De banden herstellen

Moet je eerst tussen de indianen leven om de band met de Aarde en elkaar te herstellen?

.

In de nok van mijn wagen is een heilig plekje. Het vormt een symbool voor de achtergrond van dit verhaal.

Soms speelt de verleiding om op ontdekkingstocht te gaan. Een droom die al lokt sinds mijn jeugd. Landen zien waar ik van lees. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over een indrukwekkend verblijf bij indianenstammen. Zou ik dat ook niet willen? Er zijn er genoeg die het doen. Wat voor verlangen is dat, wat hier kennelijk niet te bevredigen is?
De vraag laat me nog niet los. Ik lees verder over diverse stammen in Noord Amerika, en hoe zij naar de wereld kijken. Er is herkenning. Maar moet ik er dan ook heen? Er zijn mensen die een tijd leven in een stam en dan terugkeren met een indiaanse naam. Na een tijd tussen hen te hebben geleefd zijn ze erkend als “Indiaanse ziel”. Er zijn verschillende manieren, waarop indianen anderen erkennen als verwanten. Er zijn stammen in Noord Amerika, die vinden dat je voor een bepaald procent indiaanse genen moet hebben om indiaan te zijn. Maar er zijn ook veel traditionele indianen die dat soort sommetjes maar een westerse uitvinding vinden. Ze vinden het belangrijker dat je een band beleeft met de familie, clan of stam. Bij zulke stammen zul je wellicht een warm welkom vinden. In een langdurig bezoek kan je voor het eerst het gevoel hebben opgenomen te zijn in een gemeenschap. Misschien kom je dan met een glimmend gezicht terug, herboren met een nieuwe naam. “Toen ik bij hen in die zweethut zat had ik het gevoel thuis te komen.” Misschien is dat het, wat we hier missen. De band met elkaar, de terugkerende rituelen. Stel dat het zo is, dat erkenning door een Indiaanse stam werkt als een soort zielsdiploma. Met een nieuwe naam die vertelt dat je als mens je volledig inzet voor de aarde en alles wat daarop leeft. Een band die verder gaat dan die van directe familie. Ten slotte zijn velen op zoek naar die verbondenheid. Dit is een tijd waarop veel families uit elkaar geslagen zijn, hier én daar. Vooral voor hen is het leven hard. Na 1890 werden indianen niet meer vermoord, maar geestelijk kapot gemaakt. Kinderen zijn bij hun ouders weggehaald of onder grote beloften weggelokt en op kostscholen beland. Er was veel misbruik en geweld en een totaal gebrek aan genegenheid. De trauma’s zorgen ervoor dat ze geen band meer kunnen aangaan met wie dan ook en huiselijk geweld zet zich voort in hun kinderen. Het is heel wat je daaraan te ontworstelen. In ons eigen continent hebben we heel andere oorzaken van verwijdering: Individualisme, te grote verwachtingen, te hoge eisen die worden gesteld aan leven en werk. Allemaal zijn we op zoek naar manieren om ons te bevrijden en om weer thuis te komen. Hoe kunnen we de banden herstellen met moeder Aarde en elkaar?

Ik kan wel begrijpen dat iemand zich voor een tijdje wil warmen in een oude traditionele gemeenschap rijk aan menselijke en spirituele waarden. Maar dat moet hier toch ook kunnen! Ik lees over hen, en leef me in. Ik begrijp het en voel het: leven vanuit eenvoud en bescheidenheid, met respect voor wat is. En als ik op die manier verwantschap voel met deze oude volkeren, waarom zou ik er dan naar toe gaan? Voor erkenning wie je echt bent? Het gaat toch in de eerste plaats om het hier weer terug te krijgen, een warmhartige samenleving, de Aarde, het groeien van een gezonde bodem. De vraag is: Hoe begin je. Misschien ben je eerst alleen, maar komt er later meer uit voort. Zo heeft het urenlange werk in mijn eentje met zeis en sikkel mij op een idee gebracht: Misschien is het mogelijk een zeisbrigade op te zetten. Mijn buurman wil graag meedoen, “Misschien kunnen we klompen gaan maken met ons eigen embleem erop” zegt hij. Een eigen stam, maar dan in Friesland. Als je iets wil, moet je er om te beginnen niet alleen in staan. Het is goed als er anderen zijn, die zich oude waarden herinneren.

We moeten terugkijken om te weten hoe het was. Ook wij hebben tradities in gemeenschappelijke banden. We hoeven daarvoor niet per se naar een verre Indiaanse stam. Ook wij hadden rituelen en eeuwenoude seizoensfeesten. Hele groepen werkten vroeger samen. Als het maaitijd was in het weidegebied, dan werkte de hele familie mee en ook anderen. Als het lunchtijd was, dan kwam oma met een grote kan koffie en roggebrood met spek of kaas. Nu moet oma zeventig euro per maand betalen voor koekjes bij de thee, in het bejaardentehuis. Het land smeedde banden tussen mensen. De warmte en de samenhang is zoek. Dit terug te brengen is het thema voor ons en onze kinderen.

In die andere werkelijkheid valt spiritualiteit en politiek samen. Een echte leider leeft bij het spirituele Lakotavolk volgens zeven waarden: Gebed, respect, zorg en medeleven, oprechtheid en eerlijkheid, generositeit, bescheidenheid en wijsheid. Hierin voor elkaar een voorbeeld te zijn. Daar begint herstel, Misschien gaan er nog enkele generaties overheen, voor het zover is. Maar ik werk mee aan de transitie, zolang als ik er ben.

