De verleiding van verre inspiraties

Of het volgen van eigen pad.

.

.

Op de Vlierhof is altijd veel te doen en te bespreken. Voor mij is deze plek een welkome afwisseling. We zitten met een hele groep aan tafel en voor mij zit een Spaanse vrouw die engels spreekt.

“Jij plant bomen én je voert de koeien in de winter”. De vrouw voor me herhaalt wat ik net heb gezegd. “Kun je niet een deal sluiten met de boer? Voor elke winter dat je de koeien voert, een bepaald aantal bomen planten?” Ik lach. “Dat is een mooie! Nee, ik denk niet dat het zo werkt, bij deze boer. Hij is teveel gehecht aan zijn hooiland om het zomaar voor bomen om te ruilen. En hij is niet de enige. Het is al heel wat voor deze streek, wat er nu is, aan bomen.” Ze kijkt nadenkend voor zich uit, buigt zich dan weer naar voren, naar mij toe. Haar lange donkere haar hangt naast haar gezicht. De oude lichte muur van de Vlierhof is achter haar en straalt warm in de middagzon. “Ik ken een vrouw die wel alsmaar door gaat met bomen planten. Ze woont in Zweden en ze maakt er ook kunst van. Dat is zo bijzonder, je zou er eens moeten kijken!” Ze straalt bij de gedachte. “Zal ik je een link sturen?” Het eerste wat ik denk is: bomen planten in Zweden? Daar hebben ze toch al bomen in overvloed? Ze zal in elk geval geen weerstand krijgen, zoals hier in Friese weidegebied. Of in drukke steden met dure bouwgrond. Het staat ver van me af. “Het is vast heel inspirerend,” zeg ik “Maar wat als het té mooi is? Dan wil ik er heen. En als ik het heb gezien, dan komt de verleiding. Wat ik nu doe verbleekt daar dan bij. Hier bij de Friezen in dit lege land. Dat is dan ineens niet genoeg meer. Maar het is wel de alledaagse werkelijkheid.” Ze knikt. “Ja, je moet het toch doen met de mensen dáár. Misschien is dat wel zo.” Er klinkt gerammel van bestek. Ze beginnen met het opruimen van de eettafel.

Dat is dus de conclusie. Veel inspiraties zijn slechts flakkerende vlammen. Dingen die even snel komen als gaan. Eenzaam blijf je achter met de vraag wat nu. Een uitdaging is daarentegen, het pad te blijven volgen wat voor je eigen voeten ligt. Ook dat is soms eenzaam, maar je vind dan wél de stapstenen om ergens uit te komen op een manier die bij je past. Dat geeft dan voldoening die beklijft. Het duurt soms lang. Iedereen is met zijn eigen dingen bezig. Dat is dan zo.

Ik lach naar de vrouw. Ze stelt zinnige vragen. Maar nu is het tijd. Ik moet gaan pakken, en ga weer terug naar huis. De trein in naar het verre Noorden. Berberissen en vuilbessen bestellen bij Heg-en-Landschap. Het laatste stukje schilderwerk aan mijn wagen doen, voor de herfst begint. En dan verder met het boek en het volgende schilderij. Inspiratie is er genoeg. Maar zonder de nodige concentratie betekent dat helemaal niets. Best een uitdaging, die alledaagse werkelijkheid. Ik heb er mijn handen vol aan.

.

.

