Biodiversiteitsstress (biodiversitystress)

.

Een gepensioneerde onderwijzeres komt langs wanneer ik onkruid wied. En terwijl ze toekijkt, ruk ik nou net de enige plant uit die ze bij naam kent.

.

Witte dovenetel, hondsdraf, speenkruid, en paardebloemen en meer.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Het is de eerste lentedag. Vannacht heeft het geregend, dikke druppels. En nu ik verbaasd de eerste stappen naar buiten doe, is de wereld omhuld in een zachte sluier van mist. De zon schijnt met een geel licht boven de horizon. De koude wind van de afgelopen dagen is helemaal gaan liggen en de vogels fluiten dat het een lieve lust is. Opgetogen kijk ik om me heen. Dit wordt een groeizame dag! Op de grote weg is het verkeer al helemaal op gang en de mist draagt het geluid ver. Maar dat kan mijn plezier niet bederven. Ik loop alle hoeken en veldjes af waar ik gezaaid heb. Langs het verhalenpad komen overal de eerste kiemen op van de twaalfjarige luzerne. In de zwarte grond staan overal rietstengels gestoken, om ze te beschermen tegen merels en muizen. Een begin maken, daar is veel geduld voor nodig. Dat weet ik inmiddels wel, op mijn acht-en-vijftigste.

Langs de onverharde weg is, wat ik noem, de Stenentuin. Een berg zand en puin zorgt voor een ideale plek voor bloemen en steenhommels. Voor het derde jaar is dit één van mijn groeiende paradijsjes. Ik hurk om een paar brandnetels tussen de dovenetels weg te halen en wat pollen gras. Verderop trek ik beginnend kleefkruid weg en een paar grote klissen. Ze zijn nu nog klein, maar het worden enorme planten. Maar wel heel mooi! De klissen mogen achterin, bij de greppel, onder de bomen. Fijn voor de bijen en vlinders,straks. Het kleefkruid mag bovenop de berg zijn gang gaan, daar kan het via de takken de boom in groeien. Het wordt een groen gordijn met miniscule witte bloemetjes. Alles heeft zijn plek en zijn charme. Balancerend op een steen kijk ik om me heen of ik nog iets nieuws zie.
Dan zie ik iemand uit het dorp aankomen. Het is Marina. Ik weet dat ze vroeger onderwijzeres is geweest in Rotterdam. Nu is ze met pensioen en is ze verhuisd naar het Friese platteland. “Hallo!” roep ik vrolijk. “Heb je dit hoekje al bewonderd? Ik heb er maar een touwtje voor gespannen, anders zien de mensen niet dat het iets is. Zonde als er auto’s overheen rijden.” Ze staat stil. “Wat staat er al een hoop hè?” zeg ik enthousiast. “Ik houd het goed bij. Anders had je hier alleen maar brandnetels gezien!” Ik kijk naar de collage van paars, geel, groen en wit. “Ja” zegt ze, zonder mijn enthousiasme te delen. Ze tuurt naar iets herkenbaars in de wilde massa. “Fluitekruid” constateert ze dan, blij dat ze er eentje bij naam weet. Het is een hele hoge. Bloeit nog niet, maar hij staat midden tussen de dovenetel en spreidt zijn groene bladeren ver uit.
“Die trek ik weg” zeg ik, en ik ruk het met blad en al eraf. Verontwaardigd kijkt ze hoe ik de afgerukte bladeren naar achteren gooi. Nu heb ik haar enige honk van houvast ontnomen. “Waarom??” zegt ze fel. Ik lach haar vriendelijk toe. “Fluitekruid, daar hebben we hier zoveel van! Alles is er mee bezaaid. Maar dit is een bijzonder plekje, op de stenenberg. Een ideale plek voor een bloemenparadijs. Nu zijn er de dovenetels. Witte. En er komen ook een paar kleine paarse, zie je? En in die berg puin daar woon een steenhommel. Die haalt hier zijn nectar uit.” Nog steeds balancerend op mijn steen sta ik te wijzen, blij dat er eens iemand meekijkt. Ik kijk om, om haar reactie te zien. Maar ze is al doorgelopen, trots rechtop. Ik praat tegen dovemansoren. Denkt ze dat ik een weet-al ben? Wat maakt mij het uit of je weet hoe het heet. Fluitekruid of dovenetel. Ik houd ervan om onder die groene blaadjes ineens al die witte bloemetjes te zien. En dat daar dan een dikke hommel rond zoemt. Misschien zag ze ze wel niet, die bloempjes. Veel mensen zien alleen de blaadjes, en die lijken erg op die van de brandnetel. Biodiversiteit omarmen is vooral houden van wat je ziet, en het leuk vinden om daar onderscheid in te maken. Dan hoef je de naam nog niet eens te weten. Als je alles bij naam wilt kunnen noemen, dan wordt het leven pas zwaar. Je zou nog een hekel aan krijgen aan een berm vol groeiende verscheidenheid. Want dan kom je erachter dat je helemaal niet veel weet.

.

Paarse dovenetel

Marina loopt nu bij de grote oude wilg. “Daar staat een heel veld van die paarse onder,” roep ik. Ze kijkt even opzij. “Ja heel mooi,” zegt ze braaf en haar blik gaat richting de rietkraag. “En daar groeit vergeetmijniet!” Blij dat ze nog iets herkent. Het lilablauw is duidelijk te zien, een heel klein polletje is het. Ik had hem al gezien. Hier tussen de stenen staan er sinds kort een hele massa, maar die bloeien nog niet, want die staan in de schaduw. Ik was blij verrast, toen ik gisteren de blaadjes herkende. Twee jaar selectief wieden werpt zijn vruchten af. “Hier ook vergeetmijnieten! Heel veel!” roep ik, nog steeds verheugd, maar de vrouw heeft mij definitief haar rug toegekeerd. Ik had natuurlijk moeten zeggen: “Goh ja, echt?” In plaats van er nog veel meer aan te wijzen. Dat is niet didactisch verantwoord. Zeker niet voor een juf met pensioen, die nog nauwelijks onderscheid ziet, in de weelde van de wildernis.

