Vrijkaartje voor de Aarde

Vrijkaartje Aarde

.

Het is half acht. Na een warme dag begint het af te koelen. Een lichte bries waait mijn wagen in. Ik zit op de bank en luister.  Mijn favoriete radioprogramma heet “Passaggio” op radio4. Het is al een tijdje bezig. De laatste tonen sterven weg, van een rustig, melancholiek stuk. Verder is het enige geluid dat van twee vinken, buiten. Ze zingen hun riedel, als een vraag en antwoordspel. Twee vliegen zigzaggen om me heen om dan zoemend te gaan seksen op het blote vel van mijn knie. Ik wuif ze weg en schuif de dunne katoen van mijn rok erover. Dan hoor ik Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij zegt dat hij vrijkaartjes heeft. Een muzikale voorstelling is het, notabene op Fort Rijnauwen! Ik ken het. Het ligt aan dezelfde rivier als waar ik vroeger woonde.
Het stuk speelt zich af in de weelderige natuur rond het fort, vertelt hij. Het gaat over het einde van de wereld. “Wie wil er vrijkaartjes winnen?” vraagt Lex. Dan moeten we vandaag of morgen een kort verhaal opsturen. “Hoe kunnen we de aarde redden?” Dat is het thema. Morgen is de uitslag. Ik aarzel geen moment en klim in de pen. Drie kwartier later heb ik geen verhaal. Wel een gedicht.

Hoe redden we de aarde. (Sterk bewerkte versie)

.
Op de dag dat alles dor was
liep op straat een liefdespaar
omarmden levenloze stad
en gingen voort, al zingend
langs het uitgestorven pad

Bomen, heuvels, dode dorpen
elke plek een eigen vers
ze  liefden elkaar met het lied
en waar ze kwamen trilde het
ging doffe starheid snel teniet

Ze zagen alles wat ze zagen
dansend langs hun wonderpad
een kind een boom een land een naam
zelfs stenen werden langzaam levend en
de oude man voor ’t raam

Aarzelend kijkt hij nu op
verrassing in zijn blauwe blik
die kinderlijk hun canon echoot
alles kan en wil weer zingen
Op deze dag gaat niemand dood

.

De volgende dag luister ik in gespannen afwachting naar de radio. Lex wacht even met het laten horen van de uitkomst. Na een kwartier komt het. De vrijkaartjes gaan naar Marijke. Zij schreef: “Mijn kleindochter heeft al gezegd dat als ik win, zij met me meegaat. Is dat niet het redden van de aarde?” Lex ziet het graag. Grootmoeder met kleindochter samen op pad. Ik eigenlijk ook wel. Maar ik heb níet gewonnen. Jammer. Het was een leuk idee. Maar vrijkaartjes kreeg ik toch. Een kaartje voor de Aarde en eentje voor een bezoek aan de Tuinen der Fantasie. Zo kom je nog eens ergens…

Klik hier voor het beluisteren van het radiopramma op NPO4

.

Inspiratiebronnen.

Het gedicht is onder andere geïnspireerd door “De Droomtijd”, een mythe over het begin van het leven op aarde. Dit is waar de Australische Aborigionals in geloofden en leefden, lang voordat de westerse mens een voet aan land deed.  Ik las er over toen ik twintig was, nu dertig jaar geleden. Het boek dat zoveel indruk op me maakte heet “Gezongen Aarde”, geschreven door reisschrijver Bruce Chatwin.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bruce_Chatwin

Ook heb ik gedacht aan het oneindige verhaal van Michaël Ende. De kracht van de fantasie werkt door al zijn boeken heen, en hoe belangrijk dat is voor een leefbare wereld.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_oneindige_verhaal

.
En dan is er Paul Biegel met  “De tuinen van Dorr.” Een sprookjesachtige vertelling over een hartelief en een stenen stad. Ik heb het vast al vijftien keer gelezen. Biegel hield van twee van zijn boeken het meest. Dit is er één van. Dat begrijp ik goed. Heerlijke taal, heerlijk verhaal.