.

Dit verhaal is een verkorte versie van een paar pagina’s uit het nog niet gepubliceerde boek: De heilige traagheid der dingen.

Lekker zeisen

.

Met op de achtergrond het Verhalenpad, de eerste plantlocatie, waar ik tot twee jaar terug nog bomen bijzette.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De nieuwe zeis is aangekomen. In een hele grote doos zat hij, tjokvol papierproppen. Het is een graszeis, dun en verschrikkelijk scherp. Prachtig gereedschap is het. Als je hem goed blijft haren en hem alleen voor gras gebruikt, kan je er je leven lang mee doen. Het is heerlijk om in cadans het gras te zien vallen. De vogels fluiten, de hommels zoemen. Zo hoort het te zijn. Door te maaien kan je kunstwerken maken door sommige plekken wel te doen en andere plekken niet. Elk jaar weer anders. Je kan bloemen en kruiden laten staan, of juist heel kort maaien om de wortelgroei te stimuleren. Hoe meer je ervan weet, hoe interessanter het wordt. Hoewel het ritme van de zeis uitnodigt tot een trans waarin je op de automatische piloot verder gaat, doe ik dat dus niet. Dat maakt het nog veel boeiender. Ik zie hoe hommels en vlinders meteen de nieuwe ruimte gaan verkennen, tussen hoog en laag. Ze zoeken er beschutting als het waait. Maar meestal is het nog vroeg als ik maai, en windstil. De hommels zijn nog niet wakker. De vogels laten in elk geval wel van zich horen. Overal zijn nesten. Ik hoor de tjiftjaf, de winterkoning en een paar rietzangers. De merels, mussen en mezen nestelen bijna allemaal in het dichter beboste stuk, bij de boerderij. Daar is meer beschutting dan hier, hier moet alles nog groeien. Ik help daarbij, met mijn zeis. Het lange gras is nat van dauw, het scherpe mes glijdt er als boter doorheen. Ik strooi het gras onder de begroeiing, onder de bomen en struiken, vooral de jongsten. Het zou nog wel eens heel lang droog kunnen blijven, en een goeie laag mulch zal hen zonder stress door de moeilijke tijd heen helpen. Behalve het gras als strooisel te gebruiken, maak ik er ook een hoop van. Dat is voor de nieuwe boomgaard, een stukje verderop. Het gemaaide gras komt precies tussen de nieuwe aanplant in, aan de ene kant de elsen, zuurbessen en het sporkehout, aan de andere kant een laagblijvende haag van vlechtwilg. Daartussen is alleen nog maar gras. Daar moet de nieuwe boomgaard komen.

De bodem is keihard. Hier komen de twee rijen appelbomen en precies daar, waar ze moeten komen, gooi ik het gemaaide gras neer. De bodem heeft het nodig, als daar fruitbomen moeten groeien. Het zal wormen aantrekken en andere beestjes, die op zoek zijn naar vochtige grond. Die zullen de bodem losser maken. Ze trekken het gras de grond in en verteren het. Het houdt de groei van het gras tegen. Zo maak ik het klaar voor de dag dat de appelbomen worden geplant.

Wat ben ik toch blij met mijn zeis. Er zijn mensen die denken dat boerenwerk geestdodend is en vermoeiend. Dat het steeds maar hetzelfde is. Laten we daar robots inzetten, zegt onder andere Hidde Boersma, een voorvechter van ecomodernisme. Ik ben geen fulltimeboer. Maar ik zou het niet willen missen, mijn zeis niet, het werk niet, en ook niet alles wat ik zie en beleef. De wind te voelen, de structuur van de bodem, hoe het groeit, alles. En ook hoe bijzonder het is om te merken hoe helder mijn hoofd wordt. Zelfs als ik een keer slecht geslapen heb, mijn frisse blik keert terug zodra ik in de velden en tussen de bomen ben. Zouden we dit zinvolle werk over moeten laten aan machines? Ik dacht het niet. Dan komen de kinderen helemaal niet meer achter de laptop vandaan. Hun hele leven blijven ze daarachter zitten. We zouden als mensheid langzaam verschrompelen en wankel en bijziend de wereld ingaan. Dat wens je niemand toe. Kinderen mogen best weten hoe je met een scherp mes omgaat. Kennis en vaardigheden opdoen van al die dingen die een mens nodig heeft om echt te leven.

Liefdevol en voorzichtig strijk ik het natte gras weg, dat aan het mes zit gekleefd. Dan loop ik terug naar mijn schuurtje, pak een doek en veeg hem zo droog als ik kan. Even laat ik de zeis staan en als ik terug kom is het laatste vocht opgedroogd. In de hoek staat de lijnolie. Met de punt van de doek smeer ik het ijzer in. Zo blijft hij glanzend en glimmend scherp. Ik hoop nog vele jaren. Want de bedoeling is dat we er wat moois van maken. Dat heb ik beloofd. En daar heb ik mijn nieuwe zeis hard bij nodig.

.

.

Wil je het hele verhaal lezen van begin tot eind, met alle achtergronden, geef je dan op voor het boek: De heilige traagheid der dingen. Binnenkort kan het naar de uitgever, en dan is een lijst met belangstellenden mooi om mee voor de dag te komen.