Ik ga weer op mijn hurken zitten. Er wriemelt wat. Een pissebed zoekt een schuilplek. Ik heb zijn graspol uitgetrokken en nou is hij dakloos. Gauw leg ik een stuk schors over hem heen. Er zijn miljarden beestjes en bloemen. Stel je voor dat je die allemaal moet zien en bij naam kennen. Dan zou je subiet een tegelplaats aanleggen. Ik begrijp het best, die biodiversiteitsstress. Alles stap voor stap.

.

Ook in de mist kun je alles wat je weet vergeten en je laten betoveren door het niets.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

A retired school teacher comes by when I’m weeding. And as he watches, I rip out the only plant she knows by name.

Naam en personage zijn beide bedacht.

De terugkeer van Pan Sophia ( The return of Pan Sophia)

.

Ik wacht op de jaarlijkse onthulling van mijn heilig erkertje, in de lente. Maar terwijl ik daar op wacht, doe ik een ontdekking.

.

Bathing in the River, Miguel Covarrubis ca. 1934 ©Sothebys

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Elke lente nadert het moment waar ik naar uitzie. De onthulling van het heiligdom. De heilige erker in de nok, het mooiste plekje van mijn huis. Dit is het meest verstilde hoekje, als slotakkoord van een zwaar proces. Want zwaar was het, het bouwen van de woonwagen. Maar vol inspiratie. Het kreeg alles. Het werd stoer en lieflijk tegelijk. De engelenvleugels bij mijn deur ontvangen me nog steeds elke dag met warmte. Maar het meest bijzonder werd dit. Een heilig erker in de nok. Aan het einde van het daklicht, daar zit het. Een klein glas in loodraam. De rode bol, in vieren gedeeld, als symbool van de Aarde. De steel en het blad eronder als het groeien. En dan, bovenop de rode bol, de kelk die zich opent naar de kosmos. Het heldere blauw omringt alles. Ik heb het de hele winter niet gezien. In de erker zit een prop schapenwol, want in de winter tocht het. Die mag er straks uit. Dat is de onthulling. Als het warmer wordt. Als de lente doorbreekt mag het symbool weer stralen. Maar tijdens het wachten daarop, gebeurde er iets bijzonders.

Soms komt er een beeld langs, dat een kettingreactie veroorzaakt. Zo ging het mij toen ik een klassiek schilderij zag, waarin God verbeeld werd als een zwarte vrouw. Nu heb ik een gereformeerde opvoeding gehad, maar ben in mijn pubertijd geïnteresseerd geraakt in andere culturen en religies. Het soefisme uit India, het boedhisme uit Tibet, het animisme van natuurvolkeren, de Droomtijd van de Aborigionals, de dichter Tagore. . . Nooit heb ik me het me echt eigen kunnen maken, het geloof waar ik mee opgroeide. Er ontbrak iets. Dit schilderij, met God als zwarte vrouw deed me wat en onmiddellijk ging ik op zoek. Ik tikte twee woorden in. “God” en “Vrouw”.

Onmiddellijk kwam ik bij een artikel uit van de Trouw: https://www.trouw.nl/cs-bfb7d78e

Er is een heel oude versie van Genesis, gevonden in Alexandrië. Maar de eerste woorden zijn anders. Het is een klein verschil. Wat kan dat uitmaken!
“In den Beginne schiep God de hemel en de Aarde.“ Zo kennen we het. Maar wat staat er hier? “Met Begin schiep God …”. Met? Een andere aanwezigheid! Wat voor kracht speelde er nog meer mee, dat hier Begin genoemd werd? Het gaat hier om de vrouwelijke oerkracht. Het is de robuuste kiem van alles! Precies wat ik altijd gemist heb.
Het verhaal gaat verder. Het was de zesde dag. En ze zagen dat het goed was en rustten op de zevende. Niet om zich voor altijd terug te trekken, nee ze bleven deel uitmaken van de schepping. Vooral Sophia, de Moederschepper bleef als oerkracht, midden in de schepping staan. De mensen hielden van haar en vereerden haar. Haar vruchtbaarheid was heilig. Je kan het terugzien in talloze Venusbeeldjes, die we pas nu beginnen te begrijpen. De vrouwelijke oerkracht is net zo heilig als de hemel met de engelen. Heilig waren ook de koeien in India en de katten in Egypte. Heilig was het woud en het water. Maar Pan Sophia raakte steeds meer vergeten en verguisd. De God als Heer bleef en werd steeds groter, in onze Westerse wereld. Tot nu.

Maar ook de Geest was heilig. Niet alleen de goede geest, maar ook de geest die overheersen kon en alles in abstractie ging vertalen. Heilig werd het intellect. God werd buiten de schepping gezet, aan de rand van het heelal. “Ik denk dus ik besta.” Een vloek en een zegen was het. Voorname mannen namen het voortouw. Heilig werd de wetenschap en alles wat daaruit voortkwam. De machine, de tractor en de auto. Heilig werd het geld. Het vliegtuig en de bank. De techniek die almaar sneller gaat. Een wereld overheerst door geobsedeerde mannen raakt zijn heiligheid kwijt. Waar is Moeder Schepper? We hebben haar nodig! En verdraaid, ze is er nog. Natuurlijk. Want zonder haar leefden we niet. We moeten terug. Herinneren wat was.
Dus dit is mijn heilige symbool, dat zijn plek heeft in de nok van mijn huis. De heilige erker dat ik binnenkort opnieuw onthullen mag. In zijn geheel herinnert het aan Pan Sophia, de oerkracht, Moeder schepper. Maar dat niet alleen. Het eindeloze blauw is als de Vaderlijke hemel die haar omgeeft. Ze zijn verbonden met elkaar. Net als in de I Tjing. Het zijn de twee krachten die onze schepping belichamen, in allerlei vormen, niet óf het één óf het ander, maar als een verbondenheid van beide. Ook ik heb het allebei. Het mannelijke is de geest, het denken, de expansie. Het vrouwelijke is de kiem, het groeien, de explosie van cellen. Het is het wortelen en zorgen voor wat er is.