De foto van het aboriginalkunstwerk heb ik gehaald van deze site: http://www.guidodevliegher.be

Voeten van de lente

.

.

blogtek-meisje-in-t-groen

.

 

 

 

 

 

Ik ben gegaan
langs strakke rijen bomen
en doodgeploegde aarde
elke stap die ik zet
kondigt verandering aan

Al is het maar een lichte bries
of slechts een zweem ervan
mijn adem is een dapper lied
mijn hart verlicht verlies

Achter mij, daar groeien bloemen
ik loop de bodem rijk
ik bedek de naakte aarde
en laat de bijen zoemen

Geweld op doodgeslagen grond
lang liep ik op grijze keien
zag groen ertussen, al maar meer
en zo loop ik de wereld rond

Wat wil bewegen zal nooit dood gaan
zaad blijft leven heel diep weg
de ziel van alles wat er is
blijft altijd in de kern bestaan

Ik loop ik loop steeds verder rond
heel de aarde, dicht de wond

…………….Mensenwens voor een wurm

WurmMensenwens voor een wurm

Stil onder een natte steen
bewegingloos vol leven
hoeveel kun jij ons nog vergeven
lieve wurm, ga nog niet heen

Ik weet dat ik je broer een keer
dwars door midden sneed, pardoes
een scherpe spade zonder roest
en weer en weer en weer…

We hakken en we woelen
het gaat maar door en door
ik heb er een gebedje voor
Laat het weer krioelen.

Zonder messen, zonder ploeg
geen reuzenwielen niets ontziend
zoveel meer heb jij verdiend
na al wat je verdroeg

Dit hoop ik en maar ja, ik weet
het is maar slechts een wens
van één enkel simpel mens
maar de plaat is nog niet heet

De druppel kan nog vallen
in aarde waar jij bent
lieve wurm, zo onderkend
Ik gun je duizendtallen

Wij houden van rotzooi

.

.

Ik kijk naar dat ene hoekje onder mijn wagen. Daar staat een kleine groene gasfles. Al een hele poos. Maar eigenlijk hoort hij daar niet. De fles staat te wachten onder mijn wagen, want hij is leeg. Ik besluit niet langer uit te stellen, en hem vandaag in te wisselen. Ik pak het ijzeren ding bij het handvat en met een kleine zwaai komt hij in mijn fietskarretje terecht. Ik ga op pad.
Als ik net een eindje op weg ben, zie ik een kleine oude man langs de weg. Hij is iets aan het doen met prikkeldraad, naast de sloot van het grasland. Achter hem ligt een lange zanderige oprit naar een oud boerderijtje. Zou hij nou degene zijn die daar woont? Ik kijk altijd graag naar die oude boerderij. Tussen het huis en de weg in is een mooi weitje. Er graast een paard. Een echte wei is het, vol ridderzuring, klaver, weegbree, kruipende boterbloem… Ik aarzel niet en houd stil.

