Ik heb een plek achter me gelaten, die ik mijn thuis noemde. Een eeuwenoude plek onder de bomen aan de gracht van de Domstad. Ik nam afscheid van mijn oude leven. Ik deed afstand van de laatste spullen van mijn lief, die stierf in 2002. De Wereld van Veel maakte plaats voor de Weelde van Eenvoud. Ik woon op een veldje in het platteland, eerst in Brabant, en nu in Friesland. Ik creëer waar ik mijn wortels in de grond zet. Ik bouwde mijn eigen huis, een kleine wagen op wielen. Ik woon er in sinds 2017 en geniet van de comfort die deze kleine ruimte me biedt.
Ik schrijf, ik teken, ik kijk en luister. De aarde boeit me, en wat ons voedt en hoe we hier met elkaar mee omgaan.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
There is no english translation today.
.
.
Dag mensen,
Het is bijzonder, om weer terug te komen in Leeuwarden, na meer dan dertig jaar. Ooit studeerde ik hier op het Groot Schavernek, voor docent drama, en woonde bij de start van de Elfstedentocht. Die ik helaas nooit heb meegemaakt. Nu keer ik weer als breed georiënteerd kunstenaar, met een verhaal. Het is best lang, dat verhaal. Maar het laatste stukje ervan zal ik vertellen.
In 2020 kwam ik aan, met mijn Rijdende Verhalenhuis, in Bears op Ecocamping de Swetteblom. Boer Jochum heette me hartelijk welkom, met zijn woeste bos grijs haar. Ik had een reis gemaakt van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Het boek dat ik schreef werd feestelijk gepresenteerd en kwam zelfs terecht in de bibliotheek. Een boek dat mijn band met de aarde verkent, vol ontmoetingen. Het boek waarin een ieder kan lezen wie ik ben en op welk pad het lot mij bracht. Het was een lange weg, met veel hobbels en kuilen. Maar het maakte me authentiek, inventief en zelfvoorzienend. Vaak was het zwaar, maar mijn nieuwsgierigheid doofde niet. Integendeel.
Ik woonde en werkte in Utrecht, aan de gracht. Was ook rondvaartschipper. Ik hield van de plek waar ik was, maar de geschiedenis ervan woog op mijn rug en doofde mijn creativiteit. Ik wilde verder. Dat deed ik. Ik begon een nieuw leven. Ontwierp en bouwde mijn Verhalenhuis, ging ermee op pad. Verhalen rijgen zich aaneen, niet alleen in het boek, maar op talloze manieren. Elke week maak ik een blog, elf jaar inmiddels al. Er staan tekeningen bij, en korte en lange films. Er zijn gedichten en podcasts. Een hele schatkist, inmiddels.
Nu woon ik al een tijdje op de Swetteblom. De belangrijkste bezigheid was het aanplanten van een Verhalenpad. Vierhonderd bomen en struiken bieden een thuishaven voor allerlei dieren. Ooit, in de toekomst, zullen mensenhanden er noten en appels kunnen rapen, in de herfst. Het begint al aardig groot te worden. Het duurt niet lang meer, dan kan het verder groeien zonder dat ik er steeds bij moet zijn.
Het bosje is een deel van het verhaal wat ik wil vertellen. Het verhaal, dat mensen en natuur niet gescheiden zijn, maar bij elkaar horen. Dat we hier hard aan moeten werken. Maar alleen het bosje is niet genoeg, om dat te vertellen. Er zijn zoveel bosjes… Het verhaal is méér dan dat. Het gaat over de aarde en alles wat er leeft. Om het door te geven, om het meer te laten zijn, moet ik erover vertellen. Niet alleen in woord, maar ook in beeld, in een ruimte waar ook andere mensen kunnen komen. Vele schetsen liggen klaar om uit te werken. Ik maakte ze als tekening, voor mijn blog. Soms wordt ernaar gevraagd. Verkoop je ze niet? Nee, zeg ik dan, ik wil er nog iets mee. Schilderen, verwerken, het is nog niet klaar. Maar dat kan nu niet. Het is praktisch onmogelijk. Het huisje van mij is heel erg klein. Ik heb een atelier nodig.
Ik vroeg Anne Graswinckel, met wie ik ooit samen op het Schavernek zat. Of ze iets wist. En Edith Stultiens. Zo kwam ik erachter dat dit atelier vrij kwam. Ik hoop dat het wat wordt. Niet alleen om aan het werk te kunnen, maar ook om andere kunstenaars te kunnen ontmoeten en samen dingen te kunnen organiseren. Ik hoop dat mijn verhaal aanspreekt, en dat ik in de toekomst meer van jullie zal horen.
Alles begint en eindigt bij het parkeren van je auto.
.
Niet parkeren.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
Vanuit mijn huis kan ik het net zien, tussen alle begroeiing door. Het veld, de sloot, met de rietkraag eromheen, en het weiland erachter. Het weiland in de zomer is anders dan in de winter. In de winter is alles verlaten. Het enige wat je hoort is het gekwetter van spreeuwen en het staccato geroep van de kramsvogels wanneer ze je zien. Het geluid van hun vleugels, wanneer ze massaal opvliegen. In de zomer zijn de kramsvogels weg. Andere vogels trekken zich terug op andere weiden, die helaas niet biologisch zijn en lang niet zo onberoerd als de onze. Voor onze boer is de wei om te hooien en wilde bloemen te laten groeien. Voor de weekendgasten, op weg naar hun feestje, is het vooral een lege ruimte. Wat doe je daarmee? Natuurlijk, een balletje trappen. Maar in de eerste plaats: je auto neerzetten. Of je nou links stemt of rechts, Groenlinks of BBB, bijna iedereen doet het. Gewoontes zijn hardnekkig. Ik denk: Als we het in deze oververhitte wereld anders willen, zullen we ergens moeten beginnen. Verandering van gewoontes.
Wanneer ik net mijn huis op orde heb, komt de eerste auto aanrijden. Hij parkeert achter de sloot met een snelle draai in. Het is het laagste stuk. Als het winter was, had hij nu vastgezeten. Het heeft nu ook veel geregend, maar zompig is het nog niet. Ik kijk er goed naar en realiseer me iets. Op die plek groeit mijn thee! Smalle weegbree is het, voor de luchtwegen. Het staat op een bijzonder plekje. Nadat een dampendhete berg bladcompost de hele grasmat had verschroeid, was het enige wat overleefde dit zaad. Het zaad van de weegbree. Nu het staat daar, in een mooie cirkel, dicht op elkaar, zonder ook maar één grassprietje ertussen. Ik ben er blij mee. Ik loop erheen en zie inderdaad een spoor, dwars erdoorheen. De automobilist had er zeker zin in, dat feestje. Hij is met een vaartje doorgeschoten in zijn achteruit, een heel eind het weiland op.
Ik loop naar de kampeerders. Er zijn er al een paar bezig hun tent op te zetten. Hun jonge stemmen klinken vrolijk en opgewekt. Er staat zachtjes een muziekje aan, rustige lichtvoetige jazz is het. “Hoi!” roep ik “Er is iemand door mijn thee gereden.” Ik kijk verkennend rond. De jongen die het laatst aankwam komt meteen naar me toe. Hij loopt met me mee en geïnteresseerd ziet hij wat hij eerst niet zag. “Goh,” zegt hij “Ja zeg! Ik denk dat de anderen dit ook niet zien. Ik zal het omheinen, met een touw.” Hij gaat meteen aan de slag. Ondertussen stelt hij allerlei vragen, hoezo die kruiden op deze plek, en helpt het inderdaad zo goed voor de luchtwegen. Met plezier geef ik antwoord. Maar zijn auto staat nog steeds midden in de wei. Ik wijs hem op een hoger stuk, vlak langs de weg. “Daar is beter. Daar parkeren vaker auto’s” zeg ik “Als je hem midden op het veld laat staan, dan zetten de anderen hun auto’s er straks naast. Dan ben jij het voorbeeld. Beter van niet.” Hij snapt het meteen en zet zijn auto neer op de gewezen plek.
