Behoud het stille eiland

Terug op Schiermonnikoog wandel ik door het landschap en voel hoe bijzonder het is. Dit zou de minister eens moeten ervaren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Terug op het eiland. Het is me vertrouwd, de veerboot, de pier, de weg naar de kampeerboerderij en het dorp. Ik ben niet de enige die van het waddeneiland houdt. Schiermonnikoog wordt zelfs in januari goed bezocht door zijn trouwste gasten. Al is het maar een dag of een weekend, de noorderlingen weten de weg te vinden. Het is een dag uit duizenden. Vanaf vanmorgen schijnt de zon in een uitgestrekte blauwe hemel. De laatste sluierwolken zijn verdwenen. Vanochtend bezocht ik het uitgestrekte strand, het geluid van de kleine golven hoorde ik pas na een kilometer lopen, zo ver was de zee. Over het zand lag een klein laagje water, dat glinsterde in de zon. Het maakte mijn voetstappen licht. Met schoenen aan kon ik er doorheen lopen zonder dat mijn sokken nat werden. Na honderden meters lag het zand weer hoger, en vormden zich kleine duinen, als een lang schiereiland, dat evenwijdig aan het eiland ligt. Er was geen mens te zien, het was nog vroeg. Daarna heb ik een middagdutje gedaan en nu bezoek ik de Kobbeduinen. De zon staat al laag aan de hemel, maar het is nog steeds niet koud. Er is geen zuchtje wind en als ik mijn ogen dicht doe om te luisteren, hoor ik geen enkele auto, geen vliegtuig, niets van menselijke oorsprong. Wel hoor ik wulpen, scholeksters en ganzen. Er is een houtduif die roept in de bosjes. Alsof het lente is. Het gras onder mijn voeten is gemilimeterd. Het is niet alleen maar gras, het is ook fluitekruid dat zo kort is begraasd, dat het een onherkenbaar tapijt is geworden van allemaal miniscule blaadjes. Hier lopen de koeien in de zomer en nu zijn het de duizenden ganzen die hier het gras kort houden. In de verte zie ik ook een fazant pikken. Hij verdwijnt tussen de lange halmen als ik dichterbij kom. Ik passeer een man en een vrouw die minutenlang doodstil naar de zonsondergang staan te kijken. Ze groeten met een knikje. Een wandelaarster in de verte loopt stevig op. Ze is in het groen gekleed als een boswachter. Net als ik. Dan ben ik weer alleen. De zon zakt lager en lager. De dieren zoeken hun slaapplaatsen op en ik loop terug. Zie hoe de ganzen gewoon gras eten op deze plek, zonder te worden verdreven. Slapen op de plek waar ze zijn zonder bed of slaapkamer. Geen douche, haardroger, deospray of Kellochs cornflakes of roze leggings die nooit gaan lubberen. Geen waterbestendige Pfas-jas, geen havermout of brood van Bakker Bolhuis. Gewoon gras eten ze en hun veren houden hen warm. Hier worden ze met rust gelaten. Hier kunnen de vogels zichzelf zijn zonder al te veel stress. Voor me ligt een uitgestrekte vlakte, kilometers lang waar op dit moment niemand is. In het broedseizoen broeden er talloze vogels, er zit zelfs een lepelaarkolonie. Hoe lang nog? Minister Sophie Hermans heeft vorig jaar gezegd, toen ze demissionair was, dat er stroomkabels worden gelegd om het windmolenpark op de Noordzee te verbinden met de Eemshaven.  Dwars door het eiland, omdat dat de kortste weg is en het snelste. Een andere optie is een tunnel naast het eiland, die dan ook voor andere kabels kan worden gebruikt in de toekomst. Maar zoals gewoonlijk wordt zo’n verstandige duurzame oplossing nauwelijks bekeken en de minister zegt dat het haar spijt, maar dat ze voet bij stuk houdt. Ik krijg subiet een hekel aan haar. Lekker makkelijk, zeggen dat het je spijt maar het toch gewoon doen. Ook de LTO heeft bezwaar aangetekend. De route loopt dwars door gevoelige landbouwgronden, het er is gevaar voor verzilting en verspreiding van plantenziektes. Het drainagesysteem kan beschadigd raken.Toch moet het, zeggen ze. De windmolens moeten er sowieso komen. Dat vindt iedereen. Linksom of rechtsom. Het windmolenpark is hard nodig. Waarom hebben we steeds meer en meer energie nodig, en lijkt er geen einde te zijn aan de menselijke behoefte? En waarom heeft het eiland geen eigen stem, die het opneemt voor de lepelaars en de zeewolfsmelk? De stilte wordt straks verstoord door drones die onderzoek moeten doen. Is er dan niets heilig meer? Het hele noorden is tegen. We willen dit niet, niet zó. Er is een route die veel beter is, en de aanleg duurt maar drie jaar langer. Ik hoop dat de regering tot bezinning komt, voordat de eerste drone in de lucht in gaat. Het is Unesco natuurgebied en als dit kortzichtige plan wordt doorgezet stappen de noordelijke overheden waarschijnlijk naar de rechter. Het laatste woord is nog niet gesproken.

Dat denk ik als ik allang weer thuis ben. Maar nu loop ik nog hier, in de stilte die er nu is en die we willen behouden en heb maar een enkele gedachte: Kon ik maar een wolk zijn, een gouden wolk in het licht van de ondergaande zon. In een stilte die heilig was.