“Goeiemorgen!” roep ik. De man onderbreekt meteen zijn werk, en komt op zijn gemak naar me toe lopen. „Ik ben doof,” zegt hij “Okee,” antwoord ik, “dan zal ik duidelijk praten.” Ik vraag of hij hier woont. Dat is inderdaad zo en hij steekt meteen van wal. De weiden rond het huis zijn van hem, kom ik te weten. Een kleinere voor het paard en de acht hectare ernaast verhuurt hij aan een boer aan de overkant. Die boer heeft wel honderd koeien en die moeten allemaal blijven eten. “Het gáát maar door,” zegt de oude man, “maaien, drijfmest spuiten zodat het gras in noodvaart omhoog schiet, en dan hooien. Met geweld! Er is geen bloem meer te zien. Soms ligt er wel eens wat koeienstront ergens. Maar de vogels moeten de mest van die koeien niet. Er zit niks in. Niets aan voeding. Dat is bij mijn paard wel anders. Zijn stront, die plukken ze meteen helemaal uit elkaar.”
Ik kijk naar het paardje. Hij ziet er goed uit. Hij is al vijfentwintig, hoor ik. “Ja en ikzelf ben al zeventig! Daarom heb ik een deel van de paardenwei ook aan de boer verhuurd. Ik heb geen zin meer in al dat beregenen. Nu ben ik het prikkeldraad aan het weghalen, zodat ze straks makkelijk van het land de weg op kunnen rijden. Ze gaan weer maaien.”
Hij vertelt hoe het hooien vroeger ging. Het gras was toen nog stug, lang en vol rotzooi. Dat rolde makkelijk op. Het gras van tegenwoordig is zo slap, dat kun je niet meer rollen. Nu moeten ze het inpakken. In plastic.
Ondertussen vraag ik me af wat hij bedoelt met rotzooi, tot hij verder praat. “Wij houden van rotzooi.” zegt hij. “ Het is veel beter voor de dieren.” Ik begrijp dat hij bloemen en kruiden bedoelt. Hij werpt een spijtige blik op de monotone grasvlakte en richt zich dan weer tot mij.
“Maar ach, ik heb het goed. Ik krijg mijn AOW, mijn pensioen, en het de opbrengst van de huur. En verder doen ze maar.”

Toch hij vertelt nog veel verhalen. Over de reeën die zijn verdwenen. Over de nesten van de vinken die steeds maar uit elkaar op de grond vallen. Bovendien hadden de vogels vroeger nattigheid, om hun nesten aan elkaar te plakken. Stront lag toen gewoon boven de grond. Perfect bouwmateriaal. Maar er ligt geen stront meer op de lege weides. Het is allemaal geïnjecteerde drijfmest. En hoe lang is het al geleden, dat hij kivietseieren heeft gezien? Hij kan het zich niet meer herinneren.
Toch is er iets wat blijft. Want het volgende moment hoor ik een schel gekras, dat vanachter zijn huis weg komt. “Wat is dát?” vraag ik nieuwsgierig. “O, dat is nest jonge steenuilen. Die zitten daar al járen…”

Wat zie ik

.

Wat zie ik? Voeten in het gras

 

Het is ochtend en heerlijk weer. Voor ik weer aan het werk ga maak ik eerst een wandeling, besluit ik. Ik doe een kort jurkje aan en ga naar buiten. De zon schijnt warm en een harde bries waait verkoelend langs mijn blote huid. Als ik het zandpad naast de camping op loop, stuift het droge stof tussen mijn tenen en in mijn sandalen. Ik doe ze uit en loop met mijn schoeisel in de hand verder. Even verderop kan ik op het gras lopen van het hooiland. Het is van de manege, een minuut of vijf fietsen hier vandaan. Ik zie de paarden lopen als ik naar Haghorst rijd. Hun grasland ligt pal achter de dikke rij bomen van ons terrein. Het gras ziet er gezond en stevig uit. Er wordt gelukkig nooit geploegd, alleen gemaaid en geoogst. Na het oogsten wordt er geïnjecteerd met drijfmest.

.Wat zie ik ? Gras

Nu is het gras half lang. Onder het gras zie ik lange strepen van voren in de grond. Dat is van de messen. Met die messen maken ze snedes van een centimeter of vier. Achter het mes komt gelijk de spuit met mest. De bagger loopt in de voren. Zo gaat het. Je blijft de strepen zien tot het gras te lang wordt, als littekens in de bodem. Op plekken waar minder gras is, zie ik hier en daar wormenhoopjes. Ze zien er uit als torentjes van zand. Het is ook zand. Zand in vorm van wormenpoep. Ik vind ze leuk, die torentjes. Maar als de grond nat is zie je ze beter. Deze lente waren het er ontzettend veel. Toch zie ik dat ze er nog zitten, de wormen. Ik had gehoord dat ze massaal stikken in land waar ze drijfmest injecteren. Kennelijk valt het mee. Maar bij ons op het terrein zijn het er meer.

