Vier manieren om te helpen

De bossen, de mensen, hier en daar.

.

Tekening van Afra Hartog

Een lage herfstzon schijnt over de weilanden. Alleen een balorige bende kraaien verstoort de rust. Wat kunnen die een herrie maken. Naast me staat een kop koffie. Ja, het leven is goed voor me. Maar soms, als ik weer een boek over Afghanistan lees, of zie hoe het er in het Amazonegebied aan toe gaat, dan gebeurt er iets met me. Ik wil me inzetten voor die mensen. Net als ik, verlangen ze naar een gezond bestaan op een gezonde aarde. Gewoon leven. Voor mij dagelijkse kost. Maar voor hen is niks vanzelfsprekend. De uitzichtloosheid keert almaar terug als een mager spook. Waarom houd ik me bezig met zulke nare dingen? Het is omdat het nodig is. Een noodzaak die puur uit mezelf komt. Er is niemand die erom vraagt. Er is ook niemand die me vraagt om erover te vertellen, hoe het is, daar, ver weg. Als er een vraag komt, dan willen mensen iets weten over mij. Over mijn leven, mijn reis. Het gaat altijd over mij. En jou. Wat ik gedaan heb, beleefd heb, mijn successen, mijn grapjes. Jij lacht, luistert en maakt jouw grapjes. Ja. We blijven lachen. En spelen.

Maar behalve dat is er meer, verder weg. Het vraagt mijn aandacht. Daarom aarzel ik als mensen me opnieuw vragen, om te vertellen van mijn reis, mijn wagen, mijn leven. Want steeds weer, als het stil is, denk ik aan die ander. Die anderen, ver weg, die niet de luxe hebben om te praten over de reis die ze maakten. Die niet kunnen uitweiden over hun innerlijke ontwikkeling. Anderen die alleen maar kunnen vluchten, van hier naar daar. Sommigen hebben nog een thuis, maar hoe lang nog, als dat van alle kanten wordt bedreigd? Een bestaan in rust en vrede is niet alleen goed voor de mensen, maar ook voor de aarde. Als de mensen in het Amazonewoud ongestoord kunnen leven, met elkaar, op hun eigen land, dan zucht de bodem opgelucht. Dan kunnen de bomen weer rustig gaan slapen en meedeinen met het trage ritme van de seizoenen. Dan kunnen ze met hun zacht ritselende bladeren weer beschermers worden. Beschermers, die ze altijd zijn geweest en nog steeds willen zijn. Beschermers van mens en dier.Door zelf met de aarde bezig te zijn, verbind ik me met hen. Mijn bomen zoeken het grondwater op. En het grondwater is verbonden met onze vaart, de Swette, die naar het Ijsselmeer leidt. Het Ijsselmeer, dat verbonden is met al het water op de wereld. Bomen nemen het op via hun wortels. Grondwater, hemelwater. Water, bomen bodem. Dat zijn de verhalen van mijn Verhalenpad. Van hier naar verder, naar overal.

Ik verbind me met de aarde op meer manieren. In totaal zijn er vier belangrijke zaken, waar ik mijn energie aan schenk. Behalve het Verhalenpad zijn er nog drie. Via de werkgroep zet ik me in voor een ander handelsbeleid. We willen af van de moordende concurrentie op wereldschaal. Steeds weer worden er nieuwe handelscontracten afgesloten in de landbouw. Het zijn landen overal ter wereld waarmee afspraken worden gemaakt. De gevolgen zijn niet te overzien en het land van inheemse mensen gaat eraan kapot. Maar het reikt veel verder dan dat. (Zie ook de petitie)

Ik steun Survival International. Een organisatie die het voor inheemse stammen opneemt, al sinds 1969. Door op te komen voor hun rechten, worden regelmatig overwinningen behaald. Het gaat om hun land. Het land van hun voorouders, de eindeloze wouden, die allang niet meer zo eindeloos zijn. Want vele wegen doorkruisen de gemeenschappen van bomen en mensen. De bossen slapen niet meer, ze kunnen niet meer beschermen. De wegen zijn als messen, vandaar uit wordt er steeds meer kapot gemaakt. Deze organisatie vecht voor hun rechten. Dat het land niet nog verder wordt vernield. Overal ter wereld hebben ze contact met inheemse mensen. Ook in het Amazonegebied. Daar ligt vooral mijn aandacht.

De derde is Treesistance. Het is een woordspeling op resistance. Dat betekent verzet. Het betekent dus eigenlijk “Verzet voor de bomen”. Zorgt Survival International met name voor de grote lijnen, zij zorgen voor activistische uitvoering in praktijk. Met het geld van donateurs worden boswachters betaald. Zij krijgen waterdichte schoenen, een goeie uitrusting en GPS mee, om illegale houthakkers op te speuren. Ze werken ook met drones. In een tijd waarin de techniek zo razendsnel gaat, moet je het verzet met diezelfde techniek aanpakken.

Ik kan deze donaties in stilte laten lopen, maar door het uit te dragen kan het een dubbele rente opleveren. Ik vertel dit omdat het voor mij belangrijk is. Belangrijker dan de reis die ik maakte, of hoe mooi ik mijn wagen helemaal zelf heb gebouwd. Ik vertel het om het voor mezelf te herhalen: “Dit is het, waar het mij om gaat.” Ik vertel het voor jullie. Graag wil ik verhalen vertellen vanuit mijn eigen beleving. Maar soms is die er niet, en moet ik putten uit verhalen van anderen. Anderen, ver weg. Misschien zal ik ze op een dag ontmoeten. Misschien. .

.

https://www.survivalinternational.nl/

.

Treesistance:

Struikelen en opstaan

De wortels van mijn bestaan groeiden. Maar mijn CV zag er nog steeds armzalig uit.

.

Tekening: Afra Hartog

.

De luisterversie vind je onder de tekst.

Iemand vroeg mij: Wat wilde je worden, vroeger? Toen ik kind was wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Maar toen ik zeventien was, wist ik het niet meer. Alles was chaos en het leven stroomde als een vloedgolf over me heen. Dood en ongeluk. Uitsluiting, eenzaamheid, angst. Ik had net genoeg tijd om af en toe boven te komen om adem te halen. Maar op mijn CV zag je niks, van dat alles. Toen ik 27 was hoorde ik steeds vaker, met Alowieke wordt het vast nooit meer wat. Anderen zeiden: “Zonde, ze is zo’n talentvolle vrouw!” Sommigen wisten meer van me. “Jammer, dat ze zoveel pech heeft gehad.”

Dat was natuurlijk niet zo. Hun oordeel lag in wat zij zagen als een succesvol leven. Maar ik zag het anders. Elke ervaring was als de berg, die ik wilde beklimmen, ik onderzocht de diepte van mijn bestaan. Mijn wortels groeiden en ik verkende mijn bodem terwijl m’n CV er nog steeds armzalig uit zag. Op de snelweg van het grote leven deed ik aarzelend mijn stappen. Maar van binnen had ik vertrouwen als een rots. Als ze begonnen te duwen werd ik boos. “Laat me!” Want wat je ziet, is niet altijd wat het lijkt. Pijn, verlies en verwarring bieden de mogelijkheid om te groeien. De oogst komt later.

“If there’s a bustle in your hedgerow, don’t be alarmed now. . . . It’s just a spring clean for the may queen.” Zong Robert Plant.

In aansluiting hierop schreef ik dit gedicht. Ook een ander citaat inspireerde mij, dat ik lang geleden las in het blad: “Open deur”. Als je het kent, zul je het zien.

Wat heb ik gestruikeld, ja O wee
liep telkens tegen de lamp
Maar elke keer als dat gebeurde
nam ik een stukje licht mee
Bijgaand leed verdween als damp
Maar nog steeds zijn dit hiaten
Zwijgende gaten in mijn CV
Voor anderen die de norm bepalen
Zo ziet men het, O ja, helaas
Dus blijf ik liever eigen baas
Verteller van verhalen.

De boom wordt hoe langer hoe dikker.

.

.

Na de ceremonie begint het pas

Ik zag de film: Kiva, call of wisdomkeepers. Dit is een verhaal dat meegaat in de stroom, en tegelijkertijd kritisch is.

.

Tekening van Afra Hartog

Tekening van Afra Hartog.

.

Onderaan de tekst vind je de luisterversie.