Een eigenwijze verjaardag

Hoe vier je een feest? Sinds ik uit de Utrechtse werfkelder weg ben (12 jaar), komen veel genodigden niet opdagen. Tot nog toe dan. Dus ik ga niet meer zitten wachten en doe lekker waar ik zin in heb. Ook als ik zestig word.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Op 24 februari word ik zestig. Al een tijdje ben ik aan het nadenken wat ik dan ga doen. In Denemarken is die dag heel belangrijk. Daar woont mijn broer met zijn Deense vrouw. Ik was erbij toen hij zestig werd. Er zijn gedekte tafels met naamkaartjes bij de borden. Heel officieel. Maar een dergelijk feest past niet bij mij. Een feest met veel gasten, ja dat kan best leuk zijn. Maar ik heb nu meerdere malen een feest of bijeenkomst georganiseerd waar de geliefde genodigden maar matigjes op kwamen dagen. Soms kwam er maar één. (Hulde!) Of er kwamen anderen, die er toevallig wel waren. En nu nader ik de zestig. Ik ga het vieren. En dit keer ga ik het anders doen. Ik doe precies waar ík zin in heb en organiseer zo min mogelijk. En ik doe het niet in het weekend, omdat de meeste mensen dan wel kunnen, ik vier het écht op mijn geboortedag, op de meest onhandige dag van de week: maandag! Haha.

Op 24 februari ga ik naar Schiermonnikoog, mijn liefste eiland. Samen op de boot. Ik boek een kamer bij Hotel van der Werf, wat ik nog nooit gedaan heb, hoewel ik al vaak op Schier ben geweest. Om een uur of één komen we daar aan, denk ik. Dick en ik en wie er verder ook is. We toosten op de dag en de rest van mijn leven en ik zal een kleine spontane verjaardagstoespraak houden. Iedereen die op dat moment aanwezig is krijgt van mij koffie en gebak. Daarna wil ik huppelen langs de zee, schelpen zoeken, strandjutten en afval verzamelen. Als we dan honger hebben gaan we ergens een hapje eten. Het staat je vrij om ook naar Schier te komen voor het vieren van die dag. Een nacht slapen kost bij van der Werf 75 euro, dat is niet zo duur voor een mooi hotel. Er is een gezellige gelagkamer, waar we ’s avonds kunnen kletsen en spelletjes doen en we kunnen de volgende ochtend met elkaar ontbijten. Ik ga zelf dus maar één nacht. Als je langer wilt gaan, kun je ook een appartement huren bij Kampeerboerderij de Branding. Dat is niet duur, en het is daar gezellig op een rommelige manier. Het duurt nog even, maar ik zal het tegen die tijd nog wel een keer noemen.

Kome wie komt, we maken er wat moois van.

.

.

De tinteling van nieuwe scheppingskracht

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Of je oud of jong bent, dat ligt niet per se aan de leeftijd. Ik was zevenendertig toen M. stierf. Voor die dramatische dag was ik al ernstig van de zorgen. Maar op dat moment was ik in één klap oud. Ik voel me nu jonger dan toen, en mijn hele uitstraling is jonger, hoewel ik nu twintig jaar ouder ben. Rouw doet iets met je lichaam. Toch had ik vrede. Ik wist dat het goed was. Dat wij liefhadden en ook dat hij weer vertrok en mij achter liet met alles. En alles, dat was veel. Het was een zware tijd, die jarenlang duurde. Alles heb ik respectvol afgemaakt en opgeruimd. En toen was ik klaar, taai en vaardig was ik geworden, en de weg was vrij. Toen ik de sprong nam, begon er een nieuw leven. Ik voelde mij jonger dan ooit, zo licht als een veertje en kon wel zingen, zo vol was ik met creatieve energie. De sluier van wat was kon worden afgeworpen, de wereld stond in een nieuw licht. Er groeide iets nieuws in mij, zoals een veteranenboom, omgewaaid, gespleten, maar waar binnenin een nieuwe stam omhoog komt. Dat is twaalf jaar geleden. Het is een flinke boom geworden, want het is een productieve tijd geweest, sindsdien. Al die twaalf jaar heb ik wekelijks geschreven, filmpjes gemaakt, gedichten en tekeningen. Ik ontwierp en bouwde mijn huis op wielen, maakte er een docu van, en schreef een boek. Er zijn veel bomen en struiken geplant en ik heb hommels en vlinders gezien op plekken waar ze voordien niet waren.