Achter het grote grasveld ligt een akker van een boer uit de buurt. Ik heb hem alleen van afstand gezien op zijn trekker.
Vorig jaar heeft het land een tijd braak gelegen. De eerste pioniers kwamen dapper tevoorschijn. Perzikkruid, zwaluwtong, veldkers, valse kamille.. Voor de boer zaaide, heeft hij de beginnende wildernis platgespoten en omgeploegd. Ik wist wel dat het zo ging. Maar toen ik het voor het eerst zag geloofde ik mijn ogen niet. Onthutsend. Wat een dode massa, op zo’n groene stralende lentedag. (*) En dat zomaar opeens, van de ene dag op de andere leeft er niks meer. En waar is de boer? Geen mens te bekennen. Als een boer een keer zijn trekker uitstapt, moet je er als de kippen bij zijn als je hem wilt leren kennen. Voor je het weet zie je hem het hele jaar niet meer.
Ik ben aan het einde van de akker en hier buigt het pad af naar rechts. Eerst langs de uitbundig bloeiende strook van Brabants landschap. Vorig jaar was het een armzalig strookje langs de grote akker, vol trekkersporen. Verder zag je nog wat kleine boompjes die het volhielden. Dit jaar blijft de boer meer op eigen land. En óf dat scheelt!
Voor ik het bos in loop, komt er eerst een rijtje zielige eiken. Ze vormen een frontlinie langs dit pad, dat de bosrand markeert. Voor de eiken sta ik stil en werp een laatste blik op de bewuste akker. Ik kan nog steeds niet goed thuisbrengen wat er nu op groeit. Het blad lijkt op snijbiet, en er tussen staan grote velden gras van een wat robuuste soort. Het overheerst al het andere. Ik vraag me af, is dit gras nou een onkruid dat resistent is tegen het gif roundup? En wat is dat blad dan, netjes in rijtjes daartussen in? Ach…. wellicht zijn het gewoon groenbemesters, gezaaid door de boer. Zou hij straks alles weer doodspuiten? Ik blijf kijken. Elke dag opnieuw. En vragen. Want niets blijft ooit hetzelfde. Ook mensen niet.

.

Wat zie ik? Planten in het zand

Link:

Verhandeling over glycosfaat: http://www.brabantsemilieufederatie.nl/sites/www.brabantsemilieufederatie.nl/files/2%20stedelijk%20gebied/glyfosaat/121030%20samenvatting_onderzoek_greenpeace.pdf

.

 