“Alles draait om energie. Elke plek en elke taal heeft een trillingsfrequentie. Met elkaar zijn we een eenheid.” Ja, dat zijn woorden waar ik me best in kan vinden. Het is als een symfonie, de lichte tonen vullen de donkere aan. Dat spreekt mij aan. Toch praten maar weinig mensen over taal. Over het algemeen zijn het de eerste vier woorden die ik overal terug hoor komen: “Alles draait om energie.” Het echoot door yogaklassen, onder moderne monnikskappen, over het alternatieve podium en het gonst bij spirituele ceremonies. Vooral in het engels. Het enthousiasme waarmee dit wordt gepresenteerd is prachtig, maar gaat vaak snel, vind ik. Moeten we niet vertragen, om er ook echt iets mee te kunnen? Vertragen, om te luisteren. Om te zien, wat er nodig is.

Ik zit in het Lewinskitheater in Sneek. Een kleine informele zaal, vol lekkere stoelen en kleine tafeltjes. Naast me zit Natasja. Ik ken haar van facebook en zij kent mij van mijn blogs. Het is toevallig dat ik haar tref. Zij was net zo verrast als ik. We kijken naar de film: “Kiva, the call of wisdomkeepers”. Kiva, de naam van een bontgekleurde, warmhartige ceremonie met zijn oorsprong in oeroude tijden. Wisdomkeepers van overal ter wereld komen er jaarlijks bij elkaar. Het houdt de moed erin, de energie van de bijeenkomsten maakt dat mensen hun eigen cultuur en hun voorouders blijven herinneren. Het is wat je bent, het is je identiteit die je met de aarde verbindt. “Met elkaar houden we de band met de aarde levend”, zeggen twee vrouwen, in het rood gekleed, zittend aan het water. “Dat geeft hoop.”
Na afloop vertelt de maakster van de film wat een eer het voor haar was, dat ze als beginnend filmster dit alles mocht vastleggen. Al bleven de ceremonies zelf grotendeels buiten beeld, de interviews maakten dat helemaal goed.

Na haar neemt een Friezin plaats op het podium. Ze zit in kleermakerszit op de houten vloer, vlak voor een grote drum. In haar lange blonde haar steekt een veer en nog iets, wat ik niet kan onderscheiden. “De stammen van onder de zeespiegel gaan een belangrijke rol spelen” citeert ze enkele wisdomkeepers. “Dus, waar blijven de Friezen?!” Ze straalt als ze haar verhaal vertelt en de woorden komen vanzelf, zegt ze. Ze praat en praat en gaat ver over de afgesproken tijd. Ik luister met plezier. Het gaat over slangen, uilen, taal, en wat er in ons is. Herkenbaar. Het is in het Fries en ik versta (bijna) alles.

Het is al laat, als de documentaire maakster weer het woord neemt. Ze houdt het kort. “Uiteindelijk moet het niet alleen bij ceremonies blijven,” eindigt ze haar verhaal. “Er is vooral actie nodig. De rivieren moeten weer schoon worden.” Dat is haar laatste zin. Ja, zo is het. En er moet nog veel meer gebeuren. Wat jammer dat het al zo laat is. Met die vraag had het gesprek met het publiek losgemaakt kunnen worden. Wat kunnen we doen? Wat is nodig en hoe zie je jouw volgende stap daarin? Wat doe je al? Daar kun je nog wel een week mee zoet zijn. Of langer. Een avond is kort.

“Ik denk dat we allemaal wisdomkeepers zijn, “elders” die anderen onderwijzen” zegt Natasja naast mij. “Jij misschien nog iets meer dan ik.” Ik zou me vereerd kunnen voelen bij die woorden maar vandaag laat het me onverschillig. De woorden komen dan ook wat stroperig uit mijn mond. “Ik denk de laatste tijd juist, wat heb ik nou eigenlijk te vertellen…” Ze is even stil. “Tja,” zegt ze.

Ik ga verder. “Er zijn momenten dat ik woorden had, en dat er inzichten stroomden als water. Maar woorden bestaan vooral als je met een ander bent. Ogen die kijken en oren die gespitst zijn. Dat inspireert. Ik kan blijven schrijven over het water waar ik naar kijk, over de rimpelingen in het ochtendlicht en alles wat er groeit, maar langzaam verdwijnt de sprankeling als er niemand naast me staat, van wie ik weet dat die luistert. We hebben elkaar nodig. Zelfs de eenzaamste kluizenaar leeft op als hij zijn inzichten kan delen met die ene ziel die hem opzoekt. Of een betekenisvolle blik kan delen met de ander. Ik kan vertellen over de aarde, onder mijn voeten. Maar mijn buren hebben het druk. Ja, ik schrijf erover. Maar ik weet niet wie het leest. Ik zie de ogen niet. Ik hoor niks. Het droogt op.”

Natasja en ik staan op. Natasja spreekt met de Friezin en loopt dan weg. Ik ga ook naar haar toe, de Friezin met haar lange hoogblonde haar. Ik vraag naar de veer, die ze er in heeft gestoken. Die is van een uil, zegt ze. Ik zeg dat ik het beeld van de uil herken. “Ja,” zegt ze “Het gaat om de energie.” Ik wil vertellen hoe mooi het is als woorden komen als een levende stroom. Maar zover komt het niet. Ze kijkt me niet aan. “O! Achter jou staan ook mensen te wachten,” abrupt breekt ze mijn zin af. “Wees kort. Wat wil je zeggen? ” Ineens weet ik het niet meer. Laat maar zitten, denk ik. Zo belangrijk was het vast niet. “Deze avond heeft me wel goed gedaan,” zeg ik nog. Ze glimlacht en nu kijkt ze me wèl aan. “Vanmiddag voelde ik me wat houterig en…” Ik kan het niet meteen uitleggen. Zeker niet als er mensen achter me staan te wachten. Ze begrijpt kennelijk meteen wat ik wil zeggen. Dat is wel makkelijk, dan kunnen we het kort houden. Beslist kijkt ze me aan. “Dat kwam omdat je wist dat je hierheen ging,” zegt ze. “Het was de energie die je voorbereidde.” Ik lach naar haar. Aardig, dat ze kennelijk precies weet wat er speelt. Maar als ik wegloop vraag ik me af wat ze daar nou eigenlijk over kan zeggen als ze me maar zo kort gesproken heeft.

Als we allemaal bewaarders zijn van de wijsheid, dan zal daar een eindeloze variatie in zijn. De een heeft wijsheid in zijn handen, de ander in de klank van haar stem. De een speelt een instrument en de ander speelt met woorden. Een oude boer kan je het verhaal van het riet vertellen, en hoe het riet hem wijsheid leert. Een goede veehouder kent zijn koeien. Er zijn mensen van het water en mensen van het land. Van de dijk en van de stad. Mensen van de vlakte en mensen van de bergen. Allemaal hebben we een eigen verhaal. Als we willen dat er iets verandert, dan zal elk verhaal gehoord moeten worden. Luisteren, luisteren, luisteren. Na de ceremonie begint het pas.

En ik sta op het Friese veld, in de vroege ochtend. En hak het riet langs het Verhalenpad. Anders groeit het dicht. Ik wacht en kijk. Ik spreek af met mensen, meestal vrouwen. In Sneek, in Menaam, in Leeuwarden. Waar gaat het verhaal verder? En hoe? Ik weet het niet. Ik hoef ook niet alles te weten. Als we maar blijven bewegen. De ontmoeting volgt. Ik luister. Ik zal weten wat er nodig is, precies op het juiste moment.

.

.

There wo’nt be english translations anymore. But now, in the end, I really like to know if there was someone who liked them. Can you give a reaction please?

Feestelijke verkenningstocht . . (Festive exploration)

Mensen op het oogstfeest doorbreken het weerspiegelde riet in de ochtendmist. Het is zoals elke dag, het begint en eindigt met stilte en daartussen gebeurt het.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find it underneath.

Het is nog vroeg. In de ochtendschemering hangt de mist over de weilanden. Zo vroeg is het, dat alles zwijgt in de vochtige lucht. Het Verhalenpad ligt er stil bij, geen torenvalken zweven er, geen zwaluwen scheren kwebbelend langs de bult. Ook de zwerm mussen is er niet en de puttertjes hangen nog niet in de kaardebollen. Ik kom uit mijn wagen, net wakker. Ik kijk om me heen. Het belooft een zonnige dag te worden. In mijn pyjama kruip ik langs het schot, waar de koekoeksbloem tegenaan hangt. Een spinnenweb kleeft in mijn gezicht. Dezelfde spin, hetzelfde plekje, tussen de wand en dat loshangende draadje. Vandaag ga ik niet naar mijn opgroeiende sprookjesbos. Vandaag ga ik er op uit. Ik ga naar het oogstfeest in Snakkerbuorren. Daar heb ik al veel van gehoord. Er zijn schilders aan het werk, er is live muziek en er is zelfgebakken taart. Daar houd ik van. Alledrie.