Hard heb ik gewerkt. De tinteling van toen, de eerste jaren na de grote sprong, is nu weg. Zo gaat dat. Ja, het vuur is minder, maar niet gedoofd. De waakvlam brandt nog mooi. Er ligt nog een zee van tijd voor me, dat voel ik. Daarom zorg ik goed voor mezelf. Het lichaam is een tempel, zeggen Oosterse wijsgeren. Er kan nog van alles gebeuren, wat de vlam weer aanwakkert, in die tempel.

Ik woon nog steeds op dezelfde plek in Friesland, maar tegelijkertijd gaat mijn blik verder. Als ik klaar ben met het werk, dan ga ik vaker even weg: naar de Vlierhof, naar Schier, of een eind fietsen op mijn geweldige pas aangeschafte tweedehands fiets (zonder accu natuurlijk). In februari word ik zestig. Het is dan twaalf-en-een-half jaar geleden, dat ik de sprong nam. Een jubileum dus.
Wat heb ik bereikt? Dat is duidelijk. Ik maak me in elk geval niet druk meer. Erger dan toen kan het immers nooit worden. Ik kan enorm genieten van een middagdut om dan verkwikt weer op te staan. Daar had ik vroeger de rust niet voor. Ik werk af wat ik te doen heb, met plezier of met gezonde tegenzin, maar zonder dat jachtige gevoel wat ik vroeger vaak had. Als ik klaar ben, kijk ik opnieuw om me heen. Welke deur zal ik nu openen? Hoe gaat het verder? Niets blijft hetzelfde, nooit. En ook mijn blik verplaatst zich. Van de grond waarop ik werk, kijk ik steeds vaker naar de horizon. Misschien ga ik straks wel naar de bergen, als de laatste bomen zijn geplant, bij deze boer. Ik was nog een kind, de laatste keer dat ik een berg beklom. Wat is dat lang geleden! Ik hield enorm veel van bergen. Ik was er gek op: Rotsen, grotten, het onvoorspelbare, en de fysieke uitdaging. Dat is niet weg. Ja, ik wil de bergen zeker een keer terugzien in mijn leven. Misschien zijn er bergen waar ik bomen kan planten. Schotland? Ik weet het nog niet. Maar mijn armen zijn sterk, en aan mijn handen mankeert niks. Het zijn echte werkhanden, maar ze kunnen ook goed uitrusten. Dat moet ook. Zo blijven ze het langste doen, die handen van mij. Want graag blijf ik de aarde mooier maken. Zodat water mag vloeien en tuinen zullen groeien, landschappen zal ik verkennen en verrijken, samen met anderen. Alles vanuit deze grond, waar ik steeds weer terug keer. Hier, bij het kleine Verhalenhuis. Als het zo mag zijn. Amen.

.

.

Voor hen van wie ik leerde in liefde

Een extra lang verhaal waarin drie mensen de hoofdrol spelen, Carla: de kunstenares die mij uitnodigde, Sietse Drentje, die we allebei gekend hebben en mijn man, Michiel.

.

Blauw was Sietses lievelingskleur.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“De wind is koud” zegt de vrouw, die aan de andere kant van het tafeltje zit. “Kom naast me zitten,” wenk ik ”hier zit je in de luwte.” Ze doet het. De bank van Jonker Sikke is groot zat, hij bestrijkt de hele voorgevel en ligt vol bontgekleurde kussens. Aan de overkant zijn de weilanden en de kerk. Naast mij zit Carla, kunstenares. Het is het verleden dat ons bindt. Een man, die voor altijd jong zal blijven in onze herinnering. Voor haar was hij een vriend met wie ze intensief correspondeerde, vijf jaar lang. Voor mij was hij mijn eerste vriendje, kort maar krachtig. Hij leeft niet meer. Op zijn zeven en twintigste is hij vertrokken en niet meer teruggekomen. Het was een enorm pak brieven, die ze nog steeds van hem had. Dat lag daar maar. Ze opnieuw allemaal lezen, dat wilde ze niet. Dat maakt teveel los. Wat dan? Ze kwam op het idee om ze aan een ver familielid te geven, die radiomaker was. Hij maakte er een mooie podcast van. Dat is geworden als een monument voor hem.