Het leven bestaat uit talloze gewoontes. Met elkaar maken we ons bestaan op aarde, zoals het is. Inmiddels erkent iedereen dat het anders moet. Dat we de natuur meer plek moeten geven, gewoon, waar we wonen. Steeds meer mensen begrijpen hoe belangrijk een losse humusrijke bodem is, als basis voor al het leven. De meeste snappen het wel, maar hoe pas je dat toe? Je doet wat je doet en de agenda zit vol. Je schiet van het één naar het andere, en schiet gauw door. Dat is vergeeflijk, maar daar begint het wel mee. De verandering.
Later die dag kom ik er weer terug. Ik knip de platgereden blaadjes af om te drogen. Vertederd kijk ik naar het witte touw, dat mijn thee omheint. En naar de drie geparkeerde auto’s, op het hoge stuk, vlak langs de weg. Die jonge lui zijn toch niet gek! Opnieuw denk ik, wie weet kan het. Wie weet komt het toch, uiteindelijk, allemaal goed.
.
.
A Way from the habbit
From my house I can just see it, through all the vegetation in front of the window. The field, the ditch, with the reed around it, and the meadow behind it. The pasture in the summer is different than in the winter. In winter everything is deserted. All you hear is the twitter of starlings and the staccato calls of the fieldfares when they see you. The sound of their wings, when they take flight. In the summer the fieldfares are gone. Other birds retreat to other pastures, which unfortunately are not organic and not nearly as untouched as ours. For our farmer, the meadow is for making hay and growing wild flowers. For the weekend guests, on their way to their party, it is mainly an empty space. What do you do with that? Of course, kick a ball. But first of all: park your car. Whether you vote left or right, Groenlinks or BBB, almost everyone does. Habits are persistent. I think: If we want to change things in this overheated world, we have to start somewhere. Change of habits. Everything starts and ends with parking your car.
When I’ve just got my house in order, the first car drives up. He parks behind the ditch with a quick turn. It’s the lowest part. If it were winter, he would be stuck by now. It has also rained a lot now, but it is not soggy yet. I look closely and realize something. That’s where my tea grows! Narrow plantain it is, for the respiratory health. It is in a special place. After a steaming hot mound of leaf compost scorched the entire turf, the only thing that survived was this seed. The seed of the plantain. Now it’s there, in a nice circle, close together, without a single blade of grass in between. I’m happy with it. I walk towards it and indeed see a track, right through it. The motorist was certainly looking forward to that party. He sped along in reverse, a long way out into the pasture.
I walk to the campers. Some of them are already setting up their tents. Their young voices sound cheerful. There is soft music playing, quiet light-footed jazz it is. “Hi!” I shout “Someone drove through my tea.” I look around. The boy who arrived last comes straight to me. He walks with me and with interest he sees what he didn’t see before. “Gosh,” he says “Yes! I don’t think the others see this either. I will fence it in with a rope.” He immediately gets to work. In the meantime he asks all kinds of questions, why those herbs in this place, and does it indeed help so well for the airways. I will answer with pleasure. But his car is still in the middle of the meadow. I point him to a higher area, close to the road. “There is better. Cars park there more often” I say “If you leave it in the middle of the field, the others will park their cars next to it. Then you are the example. Better not.” He immediately understands and parks his car at the designated spot.
Life consists of countless habits. Together we make our existence on earth, as it is. Everyone now recognizes that things have to be done differently. That we should give nature more space, just where we live. More and more people understand how important a loose, humus-rich soil is, as the basis for all life. Most get it, but how do you apply it? You do what you do and the agenda is full. You shoot from one thing to the next, and quickly shoot through. That’s forgivable, but that’s where it starts. The change.
I’ll be back later that day. I cut off the flattened leaves to dry. Endeared, I look at the white rope that surrounds my tea. And to the three parked cars, on the high part, close to the road. Those young people aren’t crazy! Again I think, who knows. Who knows, maybe it will all work out in the end.
Een verhaal over de tegenstelling tussen efficienty en verwondering, of ontzag.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
You can find the ENGLISH translation underneath.
“Als ik dan elke dag riet aan het snijden ben. . .” begin ik te vertellen. . . Naast me, op de lange bult, staat een bezoeker. Hij kwam vooral omdat hij hier bessen had gezien. Of hij die mocht plukken. Dat vond ik prima, maar dan wel met een verhaal erbij. Tenslotte is dit geen Eetpad, maar allereerst een Verhalenpad. “dan voel ik me zo klein in dit landschap” vervolg ik mijn verhaal. “Alles zou riet zijn, zonder ons. Eindeloos, tot de horizon. Sta ik daar met mijn sikkel.” Maar de man is niet gevoelig voor poëzie. “Ja.” Hij glimlacht geruststellend. “Maar dat hoeft niet meer. Daarvoor hebben we machines.” Ik schud mijn hoofd. “Dat is niet wat ik bedoel. Als je met de hand werkt, met je voeten op de klei, dan voel je je veel meer verbonden met het land.” Zijn mond hangt een beetje open. “O..” zegt hij. We lopen een stukje verder, want hij ziet een bessenstruik. Gretig begint hij te plukken. “We moeten meer bessen eten,” zegt hij kauwend. Ik kijk het een poosje aan. “Laat je nog wat over?” vraag ik dan droogjes. Hij schrikt op. “O ja”. Dan vertel ik verder over het werk. “Ik hak vooral riet met de sikkel. Dat is wel doorwerken, al die meters.” Hij kijkt me vaderlijk aan. “Je kan ook een bosmaaier gebruiken,” licht hij me voor. Maar ik ben zeer beslist in mijn antwoord. “O nee. Geen bosmaaier hier. Een bosmaaier maakt blind en doof. Op een Verhalenpad leer je juist verhalen zien. En te horen. Ik kijk liever naar een broedende vogel in plaats van per ongeluk zijn nest stuk te raggen.” Hij kijkt schuldbewust. Alsof hij het persoonlijk was, die dat deed. Alsof hij het eigenlijk niet goed mag keuren, dat door mechanisatie zoveel over het hoofd wordt gezien. Maar ja. Het moet wel. Denkt hij.
De volgende dag sta ik daar weer. Maar dan alleen. Het is nog vroeg, half acht in de ochtend. De zon is nog niet achter de sluierwolken vandaan gekomen. Ik houd van die koelte. Straks zal het vast weer broeierig worden. In mijn hand heb ik dit keer de heggenschaar. Daarmee kan ik preciezer werken. Op mijn hurken waggel ik door het gras om beginnende rietstengeltjes kort en klein te maken. Het gaat toch verrassend snel. Ik kom bij een hoger bosje, dat ik rond een stokroos gelaten heb. De lange stengels zijn omgewaaid door de storm, maar hij bloeit gewoon door, op de grond. Mooie grote bloemen, vol hommels, een zoemend bloemenbosje is het. Steeds dichter kom ik bij de stengels. Het geluid van de heggenschaar is het enige wat ik hoor. Het is windstil en zelfs de karekiet in het riet houdt zijn snavel. Tik tik, doet de schaar. Maar dan ineens krioelt het, daar waar eerst beschutting was van gras en klein riet, vlak achter de bloemen. Nu is het er kaal. Mieren lopen kris kras door elkaar, en beginnen eieren naar buiten te brengen. Een bruinoranje nachtvlinder hipt ongelukkig rond. Hij springt op mijn toegestoken vinger. Ik heb zijn linker vleugel afgeknipt. Stom. Ik wist het immers best, dit bosje moest ik zo laten. Ik ben te ver gegaan.