Wandeling over het Verhalenpad

Het plantwerk gaat door en alles groeit.. De feeën spelen op een gouden bed van speenkruid.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. (Met verrassing aan het einde)

Ooit is het begonnen. Dit bomenlandje, hier aan de Swette, ver van de openbare weg. Veertig jaar geleden was het de boer die ermee begon. Voor zijn vader hier kwam om te boeren, was het een ruige plek met kleinvee en hij wilde dat wel weer zo. Destijds was er subsidie voor, voor bomen, en in heel Nederland is daar gebruik van gemaakt. Boer Jochum zal in het weidegebied een van de weinigen zijn geweest die zoveel bomen heeft geplant. En nu ben ik ook bezig op deze plek. Het Verhalenpad groeit. Het is niet alleen rijk aan allerlei bomen en struiken, maar ook steeds meer kruiden groeien er. En ik werk door. Tot twee keer toe komt er een opdracht bij. Er mag meer worden geplant, op andere stukken. Soms vraag ik me af: zal dit zo door gaan? Ik doe het met liefde. Het begint steeds meer een tweede natuur te worden. In de herfst wil ik bomen planten. Het is een sterke drang van binnenuit. Ik zoek binnen de wensen van de boer de hoeken waar ik vrijheid heb. Dat lukt prima. De variatie wordt groter en de samenwerking steeds beter.
Vandaag begin ik niet meteen met werken. Ik maak een rondje, gewoon om te kijken. De lucht is stralendblauw. De grond is droog maar niet zo droog als elders in het land. Het is een droge lente. De temperaturen lopen op, maar ondanks de warmte houden de bomen zich in. De essen, schietwilgen en andere grote bomen staan nog steeds in knop. Heel langzaam gaan ze open. Alleen de kleine bomen zijn stoutmoediger.

.

.

Ik loop naar de plek waar ik al vier jaar aan werk, het Verhalenpad. Het meeste is drie jaar geleden geplant. Het groeit hard, door mijn goede zorgen. Maar nu ben ik er al een tijdje niet geweest. Eerst loop ik het veld over, het hek door. Daar achter is het, de lange bult met de gecultiveerde wildernis eromheen. De sleedoorn bloeit wit, en over de grond ligt een goudgeel tapijt uitgespreid. Het speenkruid bloeit opgetogen. Al dat grastrekken heeft zijn vruchten afgeworpen. Het is een sprookje. Als een lentefee loop ik over de gele bloemen. Er komt hier bijna nooit iemand, het pad is bijna verdwenen. Verderop duik ik onder het wilgenbosje door. Daarachter, achter de wilgen, in het wilde stuk, is de sfeer heel anders. Hier bloeien straks tientallen kaardebollen. Paars, met veel bijen erop. Het staat nog vol dorre stengels van vorig jaar. Daartussen staat een wilde appel en een peer en diverse notenbomen. Hoog rijzen de bruine stengels, dor en droog, en de wilde appel en de walnoot staan er bijna onzichtbaar tussen in. Ook de wolmunt heeft een oerwoud aan oude stengels achtergelaten. Ze komen tot mijn borst. De oude stengels zorgen voor lichte schaduwen op de bodem. En de zon schijnt genadeloos, al dagen lang. Goed dat ze er nog staan, de stengels. Ertussen groeit de nieuwe munt, fris en opgewekt.

.

.


Het is een heerlijke plek. Verscholen tussen de wilde ruigte, ligt als een verrassing een wadi. Een door mij gegraven kuil, gevuld met water uit de sloot. Het nauwelijks te zien dat het door mij gegraven is, zo natuurlijk is het geworden. De pomp met zonnepaneel doet zijn werk, ik heb er nauwelijks zorg aan. De blauwe lucht weerspiegelt in het water en een jonge wilg buigt zich eroverheen. Hoog groeit het op, lange stengels, nieuw en oud. Als je hier zou worden heengeleid, geblinddoekt, dan zou je denken dat je in een moerasgebied stond. De kerspruim, wilg en zachte berk doen het goed in de vochtige  bodem. De groeigrage wilgen maken de grond geteed voor anderen. Hier beginnen de verhalen. Met deze beelden groeit de inspiratie. Daarom zijn dit soort plekken belangrijk, al is het in verhouding maar klein. Bronplekken, waar het in vrijheid kan groeien. En dat dan laten zien. Zodat het de wereld in gaat en zich vermenigvuldigt. Zo snel, dat het niet te volgen is. Laat het gaan. En ik ben hier, nu. Hier. De bronplek heeft me nodig.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

.

Klik op de knop voor de luisterversie. (Met verrassing aan het einde.)

Laten zien hoe het ook kan

Het planten van een voederhaag in een Friese weide. Ik ben bij een andere boer.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Als je enkele jaren op een plek woont, leer je steeds meer mensen kennen. Sommigen zijn belangrijk, hebben dezelfde doelen. Ecologisch herstel, bijvoorbeeld. Vaak zijn het de vrouwen van boeren, die dit in hun vaandel hebben staan. Ik heb nu enkelen van hen leren kennen, waarvan er een is die ik regelmatig help. Ze hebben een boerderij met koeien. Tijdens een fietstocht heb ik haar leren kennen en heb nu regelmatig contact. Zo wist ik dat ze net als ik plantgoed had besteld bij Heg en Landschap, om een voederhaag voor de koeien te maken.

.

.