Erop uit gaan is stoer. Stoer doen trekt de aandacht. “Al die willen te kaper varen, moeten mannen met baarden zijn.” Echte mannen vangen walvissen en ontdekken nieuwe werelden. Het is ook stoer om een vrouw met ballen te zijn. Om je eigen huis te bouwen, erop uit te gaan, te reizen en daarover een boek te schrijven. Steeds weer vragen mensen mij “Wanneer ga je weer?” of “Wat ga je hierna doen?” Zelfs de beste interviewers, vooral mannen, vroegen me dat. Elke keer opnieuw werd ik in beeld gezet als de vrouw die het hele land afreist met haar wagen. Dat is niet zo, het was Friesland dat mij trok. Ik wilde wortelen. En mijn antwoord is nu steeds hetzelfde. “Ik ga niet zomaar weg. Ik laat iets groeien hier.” Toch komt dat antwoord vaak niet aan. Dat zie ik aan de wezenloze blik van de vragensteller.
Toch is het dat, waar het mij om gaat. Het heilige dat wortels nodig heeft om te kunnen groeien. Het heiligdom in de nok herinnert mij. Van begin af aan heeft het zijn plek gehad. Ik wist: De reis is alleen een manier om aandacht te trekken. Aandacht voor de stille, maar o zo krachtige vrouwelijke pit.
Het is moeilijk om aandacht te krijgen voor het verborgene, voor de veel langzamere kracht, die de basis is van alle leven. Alles wat snel gaat en beweegt, dat trekt. Maar de stille kiem, het contact met de heilige oerkracht raken we kwijt, in al de herrie die we maken. Daarom is het belangrijk dat de symboliek zijn plek terug krijgt. Dat we ons herinneren waarom het gaat. De terugkeer van Pan Sophia, de vrouwelijke oerkracht.

.

Pan Sophia and the Holy Universe
The symbol from the shrine

.

NEDERLANDS

ENGELS:

.

Every spring I unveil the sanctuary in the ridge of my house. But While waiting for it, I made a discovery

Alles kan veranderen (Everything can change)

.

.

Zal mijn nieuwe tuinkas ooit veranderen in een aquarium waar de vissen in en uit kunnen zwemmen? En wat doe ik dan? Ik kijk naar de spreeuwen en weet het antwoord.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

De nieuwe kas staat naast mijn woonwagen. Van daaruit heb je een prachtig uitzicht op het weidse land. Graag werk ik er of sta achter het beschermende glas naar buiten te kijken. Zwermen vogels vliegen rond, vooral nu, in de winter. Scholeksters vliegen luid roepend over: Wieki, wieki, roepen ze. Ze roepen mij! Ze verdwijnen als een uitbundige troep in de verte. Ik kijk naar de smienten in en om de sloot. Ze blijven op veilige afstand van mij, als tweebenige. Ik kijk naar de even schuwe kramsvogels met hun kordate loopje. Vijf keer hippen en stil staan ze weer, om verder te pikken in de grond van de oude wei. Soms zou ik een meeuw willen zijn, in grote getale zie ik ze zweven in de lucht zonder hun vleugels te bewegen. Ze weten precies wanneer dat kan, en de thermiek hun vleugels perfect ondersteunt. Wat een feest moet dat zijn.
Het meest verbaas ik me over de spreeuwen. Een grote groep arriveert in de herfst en blijft de hele winter hangen. Als een ruisende wolk vliegt de zwerm op, om ergens anders weer neer te strijken. Soms met een voor mij duidelijke oorzaak, soms ook helemaal niet. Hele kleine signalen kunnen al een grote beweging inzetten. Zij zien meer dan ik, kennelijk. Hun hele wezen is ingesteld op meebewegen. We kunnen van ze leren, denk ik peinzend.

.

Beluister het geluid van tientallen vleugels tegelijk.

.


Ik vraag me af, hoelang zullen al deze dieren hier nog zijn? En wij? Het gras is groen, de klei van het laagland is de hele winter vochtig en zelfs in de heetste zomers is er water in de sloot. Maar toch is het net zoiets als leven op de vruchtbare bodem bij een vulkaan. Het heeft voordelen, maar ook risico’s. Dit laagland is straks het eerst aan de beurt. Het IPCC voorspelt dat aan het einde van de eeuw het water 5 meter hoger kan staan. Eerst was dat maar een meter. Het wordt steeds meer, het gaat steeds sneller dan gedacht..

Ik sta in de kas en kijk door het glas in de grenzeloze ruimte. Ik zal hier straks een paar meter onder water staan. Mijn kas wordt een aquarium, waar vissen in en uit kunnen zwemmen. De meeuwen zullen blijven zweven in de wijde wolkenlucht, maar de spreeuwen zijn verdwenen naar de nieuwe kustgrens. De spreeuwen van wie we zoveel kunnen leren.
Meebewegen, zegt de spreeuw. Ik doe het. Maar zonder te vliegen en te zwerven. Ik ben toegewijd aan dit land. Ik maak er wat moois van en zet alles in wat ik heb. Zorgvuldig werk ik door, dag na dag. Maar toch, ik weet dat het kan verdwijnen, zelfs binnen een paar decennia als we pech hebben. Misschien maak ik dat nog wel mee en wordt alles in een hoge vloed weggespoeld. Alles wat mijn handen maakten of lieten groeien zal verdwenen zijn. Of verhuist naar elders, via zaad of vogelpoep of door de wind. Ik weet het niet.
En wie ben ik nou eigenlijk? Als gewortelde nomade ben ik een meebeweger. Zodra ik er lucht van krijg dat er iets verandert, verken ik de nieuwe mogelijkheden. Ik zorg dat ik licht blijf en bescheiden. Dat mijn huis en agenda niet te vol raakt. Zo blijf ik alert en kan ik beter manoeuvreren. Net als de spreeuw. Dat is tot nog toe altijd in mijn eigen voordeel geweest. En het wordt steeds belangrijker. In tijden van verandering is lichtheid essentieel. Meebewegen betekent niet alleen overleven, maar ook onderdeel zijn van het leven zelf. Het is geen mystieke opoffering. Het is doodeenvoudig eigenbelang, waar de rest van de wereld ook nog eens bij gebaat is..