.

Overleven of erbij neerleggen

Wat we van dieren kunnen leren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst..

Met mijn legerkistjes aan de voeten loop ik het Swettepaad af. Het is een grote open vlakte. Ik heb me warm aangekleed, een extra sjaal om mijn capuchon tegen de harde wind. Er zijn korte buien, hier en daar is de lucht lichter, maar nergens is hij blauw. Hagel slaat in mijn gezicht en ik trek mijn sjaal hoger op tot over mijn neus. Het doel is melk halen bij de melktap, drie kilometer verderop. Maar dat is slechts een excuus om de wereld te bekijken op een bijzondere dag als deze.
Ik kijk mijn ogen uit. Vooral in de sloten zie ik hele berglandschappen, overhellende taluten van sneeuw, soms met een scheur erin, soms afgebroken. Ik denk aan het boek van bergbeklimmer Joe Simpson, “Over de rand”. Hoe hij tijdens het beklimmen van de Siula Grande over de rand viel, terwijl zijn maat verder liep omdat hij dacht dat hij wel dood moest zijn. Dat was hij niet. Van de holtes en scheuren waarin hij terecht kwam is dit een minitiatuur. Gebiologeerd loop ik verder. Het is mooi en wreed.

.

.

Voor wie de tijd dringt dat zijn de dieren. Ganzen blijven maar rondvliegen, volkomen in de war, lijkt het. Oud en nieuw heeft ze opgeschrikt van hun vertrouwde weilanden en daarna kwam de sneeuw. Ik zie hele groepen voorbijgaan, soms naar het zuiden, dan weer naar het westen of het noorden. Een keer zag ik ze neerstrijken, onwennig om zich heen kijkend, maar gelijk daarna waren ze alweer verdwenen. Ze zullen ondertussen wel erg moe en hongerig zijn na die stress en al dat vliegen en zoeken in de koude harde wind.
Als de huizen langs de Hegedyk niet ver meer zijn zie ik iets zwarts op het smeltende ijs van de sloot. Als ik dichterbij kom herken ik een jonge rat. Zijn ogen staan angstig als hij me ziet, hij probeert weg te komen maar zijn pootjes vinden geen houvast in de gladde drab van het halfgesmolten ijs. Ik ga zitten op de schuine sloothelling, voel eerst waar het water begint onder de sneeuw, zet dan mijn voet neer op het laatste stukje oever. Dan strek ik mijn arm uit, ik kan hem zo pakken. Zijn kleine lijf staat strak van de spanning, maar is lekker warm. Even speel ik met het idee om er een tamme rat van te maken. Heel even maar. Dan zet ik hem toch maar neer, op een droge plek onder een hek. Als ik een uur later terug kom is hij dood. Wat moet een jonge rat ook in zijn eentje in dit koude desolate landschap. Daar is geen lol aan.

.

Soms help ik de muizen.


De muizen hebben van de sneeuw niet zoveel last. Ik zie sleuven en gangetjes in de sneeuw die op het pad ligt. Ze graven zich een weg van het riet aan de ene kant, naar het gras dat aan de andere kant van de weg groeit. Ik denk dat ze slapen in de droge rietpollen en elke dag gras eten aan de overkant. Klein als ze zijn kunnen ze daar makkelijk onder de sneeuw doorlopen, tussen de pollen is ruimte genoeg voor muizen en onder het sneeuwdak kunnen ze ongezien knabbelen. Er zijn allerlei muizen. Veldmuizen, spitsmuizen, die beschermd zijn.  Ik zie ook vaak kleine zwarte. Nee, sneeuw is voor hen niet erg.
Als ik thuiskom sneeuwt het weer een hele tijd door. Het pak wordt dikker en dikker. Maar die nacht gaat het dooien, de regen tikt op mijn dak wanneer ik in de vroege ochtend wakker word. Ik denk aan de ganzen, die komen straks weer makkelijker aan hun voedsel. Ik denk aan de muizen. Als dat dikke pak sneeuw in een keer smelt komt al dat koude water eensklaps in hun holletjes. En misschien vriest het nog weer op ook. Dan krijgen ze het een stuk moeilijker. Maar ik denk ook aan de hommels die hun winterslaap doen. Het is te hopen dat hun slaapplaats wat droger ligt.

.

Een wat rommeliger paadje van henzelf

Sneeuw is mooi maar ook een verschrikking. Niet voor mij, in mijn warme huis. Maar wel voor andere schepselen. Ik neem de tijd zodat ik me kan inleven in alles wat mij omringt. Er is lijden maar ik zie ook: het is zoals het is. De dood is ook een bevrijding. Je legt je er letterlijk bij neer. Dieren kunnen dat heel goed, daar kunnen we een voorbeeld aan nemen. Het sneeuwlandschap brengt mij dit inzicht: een verhaal over leven en dood. Om mij heen zie ik andere zorgen. Mensen denken aan hun auto, hun warme jas, het pakketje dat niet aankomt of de geannuleerde vlucht naar hun vakantieland. Sommige toeristenlanden lopen inkomsten mis. We moeten sneeuwproof worden, overal tegen kunnen. Maar je kunt je er ook bij neerleggen, zoals de dieren dat doen. Het uiterste van je erbij neerleggen is sterven. De dood is heel gewoon, leren dieren mij. Ik zoek naar mensen die hetzelfde denken op dit moment, die nu filosoferen over overleven en de dood. Die zullen er vast zijn, maar ik vind tot nog toe niemand. Daarom dit verhaal. Een oeroud verhaal, dat steeds opnieuw verteld wil worden.