Ik probeer dit steeds te voorkomen. Al werkend blijf ik kijken. Ik ziet de hommel, die uit zijn hol komt en trek me respectvol terug. Er is immers genoeg werk. Dus ik ga verder bij de hazelaars, brandnetels uittrekken, gele wortels met kluiten eraan. Ik schud ze uit en gooi ze op een hoop. De brandnetels voor me bloeien nog niet. Ze zijn fris en groen, de blaadjes. Dan zie ik opnieuw die kleine zwarte bolletjes op het blad. Het zouden korrels aarde kunnen zijn, die ik daar rondgestrooid heb. Maar ze zijn perfect rond van vorm en liggen op gelijke afstand van elkaar. Dat trekt mijn aandacht. Even verderop zie ik een kleine zwart met grijs gestreepte rups. Ah, het zijn dus toch eitjes! Opnieuw stop ik. Ik heb immers al een heel stuk gedaan, de rest mag blijven voorde vlinders . Ik loop terug. Het is tijd voor pauze. Bij de entree staat een bos verdwaalde oeverplanten, die zich als lange tongen achter de haag verzamelen, in de vochtige greppel. Ik weet dat daar in die buurt een kleine hommel woont, onder het pellet dat daar ergens ligt te rotten. Ik laat het. Al betekent het meer werk, om het steeds weer te begrenzen. Op een dag zal dat steeds minder worden. Op een dag.
Even later zit ik tevreden in mijn kas koffie te drinken. Voor de deur loopt een stel meiden langs, het zijn dertigers. Hun tentjes staan hier op het veld en ze zijn op weg naar mijn buurvrouw. Glimlachend kijken ze bij mij naar binnen. Ik weet, het ziet er knus uit. Ik roep naar ze: “Denken jullie aan de vlinder??” Want natuurlijk, ik heb het ze verteld. Elke dag om dezelfde tijd zit er een Atalanta te zonnen op het zandpaadje. “Ja!” roept de een, “We lopen er steeds met een grote boog omheen!” Mijn glimlach verbreed zich tot een grijns. Glanzend kijk ik ze na. Er is toekomst.
.
.
THERE IS FUTURE.
A story about the contradiction between efficiency and wonder, or awe.
.
“When I am cutting reeds every day. . .” I start my story. Next to me, on the long hump, is a visitor. He came mainly because he had seen berries here. If he could pick it. I thought that was fine, but with a story to go with it. After all, this is not a Food Path, but first and foremost a Story Path. “I feel so small in this landscape” I continue. “Everything would be reeds without us. Endless, to the horizon. And I stand here with my sickle.” But the man is not sensitive to poetry. “Yes.” He smiles reassuringly. “But that is no longer necessary. We have machines for that.” I shake my head. “That’s not what I mean. When you work by hand, with your feet on the clay, you feel much more connected to the land.” His mouth hangs open a little. “Oh…” he says. We walk a little further, because he sees a berry bush. He eagerly begins to pick. “We need to eat more berries,” he says, chewing. I watch it for a while. “Do you leave some left?” I ask dryly. He startles. “Oh yeah”. Then I tell him more about the work. “I mainly chop reeds with the sickle. That means continuing to work, all those meters.” He looks at me paternally. “You can also use a brushcutter,” he explains. But I am very firm in my answer. “Oh no. No brushcutter here. A brushcutter makes blind and deaf. On a Story Path you learn to see stories. And to hear. I’d rather watch a nesting bird than accidentally destroy its nest.” He looks guilty. As if it was him personally who did that. As if he shouldn’t actually approve of the fact that so much is overlooked due to mechanization. But yeah. It has to, he thinks.
The next day I am there again. But then alone. It is still early, half past eight in the morning. The sun has not yet come out from behind the veil clouds. I like that coolness. Soon it will be sweltering again. In my hand I have the hedge trimmer this time. This allows me to work more precisely. On my haunches, I waddle through the grass to cut budding reed stems short and small. It goes surprisingly fast. I come to a higher bush, which I left around a hollyhock. The long stems have been blown over by the storm, but it continues to bloom on the ground. Beautiful large flowers, full of bumblebees, it is a humming bunch of flowers. I get closer and closer to the stems. The sound of the hedge trimmer is all I hear. There is no wind and even the reed warbler keeps its beak in the reeds. Tap tap, do the scissors. But then suddenly it is teeming there, where there used to be shelter of grass and small reeds, just behind the flowers. Now it is bare. Ants criss-cross each other, and begin to bring out eggs. A brown-orange moth hops around unhappily. He jumps on my stabbed finger. I cut off his left wing. Stupid. After all, I knew best, I had to leave this bush as it was. I’ve gone too far.
I always try to avoid this. I keep watching while working. I see the bumblebee coming out of its hole and respectfully withdraw. After all, there is enough work. So I move on to the hazels, pull up nettles, yellow roots with clods on them. I shake them out and toss them in a pile. The nettles in front of me haven’t bloomed yet. They are fresh and green, the leaves. Then I see those little black dots on the leaf again. It could be grains of earth that I scattered there. But they are perfectly round in shape and are equidistant from each other. That catches my attention. A little further on I see a small black and gray striped caterpillar. Ah, so they are eggs! Again I stop. After all, I’ve already done a lot, the rest can stay for the butterflies. I walk back. It’s time for a break. At the entrance there is a bunch of stray shore plants, which gather like long tongues behind the hedge, in the low moist ground. I know there’s a little bumblebee living in that neighborhood, under the pellet that’s rotting there somewhere. I leave it. Although it means more work to limit it again and again. One day it will become less and less. One day…
A little later I am satisfied in my greenhouse drinking coffee. A group of girls walk by in front of the door, they are in their thirties. Their tents are here on the field and they are on their way to my neighbor. They smile at me. I know, it looks cozy. I call out to them: “Do you remember the butterfly??” Of course, I told them. Every day at the same time there is an Atalanta sunbathing on the sandy path. “Yes!” shouts one, “We always walk around it!” My smile widened into a grin. I stare at them gleefully. There is future.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
You can find the ENGLISH translation underneath
.
Vandaag ga ik naar de Vlierhof, waar mijn vriend Dick de hele zomer woont. Dat is een levendige plek. Ze hebben me graag, met mijn groene vingers en verhalen. Vooral de tuinvrouwen. Die komen handen en vooral ogen te kort. Ik heb er twee leren kennen. De een voor het grote werk, de ander richt zich op één speciale plek: Het labyrint. Ze nam het werk over van haar voorgangster. Ik herken iets in de concentratie waarmee zij bezig is. En deze dag wil zij het delen. Dus het is daar, waar wij elkander treffen. Karlijn, zes anderen en ik.
Een labyrint is geen doolhof. Het is een oude geometrische vorm, die bedoeld is om aandachtig of meditatief te bewandelen. Voor sommigen gaat dat diep, anderen wandelen met een opgeruimde glimlach. Weer anderen lopen tegen hun ongeduld aan, en willen er eigenlijk meteen alweer uit. Of je komt het allemaal tegen, één voor één. Ik maak mijn ronde om het labyrint. Ik stap over de bakstenen heen, die als platte kantelen de cirkel omringen. Als stralen rond de maan. Net als ik weer bij de ingang kom, kraait een haan. En als er een haan kraait, dan ga ik naar binnen. Daar loop ik dan. Dankzij de haan. Het labyrint is als het leven zelf. Ja, dat merk ik wel. Door de haan ben ik erin gekukeld. Het leven in, als een lang parcours, niet van te voren te overzien, als je ervoor staat. Net als 58 jaar geleden. Het eerste kwart van het labyrint leidt door je jeugd. Ja, dat klopt wel. Jeugd, ongeduld, impulsiviteit. Meteen wil ik akkerwindes tussen de hagen uitrukken. Die staan nog steeds overal. Vaak klein nog. Klaar om meters te maken. Maar ik kom er niet aan. Doorlopen nu. Kijken waar ik loop. “Eén twee in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad.” Ja. Ik weet het nog. De paadjes zijn smal en strak omlijnd. Je moet goed opletten, net als vroeger op school. Ik hoor een dikke hommel, die in een noodvaart dwars over het parcours heen vliegt. Hij wel! En ik moet dat hele eind nog. Stap voor stap. Even later zie ik iets springen. Het is een vlieg met één vleugeltje. Ja, bedenk ik me. In het leven moeten we ook aandacht hebben voor de slachtoffers. Ik kniel naast hem tot hij weer op zijn gemak tussen de blaadjes kruipt, op een warm plekje in de zon. Nog steeds zie ik de akkerwinde, de razendsnelle bedekker, die alle planten omlaag trekt. Ik beheers me. Al lopende kom ik tot rust. Het maakt me niet meer uit hoe lang het duurt. Ik zet de ene stap na de andere. Af en toe kom ik iemand tegen, net zo ingekeerd als ik. Er is weinig plek en we wentelen vlak langs elkaar heen, zonder elkaar te raken. En terwijl ik voortga, kijk ik opnieuw naar de winde, zonder hem uit te willen trekken. En nu zie ik het wonderlijke ervan. Er zit een vast ritme in. Hij wikkelt zich twee keer om een stengel en maakt dan een bloem. Elke keer weer. Een witte kelk als een pispotje. Dat ritme! Wat een levenskracht spreekt daaruit. En dan de bloem, die je af kan plukken maar die niet verwelkt. Die gaat gewoon door met zaad maken. Is dat niet wat ik als mens ook nodig heb? Ritme, vitaliteit? Dan kom ik langs de volgende plant. Het zijn grote saliestruiken. Ze zijn pas gesnoeid, anders kom je er niet langs. Er liggen nog wat losse takjes op de grond. Ik ga met mijn hand langs de struiken en ruik aan mijn hand. Het is een en al salie, met zijn opgeruimde en rustgevende geur. Ik raap de takjes op en maak er een bosje van. Als winde mij levenskracht geeft, dan heb ik ook flink wat salie nodig. Salie, om het parcours rustig af te kunnen maken zonder meteen al het andere te overheersen.