Aardappels in een penenveld en de man met de stok

AArdappelsin Penenveld

Ik fiets richting Diessen. Als ik het bos uit kom is daar een veld aardappels. Langs de rand van het veld staan de grootsten en daar kijk ik altijd naar. In het midden van het veld loopt een man langs de rijen, met een stok. Het zwaait er wat mee heen en weer, alsof het een wiggelroede is. Hij heeft iets op zijn buik hangen. Ik kan niet zien wat het is en fiets verder, want aan het einde van het veld is iemand in de greppel bezig. Misschien weet hij het wel.
Het is een oude man, zie ik als ik dichter bij kom. De man kijkt verrast op en groet me vriendelijk. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en ik vertel hem waar ik verblijf. Dan pas geeft hij antwoord op mijn vraag. „Wat hij doet?”antwoordt hij, “Ik weet het niet. Hij was net ook al op dat andere veld bezig. Er staan penen in. Misschien is hij aan het spuiten.” Hij gaat intussen verder met zijn werk, staande op de droge bodem van de sloot. Hij gaat handig om met een klein minizeisje waarmee hij alles op buikhoogte afsnijdt. “Mooi gereedschap heeft u, “ zeg ik. “Jaja! Ik doe de hele sloot met de hand. Dat zouden zij daar ook moeten doen!” Hij wijst verontwaardigd naar de man op het veld en de kleine zeis zwaait vervaarlijk door de lucht. “Ze hebben dit jaar al vier of vijf keer gespoten. Nou nou nou, dat is toch niet normaal meer.”
Ik ben het met hem eens.
“U zegt dat het een wortelveld is.” ga ik verder “Ik dacht dat het aardappels waren.”
“Ja, dat zijn aardappels van vorig jaar. Het was een slecht jaar, en er zijn een hoop kleintjes aan de oogst ontsnapt. Die groeien nu verder.”
“Maar hoe komt het dan dat ze aan de rand het grootst zijn, en het meest?”
“Aan de bosrand groeit het altijd het slechtst. Daar blijven de meeste kleintjes over.” zegt hij.
Ik ben onthutst. Wat ik dacht te zien blijkt anders te zijn. Is het dan niet zo, dat de randen van het veld juist het vruchtbaarst zijn? Of doen aardappels het slecht bij eikenbomen vanwege het looizuur? Tegen de man zeg ik niets van mijn overwegingen.
“Maar nú doen ze het in elk geval prima!” roep ik.
De man grinnikt alsof ik een ironisch grapje maak en gaat verder met zijn werk. Ik stap weer op de fiets.
Ergens anders zie ik nog iemand bij hetzelfde veld staan. Ik stop. Op mijn vraag of hij de boer is, zegt hij “Nee.”
“Wat is die man daar aan het doen, weet u dat?” Ik wijs naar de kerel in het veld. Hij loopt nog steeds te zwaaien met zijn toverstok.
“Aardappels wegspuiten.” zegt hij. “Anders groeien de penen niet hè!” lacht hij.
Gek om dat iemand dat met zoveel zorgeloosheid te horen zeggen. Het verbaast me telkens weer. Vaak besef ik hoe weinig ik weet. Ik wil eigenlijk ook zo min mogelijk weten, zeker nu, in de lente. Ik wil zíjn, zien en ruiken. Maar hoe weinig ik ook weet, één ding weet ik wel. Dit verradelijke goedje is zéker niet onschuldig. De ouwe weet het. En vast nog veel meer boeren en burgers. Eigenlijk weten ze het dondersgoed. Durf er maar eens bij stil te staan.

Boeren in beweging

.

.