Nu kunnen we het weer hebben over zijn bijzondere persoonlijkheid, de jongen die zijn laatste reis maakte, en ons geschokt achterliet. Die eenzaam stierf in een ver land.

(Luister: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis)

Onverwerkte emoties vormen een mist, die dikker wordt zodra je er in stapt. Het is als stof over je ziel. Om de mist op te lossen, moet je erin. Je kunt het ontlopen, maar het gaat ten koste van de sprankeling, de creativiteit die we nodig hebben om deze wereld te genezen. Ook spullen met emotionele lading, die jarenlang blijven liggen, doen iets met je. Het gaat ten koste van je scheppingskracht. Daar moet je op een gegeven moment wat mee, wil je niet eindigen als een stoffig type. Opruimen is goed, en het beste nemen we mee de toekomst in. Sietse Drentje was in elk geval helemaal niet stoffig. Integendeel. Hij was een dynamisch mens, vol ideeën. Sommige ideeën zwerven nog altijd ergens rond, andere zijn in rook opgegaan. Maar hoe dan ook, we waren gefascineerd door zijn beweeglijke, hartelijke en creatieve persoonlijkheid. Bij het verwerken van het verleden kiezen we voor het beste, dat gebruiken we en zetten we voort. Carla heeft de brieven die hij schreef een nieuw leven gegeven. Ze liggen niet meer bij haar in een donkere hoek, het is een verhaal geworden, gemaakt door een man van de VPRO, en iedereen kan het beluisteren, zich laten ontroeren. Het is een mooie daad geweest.
Ik wijs naar de torenspits van de kerk tegenover ons. “Zie je daar? De zwaluwen cirkelen daar rond en pikken insecten van het dak. Mooi hè…” Ze kijkt. Ze kent het. “Dat zijn vliegende mieren. Op warme dagen komen ze uit. Die gaan heel hoog de lucht in.” Ik kijk naar ze, die vliegensvlugge vogels. Prachtige nesten bouwen ze voor hun jongen. Dit zijn hun laatste weken, voor ze weer vertrekken. Laten ze hun buik maar flink vol eten. Een lange reis zal het worden. Ik bid dat ze weer terugkomen. Allemaal. En dat ik kan zijn als de zwaluw, licht, wendbaar en beweeglijk, nog vele jaren, tot de laatste dag. Licht en beweeglijk, als Sietse. Maar tegelijkertijd toegewijd. Dat de plek waar ik ben mooier mag zijn als ik weg ga. Die twee dingen, allebei.

Ik vertel Carla dat ik een keer met Sietse naar een expositie van haar ben geweest. Het was in een tijd dat ze zoekende was hoe ze verder moest, als kunstenares. “Ik kan me jou niet meer herinneren” zegt ze. “Als je creatief wilt blijven moet je ruimte hebben, dus ook dingen vergeten”. Ik knik. Dat herken ik. Het is voor mij de basis van eenvoudig leven. Het gaat niet alleen over spullen, het gaat ook over een opgeruimd gemoed. Over het verwerken van dingen. Afscheid. Denken aan de doden en wat we van ze leren.

Een en twintig was ik. Sietse was mijn allereerste officiële vriendje. Hij was zes jaar ouder, schrijver, avonturier en vrijbuiter. Zijn vertrouwen in mensen was grenzeloos. Even grenzeloos werd zijn val, later, het ongewisse in. En het begon zo mooi en vol vrolijkheid.
We ontmoetten elkaar op creatief kamp Kijkduin. Daarop volgde een weekendrelatie, hij woonde in Hilversum, ik in Leeuwarden, waar zijn zus ook woonde. We schreven over de prachtige onontgonnen gebieden tussen ons, en we geloofden daarin. We tekenden grote rode harten voor elkaar en gloeiden van geluk wanneer we elkaars brieven lazen. Maar als ik naast hem zat kreeg ik steeds meer last van een brok in mijn keel. We zaten stijf van de spanning naast elkaar, en dan kwam er niks meer uit. Voor hij vertrok maakte hij het uit. Het was een brief waarop ik nooit zou kunnen antwoorden. Hij schreef dat hij niet wist wat hij met ons aanmoest en ging op de bonnefooi naar Turkije. Het goede geluk werd hem niet gegeven. Het bericht dat hij was vermoord, leek onwerkelijk. Daarna droomde ik een intense droom, die mijn hele leven is bijgebleven. Ik had van top tot teen kippevel, toen ik wakker werd.