Ik kijk naar de spreeuwen in de wei. Een valk duikt in de fouragerende zwerm. Alle pikkende snavels schieten omhoog. Met het geluid van tientallen vleugels blazen ze de aftocht. De valk heeft het nakijken. Met open mond staar ik naar de verdwijnende spreeuwenwolk. In reageren en meebewegen staan zij nog altijd een heel eind voor op mij, lomp en onhandig mens. Nederigheid en respect is het enige antwoord. Al heb ik nog zo’n mooie kas gebouwd, het is maar een star ding. Alles kan veranderen. Zomaar.

.

.

.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

Will my new greenhouse ever turn into an aquarium, where fish can swim in and out? And what do I do when that happens? I watch the starlings and know the answer.

.

Het raadsel van qi en de slijmzwam (The riddle of qi and the slimemold)

.

Raadselen die overal doorheen gaan, als de schering en inslag van een ondoorgrondelijk weefwerk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Raadselen boeien. Mysteries maken nieuwsgierig. Van de week zag ik een polletje gras, met sneeuw erop. Hé dacht ik, dat kan niet. Er ligt geen sneeuw. Ik liep erheen en raakte het aan met mijn vinger. Het kleefde. En nu ik er met mijn neus bovenop stond, zag ik dat de substantie een wat hoekige structuur had. Wat later vertelden ze me dat het de grote kalkzwam was, een slijmzwam. Slijmzwammen zijn een buitengewoon boeiend raadsel. Ze bestaan uit een hele massa organismen, die zich als één wezen gedragen. Het kruipt langzaam voort en het vindt zijn weg door miniscule gaatjes, als je het in een doosje stopt. Hoe kan een kwakje drab zo intelligent zijn! Raadselen gaan overal dwars doorheen, als de schering en inslag van een ondoorgrondelijk weefwerk. De oude gedachten van o.a. Lao Tze trachtten dat weefwerk te doorzien. Hij bekeek de schepping bekeek vanuit een heel andere tijd en cultuur dan de onze. Daarover heb ik mij ook enorm verbaasd.

Ik denk dat ik vijftien was, toen ik voor het eerst de Chinese I Tjing in handen kreeg. Ik ging er meteen mee naar de vriendin, met wie ik graag filosofeerde over het leven. Het eeuwenoude boek doorziet de wegen die onze energie gaat en schetst beelden als oorzaak en gevolg. Het is ontstaan in een andere tijd, in een land met andere maatschappelijke verhoudingen. Toch is het nog steeds goed te vatten en dat vond ik toen ook. Voor ons bevatte het een raadselachtige magie, die in ons schoolse leven vrijwel ontbrak. Hoe kon het dat een paar muntjes precies het juiste antwoord gaven? Eens stelden we de vraag: “Is het waar wat dit boek ons zegt?” We schrokken van het antwoord. “Je moet de meester niet onnodig lastigvallen”, was de uitkomst. We hadden vanaf dat moment geen enkele twijfel meer dat dit boek op één of andere manier werkte. Bovendien, er waren wijzere mensen mee bezig geweest dan wij, domme kinderen. In het lange voorwoord stond een heel verhaal van de grondlegger van de analytische psychologie, Carl Jung. Het ging over synchroniciteit. Ik las graag over Jung en hield van zijn boek over de mens en zijn symbolen.
Ook toen ik ouder werd, verdiepte ik mij in andere levenswijzen en religies. Ik las soms van Tagore, een Indische dichter en filosoof die in de hele natuur het goddelijke zag. Ik geloofde niet in een God die als een vader in de hemel was, los van de aarde en de schepping, voor mij was alles verweven. Tijdens een godsdienstles heb ik daar over gesproken. De docent keek me ontsteld aan. “Maar wij zijn Christenen!” riep hij. Ik zat ten slotte op een Christelijke school. Soms brengen mensen elkaar boodschappen die compleet uit een andere wereld komen. Zo ging dat ook in de zeventiende eeuw. Maar dan andersom.

In de zeventiende eeuw brachten jezuïtische missionarissen de nieuwe Europese wetenschap naar China. De Chinese geletterden waren geïntrigeerd en uitermate verheugd om ideeën te kunnen bestuderen als de relatieve posities van de hemellichamen, de fasen van Venus en het bestaan van het primum mobile – ideeën die in Europa eerst grote opschudding hadden veroorzaakt. Maar ze stonden versteld van het idee dat een god ingekapseld zat in een tiende onbeweeglijk hemel aan de buitenrand van de kosmos. Waarom zou de godheid, die de jezuïeten de “Heer van de Schepping’ noemden, er genoegen mee nemen om zich te beperken tot een klein deel van het universum dat hij had geschapen? De confucianistische geleerde FangYizhi (1611 -1671) concludeerde dat men in het Westen was gespecialiseerd in materieel onderzoek, maar gebrekkig in het begrijpen van de oorspronkelijke kracht. Qi. De essentie van het zijn, die duistere en samenbindende lagen van mysteries.