Met het bosje in de hand nader ik de uitgang. Vlak ervoor sta ik even stil. Als het labyrint het leven is, dan is de uitgang het einde ervan. Ik hoop dat ik net zo levenskrachtig eindig en toch vol rust. En dat onze energie, van alle mensen samen nog vele wonderen zullen verrichten. Zo’n labyrint is een voorbeeld, van hoe een klein stukje grond veel kan bevatten. Ik kan als een hommel over de continenten scheren. Ik kan me ook beheersen, en al mijn aandacht op deze plek richten. Zo wordt een plek heilig. Zo, en niet anders.
Alle mensen komen een voor een naar buiten, de cirkel uit. We komen bij elkaar en vertellen onze verhalen. Lang of kort, met of zonder woorden. Ik drink mijn thee en kijk naar de gezichten. Hier kwam ik voor.
.
.
.
Today I’m going to the Vlierhof, where my friend Dick lives all summer. That’s a lively place. They like me, with my green fingers and stories. Especially the gardeners. They are short of hands and especially eyes. I got to know two of them. One for the big work, the other focuses on one special place: The labyrinth. She took it over from her predecessor. I recognize something in the concentration with which she is engaged. And this day she wants to share it. So that’s where we meet. Karlijn, six others and me.
A labyrinth is not a maze. It is an ancient geometric shape, which is intended to be walked attentively or meditatively. For some that goes deep, others walk with a cheerful smile. Still others run into their impatience, and actually want to get out immediately. Or you come across it all, one by one. I make my rounds around the labyrinth. I step over the bricks that surround the circle like flat battlements. Like rays around the moon. Just as I get back to the entrance, a rooster crows. And when a cock crows, I go in. There I walk. Thanks to the cock. The labyrinth is like life itself. Yes, I do notice that. The cock knocked me into it. Life in, like a long course, impossible to oversee in advance, when you stand for it. Just like 58 years ago. The first quarter of the labyrinth leads through your childhood. Yes, that’s right. Youth, impatience, impulsiveness. Immediately I want to tear out bindweeds between the hedges. They are still everywhere. Often small. Ready to measure. But I restrain myself. Continue now. Watch where I walk. “One two, one two, one foot for the other.” The paths are narrow and well-defined. You have to pay attention, just like you used to in school. I hear a fat bumblebee flying across the course at breakneck speed. He does! And I still have to go all the way. Step-by-step. A moment later I see something jumping. It is a fly with one wing. Yes, I realize. In life we must also pay attention to the victims. I kneel next to him until he settles comfortably between the leaves again, in a warm spot in the sun. I can still see the bindweed, the lightning-fast cover plant, which pulls all the plants down. I control myself. As I walk, I relax. I don’t care how long it takes anymore. I take one step after another. Every now and then I come across someone just as introverted as I am. There is little space and we roll close to each other, without touching. And as I go on, I look again at the bindweed, not wanting to pull it off. And now I see the wonder of it. It has a fixed rhythm. It wraps itself around a stem twice and then makes a flower. Every time again. A white chalice like a piss pot. That rhythm! What a life force emanates from that. And then the flower, which you can pluck but which does not wither. It just continues to make seed. Isn’t that what I need as a human being? Rhythm, vitality? Then I pass the next plant. They are large sage bushes. They have just been pruned, otherwise you will not pass them. There are still some loose twigs on the floor. I run my hand along the bushes and smell my hand. It is all sage, with its clean and soothing scent. I pick up the twigs from the ground and make a bunch of them. If bindweed gives me life force, then I also need quite a bit of sage. Sage, to be able to finish the course quietly without immediately dominating everything else. With the bush in hand I approach the exit. Just before that, I stopped for a moment. If the labyrinth is life, then the exit is the end of it. I hope I end up just as vibrant and still full of peace. And that our energy, of all people together, will still work many miracles. This labyrinth is an example of how a small piece of ground can contain a lot. I can skim over the continents like a bumblebee. I can restrain myself too, and focus all my attention on this place. This is how a place becomes sacred. It ’s the only way.
All people come out the cirkle one by one, . We come together and tell our stories. Long or short, with or without words. I drink my tea and look at the faces. This is what I came for.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
“Wat een mooi huis heb je” zeg ik. Ik ben even binnen bij een vriendin. Het is een groot huis, althans, voor mij dan. Voor andere mensen is het gewoon een redelijk kleine stacaravan. Maar toch, er is een slaapkamer, een keuken en een werkhoek. Bovendien een fijne zithoek en een plee. Er is een ingang waar je zonder moeilijk te doen in kan. Als ik even later thuiskom, ben ik het even zat, dat kleine kamertje, waar je alleen kan schrijven, slapen, dromen en naar buiten kijken. Geen plek om schilderijen te maken. Zeker niet met olieverf, dat duurt wel drie dagen, voor het droog is. In zo’n klein huisje zit alles eronder, als dat zo lang duurt. Deze winter kocht ik drie hele mooie tubes. Precies de goeie kleuren om alle tinten te kunnen mengen. Maar ja. Waar??
Wat doe ik dan wel, behalve schilderen? Ik ben altijd buiten aan het werk. Er is dan ook enorm veel gebeurd, dit jaar. Er is een verscheidenheid aan planten gaan groeien, op diverse plekken. Het begin van het Verhalenpad is echt mooi aan het worden. Tussen de opgroeiende bomen bloeit pastinaak, lila raapzaad, en twaalfjarige luzerne. Vijf aardappels zijn uitgegroeid tot planten van wel een meter doorsnee. Nooit heb ik zulke mooie bloemen gezien, aan aardappels. Paars met wit zijn ze. Ik kijk mijn ogen uit. Werk aan de bodem loont. En er zijn meer parels bij het pad gekomen. Er is nu ook wilde appel en wilde mispel. Ik verzorg een aantal kleinblijvende walnootbomen, die op de bult staan. Ik plantte een James Grieve en een Cox, appels die ik erg lekker vind. En nog veel meer. Maar ook mijn woonerf is veranderd, met de nieuwe kas. De zwarte constructie valt mooi weg tegen het groen. Er is een dikke stenen vloer, die houdt de warmte vast. Op regenachtige dagen is het er nog steeds goed toeven. Ik zit er soms te lezen en met een bakkie koffie. Het harde werk is niet voor niks geweest.