Ik sta op het punt een gekronkeld stuk hout te pakken. Het is voor de afbakening van een nieuw vijvertje, dat ik heb gemaakt. Net als ik wil bukken zie ik iets op het land hiernaast. Mensen. Vlak bij de weg staat een tractor. De motor draait. Het uitgestrekte land is net bewerkt. Er stond de hele winter rucola te bloeien. Het was een mooi gezicht, net een toendra, met hier en daar een grote plas. Ik zag en hoorde er graspiepers en meer vogels. Er was nooit iemand.
Deze week is de rust afgelopen. Ze hebben drijfmest ingespoten en compost gestrooid. En nu hebben ze alles door elkaar gehusseld. Niet leuk om te zien, maar ja. Tegelijkertijd, ik ben al blij dat hij zijn grond laat begroeien in de winter. Veel doen dat niet.
De tractor staat op de hoek, de voorkant naar de weg gericht. Ik zie er twee mensen bij. Zonder aarzelen loop ik erheen. Als ik vlak bij ze ben, zie ik een tanige man en een stevige jongen. De man is ongeveer van mijn leeftijd en hij kijkt me lachend aan. „Bent u de boer of bewerkt u het land alleen maar?”
Met uitgestoken hand loopt hij me tegemoet. „Ja, ik ben de boer,” zegt hij trots. “Aangenaam,
Arjan, uit Moergestel.” Hij heeft levendige bruine ogen, een gebruinde huid en kort grijzend haar. “Leuke vent,” denk ik, terwijl ik me voorstel. “Mooi stuk land heb je”, zeg ik. “Ik zag deze week een paar patrijzen bij ons rondlopen, toen jullie bezig waren. Ik hoop niet dat ze een nest hadden.”
“Ja, misschien had ik het eerder moeten doen, dan waren ze misschien nog niet aan het broeden,” zegt hij met een spijtig gezicht. “Maar je weet het tóch niet hè,“ zeg ik begrijpend. “Nee, je weet het niet…” herhaalt hij en kijkt in gedachten naar de grond.
Om hem op te vrolijken zeg ik: “Goed dat je je land begroeid laat, ’s winters. Boeren verderop laten de grond van hun akkers gewoon wegwaaien.”
Hij kijkt me opgewekt aan, zichtbaar blij met dit compliment. “Ja!” zegt hij “Daar snap ik ook niks van. Ze ploegen en dan laten ze het zo liggen. Ik denk dan, je ziet toch wat er gebeurt! Ik ga meteen zaaien na het ploegen. Daar laat ik geen weken overheen gaan. Maar ja, zo heeft ieder zijn manier,” zegt hij.
“Tja, ik denk dat veel mensen het gewoon doen zoals ze het geleerd hebben. En het heeft altijd gewerkt dus waarom niet. Maar nu beginnen dingen te veranderen. “ zeg ik.
“Ja hè? “ zegt hij, verrast dat ik het onderwerp aanroer, en wat aarzelend. Bedachtzaam kijkt hij voor zich uit. Ik kijk hem vriendelijk aan. “Maar jij zorgt in elk geval goed voor je land.” zeg ik en ik meen het ook. Ondertussen denk ik: Er zijn andere manieren van landbouw. En als je het aan mij vraagt, veel gezonder nog dan hoe hij het doet. Pas zag ik een goeie benaming ervoor. Het is ook de titel van een boek. “Herstellende landbouw,” van Marc Shepard. Maar tegen Arjan vertel ik niks van deze gedachten. Te pril allemaal.
“Ik doe mijn best”, hoor ik Arjan zeggen, in reaktie op mijn opmerking van zojuist. “Maar het kan vast ook anders.” Ik hoor de echo van mijn gedachten. Ik lach.

Boer Arjan zaaide snijmais

Gezaaide mais op het veld. Aan het laagje insecticide is een rood kleurtje gegeven, onder ander om  ervoor te zorgen dat de vogels het niet opeten. Toch hebben we gezien dat ze het toch aten, dus het werkt niet altijd.

En nu. Ik denk aan de mensen van de Pallandehoeve in Oirschot, gedreven bezig met permacultuur. Twee mensen hebben een hectare grond met daarop een tuin in ontwikkeling, en ze richten zich vooral op boeren die het anders willen doen. Ze hebben een man gevonden met veel grond, die zich door hen wil laten adviseren. Ik hou het in de gaten. Als het een succes wordt kan ik het boer Arjan vertellen. En meer mensen. Je weet maar nooit.

Randen van een aardappelveld

Onderweg naar Diessen zie ik dit land. Ik blijf er steeds naar kijken. Het is zo overduidelijk! Er is deze lente bijna geen regen gevallen en dit is wat er gebeurt. Langs de randen groeit het veel sneller. Organisch materiaal, bomen en begroeiing houden vocht vast en trekken vocht aan. Ook dauw. Als je dit weet kun je er gebruik van maken. Maak terugkerende bomenrijen met fruit en noten en bessenstruiken eronder. Ertussenin komen stroken akkerland met aardappels en granen, bij voorbeeld. In de permacultuur maakt men ook gebruik van dit principe.

_________________________________________________________________

Links:

http://www.janvanarkel.nl/nieuw/herstellendelandbouw.html

http://www.pallandehoeve.nl/contact.htm

Boek “herstellende landbouw” van Crawfort. Vertaalt in het Nederlands. Verkrijgbaar bij Uitgeverij van Arkel, Utrecht.

Rotspul, bestaat dat?

.