.

Klik hier om te luisteren.

Nieuwe rondes, nieuwe kansen

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Kerst is voorbij. En nu brengt mijn pa ons weg, mijn vriend Dick en ik. Wie heeft nou een pa van 96 die je wegbrengt, niemand toch? Meestal is het andersom. Kinderen brengen hun pa weg. En uiteindelijk naar zijn graf. We boffen dat hij er nog steeds is en dit doet. Dus daar zeg ik geen nee tegen en met een korte opmerking maak ik hem bewust van dit opmerkelijke feit. Ondertussen zijn we bijna bij de Swetteblom. We rijden over een weg die ik goed ken, maar die me toch volkomen vreemd is. Ik zie hem dagelijks van afstand maar nooit zat ik erop in een auto. Het is de Haak. De weg die niet zo lang geleden is gemaakt om het vele verkeer de ruimte te geven. De weg is plompverloren in het land gelegd, volgens bewoners. Er is protest aangetekend met een alternatief, maar dat hebben ze niet eens bekeken. Rijkswaterstaat, de provincie en de gemeente Leeuwarden legden het besluit bij twee ministers en die hebben getekend. In 2014 lag hij er. Die stomme weg. Maar wel razendsnel. We rijden rakelings langs een gehucht dat ik nog nooit gezien heb. De drukke verkeersweg loopt zowat in hun tuin en toch heeft de gemeente er geen geluidswal voorgezet. “Ze willen het uitzicht behouden,” zeg ik “Ze doen hier niet aan bosjes en geluidswallen.”Dat snapt mijn pa wel, best mooi al die kerktorentjes aan de horizon. “Maar wel heel lullig voor de bewoners.” zeg ik nog. Pa knikt bedachtzaam. Lang tijd om erover na te denken hebben we niet. Verrassend snel zijn we ineens op de weg naar Weidum en wordt het landschap ons vertrouwd en even later kunnen we thuis uitstappen.

Nu heb ik voor het eerst op die vervloekte weg gereden. Ik heb er tot nog toe alleen nog maar naar geluisterd en gekeken. Geruis in de verte dat soms dichtbij klinkt. De stroom van lichten in de nacht. Een natuurlijke geluidswal is wenselijk. Ook dorpelingen willen dat. Zouden we opnieuw een initiatief kunnen starten voor een strook bomen langs de weg? Inmiddels zijn er dingen veranderd. Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Er lag een weidevogelbeleid. Maar de weidevogels zijn er niet meer. De weg heeft ze weggejaagd. Er zijn sowieso nog maar een paar plekken in Friesland waar het goed gaat met de vogels. Dat vraagt om een nieuw beleid. Ondertussen klinkt de roep naar meer bomen steeds luider.

Soms zijn dingen jarenlang hetzelfde, is verandering nauwelijks mogelijk. Maar dan beginnen er zaken vast te lopen en moeten we breken met wat was. Hortend en stotend krijgen nieuwe mogelijkheden een kans. Op elke plek is dat weer anders. En ik ben vooral bezig met bomen en wat er onder groeit. Er zijn meer mensen bezig met bomen in deze streek en ik ontmoet ze. Binnenkort vindt hier een groenlunch plaats met MeerbomenNu. Het lijkt erop dat dingen gaan samenkomen. Het wordt tijd. En niet alleen hier. Overal broeit het en ontstaan nieuwe initiatieven. De tijdgeest leidt ons in de nieuwe stroom. We kunnen een nieuwe wind laten waaien. Laten groeien wat groeien wil, jeukende handen een bestemming geven en ’s avonds in slaap vallen bij het beeld van een landschap dat steeds levendiger wordt. Sommigen denken dat het te laat is. Uitsterving van soorten, klimaatverandering, alles zou niet meer te stoppen zijn. Maar zoals ik hier sta, met de rouwranden nog onder mijn nagels van het werk, voel ik hoop. Dat is wat aarde doet. Het maken van vuile vingers is werken aan hoop. Denk er niet alleen over na, je voelt het pas als je het ook doet. Voel de kluiten onder je klompen op weg naar het land, voel hoe ze breken. Voel de aarde in je handen. We zullen doorgaan met planten en zaaien. Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Op naar de nieuwe tijd.

Luister naar het liedje dat spontaan ontstond:

We zullen doorgaan, doorgaan
met jeukende handen
met haar op de tanden tot het komt
ha
tot het komt!

.

Onze eigen Joulupukki

Joulupukki, wie is dat?
Over de magie van mythische figuren die horen bij het land.

.

Joulupukki komt uit Finland, en in Zweden heet hij Julbocken of Jultomten, kerstkabouter.( Door John Bauer – https://biblioklept.)