En toch ben ik het soms opeens zat. Had ik maar een echt huis, denk ik dan. Niet voor al die planten en beestjes, maar helemaal voor mijzelf. Dat ik breeduit en met grote passen naar mijn voordeur kan lopen, in plaats van voorzichtig tussen de jonge walnootbomen te moeten kruipen die daar opgroeien in een pot. We delen met zijn allen het kleine lapje grond, waar beschutting is. De bomen en de vogels en wat al niet meer. Voor hen kruip ik elke dag mijn huis in, heel stilletjes. Omdat ik mijn ruimte klein houdt en wil delen. We hebben allemaal beschutting nodig. Niet alleen ik. Maar soms ben ik dat zat, dat gekruip, dat gemier naar de voordeur en een kleine kamer. Had ik maar een echt huis, met een echte deur en allerlei kamers. Een riant atelier waar mijn doek kan hangen. Waar ik een aanloop kan nemen met mijn kwast. Net als Karel Appel.
Het is een bui. Een onweersbui, die komt en gaat. Soms knettert het, heel even maar. Dan is het goed om eens een paar dagen uit te rusten. Zo gezegd zo gedaan. Op een warme dag zit ik stil in mijn koele hol. De luiken zijn gesloten. Toch is het niet donker. Het daklicht en de geopende achter en voordeuren zorgen voor licht in huis. Er waait een verkoelend briesje om mij heen. Ik zit hier goed. Ik kijk naar boven. Er zit nog iets voor het dakraam. Het donkere doek, waarmee ik ’s nachts mijn kot verduister. Een klein stukje hangt er nog voor en houdt het licht tegen. Ik trek eraan. Het doek valt en er komt een hele wolk nachtvlindertjes uit. Gauw stop ik het weer terug. Dat krijg je, als je met de bovendeuren open slaapt. Boven de geopende deurtjes hangt het markies met brede groene strepen. Ik kan er net onderdoor kijken. Ik kijk naar de kas, vlakbij me. Ik zie de bloemenpracht erachter. Allemaal dit jaar uit de grond gekomen. Wat een wonder eigenlijk. Dromerig kijk ik naar de rode papavers, die boven de kleinere bloemen uitsteken. Achter de wagen klinkt het gekwetter van mussen en jonge mezen. Terwijl daarnaar luister, komt er opeens iets aanvliegen. Zomaar onder het markies door. Het landt op mijn voet. Het is een jonge koolmees, zijn zwarte kap is nog wat grijs. Verbaasd kijk ik naar het jonge ding. Hij ziet mij niet, alleen mijn sok. Hij bestudeert hem zorgvuldig. Ik heb vanochtend kleefkruid gewied en er kleven nog steeds een paar zaadbolletjes aan. Doodstil kijk ik wat er gebeurt. Hij pikt vakkundig een zo’n piepklein bolletje van mijn sok en vliegt ermee weg. Verbaasd kijk ik naar mijn voet. Er zitten nog meer zaadjes op, maar hij komt niet meer terug. Wel gebeurt er vlak daarna iets anders. Onder het zeil bij de voordeur hoor ik gescharrel. En dan is daar ineens het winterkoninkje. Bovenop de onderdeuren zit hij rustig naar binnen te kijken. Even maar. En weg is hij weer.
Wat moet dit alles beduiden? Ik denk dat ze dit tegen me zeggen: Houd jij het maar zoals het is. Klein en bescheiden. Geef ons ruimte en respect, en heel veel stille hoekjes, vol zaad en beestjes. Hou vol! Dan zullen wij je telkens opnieuw verrassen! Ja. Dat zeggen ze. Vast en zeker.
.
.
.
Living by the law of reciprocity.
“What a beautiful house you have” I say. I’m just hanging out with a friend. It’s a big house, at least for me. For other people it’s just a fairly small mobile home. But still, there is a bedroom, a kitchen and a work area. In addition, a nice sitting area and a toilet. There is an entrance where you can enter without difficulty.
When I come home a little later, I’m just fed up with that little room where you can only write, sleep, dream and look outside. No place to make paintings. Certainly not with oil paint, which takes three days before it dries. In such a small house everything will be stained, if it takes that long. This winter I bought three very nice tubes. Just the right colors to mix all shades. But yeah. Where??
What do I do, besides painting? I am always working outside. So a lot has happened this year. A variety of plants have started to grow in various places. The beginning of the Story Path is getting really nice. Parsnip, lilac rapeseed, and twelve-year-old alfalfa bloom between the growing trees. Five potatoes have grown into plants up to a meter in diameter. Never have I seen such beautiful flowers on potatoes. They are purple and white. I am astonished. Work on the soil pays off. And more pearls have come to the path. There is now also wild apple and wild medlar. I take care of a number of small walnut trees that are on the hump. I planted a James Grieve and a Cox, apples that I really like. And much more. But my residential area has also changed, with the new greenhouse. The black construction blends nicely against the green. There is a thick stone floor, which retains the heat. On rainy days it is still a good place to be. I sometimes sit there reading and with a cup of coffee. The hard work has not been in vain.
And yet sometimes I suddenly get tired of it. If only I had a real house, I think. Not for all those plants and critters, but completely for myself. That I can walk wide and with long strides to my front door, instead of having to carefully crawl between the young walnut trees that grow up there in a pot. We all share the small piece of land, where there is shelter. The trees and the birds and whatnot. For them I crawl into my house every day. Because I keep my space small and want to share. We all need shelter. Not just me. But sometimes I’m tired of that, that crawling, that nodding to the front door and a small room. If only I had a real house, with a real door and all kinds of rooms. A spacious studio where my canvas can hang. Where I can take a run-up with my brush. Just like Karel Appel.
It’s just like stormy weather. A thunderstorm that comes and goes. Sometimes it crackles, just for a moment. Then it is good to rest for a few days.
No sooner said than done. On a hot day I sit quietly in my cool hole. The shutters are closed. Yet it is not dark. The skylight and the open rear and front doors provide light in the house. A cooling breeze blows around me. I’m fine here. I look up. There’s something else in front of the skylight. The dark cloth, with which I darken my room at night. A small piece still hangs in front of it and blocks the light. I pull it. The curtain falls and a whole cloud of night moths comes out. Soon I put it back again. That’s what you get when you sleep with the top doors open. Above the open doors hangs the awning with wide green stripes. I can just see under it. I look at the greenhouse, near me. I see the floral splendor behind it. All came out this year. What a miracle really. Dreamily I look at the red poppies, which rise above the smaller flowers. Behind the wall I can hear the twittering of sparrows and young tits. While listening to that, suddenly something comes flying up to me. Just under the awning. It lands on my foot. It is a young great tit, its black hood is still a bit grey. I look at the young thing in surprise. He doesn’t see me, only my sock. He studies it carefully. I weeded cleavers this morning and there are still a few seed balls stuck to it. Silently I watch what happens. He skillfully picks one of those teeny-tiny balls off my sock and flies off with it. I look at my foot in surprise. It has more seeds on it, but it won’t come back. However, something else happens shortly afterwards. Under the transparant tarpaulin at the front door I hear scrambling. And then suddenly there is the wren. On top of the lower doors he is quietly looking inside. Just a moment. And he’s gone again. What should all this mean? I think they say this to me: You keep it the way it is. Small and modest. Give us space and respect, and lots of quiet corners, full of seed and bugs. Hold on! Then we will surprise you again and again! Yes. That’s what they say. Surely.
Alles beweegt. Vooral zand, water en wind. Nu is het zo dat het strand van Ameland steeds in zee verdwijnt. Maar een eiland zonder strand, dat kan niet, vinden de mensen. Het strand geeft het eiland ook extra bescherming. Daarom graven ze zand uit de Noordzee en spuiten het tegen het eiland aan. Elke keer opnieuw, want steeds weer verdwijnt het. Hoe? Waarheen….?
.
Everything moves. Especially sand, water and wind. Now it is the case that the beach of Ameland keeps disappearing into the sea. But people think an island without a beach is impossible. A bigger beach is also safer. That is why they dig sand from the North Sea and spray it against the island. Every time again, because it disappears again and again. How? Where to …. ?
