Maar wilde natuur is eng. Het bijt, het kruipt, het schimmelt. Het is giftig, het kriebelt en maakt rommel. Tegelijkertijd telt Nederland de meeste mensen die doneren aan natuurorganisaties. Daar heeft David Attenborough hoog van opgegeven. Nederlanders zijn geweldig met natuur, vond hij. Wist hij veel. Hij keek alleen naar de cijfers. Maar ik heb mijn twijfels bij grote natuurorganisaties. Ze bestaan al decennia, en zijn opgericht toen men besefte dat het fout ging. Maar natuur hoort deel van ons leven te zijn, niet iets buiten jezelf waar je aan moet doneren om het in stand te houden. Dat maakt het alleen maar erger.

Als ik besef hoelang de afscheiding van de natuur al bezig is, hoeveel moeten we dan nog doen terug te komen? De uitdijende beweging moet stoppen. Maar de schepen zijn alleen maar gegroeid. Ze zijn allang niet meer van hout en er staan nu duizenden containers op, die continue de zeeën doorkruisen. De houten schuren van ooit zijn gigantische metalen blokkendozen geworden, soms wel honderden meters lang. We strekken onze armen ver uit om te pakken wat we nodig hebben en alles moet worden opgeslagen en en heen en weer gedragen. Ecosystemen gaan eraan kapot.

.

.

Ik zet mijn schep in de grond. De boom krijgt een mooi plekje, tussen de meidoorns in. Verderop staan een stel berken. Ik werk om het terug te krijgen. Dat wat ik nodig heb, dichtbij is. Klein en eenvoudig leven is niet alleen romantiek. Het is noodzaak. Wat er is, dat is er. Als je er niet voor weg hoeft, dan doe je dat niet. Ik ben blij dat Jochum de grond hier heeft laten liggen, die uit de sloot kwam. Dat scheelt heel wat vrachtwagens vol aarde die niet heen en weer hoeven. Het scheelt veel gedoe en verspilde brandstof. Er ligt werk voor mij. Dat kost tijd. En dat hebben we nodig. Tijd. Met mijn klomp trap ik de spade de harde grond in. Morgen gaat het regenen.

.

“Sjoch werom om troch te gean.”

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

.

I’m planting one of my many trees. I work to get it back. Back what we lost.That takes time. How long has that been going on, this cutting of trees without any care, this dragging around from here to there?

.

.

De bult, nu.

.

.

Bronnen: Historamarond1900.nl
Bomenspiegel voor de wandelaar 1949 W.l. Le Clerq
Restauration refugees, Dowie.

.

.