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De kerstman en sinterklaas komen allebei van ver. De ene komt uit het warme zuiden, de ander uit het gure noorden. Het is spannend omdat ze speciaal hierheen komen, met een stoomboot, of door de lucht, net als Thor met zijn trekdieren, de oude Scandinavische god. Wat van ver komt is lekker. De meesten zijn er al wel eens geweest, het hoge noorden of het verre zuiden. Zelfs verder nog. Het is eigenlijk niet zo bijzonder meer dat de sint helemaal uit Spanje komt.
Ondertussen woon ik nog steeds in het vlakke land van het Noorden, in de buurt van waar ik geboren ben. In Spanje ben ik nog nooit geweest en in Scandinavië ook niet. Niet omdat ik niet wilde, ik houd van ontdekken en om me heen kijken. Als ik de vogels zie voel ik dat. Ik zie ze, terwijl ik nu schrijf. Ze trekken hoog over, in een V vorm, vooraan is het nog een slordige troep, maar hoe verder naar achteren hoe strakker de vogels schuin achter elkaar aan vliegen, richting het zuidwesten. Als ik dat kon, dan zou ik vast hetzelfde doen. Het lijkt me een mooie uitdaging, zo met zijn allen. Voorbereidingen treffen betekent dan vooral: goed eten. De tocht zelf gaat intuïtief en de oudere vogels hebben een ongelooflijk vermogen om het landschap en de sterren te lezen. Ook navigeren ze op aardstralen als het heel donker en mistig is of juist veel te licht door overdadige kunstverlichting. Ondertussen vliegt er nog veel meer rond.
De kerstman moet trouwens ook uitkijken, met al die drones. Die rendieren schrikken zich nog dood, met alles wat ze tegenkomen in de lucht. Misschien kan hij beter robots nemen. Maar ja, dan is er geen lol meer aan. Ik denk dat de kerstman eigenlijk liever thuis blijft. Gewoon in Finland, met een hele kudde rendieren tussen de Lappen. Daar kennen ze immers zijn echte naam nog: Joulupukki. Geen grote dikke vent, maar een klein kaboutertje met een rood mutsje op. Nu is hij lief. In oude tijden was hij niet zo lief, hij stal etensresten na kerst. Hij liet zich vervoeren door een kar met geiten, net als Thor. Daarom verkleedden mensen zich in geitenvellen, de trekdieren van de kabouter en gingen de huizen langs voor etensresten, alsof ze Joulupukki zelf waren. Later groeide de kabouter uit tot een brede lachende kerstman met een span rendieren. Hij lijkt op de kerstman die overal in de winkels staat, maar toch is hij anders. Hij is echter. Nog steeds klopt hij overal op de deur. Zijn naam is ook hetzelfde gebleven, Joulupukki. Ja, hier heeft de kerstman een echte eigen naam. Dat moet fijn voor hem zijn. Als ze hem roepen wordt hij vast nog vrolijker en gaan er belletjes rinkelen in zijn borst. Daar houden mythische figuren van, dat je hun echte naam kent. Integendeel tot Repelsteeltje verdwijnen ze niet, maar worden er juist vitaler van. Het geeft het land en de mensen diepte en eigenheid. De kerstbellen en glamour van de Amerikaanse kerst is daarbij vergeleken opdringerig en vlak. En wat moet een mythisch figuur trouwens met die commerciële herrie? Misschien kunnen we beter onze eigen mythische figuren weer leven inblazen. Onze eigen Joulupukki. Zorgen voor een landschap waar weer magie in zit, waar nog donkere plekken zijn tussen bosjes, vennen en plassen. Dat het zo donker wordt dat we de sterren weer kunnen zien en ons pas echt kunnen verwonderen. Dat we weer kijken naar overvliegende ganzen in de nacht. Als we dat doen, dan komen ze vanzelf terug, de elven en kabouters. De familie van Joulupukki. Dit te bewerkstelligen, daar ga ik voor. We werken door aan een landschap waar magie in zit. Ook in het nieuwe jaar.

.

.

Een gelukkige pechvogel

Als de stroom ermee ophoudt pak ik vrolijk de beugelzaag

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is pechtijd. De kunst is het gelijkmoedig te ondergaan. Dat probeer ik, maar toch word ik wel even sjaggerijnig als er zich weer een nieuw probleem aandoet. Het meest hardnekkig zijn stroom en online-obstakels. De volgende tweedehands smartphone doet het de eerste week aardig, mits ik dat ene kabeltje gebruik, en geen andere. Het contact hapert, en in de tweede week werkt ook dat ene kabeltje niet meer. Ik had net alles geïnstalleerd.