De gevolgen van zandwinning op de Noordzee. Er is een toenemende vraag naar zand en steeds minder aanbod. Onze Noordzee is een zandwinningsgat. Vaargeulen worden dieper en breder. Het vele graven en baggeren blijft niet zonder gevolgen. Het is een vloek voor het bodemleven en het doet stromingen van koers veranderen. https://www.waterforum.net/onderzoek-naar-effect-grootschalige-zandwinning-op-noordzee/
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
You can find the english translation underneath.
.
Aan de overkant van de sloot loopt een man. Zo te zien is het Will, de man op de motor, met het tentje. “Hoi!” roept hij en steekt zijn hand op. Ik loop over het veld naar hem toe. “Mag ik nu even bij je kijken?” vraagt hij. Dat is goed en we lopen een rondje. Ik laat hem alles zien, mijn woonwagen, de kas, de kleine wildernis eromheen. “Zo, wat een mooi stekkie heb je zeg, dit is nogal wat voor een stadse jongen als ik.” Ik lach. “Is dat zo? Waar kom je vandaan?” Hij vertelt dat hij kapper is. Hartje centrum, op een hoekje van de negen straatjes in Amsterdam. “Ik zit nu tussen de toeristen. Het zijn er 19 miljoen.” Mijn ogen vallen uit de kassen. “In heel Nederland toch zeker?” vraag ik verbijsterd, maar ik weet eigenlijk het antwoord al. “Nee, alleen in Amsterdam.” “Meer toeristen in Amsterdam dan inwoners in heel Nederland?” stamel ik terwijl ik hem aankijk. “Ja. Sinds corona zijn er enorm veel vreettenten bijgekomen. Daar staan nu enorme rijen voor.” Ik knik. “Ik was in Leiden, daar was het net zo. Iets minder druk dan Amsterdam waarschijnlijk.” Hij staart over het weiland, zijn gedachten gaan naar de stad die hem zo vertrouwd is. “Om het weekend moet ik er echt uit, met de motor. Anders word ik gek. Naast mij zit nu ook een afhaaltent. Ik heb er een touw voor gespannen. Er staat soms een rij van wel vijfentwintig mensen. Ze krijgen daar een Lebanese pannekoek.” Hij maakt een gebaar met twee handen alsof hij een dikke flap in zijn mond propt. “Of ze kopen alleen een kop koffie, in karton. In de rij staan voor een bekertje koffie! Ik sta nooit in de rij.” “Nee, ik ook haast nooit.” Zeg ik. Ik ben nog steeds verbijsterd. Ik wist er wel van, de overlast van toerisme in Amsterdam, maar nu ik het uit eerste hand hoor, maakt het wel indruk. Wat is er nou voor lol aan? Wat moeten die hordes daar? Het zijn vooral jongelui, lees ik later. Tiktok influencers maken een filmpje en dan komen ze met bakken tegelijk aanzetten. Sommige ondernemers verdienen er schatten aan. De straten liggen vol met troep. En gewone ondernemers, zoals kapper Will, dragen de lasten. “Ik doe dit al twintig jaar,” zegt hij. “Ik ben waar ik ben. Mijn huis is 150 meter lopen.” “Zo hoort het te zijn, vind ik.” Ik kijk hem aan. “Dat je bent waar je bent, en niet almaar heen en weer hoeft. Maar het word steeds moeilijker om te zijn waar je bent. En dat je op de vlucht moet omdat het thuis niet uit te houden is, dat is bizar. Omver gelopen door toeristen! Krijg nou wat!” “Ja, na corona is het allemaal veel erger geworden.” zegt hij.
Ik kijk over de stille wei. Hoe zal dit verder gaan? Van welke ontwikkelingen zullen we nog getuige zijn? Ik blijf toch maar waar ik ben. Beter. Ook al is dat ook niet altijd makkelijk. Er is al onrust genoeg. Kapper Will staat nog steeds naast me. “Ik ga weer verder,” zegt hij. “Eens kijken of mijn maat al wakker is. Dat is toch zo’n langslaper! Nou tot kijk hè! Ik kom hier wel weer terug. Dat doe ik al jaren.” “t Ga je goed!” lach ik en draai me om, om terug te lopen. Terug naar mijn stekkie.
.
Run from the hordes
A man is walking on the other side of the ditch. Looks like it’s Will, the man on the bike, with the tent. “Hi!” he shouts and raises his hand. I walk across the field to him. “Can I come to see your place now?” he asks. That’s good and we’re going for a walk. I show him everything, my very tiny house, the greenhouse, the small wilderness around it. “Well, what a nice place you have, this is quite a bit for a city boy like me.” I smile. “Is that right? Where do you come from?” He tells that he is a hairdresser. In the heart of the center, on a corner of the nine streets in Amsterdam. “I am among the tourists now. There are 19 million of them.” My eyes pop out of their sockets. “In the whole of the Netherlands, you mean?” I ask in bewilderment, but I actually already know the answer. “No, only in Amsterdam.” “More tourists in Amsterdam than residents in the whole of the Netherlands?” I stammer as I look at him. “Yes. And since corona, a lot of food tents have been added. There are now huge queues for that.” I nod. “I was in Leiden, it was the same there. A little less busy than Amsterdam, probably.” He stares across the meadow, his thoughts turn to the city so familiar to him. “Every other weekend I really have to get out, with the motorcycle. Otherwise I get mad. There is also a takeaway tent next to me. I stretched a rope for it. Sometimes there is a queue of up to twenty-five people. They get a Lebanese pancake there.” He makes a two-handed gesture as if he were stuffing a fat flap in his mouth. “Or they just buy a cup of coffee, in cardboard. Standing in line for a cup of coffee! I never stand in line.” “No, I hardly ever.” I say. I am still baffled. I knew about it, the nuisance of tourism in Amsterdam, but now that I hear it first hand, it makes an impression. What’s the fun in that? What are those hordes doing there? They are mainly young people, I read later. Tiktok influencers make a video and then they come up with buckets at the same time. Some businesspeople make money from it. The streets are full of junk. And ordinary entrepreneurs, such as hairdresser Will, bear the burden. “I’ve been doing this for twenty years,” he says. “I am where I am. My house is 150 meters away.” “That’s how it should be, I think. That you are where you are, and don’t have to go back and forth all the time. But it’s getting harder and harder to be where you are. And that you have to flee because you can’t bear it at home, that’s bizarre. Run over by tourists! What the hell!” “Yes, after corona it all got much worse,” he says. I look across the silent meadow. How will this continue? What developments will we witness? I’ll just stay where I am. Better. Even if that is not always easy. There is already enough unrest. Will is still standing next to me. “I’m moving on,” he says. “Let’s see if my buddy is awake yet. That’s such a long sleeper! Well see ya! I’ll be back here. I’ve been doing that for years.” “Go well!” I laugh and turn to walk back. Back to my hideaway.
“Neem jij maar contact met ze op.”zegt de boer. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.”
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? You can find the text underneath.
.
Met de sikkel in de hand sta ik bij de groep berkebomen. Sommigen zijn al best groot. Er is er een waarvan de stam al wit begint te worden. Dat is de koning. Koningberk, op het hoogste punt van de bult. Hij groeit, dankbaar voor mijn harde werk. Ik hurk om rond de stam beginnende rietstengels te verwijderen. Het is verbazingwekkend hoe snel riet groeit. Soms staat er in een dag een stengel van wel dertig centimeter op een plek waar gisteren nog niks te zien was. En als je het niet steeds weghaalt, dan blijft het terugkomen, voortkruipen, met rasse schreden. Tot de bomen groot genoeg zijn, dan groeit er geen riet meer. Maar nu moet ik ze helpen, de bomen. En het zijn er veel. Er is ook veel riet. Het riet rukt op.
Het is zo’n mooi gezicht, die wuivende ruisende groene zee. De verleiding is om het maar te laten gaan. Zeker als de karekiet en de rietgors je belonen met hun geroep. Maar de Friezen hier weten wel beter. De lente heet “maaitiid”. Als je niet maait, dan wordt alles riet, uiteindelijk. Vanuit de sloot rukt het op. Eerst een klein stukje. Het volgende jaar vier meter. En dan acht. En dan zestien. Tot alles riet is. Wuivend riet tot aan de horizon.