Ze staat in een hoekje achteraf, vlak bij het winkeltje. Op haar doek zie je een schuurtje, gezellig in de zonneschijn. Het hout is grijs geworden. Hetzelfde schuurtje zie ik aan het einde van de steeg. De lucht is stralend blauw, maar zij heeft er een donkere wolkenlucht van gemaakt. Het steegje licht stralend op tegen dat duister. Een roodbruine middenkleur vormt de ondergrond. “Ja, ik houd van die kleur, om mee te beginnen,” zegt ze als ik ernaar vraag. Ik stel allerlei vragen en de vrouw antwoordt met plezier. “Ik wil niet alleen maar naschilderen.” zegt ze. “Ik wil het nu wel eens vanuit mezelf. Iets creëeren wat er nog niet was. Meer dan alleen een plaatje…”
Verderop staat een man met een zelfgemaakte ezel. Het palet is ook eigen fabrikaat. Groot en wit is het. Met een heleboel kleine kloddertjes erop. Het ding glimt van nieuwigheid. “Ze zijn altijd te klein,” zegt hij. Ik knik begrijpend. “Zelf maken dus. Dat knoop ik in mijn oren,” zeg ik en loop verder.
Een stuk verderop hoor ik zingen. “Country road, take me home….” Het zijn lage vrouwenstemmen. Ik loop erheen en zing er helder bovenuit. Fijn als je mezzo bent, dan kan je kiezen, laag of hoog. Onder de zangers is een stevige zwarte vrouw. Ik kijk haar aan terwijl ik uit volle borst de tweede stem zing: “West Virginia, mountain mama” Ik kijk naar haar en zij naar mij. We gaan er allebei van stralen.

Na de hele zomer werken is het goed toeven op dit oogstfeest. Ik voer het ene gesprek na het andere, tot het me te druk wordt. Een dikke stroom mensen golft naar binnen terwijl ik mijn fietsslot openmaak om weg te gaan. En terwijl ik dertien kilometer terug fiets, denk ik aan de liedjes en schetsen die ik thuis heb liggen. Ja, denk ik. Ik ga ermee door. Liedjes van beelden maken, beelden van liedjes. Putten uit het grote palet van kleur en klank, putten uit de bron van verleden, heden en toekomst. Alles begint bij de verbeelding. Zonder verbeelding zijn we niets anders dan de slaaf der gewoonte. Een sprong kan je niet maken, als je je het niet eerst hebt voorgesteld. Als je spieren zich niet hebben voorbereid op de inspanning. Je ogen schatten de afstand, en jij maakt je klaar. Dat kan lang of kort duren. En ik, ik schilder een lied ter bemoediging. Voor de ander, voor mezelf, voor alles. Alleen en met elkaar. De wereld heeft kunst nodig.

Thuis kwetteren de mussen boven de voedertafel. Koolwitjes fladderen boven het raapzaad, vliegen omhoog de lucht in, maar komen steeds weer terug. Net als ik. Steeds weer terug. Eigen haard is goud waard..

Liedje: Onder mijn bed. (Song)

Het verhaal.

.

FESTIVE EXPLORATION

It’s still early. In the morning twilight the fog hangs over the meadows. It is so early that everything is silent in the damp air. The Story Path is quiet, no kestrels hover, no swallows skim chattering along the hump. The swarm of sparrows is not there either and the goldfinches are not yet hanging in the teasels. I got out of my car, just woke up. I look around. It promises to be a sunny day. In my pajamas I crawl along the bulkhead, where the cuckoo flower hangs against. A spider web sticks to my face. The same spider, the same spot, between the wall and that dangling thread. Today I am not going to my growing up fairy forest. Today I’m going out. I’m going to the harvest festival in Snakkerbuorren. I’ve heard a lot about that. There are painters at work, there is live music and there is homemade cake. I love that. All three.

She is standing in a corner at the back, near the greengrocer. On her canvas you see a shed, cozy in the sunshine. The wood has turned gray. I see the same shed at the end of the alley. The sky is bright blue, but she has turned it into a dark cloudy sky. The alley glows radiantly against that darkness. A red-brown middle color forms the background. “Yes, I like that color, to begin with,” she says when I ask. I ask all kinds of questions and the woman answers with pleasure. “I don’t just want to repaint.” she says. “I want to do it on my own now, in the future. Create something that wasn’t there before. More than just a picture…”
Ahead is a man with a self-made donkey. The palette is also own manufacture. It is big and white. With a lot of little blobs on it. The thing gleams with novelty. “They are always too small,” he says. I nod understandingly. “So make it yourself. I’ll tie that in my ears,” I say and walk on.
A little further on I hear singing. “Country road, take me home….” They are low female voices. I walk over and sing clearly above it. Great if you are mezzo, then you can choose, low or high. Among the singers is a big black woman. I look at her as I sing the second voice: “West Virginia, mountain mama” I look at her and she at me. We both shine.

After working all summer, it is good to relax at this harvest festival. I have one conversation after another, until it gets too crowded. A thick flod of people streams in as I open my bike lock to leave. And as I cycle thirteen kilometers back, I think of the songs and sketches I have lying around at home. Yes I think. I am going to do it. Making songs from images, images from songs. Drawing from the large palette of color and sound, drawing from the source of past, present and future. Everything starts with the imagination. Without imagination we are nothing but the slaves of habit. You can’t make a leap if you haven’t imagined it first. If your muscles have not prepared for the effort. Your eyes estimate the distance, and you get ready. That can take a long or short time. And me, I paint a song of encouragement. For the other, for myself, for everything. Alone and with each other. The world needs art.

At home, the sparrows chatter above the feeding table. Cabbage whites flutter above the rapeseed, fly up into the air, but keep coming back. Like me. Coming back, again and again. Your home is your castle.

Een duppie voor vrede . . . (A penny for peace)

Mijn vriend en ik rusten naast een fontein.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Ik ben altijd blij als het regenachtig weer is. Af en toe een bui, mooie wolkenluchten, niet te warm, het is dan zo heerlijk buiten! Het is vreemd dat er niet meer mensen van genieten. Dat vindt Chief Dadá ook. Hij is een van de opperhoofden die zijn leven waagt voor het Amazonewoud.Vorig jaar was hij in Nederland.

“Nederlander, ga naar buiten als het regent.”zegt hij. “Waarom ga je alleen naar buiten als de zon schijnt? Mensen die zich niet verbonden voelen met de natuur moeten beseffen dat ook zij schade berokkenen aan het klimaat en de teloorgang van de bossen. Het is om geld, dat er wordt gekapt. Geld, dat illegaliteit oproept. Geld zou geen prioriteit moeten zijn, geef juist meer liefde. Het leven komt eerste, en dat zit in de rivieren, in de bomen en in de aarde.” Dat is wat hij zei. Het zijn maar een paar zinnen. Om ze te doorleven is er meer nodig. Doorbreken van gewoontes.

Het is ook belangrijk om de elementen te voelen. De wind om je hoofd. Het gras onder de voeten. Soms word je nat, soms is het droog. Gisteren was ik in Zwolle, met mijn vriend Dick. We hebben elkaar daar ontmoet. De zon scheen.

Ik lig op het gras in een park, met Dick naast me. Een heel klein park is het, met een grote fontein in het midden van wel honderdvijftig jaar oud. Hij is opgedragen aan een burgemeester die kennelijk indruk heeft gemaakt. We liggen op onze rug en mijn vingers aaien de grassprietjes. We staren naar de toppen van de bomen in de wind en luisteren naar het geluid van stromend water. De grond is wat vochtig, mijn jas ligt uitgespreid onder me. Slaperig pak ik Dick zijn hand. Ik voel mijn voeten van het lange lopen, door de stad. Nu, zonder al die winkels met oneindig veel spullen om ons heen, voel ik me dichter bij. Dichter bij de aarde, dichter bij Dick en de stemmen die in de verte langs ons heen gaan. Het water in de fontein stroomt maar door. Stil liggen we te kijken en laten ons vermoeide lijf rusten op de altijd geduldige aarde. Dan geef ik hem een zoen en sta op. “Ik wil een wens doen bij de fontein,” zeg ik prompt en loop erheen. Dick volgt me. Ik haal mijn portemonnee uit mijn zak. “Je moet er geld in gooien en dan hardop wensen,” zeg ik. “Een wens voor iemand anders, niet alleen voor jezelf.” Dick diept als eerste een muntje uit zijn broekzak. Het valt als een dikke regendruppel in het bassin. “Wereldvrede,” zegt hij en dan is het even stil. ”Zou tien cent wel genoeg zijn voor wereldvrede?” vraagt hij aarzelend. Ik knik van ja en ondertussen pak ik de kleinste munt die heb. Geld is niet belangrijk. Het gaat om de intentie. Ik kijk naar de fontein. Het onderste bassin is het grootste. Daarboven zijn nog een paar kleinere. Het water stroomt van de één in de ander. Ik gooi mijn muntje in een van de bovenste, kleinere kommen. Met een harde tik raakt het de naam van de burgemeester die er boven staat. Dan ploept hij in het water en zinkt. “Ik wens dat alle inheemse mensen hun land terugkrijgen,” zeg ik vastbesloten. Dick knikt. “Dat gaat vast goed komen”.