Wat me toch elke keer genoegen doet is het werk met de bomen. Om het veldje waar mijn huis staat, groeit een wilgenrij. De bomen staan heel dicht op elkaar, en groeien schots en scheef alle kanten op, alles om naar het licht te groeien. Ze moeten hoognodig worden uitgedund. In het schuurtje ligt de kettingzaag, maar ook een hele fijne beugelzaag. Ik begin met de kettingzaag. Dat gaat net lekker, maar dan valt de stroom uit. Ik probeer een ander stopcontact. Gelijk begint het ding weer te brommen. Het is dus het snoer. Het past goed in de serie stroomproblemen. Een wolk komt nooit alleen. Maar hierover haal ik mijn schouders op. Ik heb immers een prima alternatief. Ik pak gewoon de beugelzaag. Ondertussen denk ik na. Ik heb nog wel een mooie dikke kabel liggen zonder stekker eraan. Die maak ik een andere keer wel compleet. Nu wil ik doorgaan.
Tussen de grote en kleine bomen door loop ik naar de meest overhangende wilg. Hij is niet zo heel dik. Onderaan de stam zet ik de zaag in het overhangende stuk. Twee keer schuin inzagen, en met een klein tikje valt het kleine schijfje hout er uit. Nu ik heb een mooie inkeping. Dan is de andere kant aan de beurt. Ik begin te zagen en langzaam begint de boom door te buigen, waardoor mijn zaag meer ruimte krijgt. De inkeping doet krakend zijn werk, anders was de zaag vast komen te zitten. Dat vastzitten krijg je anders altijd en hoe dikker de boom, hoe vaster zit de zaag, als je er niet op bedacht bent. Als het echt een dikke stam is, kun je dat ook oplossen door een keg in de snede te slaan, vlak achter de zaag. Maar dat hoef ik nu niet te doen, deze is dun genoeg om het alleen met een inkeping op te lossen. Met een doffe plof valt de wilg neer, precies tussen een jonge meidoorn en twee elsjes in, zonder ook maar een takje te breken. Ik loop naar het midden van de boom en trek hem naar de nieuwe takkenwal. Boven mijn hoofd klinkt gekwetter. Een koolmees heeft mij gadegeslagen en zit nu een meter van me af op een tak. Luidkeels maakt hij zijn aanwezigheid duidelijk. Twee keer per dag krijgt hij zonnebloempitten van me, op de hoge voertafel. Ik heb twee zaadsilo’s, maar die gebruik ik alleen als er sneeuw ligt of als ik weg ben. Als hij eten krijgt, is het direct van mij en niet anders. Daarom komt hij nu zo dichtbij. Hij fladdert tussen de bomen door naar die ene tak en kijkt toe wanneer ik de voerpot pak. Als ik even later wegloop zijn ook de pimpelmezen aan komen vliegen. Elke dag is het feest. Grijnzend ga ik verder met het slepen van de stam. Het zagen en sjorren en stouwen. Werk wat mij altijd weer gelukkig maakt, al zijn er nog zoveel GSM’s die ermee ophouden.

.

.

Landschapspijn en werken aan hoop

Blijven vertellen, blijven delen wat je hoort en doorgaan. Zo komen we er samen wel.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er komt iemand naar me toe, een vrouw en ze is boos en in. Er waren weilanden vol zonnebloemen. Ze kwam er graag langs op de fiets, stopte dan en keek hoe hele zwermen vogels genoten van het gerijpte zaad. Nu is alles weg. Ze zag hoe de boer alles maaide. Waar moesten al die vogels naartoe? Er was niks! Nee, ze had de boer niet gesproken. Ze was boos en verdrietig. Begrijpelijk.

Even later, als ze weer weg is, kom ik mijn buurman tegen. Hij is landschapshistoricus en werkt freelance voor de provincie. “Goh ja”, zegt hij als ik het verhaal vertel, “dat is natuurlijk zo. De boer krijgt subsidie voor bloemen en insecten en zaait daarvoor die bloemen. Maar daarna begint het eigenlijk pas met het zaad en de vogels. Een boer zou méér subsidie moeten krijgen om het ook de hele winter nog te laten staan.” Hij kijkt in gedachten voor zich uit, zijn blik is vastberaden. “Het komt goed uit” zegt hij. “Binnenkort spreekt ik een man, gespecialiseerd in landschaps-subsidies. Die werkt met boeren.” Hij kon natuurlijk niet zeggen of het een gevolg zou krijgen, maar hij zou het aan hem voorleggen. Dat scheelt zoveel, te weten dat er mensen aan werken.

Ik loop van mijn buurman terug naar mijn eigen afgelegen veldje en kijk naar de bult aan de overkant van de sloot. Daar ligt het Verhalenpad, waar ik aan werk. Het Wetterskip heeft bij het hekkelen veel riet laten staan. Het ziet er mooi uit. Wat gemaaid was of wat plat op de grond lag heb ik opgeruimd of overeind gezet. Het gemaaide riet ligt nu in dikke bulten onder de jonge bomen, op de helling van de bult. Het zal het huis vormen van insecten tijdens de koude winter. Het zal vergaan tot compost en het houdt brandnetels en de groei van het levende riet tegen. Tussen de bulten en het wuivende riet kunnen de hazen blijven rondscharrelen en vogels vinden er een schuilplaats. De plek wordt steeds specialer. Zo zag ik deze zomer een jongetje. Hij holde bij zijn ouders vandaan en riep over zijn schouder: “Ik ga naar het natuurgebied!” Dat is het dus, deze plek waar ik aan werk. En nu werkt het Wetterskip ook nog mee. “Dat laten staan van riet hebben ze niet zomaar gedaan. Er moeten meer van zulke stukjes natuur komen vinden ze.” Dat zegt de buurman, landschapshistoricus. Zo werkt dat dus, je begint ergens aan en op een gegeven moment wordt het gezien en sluit het aan bij een grotere beweging. Je laat iets zien, praat over dingen die je raken, en dan opeens luistert er iemand, die doet er wat mee. Het kan overal gebeuren. Houd dus hoop en blijf geloven in wat je doet en zegt. Het kan zomaar zijn dat iemand vastberaden achter je gaat staan. Samen komen we verder.