 

„Hondsdraf? Dat is rotspul!” hoorde ik pas. Zo’n plantje dat overal maar tussendoorkruipt, dat wordt meestal niet gewaardeerd. Het komt op in gazons, daar waar mensen gras willen hebben. Inplaats van het glanzend groene raaigras, zie je dan een paarse zee met beestjes die er rondvliegen. Dat is niet de bedoeling van een gazon. Flora en fauna delen we in. Zoals we het zelf willen zien. Nuttig en niet nuttig. Hondsdraf is niet nuttig. Zeker niet in het gazon. Smeerwortel en hoefblad ook niet. Dus dat moet weg. Maar er is een wereld die veel groter is dan wat we weten. De bodem en de bijen en beestjes hebben wellicht iets heel anders nodig. En wij hebben hun weer nodig. Dus wat is wijs?
Ik doe het zelf ook. Ik kies ook welke planten ik niet wil en welke ik wel wil. Ik haal weg wat dominant is, maar er mag altijd wat van blijven staan. Alles heeft zijn funktie. Op kweekgras wordt bijvoorbeeld veel gescholden. Maar ik wist niet dat kweekgras goed is voor de stofwisseling en voor de huid. Dat weet ik pas sinds gisteren. Misschien doet kweek in de bodem ook wel dingen die de bodem gezond maakt. Geneest het niet alleen mijn huid, maar ook de huid van onze planeet, de bodem onder mijn voeten. En dan trek ik het er zomaar uit.
In de permacultuur probeert men funkties te achterhalen, van de plant die er groeit. En dan ruil je die plant voor een andere, die dezelfde rol speelt, maar nóg meer funkties heeft. Een plant waar je ook nog goed van kan eten. Of mandjes van kan vlechten. Of een windhaag van kan maken. En graag een plant die we mooier vinden dan kweek, en makkelijker te verwijderen wanneer wij dat willen. Dan halen we alle kweek weg tot het laatste halmpje, en zetten we er andere plantjes voor in de plaats. Het liefst met grote vruchten en een rijke oogst. Ik ken die verleiding om zo snel mogelijk een grote oogst binnen te halen. En er is dikwijls commerciele noodzaak. Maar wat geven we en wat nemen we?
Ook in de permacultuur zijn mensen hongerig naar kennis, naar feiten die houvast bieden in hun tuinontwerp, of boerderij. Wat is zinvol en wat niet. Je kan dingen lezen op internet of in boeken, en horen van anderen. Maar elke plek is anders, en heeft iets anders nodig. En de natuur is flink in beweging. Alles verandert in hoog tempo. Bodem, klimaat en hele ecosystemen. Wat weet ik nou eigenlijk. Zo weinig toch… Daarom kijk ik maar gewoon. Naar dat hondsdrafje. Of naar de smeerwortel of het kleine hoefblad. Wat staat het daar te doen, op die plek? Hoe ziet het er uit? De aarde geeft zelf aan wat ze nodig heeft. Ik wil daar eerst lekker lang naar kijken en luisteren. Er valt vast en zeker een hoop plezier te beleven aan dingen waar ik nog niks van weet. Misschien vraagt het land wel om iets heel anders, dan ik kan bedenken. Voor mij is het zoiets als een relatie. Pas na een tijd weet je van elkaar wat je prettig en niet prettig vindt. Dan begint er iets te groeien wat blijvend kan zijn. Op deze ontdekkingstocht is er niemand die mij werkelijk kan vertellen wat ik moet doen. Of waar ik naar moet kijken. Gelukkig maar.

Een wereldwijde demonstratie

Het is zaterdagmiddag, in Wageningen. Ik heb mijn bord meegenomen, “Share and Care”, staat erop. Velen met mij zijn de straat op gegaan voor een wereldwijd protest. Geweldig. Honderd-duizenden mensen demonstreren tegelijk, vandaag. Is dat ooit eerder gebeurd, vraag ik me af. Het gaat om niets anders dan onze aarde, deze mars tegen Monsanto. Een bedrijf dat enorme macht heeft op de wereldmarkt. Een demonstratie tegen gif, tegen genetisch gemanipuleerde zaden. Dat is heel kort gezegd. Maar er is meer. Er kleven veel oneindig veel verhalen aan, meer dan ik ooit zou kunnen vertellen. Vooral heel veel leed. Maar er is veel in beweging!