Hand in hand lopen we het park uit. Nog even, voor de dag voorbij is en onze wegen scheiden. Morgen gaat het regenen. Zachte druppels op de aarde. Goed voor de paddestoelen en de schimmels. We lopen verder. Onze voeten maken een pad, met elke wens die we doen. Als sporen van funghi op vochtige aarde. Ver kunnen ze vliegen, die sporen, heel ver door de lucht. Alleen gedachten, die reiken verder. Gedachten aan de ander, aan hun wouden, hun thuis. Ik denk aan ze, met liefde.

(Beluister ook het liedje, door hieronder op de knop te drukken.)

.

Lees het artikel over Chief Dadá : https://www.vn.nl/chief-dada-amazonegebied/

.

.

.Verhaal:

Alleen het liedje, “Vredeslied van de maan”

.

A penny for peace

I am always happy when the weather is rainy. Occasionally a shower, beautiful cloudy skies, not too hot, it’s so wonderful outside! It’s strange that not many people enjoy it. Chief Dada thinks so too. He is one of the chiefs who risks his life for the Amazon forest. Last year he was in the Netherlands.

“Dutchman, go outside when it rains,” he says. Why do you only go out when the sun is shining? People who do not feel connected to nature should realize that they too are causing damage to the climate and the loss of forests. It is for money that it is cut down. Money that creates illegality. Money should not be a priority, give more love. Life comes first, and that is in the rivers, in the trees and in the earth.” That’s what he said, in just a few sentences. It takes more to live through them. Breaking habits.

It is also important to feel the elements. The wind around your head. The grass under your feet. Sometimes you get wet, sometimes it’s dry. Yesterday I was in Zwolle with my friend Dick. We met there. The sun was shining.

I’m lying on the grass in a park, with him next to me. It is a very small park, with a large fountain in the middle that is one hundred and fifty years old. It is dedicated to a mayor who has apparently made impression to the people. We lie on our backs and my fingers stroke the blades of grass. We stare at the tops of the trees in the wind and listen to the sound of running water. The ground is a bit damp, my coat is spread out beneath me. Sleepily I grab Dick’s hand. I feel my feet from the long walk through the city. Now, without all those shops with endless stuff around us, I feel closer. Closer to the earth, closer to Dick and the voices that pass us in the distance. The water in the fountain keeps flowing. We lie still and watch and let our weak bodies rest on the always patient earth. Then I kiss him and get up. “I want to make a wish at the fountain,” I say promptly and walk over. Dick follows me. I take my wallet out of my pocket. “You have to put money in and then wish out loud,” I say. “A wish for someone else, not just for yourself.” Dick is the first to dig a coin out of his pocket. It falls like a thick raindrop into the basin. “World peace,” he says and then there is a moment of silence. “Would ten cents be enough for world peace?” he asks hesitantly. I nod yes and meanwhile I take the smallest coin I have. Money is not important. It’s about the intention. I look at the fountain. The lower basin is the largest. Above that are a few smaller ones. The water flows from one to the other. I toss my coin into one of the upper, smaller bowls. With a loud tap it hits the mayor’s name above it. Then he plops into the water and sinks. “I wish all indigenous people to get their land back,” I say firmly. Dick nods. “I’m sure it will be fine”.

We walk out of the park hand in hand. It is just a little while, before the day is over and our ways part. It’s going to rain tomorrow. Gentle drops on the earth. Good for mushrooms and funghi. We walk on. Our feet make a path, with every wish we make. Like spores of funghi on moist soil. They can fly far, those spores, very far through the air. Only thoughts, they reach further. Thoughts of the other, of their forests, their home. I think of them with love.

De taaie tijd van verwachting . . . (The tough time of expectation)

Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is.

.

Wilgenroosje

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find it underneath.

Iets wat langzaam groeit bouwt levensvatbaarheid op. Het is een taaie tijd van verwachting, met gebarsten klei en blad dat knispert van droogte. Maar eens valt de regen en barst de knop.

Het is het eerste wat ik doe. Ik heb mijn pyjama nog aan en zelfs mijn oefeningen nog niet gedaan. Het zonlicht schijnt als zilver over de dauw, die als een glinsterende druppeldeken over de weide heen ligt. Ik loop door het gras, nog dromerig van de slaap. Ik stroop mijn pyjamabroek wat op, anders wordt hij kletsnat. Het hoekje om bij de sloot, het weiland over naar die ene plek. Het paradijs. Het wilde pad dat ik met eigen handen schiep. De zon hielp mij. En de regen, de sloten, de beestjes in de grond. En natuurlijk, de dertien kuub compost.

Bij de ingang blijf ik staan, naast het bordje met de vervaagde tekst. Je kan het nog net lezen, vergrijzende letters in romig wit. “Verhalenpad”. Er heeft zelden iemand naar gevraagd. Behalve die kinderen, in het begin. Ze kwamen naar me toe: “Waar zijn de verhalen?” Ik moest lachen. Ik heb het ze laten zien. Spinnetjes, in het gras. Heel veel spinnetjes die verhalen schrijven met heel veel pootjes.

Op sommige plekken is het gras nu al helemaal verdwenen. Een tapijt van zilverschoon strekt zicht uit. In de lente zullen gele bloemen stralen als sterren. Het plantje hoort hier thuis, maar evengoed heb ik er hard aan gewerkt dat het er kwam. Heb gegraasd als een geit. Elke dag opnieuw. Gras uittrekken en steeds weer neerleggen, eromheen. Dikke pollen uitsteken, ruimte maken. Niet met hele vlaktes tegelijk, maar dan weer hier, dan weer daar. Als je het niet weet, dan zie je het niet, al dat werk. Zoals vaak. Je moet het horen.

En nu sta ik hier, in de frisse vroege ochtend, aan het begin van het pad. Het is als een dompeling. Als je dit ziet, vergeet je alles. Achter de hoog opgegroeide haag bloeit van alles. Wit en lila raapzaad, roze wilgenroosjes, een concert aan bloemen zingt me tegemoet. Hier en daar zie ik een stipje geel van mosterdzaad en het paars van de twaalfjarige luzerne. Naarmate het jaar verstrijkt wordt het steeds uitbundiger. Een veldmuisje kruipt gauw weg onder een bosje geel veldlathyrus. In de verte schudt een haas de druppels van zijn vacht. De zeven torenvalken zie ik vandaag niet. Zelfs geen eentje. De blauwe kiekendief ook niet. Ik weet niet waar ze zijn. Ze komen wel weer terug. Eten zat.

Er groeit een palet aan verhalen. En er komen er nog veel meer.

Ik heb nu een paar keer iemand rond kunnen leiden. Gisteren vroeg iemand mij erom. Een vrouw, even oud als ik. Niet omdat ze bessen wilde eten of zo. Gewoon omdat ze het wilde zien, en mijn verhaal wilde horen. Dat is best bijzonder. De meeste mensen willen zelf iets, of verzinnen hun eigen verhaal. Ze lopen het liefst in hun eentje en laten hun fantasie gaan. Een enkeling neemt een vriendin mee om alles te laten zien. Ze komen als ik er niet ben. Dat kan natuurlijk ook. Ten slotte is het een verhalenpad. Hoe meer verhalen hoe beter. Ook zonder mij gaat het door. Maar toch wil ik ook zelf wel eens mijn verhaal vertellen. Mijn verhaal in het weelderige groen, dat groeide met eelt op mijn handen en zweet op de rug. Met beelden en woorden die net zo goed moeten groeien als de mispel en de lijsterbes. Hoe langer je wacht, hoe dieper het gaat. Maar als het er is, dan is het er. Al zie je het nog niet. Net als wortels in de grond. Het groeit. Eens komt het verhaal naar buiten. Als een barstende knop, vol levenslust na een droge lente. Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is. Het verhaal is taai, en wacht op het juiste moment. Net als de knop van een bloem. Of als zaad in de grond.