Er is een man in het veld, een grijze herder met een baard. Hij heeft een staf in de hand. Hij loopt op me af, recht zijn rug en kijkt me aan. Dan heft hij de staf boven zijn hoofd. De herder lijkt te groeien en de goedmoedige houten staf verandert in een glimmend scherp zwaard. De stilte is plechtig en geladen, voor hij spreekt. Drie woorden maar.
“Ik moet wel.”

Dan word ik wakker. Dit is voor het eerst dat ik mijn verhaal met hem zo volledig in het openbaar vertel. Nu dus, dankzij Mathijs Deen, die deze radiodocu maakte.
In de docu wordt mijn naam niet genoemd. Alleen: “A. Komt hier dit weekend. ” Dat ben ik. Als de maker me gevraagd had, had ik hem dit verhaal verteld. In de docu komt het over alsof het niet meer was dan een flirt, één van de velen. Maar we meenden het met elkaar, die eerste maanden. Hij schreef ook veel over de dood en dat trof me. Ik herinner me een gesprek over de dood. Dat het een muur was waar hij overheen zou willen kijken, wat er was.
Ik ging met hem naar de schrijverskring van Simon Vinkenoog. Zo onzeker nog, dat ik niet durfde voor te lezen wat ik geschreven had. Ik herkende zijn reislust, nieuwsgierigheid en grenzeloos vertrouwen. Ik stond nog maar aan het begin. Maar die droom was voor mij een waarschuwing. Het sloeg op hem, maar ook op mij. Dit is één van de gebeurtenissen geweest met invloed op de rest van mijn leven. Het heeft me niet bang gemaakt, wel behoedzamer, meer geaard en minder naïef.
Als ik dit verhaal vertel, denken veel mensen aan hun eigen jonge, naïeve reizen, nieuwsgierig, op zoek naar avontuur, of zoekende naar een doel in het leven. Ze zijn dankbaar dat het goed is afgelopen. Bij mij liep het anders. Diverse gebeurtenissen hebben mijn reislust ingetoomd. Het is er nog wel, maar ik houd het aan de teugel. Mijn enige reis als volwassene is geweest de drie maanden door Noord Friesland, vijf jaar geleden. En natuurlijk in 1997, met de boot door Nederland. Toen was ik samen met mijn lief, Michiel. (Hij stierf in 2002). Dat dagboek heb ik bewaard, als een van de weinigen. Ik ben Nederland nauwelijks uit geweest.

Michiel hoefde ook niet verder. Hij verkende land en water vanuit de plek waar hij was, in steeds grotere cirkels. Op de kaart tekende hij dat af, met trots, dikke lijnen over waterwegen die nu tot zijn wereld behoorden. Hij had een bodem van wijsheid, die Sietse nog niet had. Maar Sietse was licht en wendbaar, terwijl Michiel zich al teveel hechtte aan wat hem omringde. Dat maakte hem eigenlijk best wel een stoffig type. Zijn liefde voor mij was het enige wat hem op het laatst nog gaande hield. Zijn motor, zijn liefde, zijn alles. Ik denk aan hem in dankbaarheid daarvoor. Hij had een heel groot hart en heeft mij veel gegeven.
Door hem, en door Sietse, heb ik veel geleerd. Ik probeer licht te blijven en wendbaar, zoals Sietse, en tegelijkertijd toegewijd aan de plek waar ik ben. Zoals Michiel.

Van allebei het beste. In de geest van hen, die mij dit leerden in liefde.

Nogmaals de link voor deze radiodocu die de moeite waard is om naar te luisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis

.