Dit lees ik in het boek “Heilige natuur” van Karen Armstrong. In de zeventiende eeuw verdween de magie, de mythe. De logica won en dit ging drie eeuwen door, schrijft ze. Ook een ander schreef hierover, vanuit een heel andere hoek, de bosbouw. Het kan niet anders, of een man van de natuur weet iets van onnoembare energie, die alles doordringt. Le Clerq schrijft dit in zijn boek, 1943 , Boomspiegel voor de wandelaar:

Er zal wel niemand zijn die zou willen betwisten dat de negentiende eeuw de eeuw der grote ontdekkingen is geweest. De wetenschap is in die honderd jaar meer vooruitgegaan dan in de vierduizend jaren die eraan voorafgingen. Deze snelle ontwikkeling heeft een enorme invloed gehad op ons gehele leven, en zij gaat nog steeds in onverminderd tempo verder. (.) De grote vlucht, welke de natuurwetenschappen namen, deed bij velen het idee ontstaan, dat zij er nu ook alles van wisten. Hoe knapper de mensen werden, hoe eigenwijzer. Inderdaad, men werd erg knap in scheikunde, geologie, mineralogie en allerlei andere wetenschappen. Maar men vergat, dat de eigenlijke levensfuncties van de planten nog nagenoeg geheel onbekend terrein waren. De knapheidswaan was echter zo sterk, dat men zonder dralen de bossen te lijf ging, gewapend met de pas verworven en ten dele nog zeer onrijpe kennis. Bosbouw werd een rekensom. En voor een bedrijf, dat zo op de natuur is aangewezen, is dat zeer gevaarlijk.

Hoe knapper hoe eigenwijzer, zegt le Clerq. Hadden de wetenschappers ook maar naar de Chinezen geluisterd. De knapheidswaan is tot in onze tijd doorgeschoten. Dat is ernstig. Pas in onze tijd leren we heel langzaam, hoe weinig we weten. En dat alles samenhangt, dat er een onderaards internet is, dat het plantenleven met elkaar verbindt. Dat het niet alleen maar strijd om het bestaan is met enkel afgescheidenheid. Het raadsel ligt in de verbinding. De slijmzwam is het meest extreme voorbeeld. Hoe kan een groep eencellige wezens zich als één intelligent organisme gedragen! Daar kunnen wij nog wat van leren. Met vele eindeloze discussies zijn we nog geen stap verder gekomen. Kijk naar de slijmzwam en leer hoe te gaan. Snel gaat het niet, maar dat is niet erg.

.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

How can a group of single-celled creatures behave like one intelligent organism! We can learn something from that. With many endless discussions we have not gotten any further. Look at the slime mold and learn how to go. It’s not fast, but that’s okay.

.

Terug naar de diepe kracht (Back to the deep power)

.

Gemaakt op 21-10-15

.

Om het groene pad van de toekomst in te slaan spreken we de diepe kracht aan, die in elk mens nog steeds is. Laten we niet alleen in abstracte begrippen denken en in termen van technologie, maar de magie terugroepen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

.

Vaak kan ik me storen aan het begrip “De mensheid”. En vooral als iemand zegt: “De mensheid maakt de wereld kapot. Zo is het en zo is het altijd geweest.” Dat is een zeer beperkte aanname. Sowieso bestaat “De mensheid” niet. Het is een abstract woord. Onze soort is een bonte verzameling van culturen en mensen, die allemaal verschillend met de aarde omgaan. Nu, op dit moment, is de moderne beschaving dominant. Maar duizenden jaren ging het anders en het kan wéér anders. Ik las een boek van Karen Armstrong, “Heilige natuur”, waarin ze ons oproept om dat deel van onszelf aan te spreken dat zich niet afscheidt, maar de verbinding aangaat met de natuur.

“We zijn ondergedompeld in het stadsleven en trekken ons steeds meer terug uit de wereld van de natuur in de richting van de technologie” schrijft Karen Armstrong. “Waar wij een reeks afzonderlijke wezens en verschijnselen opmerken, zien tribale volken een continuüm van tijd en ruimte, waar dieren, planten en mensen allemaal doordrenkt zijn van een blijvende heilige kracht die hen tot een geheel samenbrengt. Duizenden jaren lang, ver voor de ontwikkeling van de stedelijke beschaving, was dit waarschijnlijk hoe de meeste mensen de natuurlijke wereld ervoeren.”
Is dat zo? Moet ik duizenden jaren terug om dat zo te ervaren? Ik dacht het niet. Ik voel het elke dag, als ik haar goed begrijp. De enige voorwaarde is dat ik in de langzame tijd stap. De gewortelde tijd. Niet denken in agenda’s en plannen, maar “Zijn”. De ene dag lukt dat beter dan de andere. Maar elke ochtend neem ik er de tijd voor, door mij onder te dompelen in het Swettewater dat daar al honderden jaren stroomt. Het is een onmisbaar ritueel dat mijn hele dag anders maakt.

De steiger is nat. Op de oude planken groeit mos en ze buigen door als ik erop loop. Even later glijd ik het water in. De wind maakt golfjes. Ze maken me gelukkig. De bruine kleur van omgewoelde modder is verdwenen. Het oppervlak is donker en helder. Er zijn geen boten meer, geen waterscooters, die voorbijkomen. Goddank, de Swette is weer van zichzelf. De dorpelingen zijn de enigen die haar nog bezoeken, ze komen baden in het koude water, net als ik. De Swette is weer van zichzelf en wij horen bij haar. Was het altijd maar zo. Bleven al die anonieme mensen maar rustig thuis, in plaats van overal in volle vaart heen te willen. Ik dompel onder, tot mijn nek net onder water is, mijn hoofd naar voren gebogen. Met mijn gezicht in het frisse nat adem ik uit. Ik voel de belletjes bubbelen tegen mijn huid. Ik voel het water om me heen, dat onmerkbaar langs mij stroomt. Ik geef het water mijn hart mee. Ik geef het aan de visdiefjes in hun snelle duik, aan de vissen en de kikkers. Mijn hart stroomt mee naar het Ijsselmeer. Mensen en dieren drinken het. Het oppervlak verdampt in de zon, tot het dikke wolken zijn, waar het kind naar wijst. Achter het raam drukt hij zijn neus tegen het glas. Het is een dichte motregen, die in vlagen tegen het gezicht slaat. Een oude man fietst stevig door en buigt zich met toegeknepen ogen over zijn stuur. Ik zie ze, allemaal. Ik geef mijn hart aan dezelfde regen die de aarde vochtig maakt. Aan de bomen die het gretig opnemen en hun wortels laten groeien, dieper en dieper. Ik ben één met het groeien en de schepping om mij heen. Langzaam stap ik uit het water, droog me af, kleed me aan, ga terug. Ik loop langs de kleine fruit en notenbomen, die klaar staan om een plek te krijgen. In de kruiwagen staat een plasje. Het begint harder te regenen. De schapen eten door, weer of geen weer. Eentje schudt zijn vacht en de druppels spatten in het rond als kristallen. De reigers staan verspreid tussen hen in. Stil staan ze daar, als standbeelden van deftige heren in loodgrijze pakken. Ze heffen oplettend hun kop als ze me zien. Stil loop ik naar huis.