.

Een moment van verwarring

Woorden kunnen het tegenovergestelde bereiken van wat je eigenlijk bedoelt. Dan ga ik misschien wel liever gewoon verder met bomen planten. Dat is tenminste echt iets.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Dat is nou ook wat. Gisteren schreef ik een mooi stukje, over hoe ik mijn duurzame leven zie. “Ik zie mezelf als een nomade” schreef ik, “een nomade trekt alleen verder als het moet. Maar evengoed kan het zijn dat deze plek voor de rest van mijn leven is. Misschien heeft deze grond mij echt nodig en hoort het bij mij”.

Beter kan ik het niet zeggen, dacht ik tevreden. Het bericht kreeg veel belangstelling. Maar toen zag ik iets merkwaardigs. Op LinkedIn stond een duim van een man die ik niet kende. Ik keek naar zijn profiel en hij bleek de CEO te zijn van een olie en gasbedrijf. Ik ging rechtop zitten. Wat is dit nou? Een oliedirecteur die iets herkent in wat ik zeg? En dat terwijl ik vorige week nog voor de Waddenzee op de dijk heb gestaan om de nieuwe boorplannen van Shell tegen te houden! De directeur is gespecialiseerd in niet ontdekte olie en gasgebieden op verschillende plekken op de wereld. Die kunnen dan geëxploiteerd worden. Voor mij heeft dat woord een andere betekenis dan voor hem: het betekent nieuwe wegen uitrollen door ongerepte natuurgebieden en onteigeningen. Geronk en geraas en platgereden dieren. Kaalslag om de jaknikkers te plaatsen. Verdere stijging van de temperatuur op aarde, al weet je nooit hoeveel dat is. Verbaasd kijk ik ernaar. Ik dacht dat ik iets schreef over eenvoudig leven. Ik lees het nog eens over. “Misschien hoort de grond bij mij,” schreef ik. Ja, dat denkt een olie-exploitant ook. Die denkt opgewekt: “Ja dat heeft ze mooi gezegd” en voelt zich bevestigd in wat hij doet. Hij ziet zichzelf kennelijk ook als nomade. Hij trekt verder als het moet, maar het liefst vindt hij een grote gasbel waar we voor heel lang genoeg aan hebben. Of olie. Precies zoals ik schreef. Maar “grond die bij je hoort” is in dit geval grond die wordt toegeëigend.. Zo iemand staat vooral ten dienste van zijn eigen portemonnee. Bedrijven moeten groeien, in onze economie, groeien en concurreren. Het is elke keer maar de vraag wat mensen zien in een tekst. Denk ik iets te schrijven over eenvoudig leven, blijkt het tegenovergestelde ook waar te zijn. En dan denk ik: Wat heeft het eigenlijk voor zin, al die woorden? Kan ik niet beter beroepsactivist worden, dan is het tenminste echt duidelijk waar je voor staat. Tenminste, dat hoop je dan. Een poosje volg ik die gedachte. Maar als ik uit het raam kijk zie ik de bomen. Natuurlijk, de bomen! Zij zijn immers concreter dan wat dan ook. Bomen planten is een prachtige bezigheid. Daarvoor zijn weinig woorden nodig, je leven staat ten dienste van hen. Bomen planten doe ik al. In het begin hebben ze je nodig, later een stuk minder. Ze leven vaak langer dan ik. Die prachtige wezens leveren enorm veel diensten voor deze bodem en onze planeet. Bomen planten en ervoor zorgen doet vast en zeker meer dan een tekst, al bewerk ik hem twintig keer om het zo helder mogelijk te krijgen. Ik houd van ze. Als ik hier dan sta, hier in het Friese land, maken ze me gelukkig. Zie ze staan, daar in de wind. Het blad licht op in de zon, de takken zwaaien heen en weer. De berken torenen steeds verder boven het land uit, daar boven op de bult. Hun stammen zullen steeds witter worden en dikker. Eronder kleuren de helderrode bessen van de sleedoorn, tussen de andere bomen en struiken. Niet te geloven dat dit kleine bos nog maar drie jaar staat! Maar ik heb er dan ook veel tijd in gestoken. Dit is echt iets. Het bosje is mijn wonderkind, dat nog veel kan doen. Het zal verder groeien. Mensen zullen het zien en gelukkig luisteren naar het ritselen van bladeren en naar de spotvogel in de zomer. Vlinders en andere dieren en insecten zullen voedsel en beschutting vinden. In de herfst zullen de mensen na mij nog jarenlang noten verzamelen. Hazelnoten, walnoten. Ze zullen goeie gesprekken voeren tijdens het wieden en elkaar helpen bij het uitgraven van de woekerbraam die geen vruchten geeft. Ze zullen de essen en esdoorns ertussenuit halen en gebruiken als brandhout. Misschien is dit bosje wel een begin van een groter bos. Het zien en beleven ervan verandert iets in het denken van de mensen, heel langzaam maar zeker. Dat krijg ik met teksten niet voor elkaar.

De Friezen hier moeten wennen aan bomen. Het kan nog heel lang duren voor het bos groter zal groeien. Misschien wel vijftig jaar. Dan ben ik er niet meer bij. Maar ik heb wel een aanzet gegeven en meegewerkt en het verhaal gaat door. Bomen doen misschien wel meer dan woorden. Laten we goed voor ze zijn. Bescherm ze, verzorg ze, help ze groeien. Laat hun verhalen leven.