Drie dagen werk ik mee om het plan te realiseren. Gaandeweg merk ik hoeveel ik er eigenlijk al van weet. Pas in samenwerking met anderen merk je goed hoeveel kennis je intussen hebt opgebouwd.

Vandaag werken we met vier vrouwen. Behalve ik zijn er nog twee komen helpen met planten. Er is al een loonwerker langs geweest. Die heeft vanochtend een geul gemaakt, dus we hoeven niet alles met de spade te doen. Dat scheelt. Naast de geul liggen bulten klei en hopen graszoden, los van elkaar, netjes geselecteerd. Verderop ligt een berg tuingrond. Er staat een roze schep in gestoken, kaarsrechtop. Het is mooi voorbereid. Ik doe het grondwerk. Dat ben ik gewend, het scheppen en kruien. De boerin woelt de tuingrond en de klei door elkaar en twee andere vrouwen planten samen de jonge bomen. Het is een heerlijke dag, de zon schijnt, en tussen de bedrijven door kletsen we over het dagelijks leven, zoals dat overal ter wereld tussen vrouwen gaat. Over vrouwen gesproken: Aan het einde van de dag sta ik plotsklaps stil. Er schiet me ineens iets te binnen. “Hee! Het is vandaag Vrouwendag!” Alle vrouwen lachen. Wat een ontdekking. Een echte vrouwendag is het. “Komen jullie eten?” roept de boerin dan “Mijn man heeft de lunch klaargemaakt!”

Na de lunch gaat ieder zijns weegs. Een week later kom ik terug om de klus af te maken. We leggen een dikke laag gemaaid riet naast de boompjes. Naast de sloot ligt er veel van. “Die grasmat is zo dik! Dat riet is echt nodig, anders raakt de plant erin verstikt. En als je straks water geeft wil je graag dat het boompje groeit, en niet het gras.” Ja, dat ziet ze wel. Vorig jaar heeft ze ook een heg aan gelegd, op een andere plek. Er groeide veel onkruid onder. Het uittrekken ervan kostte veel tijd. “Mijn man begreep er niks van, dat ik zoveel tijd stopte in het wieden, vorig jaar” begint de boerin. “Hij zei dat hij er wel even met Roundup langs wilde gaan,” zegt ze ongelukkig. Ze pakt een dikke bos riet en dumpt het zonder nadenken naast de boompjes. Ik kijk ernaar. Perfectionistisch als ik ben, trek ik het iets dichter naar de boompjes toe, zodat echt al het gras bedekt is. Ze merkt het niet op, gelukkig. Ik kijk haar aan, denkend aan wat ze zei. “Ik snap wel dat het een makkelijke gewoonte is. Veel boeren gebruiken het nog steeds in de wei, om zuring weg te krijgen.” Ze knikt, met een blik van herkenning. “Maar als je onder zo’n heg gaat spuiten ga je compleet je doel voorbij. Het gaat immers ook om het bodemleven! Op die manier zorgt de haag ook voor bodemverbetering. Denken de boeren daar niet aan?” Haar gezicht licht op wanneer ze antwoord geeft. “Jawel hoor, toch wel, steeds meer!” Ze ontmoet die mensen bij het netwerk voor Agro Forestry. Gelukkig. Er wordt aan gewerkt. Maar er moet nog veel gebeuren.

Ik hoop dat de boer ziet hoe het groeit. En hoe we het gedaan hebben. Immers: al doende leert men.

.

.

Klik hier om te luisteren:

Kiezen voor leven in een tijd van afbraak

Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is dubbel. Enerzijds is het een tijd om blij te worden. Het toverachtige stofje dat alles doet groeien staat op het punt om los te barsten. Alles is ervan doordrongen. De 730 bomen en struiken die ik plantte laten nog weinig zien, maar de wilgenroosjes, de zilverschoon en de smeerwortel ontvouwen hun eerste blaadjes boven de zwarte grond van het Verhalenpad. Op een andere plek ben ik ook bezig, vlak langs het openbare pad. Ik noem het “Het Voorhof”. Er groeien nu 200 struiken en bomen. Ze groeien langs een dicht op elkaar geplante rij wilgen, achter mijn kleine huis. Op de hoek staan ze zo dicht op elkaar, dat er nodig meer ruimte moet komen. Ik zaag een paar wilgenbomen om, de meidoorn en de kastanje kunnen hun takken nu vrij uitstrekken. Met veel genoegen stapel ik de takken op tot een houtril. Ietsje verderop loopt de wilgenrij weer gewoon door, de stammen dicht op elkaar, steeds hoger groeiend. Het is maar een klein hoekje, dat ik heb weggehaald. De stronken zullen opnieuw uitlopen en terugkomen als dichte struiken. Vogels en insecten zullen er beschutting vinden. Daarachter staat mijn gereedschapswagen, een aanhanger met deksel. Er zitten nog steeds zonnepanelen op, die stammen uit de tijd toen ik rondtrok door het Noorden van Friesland. Ernaast liggen de restanten van het vlot, dat ik maakte voor een documentaire, en daarna weer uit elkaar heb gehaald. Ik heb het zo opgestapeld, dat eronder ruimte is. Zo is het weer iets nieuws geworden. Het is het terrein van het winterkoninkje, een plek vol hoekjes om weg te kruipen en beestjes te vinden. Ik heb hem ook nog een eigen nestkast gegeven, die ik middenin de houtril heb verstopt. Ik hoorde het, toen hij het ontdekte. Een opgewonden gekwetter klonk vanuit de dichte berg takken.