Zo is het. Nu. Hier, daar, overal.

.

De bloemen worden wakker
ze glinst’ren van de dauw
Ze knikken met hun kopjes
Kom hier, kom nu, kom gauw!
Zacht ritselt gindse lindeboom
en lispt als in een droom
Goedendag, goedendag mijn liefste,
Goedendag.

Lied, geïnspireerd door een oud Hollands wiegelied. Maar ik keerde het naar de ochtend.
In de luisterversie hoor je “werkfee” in plaats van “liefste”. Het laatste vond ik toch beter passen in de droom.

.

.

,

.

.

.

Zilverschoon

.

.

Rozenbottel

.

.


Ruwe berk (3,5 jaar oud, 2,5 jaar na aanplant)

.

.

.

.

The tough time of expactation

.

Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft.

Something that grows slowly builds viability. It’s a tough time of anticipation, with cracked clay and leaves crackling with drought. But one day the rain falls and the bud bursts.

It’s the first thing I do when I wake up. I’m still in my pajamas and haven’t even done my exercises yet. The sunlight shines like silver over the dew, which lies like a glittering blanket of drops over the meadow. I walk through the grass, still dreamy with sleep. I roll up my pajama bottoms, otherwise they will get soaking wet. Around the corner at the ditch, across the meadow to that one place. The Paradise. The wild path I created with my own hands. The sun helped me. And the rain, the ditches, the bugs in the ground. And of course, the thirteen cubic meters of compost.

I stop at the entrance, next to the sign with the faded text. You can just read it, aging letters in creamy white. “Story Path”. Rarely has anyone asked about it. Except for those kids, in the beginning. They came to me: “Where are the stories?” I laughed. I showed them. Spiders in the grass. Lots of little spiders writing stories with lots of legs.

In some places the grass has already completely disappeared. A carpet of silver beauty stretches out. In spring, yellow flowers will shine like stars. The plant belongs here, but I also worked hard to get it there. Grazed like a goat. Every day again. Pull out grass and put it down again and again, around it. Stick out thick clumps, make room. Not with whole plains at once, but then here, then there. If you have no idea, you don’t see it, all that work. As often. You have to hear about it.

And now here I am, in the crisp early morning, at the beginning of the path. It’s like a immersion. When you see this, you forget everything. Everything blooms behind the high-grown hedge. White and lilac rapeseed, pink willowherbs, a concert of flowers sings to me. Here and there I see a speck of yellow from mustard seed and the purple from twelve-year-old alfalfa. As the year goes by, it gets more and more exuberant. A field mouse quickly crawls away under a bush of yellow field lathyrus. In the distance, a hare shakes the drops from its fur. I don’t see the seven kestrels today. Not even one. Not even the hen harrier. I don’t know where they are. They’ll be back. Sat eating.

A palette of stories is growing. And many more are coming.

I’ve been able to show someone around a few times now. Someone asked me about it yesterday. A woman, the same age as me. Not because she wanted to eat berries or anything. Just because she wanted to see it and hear my story. That’s pretty special. Most people want something for themselves, or make up their own story. They prefer to walk alone and let their imagination run wild. A few bring a friend to show them everything. They come when I’m not there. That is also possible, of course. Finally, it is a story trail. The more stories the better. It goes on without me. Now, and when I m dead. But I ‘m still living, and I also want to tell my own story. My story in the lush green that grew with calluses on my hands and sweat on the back. With images and words that should grow just as well as the medlar and the mountain ash. The longer you wait, the deeper it goes. But if it’s there, it’s there. Even if you don’t see it yet. Like roots in the ground. It grows. Once the story comes out. Like a bursting bud, full of zest for life after a dry spring. Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft. The story is tough, waiting for the right time. Like the bud of a flower. Or as a seed in the ground.

That’s how it is. Now. Here, there, everywhere.

.

Song, inspired by an old Dutch lullaby.

The flowers wake up early
they glisten with dew
They nod their kind heads
Come now, the world is new!
Softly rustles yonder linden tree
and lisps special to me,
Lovely day, lovely day, my dearest, lovely day.

Brief aan de kunstenaars

Een verhalende sollicitatiebrief

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

There is no english translation today.

.

.

Dag mensen,

Het is bijzonder, om weer terug te komen in Leeuwarden, na meer dan dertig jaar. Ooit studeerde ik hier op het Groot Schavernek, voor docent drama, en woonde bij de start van de Elfstedentocht. Die ik helaas nooit heb meegemaakt. Nu keer ik weer als breed georiënteerd kunstenaar, met een verhaal. Het is best lang, dat verhaal. Maar het laatste stukje ervan zal ik vertellen.

In 2020 kwam ik aan, met mijn Rijdende Verhalenhuis, in Bears op Ecocamping de Swetteblom. Boer Jochum heette me hartelijk welkom, met zijn woeste bos grijs haar. Ik had een reis gemaakt van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Het boek dat ik schreef werd feestelijk gepresenteerd en kwam zelfs terecht in de bibliotheek. Een boek dat mijn band met de aarde verkent, vol ontmoetingen. Het boek waarin een ieder kan lezen wie ik ben en op welk pad het lot mij bracht. Het was een lange weg, met veel hobbels en kuilen. Maar het maakte me authentiek, inventief en zelfvoorzienend. Vaak was het zwaar, maar mijn nieuwsgierigheid doofde niet. Integendeel.

Ik woonde en werkte in Utrecht, aan de gracht. Was ook rondvaartschipper. Ik hield van de plek waar ik was, maar de geschiedenis ervan woog op mijn rug en doofde mijn creativiteit. Ik wilde verder. Dat deed ik. Ik begon een nieuw leven. Ontwierp en bouwde mijn Verhalenhuis, ging ermee op pad. Verhalen rijgen zich aaneen, niet alleen in het boek, maar op talloze manieren. Elke week maak ik een blog, elf jaar inmiddels al. Er staan tekeningen bij, en korte en lange films. Er zijn gedichten en podcasts. Een hele schatkist, inmiddels.

Nu woon ik al een tijdje op de Swetteblom. De belangrijkste bezigheid was het aanplanten van een Verhalenpad. Vierhonderd bomen en struiken bieden een thuishaven voor allerlei dieren. Ooit, in de toekomst, zullen mensenhanden er noten en appels kunnen rapen, in de herfst. Het begint al aardig groot te worden. Het duurt niet lang meer, dan kan het verder groeien zonder dat ik er steeds bij moet zijn.

Het bosje is een deel van het verhaal wat ik wil vertellen. Het verhaal, dat mensen en natuur niet gescheiden zijn, maar bij elkaar horen. Dat we hier hard aan moeten werken. Maar alleen het bosje is niet genoeg, om dat te vertellen. Er zijn zoveel bosjes… Het verhaal is méér dan dat. Het gaat over de aarde en alles wat er leeft. Om het door te geven, om het meer te laten zijn, moet ik erover vertellen. Niet alleen in woord, maar ook in beeld, in een ruimte waar ook andere mensen kunnen komen. Vele schetsen liggen klaar om uit te werken. Ik maakte ze als tekening, voor mijn blog. Soms wordt ernaar gevraagd. Verkoop je ze niet? Nee, zeg ik dan, ik wil er nog iets mee. Schilderen, verwerken, het is nog niet klaar. Maar dat kan nu niet. Het is praktisch onmogelijk. Het huisje van mij is heel erg klein. Ik heb een atelier nodig.

Ik vroeg Anne Graswinckel, met wie ik ooit samen op het Schavernek zat. Of ze iets wist. En Edith Stultiens. Zo kwam ik erachter dat dit atelier vrij kwam. Ik hoop dat het wat wordt. Niet alleen om aan het werk te kunnen, maar ook om andere kunstenaars te kunnen ontmoeten en samen dingen te kunnen organiseren. Ik hoop dat mijn verhaal aanspreekt, en dat ik in de toekomst meer van jullie zal horen.

Met hartelijke groet,

Alowieke van Beusekom

.

.