.

De kentering van licht naar donker

Elk jaar, als de maand september komt, heb ik een sombere avond. Eentje maar, en dan is het weer voorbij.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

Dit keer is er alleen geschreven tekst.

.

Het is niet vaak dat ik sombere gedachten heb. Het is maar één enkele avond en bijna altijd tegen de herfst, als de eerste bladeren vallen en de dagen korter worden. Het is wanneer ik al een hele zomer tuinonderhoud heb gepleegd en er nog steeds veel werk moet worden gedaan. En dan ook nog al die demonstraties waar we voor worden opgeroepen, tegen volkerenmoord, tegen boringen van Shell op de Waddenzee, en tegen het handelsverdrag Mercosur… Ik voel me verantwoordelijk. Maar in beweging komen gaat nu stroever. De vroege ochtend heeft de betovering van de lente verloren, en de vogels fluiten niet meer. De broedvogels vertrekken, de wintergasten zijn nog niet gearriveerd.  De magische herfstssluiers zijn er nog niet. En de bessen, pruimpjes en frambozen zijn allemaal geplukt, terwijl de appels nog niet rijp zijn. Donkere gedachten drijven als wolken mijn kop binnen. Iemand zegt dat de aarde ons er straks allemaal af-flikkert en dan zelf verder gaat. Ik denk daaraan als ik die avond in bed lig. Soms kan ik daar dankbaar voor zijn, dat alles uiteindelijk wel goed komt met onze planeet. Maar nu niet. Ja, we maken er een puinhoop van. En wat kan ik nou doen in mijn uppie, al leef ik nog zo eenvoudig en zorg ik goed voor mijn bomen. Misschien kan ik net zo goed ophouden met bestaan, als het dan toch die kant op gaat met ons. Gelukkig redt de slaap me uit mijn somberheid. Het universum van de droom brengt me zoals altijd tot mezelf. De herfst is in aantocht. Het is de herfst, de lucht vol schimmels en verrotting.

In huis is het ’s ochtends koud. Zoals gewoonlijk doe ik mijn oefeningen en maak ontbijt. Maar na de verwarmende pap weegt die sombere avond nog steeds in mijn ledematen en ik duik opnieuw onder de wol. Tot een uur of tien, half elf, dan komt de zon over de bomen heen en maakt de wereld lichter. Net als de natuur keer ik langzaam naar binnen, voel de stralen van de nazomerzon en doe wat nog gedaan moeten worden. Het maaien van het lange gras, distels trekken, riet weghalen. Overwoekerde paden maak ik zichtbaar aan het einde van het land. Zo kunnen we bewonderen wat er dit jaar is gaan groeien. Ik ontdek de zaailing van een lijsterbes met bessen er al aan. Sommige struiken hebben al gele bladeren. De overgang is duidelijk. Die ene avond gebeurt het. Als een zonnebloem die haar zwaar geworden kop omlaag knikt, voor ze haar zaad weggeeft. Als de kentering tussen vloed en eb, tussen de zonnetijd en de donkere dagen. Het is de wet van al wat leeft, waar ik nog altijd deel van uitmaak.

Grote strandschoonmaak op Schier

Stichting De Noordzee organiseerde een reeks schoonmaakacties en dit keer ging ik mee. Met een grote groep struinden we het verlaten strand af, in weer en wind.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Op de boot naar Schiermonnikoog wacht ik op vertrek. Links is water en lucht, rechts loopt de dijk. De zee en de wolken zijn altijd anders. Het is de speling van het licht, die de kleur van het water verandert. Het is de zon die glinsterende rimpels maakt in het oppervlak. De luchten zijn weids en indrukwekkend, het water is groenblauw. Er drijft een dikke wolk voor de zon en eensklaps is de glinstering weg, blauw wordt geelgroen. Meeuwen scheren en schreeuwen over het water. In de verte langs de oever duikt een aalscholver onder, op jacht naar vis.

Maar het gaat slecht met de vis en de zee. Grote vissen zijn verdwenen en kleintjes zijn er ook steeds minder. Er wordt overal ter wereld gevist, bijna geen plek wordt met rust gelaten. Overmaat schaadt en doet veel kwaad. Slordigheid en nonchalance ook. Zeehonden worden gevonden met hun kop verstrikt in netten, zeevogels met doppen in hun maag. Ronddrijvende zooi doet het zeeleven geen goed. Zeventig jaar geleden was het nog heel anders. Eigenlijk is dat best kort geleden. Maar nu is het zo, en dan kan je er maar beter het beste van maken, vind ik. Daarom gaf ik me op voor de grote schoonmaak op Schiermonnikoog.