.

.

Ik kan heel gelukkig worden van zulke ontwikkelingen. Alles te zien wat dichtbij is en groeit, waarvan ik de planter en de verzorger ben. Maar als ik kijk naar onze positie in groter verband, maak ik me soms zorgen. Rondom strekken de weilanden zich uit van boeren en de rijke paardenfokker en achter de Swette ligt de snelweg, de Haak genoemd. De snelweg, die ecologische leefgebieden doorkruist en veel kapot heeft gemaakt. Het is een economisch bepaald landschap, waar greppels worden dichtgegooid en drijfmest in de weiden wordt geïnjecteerd. De weg ligt er plompverloren ingekwakt en voor het land rondom is geen nieuw ecologisch plan gemaakt. Het is simpelweg opgeofferd, zoals er veel meer wordt opgeofferd. Soms word ik somber, en dan denk ik, wat doe ik hier, in dit land waar steeds meer kapot wordt gemaakt. Is het niet een eindeloze strijd, ik David en zij Goliath? Ben ik water naar de zee aan het dragen door het gras uit te trekken dat zich steeds maar blijft opdringen door de overmaat aan stikstof in de grond? En wat gebeurt er als ik er niet meer ben, verdwijnt het dan? Alles wat ik doe?

Toch ga ik door. Want het is zeker niet zinloos. De manier waarop ik het doe, ruig en divers, met hollingen en bollingen, dat doen er maar weinigen. Het is ook niet alleen ellende. Zeker niet! Het is voor mij als kunstenaar een heerlijke bezigheid, om het land te herscheppen. Het land vraagt om hogere en lagere delen. Wat vocht wil plant ik laag, wat geen natte voeten wil komt hoog. Ik zie hoe duizendpoten, pissebedden en kleine bruine rupsen hun schuilplaats vinden waar het hoger is en de grond losser. En hoewel ik veel genoegen schep om dit alles te zien groeien, komt die vraag steeds weer terug: Hoe levensvatbaar is dit, op lange duur? Iets is levensvatbaar als het op kan gaan in een groter geheel. Als er grond is waar nieuw zaad verwelkomd wordt, en niet per se gemaaid, omgehakt, of uitgetrokken. Als ik er niet meer ben, zal er dan nog iemand zijn die er met liefde voor zorgt? Of zal het met wortel en kluit worden uitgerukt omdat het in de weg staat?

Mijn positie is nogal opstandig. Ik heb letterlijk een groen opstandje, midden in de vlakte. Met opstandjes kan van alles gebeuren. Soms worden ze weggeveegd, soms inspireert het anderen en groeit het juist. Maar als je ermee kapt gebeurt er sowieso niks. En terwijl de mezen en de winterkoninkjes opgewonden hun vogelhuisjes inspecteren, groeit mijn beslissing om taai te blijven en blijmoedig door te gaan. Als we allemaal doorgaan op de plek waar we zijn, dan alleen hebben we kans dat het zal groeien. We hebben overal te maken met dezelfde waarden. Zolang de groei-economie en concurrentiestrijd het belangrijkste is, is de continuïteit van het leven ondergeschikt. Dat is overal zo. Dus ik ga door. Hier, want dit is de plek waar ik me mee verbonden heb. Misschien duurt het nog een tijd, voor de mensen beter met het land om zullen gaan. Maar ondertussen vertellen we elkaar onze verhalen. We wisselen zaden uit en stekken. Soms moet je er een eind voor fietsen. Ruimte blijven maken, in je eigen tijd en ook op het land, dat anders overwoekerd raakt door stikstoflievende gasten. Kiezen wat je ervoor in de plaats zet, wellicht iets dat de ruimte kan vullen, overvloedig en rijk. Na elke keuze weer kijken, wat gebeurt er. Misschien duurt het lang. Misschien blijven de slakken komen, de mollen en de hazen en de woelmuizen, het kweekgras en de horden brandnetels die in snel tempo verder kruipen over het land. Misschien groeit het tergend langzaam, waar je aan begonnen bent. De diversiteit, het voedsel voor mens en dier. Maar elk jaar is er iets wat overleeft. En dat wordt steeds meer. Voeden wat levensvatbaar is. Hoe de toekomst zal zijn dat weet ik niet. Dat weet niemand. Maar wel weet ik: Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar. Zelfs in een tijd van dood en afbraak, dan juist is het je plicht om te kiezen voor de kant van het leven. Als het fiere gefluit van de winterkoning op een grijze stille dag. Zo zie ik het.

.

.

.

Klik hier voor de luisterversie:

.

PS: Zojuist sprak ik de boerin die woordvoerder is voor agroforestry Fryslan. Zij zegt dat steeds meer boeren zich aansluiten. Moedgevend!

Hier begint mijn verzet

.

.




Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral  andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet,  die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest.  Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap  ook.  De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert.  De nietsontziende drang naar dure  grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin.  Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.

.

Vrede, waar begint het en waar eindigt het

.

.