Nee ik hoef geen foto van ze te maken om te tonen hoe ze er uit zien. Het gaat niet om hoe ze heten en onder welke familie ze vallen. Nu gaat het om meer, om iets anders, iets wat niet zichtbaar is in een digitaal plaatje of vogelboek. Ik kan proberen iets ervan in een tekening uit te beelden. (Zie hierboven). En dan nog blijft er een sluier, die het geheim omhult. Het is de macht die in alles aanwezig is. Het wonderlijk mysterie dat je alleen ziet als je er niet naar op jacht gaat. In het Midden-Oosten was Ilam de schitterende kracht die elke afzonderlijke godheid te boven ging. In India was er brahman, de heilige energie die dieper ging dan de deva’s, de goden die in de natuur aanwezig zijn maar geen macht over de natuurlijke orde hebben. In China heette het tao, de weg van de kosmos. (Karen Armstrong)
Nee, ik geloof niet in een mensheid die het heilige in de natuur niet meer ervaart. Ik geloof dat het ergens in iedereen, nog steeds aanwezig is, de poëzie, het lied van leven, het mysterie. En met elkaar maken we verhalenpaden, paden om de weg weer terug te vinden. Via kennis en rituelen uit het verleden vinden we het groene pad van de toekomst.

Wees weer kind, zie de wonderen. Het komt.

NEDERLANDS:

ENGLISH:

To embark on the green path of the future, we address the deep power that still resides in every human being. Let’s not just think in abstract terms and technology, but recall the magic. (Read also “Sacret Nature” from Karen Armstrong)

https://www.nieuwwij.nl/opinie/recensie-van-de-heilige-natuur-van-karen-armstrong/

Waken over wonderen

.

.

Kijk naar de scheuren in je ideeën. Begin niet overnieuw, maar blijf en kijk. Kijk naar het onkruid dat door de spleten groeit. Bescherm het wonder. Geef namen aan wat groeit tussen de kieren, en wat gezien wil worden.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“Als je hier over een paar jaar klaar bent, dan ga je natuurlijk ook weer verder”, zegt Marita. Ze heeft hier in de herfst een keet neergezet. Die staat hier nu nog steeds op het kampeerveld. Ze wou er iets mee doen, ik weet niet precies wat. Nu is ze er weer, Marita. Ik heb haar lang niet meer gezien. Haar lange blonde haar heeft ze in een staart gebonden. Lekker praktisch. Ze komt de kar weer ophalen. Het is toch allemaal een beetje anders gelopen. Het is niet handig, dat de keet hier staat. Op de weg staat de trekker te ronken.

Marita is niet de enige die ergens een kar stalt. Die iets bedenkt waar niks uit voortkomt. We plannen heel wat af. Vaak komt er niks van, het is allemaal veel te veel. Soms krijgt het voeten in aarde. Maar wanneer is iets echt klaar? Of wil je graag, dat het klaar is? Wil je weer weg kunnen gaan, om ergens anders weer nieuwe dingen te bedenken? Een architect doet dat. Een wegenbouwer en een gatengraver. Ik graaf ook gaten, maar niet om putten aan te leggen en steeds weer nieuwe te maken. Mijn gaten worden weer gevuld. Ik zet er iets in wat groeit. Ik kijk. Ik kijk naar de boom, de struik, elk zijn eigen persoonlijkheid. Het dijt uit zonder dat ik er iets over te zeggen heb. Althans, bijna niets. Ik kijk naar het landje aan de overkant van de sloot, waar ik werk. Ik hou er van, nu al. Ik hoor hommels zoemen en zie het stuifmeel op hun rug van wilgenbloesems. Hazen huppelen weg wanneer ik traag aan kom lopen. Ik loop over het terrein rond de boerderij en kijk naar de lente. Als muren beginnen te scheuren en staal begint te roesten. Dan groeien de wonderen. Het gebeurt als de bomen groot zijn en hun takken kraken en het zaad valt in zwarte aarde. Nieuw leven bedenk je niet. Ik schep, maar het echte werk is een magisch gebeuren.

.

.

Ik ben niet gek. Ik ga niet weg, wanneer het leven pas net op gang komt. Ik kan zeggen, ik ben klaar, de boel maar laten groeien. Ergens anders gaan scheppen en maar weer zien waar ik dan weer jonge loten vandaan haal om te planten. Maar dat doe ik niet. Ik haak mijn wagen niet achter de trekker, dat verhaal is volgens mij voorbij. Iemand die almaar voortgaat, mist het wonder achter zijn rug. Het wonder vraagt om iemand die het beschermt. Wat groeit wil gezien worden. Het vraagt om iemand die het verhaal van het land vertelt. Het verhaal geeft bestaansrecht. Iets een naam te geven, het kan vernietiging voorkomen. Alles wat geen beschermer heeft, is kwetsbaar. In onze wereld heeft land dat nodig. Zonder dat kan niets worden tot een wonder. Een waker is nodig, die woorden geeft.