De koeien en de paarden houden het kort. Dieren die al eeuwenlang met de mensen samenwerken. Zonder hen was het land één groot karekietendecor. Dat begrijp ik nu, beter dan ooit. Soms moet je het eerst voelen, voor iets tot je doordringt. De vermoeidheid voelen in je dijen en in je armen, van het vele gehurkte hakken. Ineens zie ik het voor me. Die zee van riet, die er groeit als ik niks doe. En ik maar werken, bij dit groepje jonge bomen. Ik kijk naar de sloot en zie dat de rietkraag ongemerkt een meter of drie dichterbij is gekomen. Hè? Hoelang staat dat er? Een paar dagen geleden was het nog maar een smalle strook. Moet ik dat allemaal korthakken? En daarna weer en weer en weer? Ik kan nooit meer weggaan! Mijn jonge bomen, ze zouden aan alle kanten worden ingebed door de lieflijke groene zee, die tegelijkertijd zo verraderlijk is. Gretig zouden ze de hele bodem keihard maken met hun diepe wortelkluiten, tot alleen de sterksten er nog tussenin kunnen staan. Wat kan je dan nog beginnen, als mens? Met lichte verbijstering voel ik een vlaag van wanhoop. Waar ben ik in ’s hemelsnaam mee bezig? Het lijkt water naar de zee dragen, of op het vegen van een pleintje middenin een zandwoestijn.
Ontmoedigd loop ik terug naar huis voor een bakkie troost. Als ik op het pad aankom, tref ik boer Jochum aan. Hij is distels aan het uittrekken tussen het riet, langs de Swette. “Ha!” roept hij. “Mooi dat ik je zie. Ik had bedacht dat je bij de bouwploeg mag. Er moet vandaag een slot worden ingezet in de pipowagen.” Ik glimlach vermoeid. “Dank voor de eer,” zeg ik “Maar dat stuk land vraagt al mijn energie. Het is veel werk in mijn eentje.” Ik kijk stil voor me uit, te moe om meer te zeggen. Jochum kijkt naar me en herinnert zich iets. “O ja!” zegt hij, en haalt een stukje papier uit zijn zak. “Linde kwam hiermee aanzetten. Het komt uit de Leeuwarder Courant.” Ik pak het aan en neem het door. Twee mensen willen een biologische pluktuin beginnen voor de buurt, de bijen en de beestjes moeten er wel bij varen. Een duurzame tuin vol biodiversiteit moet het worden, er wordt gedacht aan1 tot 5 hectare met een stabiele pachtconstructie voor meerdere jaren. “Neem jij maar contact met ze op.”zegt Jochum. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.” Dankbaar neem ik het voorstel aan. Jonge tuinders rondleiden, mensen met een plan! Dat doe ik maar al te graag.
Niets van waarde komt aanwaaien. Je moet erop wachten tot je het zat bent, werken tot het je keel uithangt. En dan komt daar ineens een berichtje aanwaaien. En terwijl hoop opwelt, keren ook de goeie gedachten terug. Het riet, dat zo overvloedig groeit is niet alleen lastig, maar ook waardevol. De harde klei heeft het nodig. De gemaaide stengels kunnen de aarde bedekken tegen de hete zon. Gehakseld kan het de grond losser maken en zorgen dat het vocht beter wordt vastgehouden. Als ik niet meer alleen ben kunnen we daarover overleggen. Met de zeis kunnen we veel sneller maaien dan met de sikkel. Er zijn vast meer, die dat graag doen. En wie weet wat ik van deze tuinders kan leren. Samen weten we meer! Als dit nou door kon gaan… Glimlachend stop ik het artikel in mijn zak. Jochum is alweer aan het werk gegaan. Hij trekt de laatste distels uit, die tussen het riet staan. “Bedankt!” roep ik. “Ik ga ze bellen!” Hij knikt me toe en lacht. Wie weet, wat de toekomst brengt. Is het niet vandaag, dan morgen..
.
Alles moet rijpen, net als zaad.
.
.ALLIES
.
Sickle in hand, I stand by the group of birch trees. Some are already quite large. There is one whose trunk is already starting to turn white. That’s the king. King birch, at the highest point of the hump. He grows, thankful for my hard work. I crouch to remove budding reed stems from around the trunk. It’s amazing how fast reeds grow. Sometimes in one day a stem of up to thirty centimeters is standing in a place where nothing could be seen yesterday. And if you don’t keep removing it, it will keep coming back, crawling along, with rapid steps. Until the trees are big enough, then the reeds won t grow anymore. But now I have to help them, the trees. And there are many. There is also a lot of reeds. The reed rises. It’s such a beautiful sight, that waving rustling green sea. The temptation is to just let it go. Especially when the reed warbler and reed bunting reward you with their calls. But the Frisians here know better. Spring is called “mowing time”. If you don’t mow, everything will become thatch, eventually. It rises from the ditch. First a little piece. Four meters the following year. And then eight. And then sixteen. Until everything is reed. Swaying reeds to the horizon. ,,,,,,,,
The cows and horses keep it short. Animals that have been cooperating with humans for centuries. Without them, the country would be one great reed warbler decor. I understand that now, better than ever. Sometimes you have to feel it first before something sinks in. Feeling the tiredness in your thighs and in your arms, from the many squatting heels. Suddenly I can see it. That sea of reeds that grows when I do nothing. I see my little work, near this group of young trees. I look at the ditch and see that the border of the reed has come closer about three meters unnoticed. Hey? How long has that been there? A few days ago it was just a narrow strip. Do I have to chop all that up? And then again and again and again? I can never leave! My young trees, they would be embedded on all sides by the lovely green sea, which is so treacherous at the same time. They would eagerly make the whole soil rock hard with their deep roots, until only the strongest can stand in between. What can you do then, as a human being? With slight bewilderment I feel a fit of despair. What the hell am I doing? It seems like carrying water to the sea, or sweeping a small square in the middle of a sandy desert.
Discouraged I walk back home for a cup of coffee. When I arrive on the path, I find farmer Jochum. He is pulling up thistles among the reeds, along the Swette. “Ha!” he shouts. “Good to see you. I thought you could join the construction crew. A lock must be repaired in the gypsy wagon today.” I smile wearily. “Thanks for the honor,” I say. “But that piece of land takes all my energy. It’s a lot of work on my own.” I look ahead in silence, too tired to say more. Jochum looks at me and remembers something. “Oh yeah!” he says, taking a piece of paper out of his pocket. “Linde came up with this. It comes from the Leeuwarder Courant.” I take it and read. Two people want to start an organic picking garden for the neighborhood, the bees and the critters have to benefit. It must be a sustainable garden full of biodiversity, 1 to 5 hectares are envisaged with a stable lease construction for several years. “You just contact them,” says Jochum. “If they want something, I will see them come. I am too busy.” I gratefully accept the offer. Showing young gardeners around, people with a plan! I’m only too happy to do that.
Nothing of value just comes. You have to wait until you get tired of it, work until it hangs down your throat. And then suddenly a message arrives. And as hope wells up, good thoughts also return. The reed, which grows so abundantly, is not only troublesome, but also valuable. The hard clay needs it. The cut stems can cover the earth from the hot sun. When chopped, it can loosen the soil and ensure better moisture retention. When I’m not alone anymore, we can discuss that. With the scythe we can mow much faster than with the sickle. I’m sure there are more who would like to do that. And who knows what I can learn from these gardeners. Together we know more! If only this could go on… Smiling, I put the article in my pocket. Jochum has already gone back to work. He pulls up the last of the thistles that are among the reeds. “Thank you!” I call. “I’m going to call them!” He nods at me and smiles. Who knows what the future will bring. If not today, then tomorrow.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
We staan op het erf met zijn drieën, een toevallige samenkomst. An, een kampeerder en ik.
De kampeerder is een vaste gast en komt al heel lang op de Swetteblom. Het is altijd om deze tijd van het jaar. Hij praat tegen An.