Stichting De Noordzee organiseert het nu twaalf jaar: De Beach Clean Ups tour. De groep verzamelt zich op een terras bovenop de duin en na de thee gaan we los. Het is heerlijk om met gelijkgezinden het strand af te struinen als een troep strandvogels. Trots steekt iemand een groot stuk touw in de lucht of een deel van een net. Reuze interessant is het, om aan kleine draadjes te trekken die uit een bult steken. Onder het zand blijkt dan een hele kluwen verborgen te zijn, als je het treft. Ik schep er een kinderlijk genoegen in.
Tussen de bedrijven door leren we ook nog wat. Al een paar keer heb ik wat groen, uit elkaar gevallen plastic opgeraapt. En nu een hele bos. Wat een hoop, denk ik, en wil het in de plastic zak stoppen. Maar dan komt er een jonge vrouw aan. Ze stelt zich voor als Nina. “Dat is geen plastic” zegt ze. “Het is zeesla!” Oude zeesla wordt transparant, vertelt ze. Je kunt het duidelijk herkennen. Er zitten groene stukjes aan en er zitten gaatjes in. Het scheurt makkelijker uit elkaar. Plastic voelt ook stugger aan. Nina is mariene ecoloog en ze vertelt ons veel.
We lopen verder, vinden een bezem, een pen, stukken van een groene eierdoos en een heleboel gestolde paraffine. Paraffine wordt vervoerd als droge of natte bulk over zee. Na het lossen van een lading paraffine in de haven, blijven er altijd restjes achter in de opslagtanks van het schip. De opslagtanks worden daar schoongemaakt voor het laden van de volgende vracht. Voor het gemak worden de resten paraffine soms rechtstreeks van schepen geloosd in zee, en niet afgeleverd in de haven. Dat is niet alleen vervuilend, het zou anders mooi gerecycled kunnen worden of verbrand, waarbij bruikbare energie vrijkomt. Zonde dus.

Soms ligt het in dunne plakjes op het zand, dan weer in klonten met veel merkwaardige uitstulpingen. Er zijn jutters die zich daar speciaal op richten. Ik niet. Ik kijk naar andere dingen. Zo heeft iedereen een andere focus. Eigenlijk moeten we op peuken letten, maar die zijn hier niet op dit afgelegen stuk strand. Turend struinen we verder, Dan heb ik weer iets raadselachtigs beet, wat ik vaker heb gezien. Een plak, zanderig van buiten, zwart van binnen. Ik voel eraan. Ik denk dat het zwarte binnenste van klei is, zo stijf is het. De mariene-ecoloog komt weer naast me lopen. “Dat is zwarte zeeklei” zegt ze. “Er zit veel organisch materiaal in. Vroeger was de Waddenzee moerasland, en ook delen van de Noordzee. Je kan hier ook stukken losgeraakt veen vinden. Of hele oude botten van landdieren die hier toen leefden.” Terwijl ze het zegt, herinner ik het me het verhaal, dat ik daarover las. Doggerland! Als het op aarde kouder werd groeiden de ijskappen op de Noordpool en stond de Noordzee droog. Dat gebeurde meerdere malen. Er zijn resten van nederzettingen gevonden van wel een miljoen jaar oud. Er leefden hier mensen in de toendra’s, lang geleden. Er was water in de rivieren die er doorheen stroomden. Als de wind uit het noorden kwam, dan waaide het fijne witte zand vanuit Scandinavië helemaal naar hier. Schiermonnikoog bestaat dus uit zand van Scandinavië. Het is een mooi strand waar we lopen, veel witter dan aan de westkust. Je ziet hoe makkelijk het wegwaait, dat fijne zand in de wind, vlak over de grond, als een rivier gaat het. Of als sluierwolken in een film, die je versneld afspeelt. In de ijstijd was de hele vlakte één grote zanderige wind. Ik staar naar de horizon en stel het me voor.

.

.


Verschillende ijstijden volgden elkaar op. Ook met de laatste ijstijd kon je hier zo naar Engeland lopen. Toen het water weer steeg kwamen de moerassen met al hun plantengroei. Het werd steeds warmer en het water steeg verder. Engeland kwam los van het vasteland en de Noordzee kreeg steeds meer de vorm die ze nu heeft. Maar de zwarte zeeklei bleef,  als stille vertegenwoordiger van oude tijden. Het ligt als daar als deel van de bodem en bij graafwerkzaamheden komen er stukken los. Die zwarte plak is dus niet zomaar rotzooi, het vertelt een verhaal van duizenden jaren geleden! Het blijft indrukwekkend. Daarom houd ik van de aarde, om al die verhalen die ze met zich mee draagt. Daarom is dit zo leuk.

We lopen een fiks eind en hoewel het steeds vrij zonnig was, dreigt er nu een donkere regenwolk. Vanuit het niets steekt een koude rukwind op. Niemand maalt er om. Bewonderend kijken we naar de ruige zee en laat de wind maar waaien. De lunch eten we op achter de trekker. De kar erachter begint al aardig vol te raken. De laatste jutter arriveert en gooit er een groot stuk plastic in. In de luwte van de trekker eten we ons brood, iedereen op zijn kont in het zand. Dan struinen we weer het hele eind terug. Niemand haakt af, en wanneer de tocht is afgerond stralen we met rode blossen op de wangen. Er zijn er veel die elk jaar terugkomen. Ik geloof dat ik dat ook maar doe.

.

Klik hier om te luisteren naar het verhaal.

.

.

Alles wat er is, is mij dierbaar

.

.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapevachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde alles weer recht. Uiteindelijk vond ik rust en sliep ik in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, alles zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapenvachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde het weer recht, vond eindelijk vond ik rust en sliep in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een slaperige sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, mezelf als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

.