Het boek is nog steeds te bestellen, het liefst bij de uitgeverij zelf, daar hebben we het meeste aan: https://www.uitgeverijlouise.nl/boeken/boek?tx_usersales_bookshow%5Baction%5D=show&tx_usersales_bookshow%5Bbook%5D=82&tx_usersales_bookshow%5Bcontroller%5D=Book&cHash=eb1af16aa2b7818717898385c8f62880

.

Weg van de gewenning. . . (A Way form the habbit)

Alles begint en eindigt bij het parkeren van je auto.

.

Niet parkeren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Vanuit mijn huis kan ik het net zien, tussen alle begroeiing door. Het veld, de sloot, met de rietkraag eromheen, en het weiland erachter. Het weiland in de zomer is anders dan in de winter. In de winter is alles verlaten. Het enige wat je hoort is het gekwetter van spreeuwen en het staccato geroep van de kramsvogels wanneer ze je zien. Het geluid van hun vleugels, wanneer ze massaal opvliegen. In de zomer zijn de kramsvogels weg. Andere vogels trekken zich terug op andere weiden, die helaas niet biologisch zijn en lang niet zo onberoerd als de onze. Voor onze boer is de wei om te hooien en wilde bloemen te laten groeien. Voor de weekendgasten, op weg naar hun feestje, is het vooral een lege ruimte. Wat doe je daarmee? Natuurlijk, een balletje trappen. Maar in de eerste plaats: je auto neerzetten. Of je nou links stemt of rechts, Groenlinks of BBB, bijna iedereen doet het. Gewoontes zijn hardnekkig. Ik denk: Als we het in deze oververhitte wereld anders willen, zullen we ergens moeten beginnen. Verandering van gewoontes.

Wanneer ik net mijn huis op orde heb, komt de eerste auto aanrijden. Hij parkeert achter de sloot met een snelle draai in. Het is het laagste stuk. Als het winter was, had hij nu vastgezeten. Het heeft nu ook veel geregend, maar zompig is het nog niet. Ik kijk er goed naar en realiseer me iets. Op die plek groeit mijn thee! Smalle weegbree is het, voor de luchtwegen. Het staat op een bijzonder plekje. Nadat een dampendhete berg bladcompost de hele grasmat had verschroeid, was het enige wat overleefde dit zaad. Het zaad van de weegbree. Nu het staat daar, in een mooie cirkel, dicht op elkaar, zonder ook maar één grassprietje ertussen. Ik ben er blij mee. Ik loop erheen en zie inderdaad een spoor, dwars erdoorheen. De automobilist had er zeker zin in, dat feestje. Hij is met een vaartje doorgeschoten in zijn achteruit, een heel eind het weiland op.

Ik loop naar de kampeerders. Er zijn er al een paar bezig hun tent op te zetten. Hun jonge stemmen klinken vrolijk en opgewekt. Er staat zachtjes een muziekje aan, rustige lichtvoetige jazz is het. “Hoi!” roep ik “Er is iemand door mijn thee gereden.” Ik kijk verkennend rond. De jongen die het laatst aankwam komt meteen naar me toe. Hij loopt met me mee en geïnteresseerd ziet hij wat hij eerst niet zag. “Goh,” zegt hij “Ja zeg! Ik denk dat de anderen dit ook niet zien. Ik zal het omheinen, met een touw.” Hij gaat meteen aan de slag. Ondertussen stelt hij allerlei vragen, hoezo die kruiden op deze plek, en helpt het inderdaad zo goed voor de luchtwegen. Met plezier geef ik antwoord. Maar zijn auto staat nog steeds midden in de wei. Ik wijs hem op een hoger stuk, vlak langs de weg. “Daar is beter. Daar parkeren vaker auto’s” zeg ik “Als je hem midden op het veld laat staan, dan zetten de anderen hun auto’s er straks naast. Dan ben jij het voorbeeld. Beter van niet.” Hij snapt het meteen en zet zijn auto neer op de gewezen plek.

Het leven bestaat uit talloze gewoontes. Met elkaar maken we ons bestaan op aarde, zoals het is. Inmiddels erkent iedereen dat het anders moet. Dat we de natuur meer plek moeten geven, gewoon, waar we wonen. Steeds meer mensen begrijpen hoe belangrijk een losse humusrijke bodem is, als basis voor al het leven. De meeste snappen het wel, maar hoe pas je dat toe? Je doet wat je doet en de agenda zit vol. Je schiet van het één naar het andere, en schiet gauw door. Dat is vergeeflijk, maar daar begint het wel mee. De verandering.

Later die dag kom ik er weer terug. Ik knip de platgereden blaadjes af om te drogen. Vertederd kijk ik naar het witte touw, dat mijn thee omheint. En naar de drie geparkeerde auto’s, op het hoge stuk, vlak langs de weg. Die jonge lui zijn toch niet gek! Opnieuw denk ik, wie weet kan het. Wie weet komt het toch, uiteindelijk, allemaal goed.

.

.

A Way from the habbit

From my house I can just see it, through all the vegetation in front of the window. The field, the ditch, with the reed around it, and the meadow behind it. The pasture in the summer is different than in the winter. In winter everything is deserted. All you hear is the twitter of starlings and the staccato calls of the fieldfares when they see you. The sound of their wings, when they take flight. In the summer the fieldfares are gone. Other birds retreat to other pastures, which unfortunately are not organic and not nearly as untouched as ours. For our farmer, the meadow is for making hay and growing wild flowers. For the weekend guests, on their way to their party, it is mainly an empty space. What do you do with that? Of course, kick a ball. But first of all: park your car. Whether you vote left or right, Groenlinks or BBB, almost everyone does. Habits are persistent. I think: If we want to change things in this overheated world, we have to start somewhere. Change of habits. Everything starts and ends with parking your car.

When I’ve just got my house in order, the first car drives up. He parks behind the ditch with a quick turn. It’s the lowest part. If it were winter, he would be stuck by now. It has also rained a lot now, but it is not soggy yet. I look closely and realize something. That’s where my tea grows! Narrow plantain it is, for the respiratory health. It is in a special place. After a steaming hot mound of leaf compost scorched the entire turf, the only thing that survived was this seed. The seed of the plantain. Now it’s there, in a nice circle, close together, without a single blade of grass in between. I’m happy with it. I walk towards it and indeed see a track, right through it. The motorist was certainly looking forward to that party. He sped along in reverse, a long way out into the pasture.

I walk to the campers. Some of them are already setting up their tents. Their young voices sound cheerful. There is soft music playing, quiet light-footed jazz it is. “Hi!” I shout “Someone drove through my tea.” I look around. The boy who arrived last comes straight to me. He walks with me and with interest he sees what he didn’t see before. “Gosh,” he says “Yes! I don’t think the others see this either. I will fence it in with a rope.” He immediately gets to work. In the meantime he asks all kinds of questions, why those herbs in this place, and does it indeed help so well for the airways. I will answer with pleasure. But his car is still in the middle of the meadow. I point him to a higher area, close to the road. “There is better. Cars park there more often” I say “If you leave it in the middle of the field, the others will park their cars next to it. Then you are the example. Better not.” He immediately understands and parks his car at the designated spot.

Life consists of countless habits. Together we make our existence on earth, as it is. Everyone now recognizes that things have to be done differently. That we should give nature more space, just where we live. More and more people understand how important a loose, humus-rich soil is, as the basis for all life. Most get it, but how do you apply it? You do what you do and the agenda is full. You shoot from one thing to the next, and quickly shoot through. That’s forgivable, but that’s where it starts. The change.

I’ll be back later that day. I cut off the flattened leaves to dry. Endeared, I look at the white rope that surrounds my tea. And to the three parked cars, on the high part, close to the road. Those young people aren’t crazy! Again I think, who knows. Who knows, maybe it will all work out in the end.

Er is toekomst . . . (There is future)

Een verhaal over de tegenstelling tussen efficienty en verwondering, of ontzag.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath.