Het is een flink eind lopen, vanuit Wageningen de stad uit. Ik kan het begin en het einde van de stoet niet zien. Het is een bonte optocht, mensen van jong tot oud, joelende roodharige vrouwen met bloemen in de haren, mannen met grote borden op hun blote schouders waarop een tekst staat over zaad. Kinderen plukken bloemen of slapen in een kinderwagen. Een lange stoet slingert langs een landelijke weg. Tot we bij een pand aankomen van Monsanto. Het staat met grote oranje letters op een fantasieloos, vierkant gebouw. De Universiteit van Wageningen werkt hier mee aan onderzoek. Dit is ons einddoel, en hier houden we halt.
Waar het terrein van Monsanto begint, daar leggen we onze bloemen neer, voor de doden. Doden die we niet kennen, en waar de meesten nooit van horen. Mensen die het slachtoffer werden van deze wereldmacht. Tijdens de hele tocht was het een chaos van geluiden, geroep van leuzen, en muziek, maar hier is het stil. Ik sta tussen de anderen en leg mijn boeket neer, dat ik onderweg heb geplukt. Boterbloemen, fluitekruid, heermoes en lange madelieven.
Ik denk aan de boeren, kleine boeren wereldwijd, die hun eigen traditionele landbouwmethodes moesten vergeten, om zaad van Monsanto, kunstmest en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Ik denk aan de dwang die hier bij te pas komt, en de schat aan eeuwenoude kennis die verloren gaat in allerlei culturen. Monsanto zegt dat landbouw zonder chemische middelen elitair is. De geweldloze communicatie zegt, dat een oordeel meer over jezelf vertelt dan over de ander. Elitair? Ik vind het schrijnend. Boeren overal ter wereld betalen zich blauw aan investeringen. Zoals in India. Ze zien de eerste paar jaar een goede oogst, zoals beloofd. Maar al rap loopt de opbrengst terug. De veel te eenzijdige kunstmest werkt niet meer, de insecticide ook niet, het land degenereert en verliest zijn vruchtbare bodem. Veel kleine boeren kunnen de schulden niet terug betalen. Uit wanhoop en ellende maken velen een einde aan hun leven.
Dit gebeurt niet alleen in India of Afrika, ook in Nederland komt het voor dat boeren geen uitweg zien. Of in Amerika. Alleen de rijksten kunnen overleven, en kopen het land van kleine boeren op. Steeds grotere peperdure olieslurpende machines walsen over de aarde en transformeren haar tot een eenheidsworst zonder leven. Voor wie?

Elke plant, elk dier, elk mens heeft een eigen plek. De plek waar je in je element bent. Op natte zandgrond of in rotsachtige bergen. In de zompige klei aan de koele zee, of op een warme hoogvlakte. Als reiziger kun je je verwonderen over al die verschillen, en hoe uitbundig de natuur is met al haar gaven. Hoe hartelijk de mensen je kunnen onthalen met alles wat ze in huis hebben. Als één bedrijf patent heeft op de gehele voedselproductie, en al het zaad dat op grote schaal wordt verbouwd, dan verdwijnen al die soorten, dan is er geen thuis meer voor niets en niemand. Dan is er niets dat zijn eigen plek nog heeft. Inclusief de mensen zelf, met al hun kleuren, gewoontes en cultuur. De aarde kan niet zonder deze rijkdommen. Alles heeft elkaar nodig.
Wat er onder mensen wereldwijd in beroering is, is niet te overzien. Maar duizenden kleine initiatieven rijgen zich langzaam maar zeker aaneen. Het groeit uit tot een beweging die niet tegen te houden is. We zijn niet alleen, dat is zeker. En alles wat er is werkt mee. Ik ook. Vanuit mijn kleine wagen, tussen dooie akkers in Brabant.

De foto aan de kop komt van de site van “Earth matters”