Ik loop mee met een vredesmanifestatie. Tegen welke macht we zijn mag niet worden gedemonstreerd, dat kan namelijk escalatie veroorzaken. Maar tijdens de wandeling blijkt de invulling van die macht wel heel verschillend te zijn.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar loop ik dan, door de straten in hartje Groningen. Het is toch een aardige stoet mensen die hier loopt voor de vrede. Ik ben hier met mijn vriend Dick, hij is gevraagd om een vredeslied te zingen. “Ik ga mee!” zei ik en dat vond hij leuk. Dus nu ben ik hier. Het lied is gezongen, de wandeling is begonnen, een rondje door het centrum. Iemand gaf me een bord, “No more violence” staat er op. Dat draag ik nu. Als er mensen kijken draai ik de tekst naar ze toe. Er zijn meer borden en spandoeken, de meesten zijn uitgedeeld door de organisatie. Veel duifjes zie ik, het is allemaal heel lief en zonder schoppende mannetjes tegen kernraketten of vlaggen van Palestijnen of Oekraïne. “We willen alles wat geweld uitlokt vermijden,” zegt een vrouw. “De bedoeling is een vredevolle wandeling. We hebben geleerd om te gaan met escalatie, maar we hebben het nog nooit nodig gehad” zegt ze trots. Het is fijn om met mensen te praten die zich hier oprecht voor willen inzetten. Maar al ziet het er in eerste instantie vredig uit, als je inzoomt zijn er wel degelijk verschillen tussen de wandelaars. Je kunt dezelfde woorden gebruiken en ze totaal anders invullen. “Vrede” is zo’n woord. Het woord “Macht” ook. Dick zingt een oud vergeten liedje: “We vechten tegen de wapens, de wapens van de macht”. Een poging om een gezamenlijk lied aan te heffen. Maar er is niemand die meezingt. We zongen het veertig jaar geleden. Toen ging het over kernwapens. Waar gaat het nu over? Waar denken de mensen nu aan, wat is de macht en wat zijn de wapens waar al die anderen aan denken? Het gaat vast niet meer over dezelfde dingen als vroeger. Ik steek mijn licht op. Al wandelend kun je je tempo vertragen of versnellen en verschillende gesprekken voeren. Dat is het mooie van zo’n wandeling in een groep. Ik kom erachter dat hier veel mensen rondlopen die het woord macht wel heel specifiek interpreteren. Namen als het World Economic Forum komen voorbij en als ik zeg dat mijn vriend van huis uit journalist is, klinkt er wantrouwig: “O? Zeker van de mainstreammedia?” Ik leg uit wat hij doet. Nieuws brengen ten behoeve van een betere wereld. “Ja, maar het gaat niet over het belangrijkste. Zoals 5G.” Ik zeg dat iedereen iets anders belangrijk vindt. Zo is het nu eenmaal. “Waar haal jij je informatie vandaan?” vraagt de man mij dan. Hij blijkt het vooral uit een bepaalde hoek te halen. Sterker nog, van een enkele website. De rest vormt kennelijk de grote stroom van meanstreammedia, die hij zo wantrouwt. Een vriend van hem draagt een petje: “Gezond verstand” staat erop. Ik doe alsof ik van niks weet. Als ik vraag wat het betekent zegt hij “O, ken je dat niet? Er is een hele website van en daar kun je ook dit petje kopen. Ga maar eens kijken!” Op zijn borst heeft hij een antivaccinatie embleem genaaid.

Na de wandeling praten we na in een café. Ook hier blijkt: er is verdeeldheid. Naast me raken twee mannen verhit in gesprek. Ik heb bij de eerste blikken al door, hier kom ik niet meer tussen. Het gaat over zaken die Trump heeft afgeschaft. Zoals USAids. De ene man vindt Trump zo’n ramp nog niet. De ander vindt het een gruwel. Goed dat USAids er niet meer is, zegt de een. Die werkten samen met de CIA beweert hij kort. Fel flitsen de blikken als in een zwaardgevecht. Lekker vredig. Daar blijf ik niet langer tussen zitten. Ik verplaats mijn stoel. Nu zit ik naast de dichteres. Ze droeg haar gedicht voor aan het einde van de wandeling. Christa heet ze. Ze kijkt peinzend en bezorgd. Ik vraag wat vrede voor haar betekent en dan begint ze langzaam te vertellen. “Ik vraag me zo vaak af wat ik nou kan doen, als eenling. En wat ik aan moet met mijn vriendin, die nu PVV stemt. Dat vind ik zo lastig!” Dit is herkenbaar voor mij. Ik heb een buurvrouw die op Baudet stemt. “Het enige wat ik kan verzinnen is het onderwerp vermijden, zeg ik. ”En dan samen gaan tuinieren. Bloemen zaaien, groente verbouwen.” Ze knikt. Dat doet zij ook, ja. De mannen naast me lijken ondertussen definitief uitgepraat. De ene zit me nu met grote ogen aan te kijken. Alsof ik een gedachte heb uitgesproken die hij nooit had afgemaakt. Bloemen. Zaaien. Dat dat ook kan. Daarna hebben we het over verbindende communicatie, Christa en ik. Hoe je je samen kan organiseren zonder meteen ruzie te krijgen. Daar zijn cursussen voor. Heel zinvol.