Wielen worden opnieuw uitgevonden en rollen over de wegen. Het scheppen en keren houdt niet op. Bestemmingsplannen bepalen de toekomst. Ruïnes zijn nauwelijks te zien, of het moet op het erf staan van een oude gepensioneerde boer. Ik plant bomen op oud land, bij een oude boer. Dat is bijzonder. Maar je moet het wel benoemen, er voor zorgen. Anders noemt men het op een gegeven moment verwaarloosd. Bosjes worden gesloopt. Wie weet nog dat ze met liefde zijn geplant, als de planter er niet meer is? Wie ziet het wonder en beschermt het? Niets is vanzelfsprekend. Alles wat ontstaat is belangrijk. Kijk naar de scheuren in je ideeën. Begin niet overnieuw, maar blijf en kijk. Kijk naar het onkruid dat door de spleten groeit. Bescherm het wonder. Geef namen aan wat groeit tussen de kieren, en wat gezien wil worden.

Marita heeft haar trekker op het veld gereden en komt achter het stuur vandaan geklauterd. Even staat ze stil om zich heen te kijken. Ik kijk haar aan en geef eindelijk antwoord. “Ik heb nagedacht over weggaan of niet”, zeg ik. “Ik ga niet verder, want het is nooit af. Ik zorg voor het land en het zaad. Ik ben waar ik ben.” Verbaasd kijkt ze me aan. “O?” zegt ze “Dat klinkt Boeddhistisch”, mompelt ze afwezig. Haar hoofd is alweer ergens anders. Ze koppelt haar keet achter de trekker. Hobbelend verdwijnt hij over het veld, de weg op. Ik sta in het bedauwde gras en kijk haar na.

Wil jij ook de biodiversiteit vergroten? Een tuin vol bloemen, struiken en hommels? Kijk of er oude mensen in de buurt zijn die meer grond hebben dan ze kunnen beheren. Zoek uit of je daar iets mee kan doen, met elkaar. Ik hoor graag jullie verhalen.

.

.

Een roestbak of kunst?

.

.

Vlot te water

.

Swetteverhalen . . .

.

Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Daar sta ik dan. De stress is voorbij, het vlot waaraan ik werk, is te water. Wat ging het mooi en voorspoedig! De studenten die het filmden zijn naar huis. Ik heb opnieuw de tijd aan mezelf. De zon schijnt veelbelovend op mijn bouwsel. Het warmbruine hout ligt stil te wachten op een vervolg en ik denk na over hoe nu verder. De zachtblauwe lucht weerspiegelt in het water, roerloos als een spiegel, er is geen zuchtje wind. Ik kijk ernaar en naar de blauwe lucht erboven. Een groep ringmussen danst tjilpend boven mijn hoofd naar de brede rietkraag, onder de wilgenboom. Alles zingt hoop en vrolijkheid. Ik denk aan gisteren, aan mijn buren. Iedereen was er, zomaar. Zonder dat we het hadden afgesproken. Voor het eerst had ik het gevoel een gemeenschap te zijn. Het contrast met het grote nieuws was tekenend. Diezelfde avond nog werd de lock down afgekondigd. Net als vorig jaar kunnen we geen kerst vieren en zijn vele openbare ruimtes gesloten. Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het vlot bestaat uit zes kletsnatte steigerdelen, plus nog drie halve. Hij ligt op de kop op het gras, de onderkant ligt boven. Er zitten dikke balken onder om het bij elkaar te houden met slotbouten. Vier vastgeklemde tonnen van tweehonderd liter bieden een fors drijfvermogen. Het weegt nogal wat. Al dat kletsnatte hout is dubbel zwaar. Ik heb geroepen naar Evert, mijn buurman: “Neem iedereen mee die wil, we hebben veel handen nodig!” En nu staan ze daar. Wel tien mensen, plus de filmploeg. Het lijkt een hele happening te worden. De mannen stappen naar voren. “Wat is de bedoeling?” vraagt mijn vriend Dick. Hij is de enige die vraagt. De andere mannen staan druk te praten over wat zij het beste vinden. Ik luister naar iedereen en beslis. “We trekken hem eerst een stuk het veld op, dan kiepen we hem om.” Dat moet wel, anders zou hij in het riet komen.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het omkiepen gaat zonder moeite. Het kraakt zelfs niet. Ik ben tevreden over de extra aanpassingen die ik deed, speciaal voor dit kwetsbare moment. Dan ligt het vlot zoals het hoort. Het is een groot oppervlak, al die steigerdelen bij elkaar. De mannen bukken zich en tillen. Het is zwaar, maar de vele handen maken het werk licht. Naar de Swette toe is maar een paar meter. De voorste mannen lopen een klein eindje de steiger op en laten het vlot dan zakken. De eerste plastic ton dobbert nu in het bruine water. Vier mannen staan aan de achterkant en duwen. De ronde tonnen zijn een perfecte geleiding. Alsof ze gesmeerd zijn, zo makkelijk glijden ze het water in. Ik juich luid. Dit gaat boven verwachting!

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Ik ben blij met mijn schippersverleden. “Hola, dat wil ik niet!” roep ik tegen een man die zonder te vragen het vlot een stuk verder het water op legt. “Hij moet aan de kant blijven, ik moet er nog met mijn fiets op. Voor de film.” Mijn vriend bromt ook wat. “Als iedereen maar wat gaat doen, dan werkt het niet. Zij is de baas.” Ik knik hem dankbaar toe. Op zo’n moment sta ik helemaal scherp. Ik zie en hoor alles. Dit is het, waar ik een paar weken naartoe heb gewerkt. Ik had niet de tijd aan mezelf, zoals anders. Nee, ik had een deadline. Ik werkte samen met Michelle en Emma. Twee twintigers in opleiding maken een docu. Maar eigenlijk maken we hem met zijn drieën. Het gaat niet over mij, het gaat mét mij. Ik ben alleen maar het middel, om dit verhaal te vertellen. Voor Michelle is het een boodschap van hoop. Ze wil de mensen van haar generatie laten zien dat er na elk einde een nieuw creatief begin mogelijk is. En waar grote structuren vastlopen, daar begint het kleine. Volg het water, volg de stroom van de rivier. Kijk daar gaat het vlot te water! De buren kijken mee en iedereen lacht.