“Als ik dan elke dag riet aan het snijden ben. . .” begin ik te vertellen. . . Naast me, op de lange bult, staat een bezoeker. Hij kwam vooral omdat hij hier bessen had gezien. Of hij die mocht plukken. Dat vond ik prima, maar dan wel met een verhaal erbij. Tenslotte is dit geen Eetpad, maar allereerst een Verhalenpad. “dan voel ik me zo klein in dit landschap” vervolg ik mijn verhaal. “Alles zou riet zijn, zonder ons. Eindeloos, tot de horizon. Sta ik daar met mijn sikkel.” Maar de man is niet gevoelig voor poëzie. “Ja.” Hij glimlacht geruststellend. “Maar dat hoeft niet meer. Daarvoor hebben we machines.” Ik schud mijn hoofd. “Dat is niet wat ik bedoel. Als je met de hand werkt, met je voeten op de klei, dan voel je je veel meer verbonden met het land.” Zijn mond hangt een beetje open. “O..” zegt hij. We lopen een stukje verder, want hij ziet een bessenstruik. Gretig begint hij te plukken. “We moeten meer bessen eten,” zegt hij kauwend. Ik kijk het een poosje aan. “Laat je nog wat over?” vraag ik dan droogjes. Hij schrikt op. “O ja”. Dan vertel ik verder over het werk. “Ik hak vooral riet met de sikkel. Dat is wel doorwerken, al die meters.” Hij kijkt me vaderlijk aan. “Je kan ook een bosmaaier gebruiken,” licht hij me voor. Maar ik ben zeer beslist in mijn antwoord. “O nee. Geen bosmaaier hier. Een bosmaaier maakt blind en doof. Op een Verhalenpad leer je juist verhalen zien. En te horen. Ik kijk liever naar een broedende vogel in plaats van per ongeluk zijn nest stuk te raggen.” Hij kijkt schuldbewust. Alsof hij het persoonlijk was, die dat deed. Alsof hij het eigenlijk niet goed mag keuren, dat door mechanisatie zoveel over het hoofd wordt gezien. Maar ja. Het moet wel. Denkt hij.

De volgende dag sta ik daar weer. Maar dan alleen. Het is nog vroeg, half acht in de ochtend. De zon is nog niet achter de sluierwolken vandaan gekomen. Ik houd van die koelte. Straks zal het vast weer broeierig worden. In mijn hand heb ik dit keer de heggenschaar. Daarmee kan ik preciezer werken. Op mijn hurken waggel ik door het gras om beginnende rietstengeltjes kort en klein te maken. Het gaat toch verrassend snel. Ik kom bij een hoger bosje, dat ik rond een stokroos gelaten heb. De lange stengels zijn omgewaaid door de storm, maar hij bloeit gewoon door, op de grond. Mooie grote bloemen, vol hommels, een zoemend bloemenbosje is het. Steeds dichter kom ik bij de stengels. Het geluid van de heggenschaar is het enige wat ik hoor. Het is windstil en zelfs de karekiet in het riet houdt zijn snavel. Tik tik, doet de schaar. Maar dan ineens krioelt het, daar waar eerst beschutting was van gras en klein riet, vlak achter de bloemen. Nu is het er kaal. Mieren lopen kris kras door elkaar, en beginnen eieren naar buiten te brengen. Een bruinoranje nachtvlinder hipt ongelukkig rond. Hij springt op mijn toegestoken vinger. Ik heb zijn linker vleugel afgeknipt. Stom. Ik wist het immers best, dit bosje moest ik zo laten. Ik ben te ver gegaan.

Ik probeer dit steeds te voorkomen. Al werkend blijf ik kijken. Ik ziet de hommel, die uit zijn hol komt en trek me respectvol terug. Er is immers genoeg werk. Dus ik ga verder bij de hazelaars, brandnetels uittrekken, gele wortels met kluiten eraan. Ik schud ze uit en gooi ze op een hoop. De brandnetels voor me bloeien nog niet. Ze zijn fris en groen, de blaadjes. Dan zie ik opnieuw die kleine zwarte bolletjes op het blad. Het zouden korrels aarde kunnen zijn, die ik daar rondgestrooid heb. Maar ze zijn perfect rond van vorm en liggen op gelijke afstand van elkaar. Dat trekt mijn aandacht. Even verderop zie ik een kleine zwart met grijs gestreepte rups. Ah, het zijn dus toch eitjes! Opnieuw stop ik. Ik heb immers al een heel stuk gedaan, de rest mag blijven voorde vlinders . Ik loop terug. Het is tijd voor pauze. Bij de entree staat een bos verdwaalde oeverplanten, die zich als lange tongen achter de haag verzamelen, in de vochtige greppel. Ik weet dat daar in die buurt een kleine hommel woont, onder het pellet dat daar ergens ligt te rotten. Ik laat het. Al betekent het meer werk, om het steeds weer te begrenzen. Op een dag zal dat steeds minder worden. Op een dag.

Even later zit ik tevreden in mijn kas koffie te drinken. Voor de deur loopt een stel meiden langs, het zijn dertigers. Hun tentjes staan hier op het veld en ze zijn op weg naar mijn buurvrouw. Glimlachend kijken ze bij mij naar binnen. Ik weet, het ziet er knus uit. Ik roep naar ze: “Denken jullie aan de vlinder??” Want natuurlijk, ik heb het ze verteld. Elke dag om dezelfde tijd zit er een Atalanta te zonnen op het zandpaadje. “Ja!” roept de een, “We lopen er steeds met een grote boog omheen!” Mijn glimlach verbreed zich tot een grijns. Glanzend kijk ik ze na. Er is toekomst.

.

.

THERE IS FUTURE.

A story about the contradiction between efficiency and wonder, or awe.

.

“When I am cutting reeds every day. . .” I start my story. Next to me, on the long hump, is a visitor. He came mainly because he had seen berries here. If he could pick it. I thought that was fine, but with a story to go with it. After all, this is not a Food Path, but first and foremost a Story Path. “I feel so small in this landscape” I continue. “Everything would be reeds without us. Endless, to the horizon. And I stand here with my sickle.” But the man is not sensitive to poetry. “Yes.” He smiles reassuringly. “But that is no longer necessary. We have machines for that.” I shake my head. “That’s not what I mean. When you work by hand, with your feet on the clay, you feel much more connected to the land.” His mouth hangs open a little. “Oh…” he says. We walk a little further, because he sees a berry bush. He eagerly begins to pick. “We need to eat more berries,” he says, chewing. I watch it for a while. “Do you leave some left?” I ask dryly. He startles. “Oh yeah”. Then I tell him more about the work. “I mainly chop reeds with the sickle. That means continuing to work, all those meters.” He looks at me paternally. “You can also use a brushcutter,” he explains. But I am very firm in my answer. “Oh no. No brushcutter here. A brushcutter makes blind and deaf. On a Story Path you learn to see stories. And to hear. I’d rather watch a nesting bird than accidentally destroy its nest.” He looks guilty. As if it was him personally who did that. As if he shouldn’t actually approve of the fact that so much is overlooked due to mechanization. But yeah. It has to, he thinks.

The next day I am there again. But then alone. It is still early, half past eight in the morning. The sun has not yet come out from behind the veil clouds. I like that coolness. Soon it will be sweltering again. In my hand I have the hedge trimmer this time. This allows me to work more precisely. On my haunches, I waddle through the grass to cut budding reed stems short and small. It goes surprisingly fast. I come to a higher bush, which I left around a hollyhock. The long stems have been blown over by the storm, but it continues to bloom on the ground. Beautiful large flowers, full of bumblebees, it is a humming bunch of flowers. I get closer and closer to the stems. The sound of the hedge trimmer is all I hear. There is no wind and even the reed warbler keeps its beak in the reeds. Tap tap, do the scissors. But then suddenly it is teeming there, where there used to be shelter of grass and small reeds, just behind the flowers. Now it is bare. Ants criss-cross each other, and begin to bring out eggs. A brown-orange moth hops around unhappily. He jumps on my stabbed finger. I cut off his left wing. Stupid. After all, I knew best, I had to leave this bush as it was. I’ve gone too far.

I always try to avoid this. I keep watching while working. I see the bumblebee coming out of its hole and respectfully withdraw. After all, there is enough work. So I move on to the hazels, pull up nettles, yellow roots with clods on them. I shake them out and toss them in a pile. The nettles in front of me haven’t bloomed yet. They are fresh and green, the leaves. Then I see those little black dots on the leaf again. It could be grains of earth that I scattered there. But they are perfectly round in shape and are equidistant from each other. That catches my attention. A little further on I see a small black and gray striped caterpillar. Ah, so they are eggs! Again I stop. After all, I’ve already done a lot, the rest can stay for the butterflies. I walk back. It’s time for a break. At the entrance there is a bunch of stray shore plants, which gather like long tongues behind the hedge, in the low moist ground. I know there’s a little bumblebee living in that neighborhood, under the pellet that’s rotting there somewhere. I leave it. Although it means more work to limit it again and again. One day it will become less and less. One day…

A little later I am satisfied in my greenhouse drinking coffee. A group of girls walk by in front of the door, they are in their thirties. Their tents are here on the field and they are on their way to my neighbor. They smile at me. I know, it looks cozy. I call out to them: “Do you remember the butterfly??” Of course, I told them. Every day at the same time there is an Atalanta sunbathing on the sandy path. “Yes!” shouts one, “We always walk around it!” My smile widened into a grin. I stare at them gleefully. There is future.