Die nacht word ik om vier uur wakker en ik slaap niet meer in. Gezichten, woorden, mensen gaan opnieuw aan me voorbij. Het is boeiend om al die mensen te zien, die zich zo graag in willen zetten voor vrede of de gemeenschap. Maar er dringen zich ook vragen op: Als je een vredesdemonstratie houdt waar de scherpte van af is, waar je geen leuzen en vlaggen mag dragen over een zaak die je wezenlijk raakt, waar gaat het dan nog over? Uiteindelijk heeft ieder zijn eigen gedachten. Er blijken onoverbrugbare verschillen te zijn. Misschien hadden we beter een dodenherdenking kunnen houden. Dat gaat ergens over. Daarin kun je je verenigen.
Deze vredesmanifestatie was een bijzondere en leerzame dag voor mij. Maar nu verlang ik naar de dagelijkse gang van zaken. Schilderen in de Doas. Het zorgen voor de bomen. Het ophangen van het vogelhuisje dat ik maakte. Ik weet al in welke boom hij komt. Die ene wilg, iets dikker dan de andere.
Bomen. Ik houd van ze. Misschien zijn het wel de meest vredevolle wezens op aarde. Ze inspireren in eenvoud. Vroeger hield men vergaderingen onder een indrukwekkende oude eik. Altijd onder diezelfde boom. Misschien deed die boom wel mee en zorgde hij voor rust en concentratie. Ik hoop er nog vele te zullen planten en te verzorgen. En dat sommigen van hen heel oud zullen worden en een goede invloed zullen hebben op al het leven om hen heen. Op die manier zal ik mijn bijdrage doen, aan vrede. En ook door mijn verhalen. Dat hoop ik, althans. Want je weet maar nooit, wat mensen allemaal denken. Maar ik heb dan in elk geval mijn best gedaan.

.

.

.

Aan het scheppen

.

.

Het is mistig als ik de deur uit stap. De rijp valt uit de bomen en ligt als kristal op het pad. Op het water van de regenton ligt een dun laagje ijs, maar de greppels zijn niet bevroren. Ingekuilde boompjes wachten op mij. Het is nog niet klaar. Ik graaf. Klei op bulten, het gat vol tuinaarde. Ik red de wormen, hak en meng de grond. Schep de zoveelste kruiwagen van de berg. Pak het boompje, spreidt de wortels. Voorzichtig toedekken, korrels mycchorizae ertussen met bodemleven. Ik vul het gat en druk de donkere aarde aan. Zacht maar stevig, met mijn handen. Altijd naar de boom toe, tot hij op zijn heuveltje in een kom van aarde staat. Ik bewonder de jonge boom en loop het pad af met de lege kruiwagen. Achter mij komt meteen het roodborstje tevoorschijn. Dat gedoe van mij levert hem nog wel eens wat op. Elke dag ga ik door. Het blijft mistig. Ik ben moe maar als ik werk voel ik het niet meer. Als een boer ga ik door. Tot het klaar is. En in de avond is er muziek. “Le printemps” van Michel Fugain. Muziek maakt alles lichter.

.

.

Overal om mij heen ligt bevroren mist op de eindeloze weiden en het Verhalenpad.

.

.

.

Dit is de plek waar ik nu aan het planten ben. De poel ligt op het hoogste deel van de akker. De naastgelegen greppel heb ik uitgediept. Straks komt er een pomp in de sloot met een slang. Dat werkt op een klein zonnepaneel. Het water wordt omhoog in de grote poel geleid, en stroomt dan via kleinere poeltjes in de uitgediepte greppel steeds een stukje naar beneden. Het wordt mooi!

Dag!

Alowieke

Dwaze bazen en kleine kanjers

.

Verhalenpad, het achterste deel dat voor de dieren bestemd is.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is bijna half januari. De lucht wordt lichter. Het is een tijd van glorende hoop. Ondanks de donkere luchten in de politieke contreien, mannen, macht, kapitaal, oorlog. Maar de zon keert terug en met dat de dagen langer worden, komt ook de energie weer terug. De bodem is nat en staat vol plassen. De klei is blubberig. Als je daar steeds doorheen loopt stamp je alle luchtigheid eruit, en als het dan opdroogt is het keihard. Zo gaat dat met klei. Nog even en er komt een droge periode aan. Dan ga ik weer planten. Ik houd me stil en wacht op precies het juiste moment. Ik heb het niet voor het zeggen. Het is de aarde, de zon en de regen. Nog even. Als het licht komt, kom ik ook. Ik laat me niet afleiden door wat voor tumult dan ook.

En nu is het er. Het licht. De plassen beginnen op te drogen.Langzaam strek ik mijn nek uit. Het heeft vannacht gevroren. De lucht is helderblauw. Er ligt een waas van vorst over het veld, waardoor het ritme van de greppels wordt versterkt. De lage zon legt een warme gele gloed over het landschap, die mij mij verheugt en verwarmt. Niet ver van mij af ligt het Verhalenpad, de silhouetten van de kale bomen en struiken steken af tegen de hemel. Een paar kramsvogels vliegen op met een knerpend geluid, als een trage ratel. In de sloot klinkt het gefluit van de smienten. Dit is de plek waar ik voor zorg.