.

.

.

Auteursrechten Michelle van der Plas

Een paadje van niks, maar ondertussen. . .

.

.

Ik wil boodschappen doen en sta voor mijn huis te peinzen. De kleine brug over de Swette is gesloten. De borden met “fietsers afstappen” zijn verwijderd, evenals het knip en plakwerk waarmee de boel bij elkaar gehouden werd. Het wordt weer als nieuw. Maar we moeten nu wel een andere route nemen, intussen. Een loodrecht fietspad pal naast het spoor. Kaal en winderig. Je ziet er haast niemand. Het is een rechte streep vanuit Deinum. Heras hekwerk aan de ene kant, asfalt aan de andere. Dan een diep gat in, onder het kanaal door. Als je weer het licht in fietst, zie je lelijke blokkendozen van een bedrijventerrein. Tot nog toe weet ik niet beter en is dit de enige andere mogelijkheid. Ik heb er weinig zin in. Ik ga toch maar en loop met mijn fiets over het blubberige gras. Voorzichtig en met korte afgemeten stappen, om niet uit te glijden. Achter mijn fiets hobbelt de fietskar, vol rammelende lege flessen. Wanneer ik bij het grindpad kom, zie ik de buurvrouw aankomen. “Ga je boodschappen doen?” vraagt ze. “Moet je langs Ritsumasyl gaan, dat is veel leuker dan die rotweg.” Ze wijst me hoe te fietsen.

Er zijn bedachte wegen, economisch bepaald en zonder uitstraling. Er zijn ook oudere wegen, gegroeid door de jaren heen. Het spoor volgt een concentratie van kleine bedrijvigheid, ingesleten paden langs het water. Nog niet zo lang geleden was het water de beste route om vracht te vervoeren en dat zie je nog steeds terug. Het is pas in de jaren zestig van de vorige eeuw geweest, dat dit veranderde. Asfalt werd uitgerold, sloten en grachten werden gedempt. Het land veranderde soms compleet van karakter. Maar op sommige plekken zijn ze er nog, de oude kanalen met hun bedrijvigheid. De weg die me gewezen is, dat is zo’n route.

.

.

Het is ietsje verder doorfietsen. Dan zie ik de afslag al. Een hoge fietsbrug daagt op. Het is een draaibrug en hij staat open. Twee vrachtschepen gaan er net onderdoor. Ik krijg het gevoel thuis te komen. Hoe vaak keken we vroeger naar de voorbijtrekkende schepen, Michiel en ik, vanaf ons honderd jaar oude beurtschip. Het was een ander leven. Hij is er niet meer. Maar het water dat ik achterliet, spoelt steeds weer terug. Nu stroomt het ver onder mijn voeten door, terwijl ik naast mijn fiets sta te wachten. Het zwaaiende brugdeel draait langzaam weer op zijn plek. De bomen gaan omhoog en ik rijd verder. Aan het einde van de brug staat iets geschreven op het asfalt, slordige rode letters met krijt. “Trap af”, lees ik. Er staat een pijl bij. Wat betekent dat? Er staan twee mannen te werken met gele hesjes aan. “Waarom is dat?” wijs ik. De mannen weten het wel en geven me rustig antwoord. “O dat heeft de jeugd vast gedaan. Een speurtocht denk ik”. Er zijn hier dus kinderen! Komen die uit Ritsumasyl? Het zijn maar een paar huizen. Er liggen ook woonboten. Ik fiets langs een sloot en een braakliggend veld. Een leuke plek om te spelen. Ik kijk mijn ogen uit. Dan duikt er vlak naast me ineens een ijzeren hek op. Fonkelnieuw. Een veld vol zonnepanelen drukt de openbare ruimte in elkaar. Hè jakkes. Dit hoort er niet bij. Dit hoort bij die grote rotweg verderop, niet bij dit fijne kleine pad. Ik fiets er langzaam aan voorbij. Er zitten wel wat wilde eenden naast. Die worden daar in elk geval met rust gelaten, troost ik me.

Uiteindelijk kom ik uit bij een splitsing van kanalen. Ik zie de achterkant van een sloperij met bergen verkreukeld staal. Er liggen schepen aan de kade. Ook dit beeld is me vertrouwd. Hoe vaak lagen wij daar, aangemeerd bij de sloop, om materiaal te zoeken in die paradijselijke jungle voor technische creatievelingen!

Ik stap af om te kijken. Wat zou het mooi zijn, als mensen niet alleen aan zichzelf zouden denken, maar ook de sociale charme van dit gebied zouden zien. Het pad hoeft echt niet op en top onderhouden te zijn, juist niet. Het is goed, precies zoals het is. Velen genieten ervan, zonder uit te kunnen leggen waarom. Maar dat het niet altijd in woorden te vatten is, dat maakt het niet onbelangrijk. Laten we juist die dingen benoemen. En wellicht kom je samen tot veel mooiere oplossingen, die niet vallen als een baksteen in de publieke ruimte. Ook voor kinderen en buren!

Ik stap weer op mijn fiets. De dagen zijn kort, ik moet verder. Nog even, en dan ben ik bij mijn favoriete winkeltje. Het is lokaal en coöperatief. Kijk, dat bedoel ik nou!

.

Voor de nieuwe fietsbrug er lag was er een pontje. Terwijl we stonden te wachten op het sluiten van de brug, hoorde ik anderen daarover spreken. De rust, de gezelligheid van het moment van oversteek, ze missen het nog steeds, hoe mooi de nieuwe fietsbrug ook is. Er is trouwens ook een brugwachter bij. Dus qua werkgelegenheid maakt het niks uit….. https://frieschdagblad.nl/regio/Fietspont-over-Van-Harinxmakanaal-was-een-rustpunt-26798712.html

.

.