Oh, wordt je huis afgebroken, en moet je nou hier wonen? Pechvogel!” Het gaat over An haar nieuwe plek. Het is nog geen voldongen feit, maar zeker is dat An de stek van Gonda heeft kunnen overnemen. Het huisje is niet groot, maar het heeft uitzicht op de wei. Ik vind dat ze boft. “Ze is juist een geluksvogel, dat ze hier mag wonen!” zeg ik fel. “Ja!” zegt An. “Geluksvogel!” Ze is zo blij ermee, eindelijk heeft ze weer eens geluk, zegt ze. Het is een heerlijk plekje waar ze graag wil zijn. “Ik woon daar veel liever dan in een huis!” roept ze stralend uit. De man kijkt verbaasd voor zich uit en herhaalt stamelend het woord. “O …. geluksvogel….” alsof hij het nog niet helemaal vat. Het is niet voor niets dat hij zo denkt. Een lange tijd is deze plek een oord geweest voor mensen die nergens meer terecht konden. Dat beeld blijft lang hangen.
Ik loop naar huis, diep in gedachten. Als ik er bijna ben zie ik ineens Linde aankomen. Haar grote blonde haardos glanst in de zon. Ik ben soms jaloers op haar krullen. Ze komt hier vaak om te zwemmen. Of om mest te scheppen in de stal. Maar nu komt ze voor mij. Ik heb haar uitgenodigd. Samen lopen we het veld over naar mijn woonwagen. Ik geef haar het ijzeren melkflessenkratje, geleend van boer Jochum. Ik zet het op zijn kop met een plankje erop, vlak naast de bloemen. Daar kan ze mooi op zitten, met haar rug tegen de wand. “Heerlijk is het hier” zegt ze “Lekker beschut. De wind is koud, maar de zon is warm zeg!” Ik pak een klein krukje uit de kas. Het is warm daarbinnen en ik ga gauw weer naar buiten. Ik denk nog steeds aan die opmerking op het erf, over pechvogels.
“Ik vind het zo jammer dat mensen blijven zeggen dat deze plek een soort afvalput is.” begin ik tegen Linde, “Een plek waar je niet voor kiest maar terecht komt als je pech hebt. Ik kíes er juist voor om weinig te hebben. Het maakt me onafhankelijk en vrij.” “Ja” zegt Linde “Heel raar is het. Terwijl veel mensen het eigenlijk toch prettig vinden als ze niet teveel gewicht op hun rug hebben. Al die verantwoordelijkheden…” “Als je veel wilt hebben, heb je ook veel nodig, ”vul ik haar aan. “ Moet je eens op een lijst zetten van hoeveel bedrijven je afhankelijk bent. Dan ben je pas een pechvogel. Het wordt tijd dat we de zaken om gaan draaien. Hoe minder je voor jezelf nodig hebt, hoe meer je kan helpen scheppen, de aarde weer gezond te maken.” Linde staart in de verte. Vorig jaar was ze nog burn out. Na een paar goeie keuzes gaat het nu stukken beter. “Ja” begint ze “Dat wil ik ook. Het is zo’n klus om alle ballen in het spel te blijven houden. Ik geniet ervan, als ik hier kan zijn, op het erf of in het veld, gewoon aan het werk met iets simpels als mest scheppen.” Ik knik. “Dat snap ik. Dit soort plekken worden ook steeds belangrijker daarin. Op een plek als de Swetteblom kunnen we dat laten zien. Volgens mij zijn hier geen pechvogels. Wel heel veel vogels en andere dieren. Dit is een prachtplek. Laat dat duidelijk zijn.” Linde haar ogen glanzen en het is even stil. “Ja,” zegt ze dan mijmerend “Dat doe je samen. Maar hoe maken we met elkaar een sterke gemeenschap? Het is hier altijd ieder voor zich geweest. Heel individualistisch.” Ze verdwijnt stil in gedachten.
Individualisme is een probleem van deze tijd. Ieder eist zijn eigen vrijheid, terwijl we toch samen verantwoordelijk zijn voor de Aarde. Hoe pakken we dat aan? Hoe brengen we het schip op een andere koers?
Over de weg komt een kleine vrachtwagen aanrijden, met nieuw hout voor de steiger. Alles gaat door, rollend en ronkend, terwijl langs de kant verkennende gesprekken groeien. Het begint in de luwte, ergens in de zon. Daar, waar geluksvogels neerstrijken en thee drinken, in de zachte geur van de kruidenrijke wei. Daar begint het. Maar al zijn we geluksvogels, het geluk komt niet zomaar. We moeten ervoor werken. Geluksvogels met werkhanden, die hebben we nodig. En niet alleen voor ons eigen geluk. Mensen met mededogen hebben we nodig, als een glanzende draad die alles verbindt. Ik hoop dat het hele zwermen worden. Hier, daar, overal.
.
.
Ik kreeg later een correctie binnen van boer Jochum.
efkes in pear fryske flaters yn dyn moai betochte ferhaalsjes rjocht sette:
– maitiid
komt fan Maies, de moaiste dochter fan Atlas en Pleione
– eartiids by de Romeinen begûn it nije jier op 1mrt en sette de maitiid dus útein op ús1 maaie, de start fan it bloesemfeest
– it hollânske maaien is yn it frysk meane en hat dus hielendal neat te krijen mei maitiid….
– in pôle
reit sjochst foarby driuwen yn de Swette fanwege dy idioate snelheidsmaniakken, it kin ek dyn wenhiem wêze
– en it kin ek yndied in ôfsûnderlik stikje grûn wêze, wat heger leit as de rest- lykwols it leit like heech as it hiele stik lân fan 1 1/2 hektare, dus it soe nea in eilânsje wurde by ûnderstreaming….
Het is te warm om te werken. De sikkel en mijn werkhandschoenen liggen werkeloos in mijn fietstas. Die mogen daar wachten tot morgenochtend. Nu zoek ik verkoeling. De Noordenwind waait tussen de bomen door met een koel briesje. Het waait langs de boerderij, langs de open deuren van de hooischuur, waar een zoete geur naar buiten waait van pas gehooid gras. Het waait over het erf, helemaal tot in de zithoek, tot de stoel waar ik op zit.
Ik kijk in de kast naast me. Wat staat er zoal in onze bieb? Ik zie zelfhulpboeken, veel spirituele titels en ook misdaadromans. Kennelijk blijven die het langste staan. Ik kies een boekje van de Dalai Lama. Ik heb nog nooit iets van hem gelezen. Ik sla het zomaar ergens open. Het gaat over de dood. Dat je in je leven gelijk moet beginnen met voorbereiden, dat je hier ook weer verdwijnt. Nou dat zit bij mij wel goed. Tevreden glimlach ik. Het is allemaal niet voor niets. Dan gaat het verder over de kringloop van het bestaan. Bij kringlopen denk ik aan iets moois. Aan het levende systeem dat Aarde heet, en alles wat in elkaar grijpt. Mijn bestaan is onderdeel daarvan, mijn lichaam met alles erop en eraan. Een hele eer dat dit wonder mij ten beurt valt! Maar de Dalai Lama denkt daar anders over.
Het lichaam is een soort machine die urine en uitwerpselen produceert. Wormen die aan de ene kant modder eten, en aan de andere kant weer uitscheiden. Een armzalig gezicht.
Nou zeg! We mogen de worm wel heilig verklaren! Hij doet goed werk. Hij eet organisch materiaal en stront van de koeien, en maakt daar schitterende grond van. Ik neem graag een voorbeeld aan de worm. De poep die ik composteer maakt schitterende bloemen en laat alles groeien als kool. Ik poep dus ik besta. Een mooie drol is een rijk bezit. Het is maar net hoe je het ziet. Toch? Als we alles wat er is als iets bijzonders ervaren, dan komt het vanzelf goed met de wereld. Daarvan ben ik overtuigd. Het boeddhisme straalt door zijn eenvoud, en vergankelijkheid is zeker iets om bij stil te staan. Maar met wat boerenwijsheid smaakt het mij nog beter.