Er kunnen oorlogen zijn of komen. Continenten en zogenaamde wereldleiders kunnen elkaar afgunstig land willen aftroggelen. China, Amerika. Europa, Rusland. Land voor grondstoffen. Voor strategische geopolitieke locaties. Maar ik zorg voor deze plek. In een wereld waarin groot-machtig-meest door dwaze bazen en oligarchen het belangrijkste wordt gemaakt, is dit mijn verantwoordelijkheid. En ik vertrouw erop dat er anderen zijn die hetzelfde doen. Die hun licht laten schijnen. Lekker vieze handen maken. Opkomen voor de rechten van de Aarde. Al is de situatie niet altijd even best, wij doen in elk geval wat we kunnen. Ten slotte heeft de aarde, de wilde wereld, de zon en de wind geen eigenaar. Geen enkele baas kan de baas meer spelen, als een zonnestorm het leven ontregelt. Of een overstroming het land opvreet als een waterwolf. Aan de andere kant slaat opnieuw een brand uit. Dat houdt geen rekening met links of rechts. De dwaze bazen staan als verbijsterde jongens aan de kant. Bij overmacht is er geen onderscheid meer tussen rijk of arm. Degenen die kunnen samenwerken zijn het beste af. Het gaat zoals het gaat, en dat is altijd anders dan gedacht. Ik sta klaar en kijk. Misschien is het vijf voor twaalf. Maar het wordt lichter. Nog even, dan kan ik de vuilbessen en berberissen gaan planten. Dat die gaan groeien, dat is wél een ding dat zeker is! Ze doen het graag bij mij. En hoe meer mensen eraan werken, een groeizame aarde, hoe mooier het wordt. Stil sta ik te wachten, tot het tijd is. Het begint al te kriebelen. Mijn dromen zijn bevolkt met bezige mensen. Allemaal kleine kanjers, die de basis leggen. Een voorbode, voor wat komt.

.

Oranje mannen voor snelle dingen

.

Voor deze ene keer heb ik AI gebruikt. Een snelle manier om een plaatje te krijgen. Ik had het nog nooit gedaan. Ik wilde het eenmaal uitproberen en zal het niet vaker doen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Er is een ding waar ik sjaggerijnig van word: Graafmachines. Prachtige oude grasvelden vol klaver en kruiden gaan omver. De orde van het bodemleven, wat onder is, wat boven, oude wormengangen, al jaren in gebruik door tal van beestjes, dit alles wordt om zeep geholpen. Als er iets is waarmee we de toekomst kunnen voorspellen, dan is het wel de staat van onze bodem. Het is de grond van ons bestaan.
Nu hebben we het geluk dat we hier op acht hectare oud weideland zitten. Als het aan mij lag, dan lieten we het altijd zo liggen. Maar dat kan niet. De waterleiding moet worden verlegd, de dijk moet verhoogd. Er moet een weg aan worden gelegd naar een nieuw huisje en ook één naar de windmolen. En dan is het nog niet eens klaar. Nu moet er weer een kabel worden gelegd, voor razendsnel internet. Voor al die snelle dingen wordt wat traag is opgebouwd, weer afgebroken. Er moet heel veel gebeuren, voor je iets snel kan hebben. Dagenlang zijn de mannen bezig in hun oranje hesjes. Twee kilometer van de openbare weg af, naar de boerderij. Ik zie ze vanuit de verte. Ze komen steeds dichterbij. Zolang de machine ver weg is kan ik het nog wel hebben. Maar dan zijn ze bij de boerderij. Ik zorg daar voor de koeien, breng brandhout naar het huis van Dick. Haal water. Het is mijn dagelijkse gang. Mij zien ze steeds. Ik lach vriendelijk naar ze. Ten slotte doen zij gewoon hun werk. Het zijn allochtonen. Aardige lui. Een van hen spreekt goed Nederlands. Hij lacht vriendelijk terug. Steeds lichten me ze in over de gang van zaken. Alsof ik vrouw of dochter des huizes ben. Dan willen ze overleggen met de boer, en ze vragen waar hij is. Ik roep hem wel even, zeg ik. Door de luide stemmen op het erf, worden de koeien onrustig. Vooral de jongste. Zeurderig klinkt het geloei in de stal. Elke keer weer. En dan komen de mannen weer terug, aarzelend, ze kunnen de boer niet vinden. In de keuken issie, zeg ik. En dat zijn dan meteen mijn laatste woorden. Ik smeer hem. Op de fiets. Op een dag zal het toch wel ophouden met al dat gegraaf. Vandaag zullen ze toch wel klaar komen.
Ik hoop dat 2025 een traag jaar wordt. Een jaar waarin er niet veel hoeft en we alle tijd hebben om de bodem te laten rusten. Wachten tot het groeit. Helpen, de bodem met lucht en leegte. Help met tal van nieuwe wortels en gangen. Wacht en kijk. Kijk en wacht. En zie de mogelijkheden groeien.

Ik ga nu eerst aan het werk. Opnieuw meer dan honderd struiken planten. Alles ligt paraat. Plantmateriaal en losse grond. Ik heb er een tijdje op moeten wachten maar nu is het er. Hele mooie grond. Het is nog veel werk. Geduldig ga ik door. Elke dag, tot het af is. Net als de oranje mannen graaf ik. Maar ik doe het traag. Veel trager. En met mijn eigen handen. Dat kan, ik heb de tijd. Dag mijnheer de Worm. Dag mevrouw Duizendpoot. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

.

.

Nootje na:

Eenvoudig leven is een voorwaarde om te kunnen leven in een kringloop met de natuur. Niet de graafmachine, maar de schep zal ons uiteindelijk redden. En de zaden, de bomen en alles wat daar uit voort komt.

Lees hier een stuk van filosoof, psycholoog en boerin Evelyne Janssens

https://www.mo.be/blog/denken-in-cirkels-de-logica-van-de-kleine-boer