Labyrint . . . labyrinth

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath

.

Vandaag ga ik naar de Vlierhof, waar mijn vriend Dick de hele zomer woont. Dat is een levendige plek. Ze hebben me graag, met mijn groene vingers en verhalen. Vooral de tuinvrouwen. Die komen handen en vooral ogen te kort. Ik heb er twee leren kennen. De een voor het grote werk, de ander richt zich op één speciale plek: Het labyrint. Ze nam het werk over van haar voorgangster. Ik herken iets in de concentratie waarmee zij bezig is. En deze dag wil zij het delen. Dus het is daar, waar wij elkander treffen. Karlijn, zes anderen en ik.

Een labyrint is geen doolhof. Het is een oude geometrische vorm, die bedoeld is om aandachtig of meditatief te bewandelen. Voor sommigen gaat dat diep, anderen wandelen met een opgeruimde glimlach. Weer anderen lopen tegen hun ongeduld aan, en willen er eigenlijk meteen alweer uit. Of je komt het allemaal tegen, één voor één.
Ik maak mijn ronde om het labyrint. Ik stap over de bakstenen heen, die als platte kantelen de cirkel omringen. Als stralen rond de maan. Net als ik weer bij de ingang kom, kraait een haan. En als er een haan kraait, dan ga ik naar binnen.
Daar loop ik dan. Dankzij de haan. Het labyrint is als het leven zelf. Ja, dat merk ik wel. Door de haan ben ik erin gekukeld. Het leven in, als een lang parcours, niet van te voren te overzien, als je ervoor staat. Net als 58 jaar geleden. Het eerste kwart van het labyrint leidt door je jeugd. Ja, dat klopt wel. Jeugd, ongeduld, impulsiviteit. Meteen wil ik akkerwindes tussen de hagen uitrukken. Die staan nog steeds overal. Vaak klein nog. Klaar om meters te maken. Maar ik kom er niet aan. Doorlopen nu. Kijken waar ik loop. “Eén twee in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad.” Ja. Ik weet het nog. De paadjes zijn smal en strak omlijnd. Je moet goed opletten, net als vroeger op school. Ik hoor een dikke hommel, die in een noodvaart dwars over het parcours heen vliegt. Hij wel! En ik moet dat hele eind nog. Stap voor stap. Even later zie ik iets springen. Het is een vlieg met één vleugeltje. Ja, bedenk ik me. In het leven moeten we ook aandacht hebben voor de slachtoffers. Ik kniel naast hem tot hij weer op zijn gemak tussen de blaadjes kruipt, op een warm plekje in de zon. Nog steeds zie ik de akkerwinde, de razendsnelle bedekker, die alle planten omlaag trekt. Ik beheers me.
Al lopende kom ik tot rust. Het maakt me niet meer uit hoe lang het duurt. Ik zet de ene stap na de andere. Af en toe kom ik iemand tegen, net zo ingekeerd als ik. Er is weinig plek en we wentelen vlak langs elkaar heen, zonder elkaar te raken.
En terwijl ik voortga, kijk ik opnieuw naar de winde, zonder hem uit te willen trekken. En nu zie ik het wonderlijke ervan. Er zit een vast ritme in. Hij wikkelt zich twee keer om een stengel en maakt dan een bloem. Elke keer weer. Een witte kelk als een pispotje. Dat ritme! Wat een levenskracht spreekt daaruit. En dan de bloem, die je af kan plukken maar die niet verwelkt. Die gaat gewoon door met zaad maken. Is dat niet wat ik als mens ook nodig heb? Ritme, vitaliteit?
Dan kom ik langs de volgende plant. Het zijn grote saliestruiken. Ze zijn pas gesnoeid, anders kom je er niet langs. Er liggen nog wat losse takjes op de grond. Ik ga met mijn hand langs de struiken en ruik aan mijn hand. Het is een en al salie, met zijn opgeruimde en rustgevende geur. Ik raap de takjes op en maak er een bosje van. Als winde mij levenskracht geeft, dan heb ik ook flink wat salie nodig. Salie, om het parcours rustig af te kunnen maken zonder meteen al het andere te overheersen.

Met het bosje in de hand nader ik de uitgang. Vlak ervoor sta ik even stil. Als het labyrint het leven is, dan is de uitgang het einde ervan. Ik hoop dat ik net zo levenskrachtig eindig en toch vol rust. En dat onze energie, van alle mensen samen nog vele wonderen zullen verrichten.
Zo’n labyrint is een voorbeeld, van hoe een klein stukje grond veel kan bevatten. Ik kan als een hommel over de continenten scheren. Ik kan me ook beheersen, en al mijn aandacht op deze plek richten. Zo wordt een plek heilig. Zo, en niet anders.


Alle mensen komen een voor een naar buiten, de cirkel uit. We komen bij elkaar en vertellen onze verhalen. Lang of kort, met of zonder woorden. Ik drink mijn thee en kijk naar de gezichten. Hier kwam ik voor.

.

.

.

Today I’m going to the Vlierhof, where my friend Dick lives all summer. That’s a lively place. They like me, with my green fingers and stories. Especially the gardeners. They are short of hands and especially eyes. I got to know two of them. One for the big work, the other focuses on one special place: The labyrinth. She took it over from her predecessor. I recognize something in the concentration with which she is engaged. And this day she wants to share it. So that’s where we meet. Karlijn, six others and me.

A labyrinth is not a maze. It is an ancient geometric shape, which is intended to be walked attentively or meditatively. For some that goes deep, others walk with a cheerful smile. Still others run into their impatience, and actually want to get out immediately. Or you come across it all, one by one. I make my rounds around the labyrinth. I step over the bricks that surround the circle like flat battlements. Like rays around the moon. Just as I get back to the entrance, a rooster crows. And when a cock crows, I go in. There I walk. Thanks to the cock. The labyrinth is like life itself. Yes, I do notice that. The cock knocked me into it. Life in, like a long course, impossible to oversee in advance, when you stand for it. Just like 58 years ago. The first quarter of the labyrinth leads through your childhood. Yes, that’s right. Youth, impatience, impulsiveness. Immediately I want to tear out bindweeds between the hedges. They are still everywhere. Often small. Ready to measure. But I restrain myself. Continue now. Watch where I walk. “One two, one two, one foot for the other.”
The paths are narrow and well-defined. You have to pay attention, just like you used to in school. I hear a fat bumblebee flying across the course at breakneck speed. He does! And I still have to go all the way. Step-by-step. A moment later I see something jumping. It is a fly with one wing. Yes, I realize. In life we must also pay attention to the victims. I kneel next to him until he settles comfortably between the leaves again, in a warm spot in the sun. I can still see the bindweed, the lightning-fast cover plant, which pulls all the plants down. I control myself. As I walk, I relax. I don’t care how long it takes anymore. I take one step after another. Every now and then I come across someone just as introverted as I am. There is little space and we roll close to each other, without touching. And as I go on, I look again at the bindweed, not wanting to pull it off. And now I see the wonder of it. It has a fixed rhythm. It wraps itself around a stem twice and then makes a flower. Every time again. A white chalice like a piss pot. That rhythm! What a life force emanates from that. And then the flower, which you can pluck but which does not wither. It just continues to make seed. Isn’t that what I need as a human being? Rhythm, vitality? Then I pass the next plant. They are large sage bushes. They have just been pruned, otherwise you will not pass them. There are still some loose twigs on the floor. I run my hand along the bushes and smell my hand. It is all sage, with its clean and soothing scent. I pick up the twigs from the ground and make a bunch of them. If bindweed gives me life force, then I also need quite a bit of sage. Sage, to be able to finish the course quietly without immediately dominating everything else. With the bush in hand I approach the exit. Just before that, I stopped for a moment. If the labyrinth is life, then the exit is the end of it. I hope I end up just as vibrant and still full of peace. And that our energy, of all people together, will still work many miracles. This labyrinth is an example of how a small piece of ground can contain a lot. I can skim over the continents like a bumblebee. I can restrain myself too, and focus all my attention on this place. This is how a place becomes sacred. It ’s the only way.

All people come out the cirkle one by one, . We come together and tell our stories. Long or short, with or without words. I drink my tea and look at the faces. This is what I came for.