Een slingerend lint van mensen ( A winding ribbon of people)

.

Ik maakte een wandeling met een groep landschapshistorici en sprak met hen. Je kan een landschap bestuderen, uittekenen of onderzoeken. Maar dat is niet genoeg. Ik denk: We moeten leren er weer deel van uit te maken.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button under the text.

Een baaldag was het. Het bord dat ik al heel lang wilde maken, stond tegen de boom. Het was af. Er stond een tekst op, een filosofisch gedicht. Maar er was niemand om ernaar te kijken en erover te praten. Okee, dan baal ik maar, dacht ik. Als het niet anders is. Dat was de enige goeie keus. En het gesprek kwam uiteindelijk toch wel, maar op een ander moment.

Het is een dag later. Ik wandel mee met een groep. Het zijn allemaal landschapshistorici.Van verre kun je ons zien lopen. De uitgestrekte weilanden worden doorkruist met oude wandelpaden. Ze zijn smal. De twintig mensen vormen een lang bewegend lint. Voorop loopt Jeroen, mijn buurman, die ons leidt. Hij is een bescheiden leider en laat het liefst de mensen zelf kijken, voor hij iets zegt. Toch is hij een goede verteller, als hij eenmaal los komt. Dit zijn mensen van zijn universiteit. Als buurvrouw ben ik de enige andere gast. Hoewel het nieuw voor me is, voel ik me prima thuis in dit gezelschap. Samen kijken we om ons heen. Het meisje naast me vertelt hoe ze ervan geniet om in de trein te reizen, en het landschap aan zich voorbij te laten gaan. Het is als het lezen van een verhaal. Hoe meer je erover weet, hoe boeiender het wordt.
Zelf reis ik niet veel met de trein. Ja, ik vind het ook mooi. Ik weet dat er oneindig veel verhalen zijn. Maar ik maak er liever deel van uit, dan dat ik er alleen naar kijk. Ik ben ook geen wetenschapper. Ik ben een kunstenaar met groene vingers. Maar daar denk ik nu niet aan. Er is van alles te zien en te horen.

“Hoe kom jij hier zo verzeild?” vraagt de man die aan de andere kant loopt. Ik schat hem iets ouder dan ik, een lange vent met grijs haar en een ontspannen grijns op zijn gezicht. Ik vertel hem dat ik vroeger tekenaar was, van landschappen en oude gebouwen met geschiedenis. Heel fijn en precies werk met allemaal streepjes. Ik haal nonchalant mijn schouders op. “Iedereen wilde dat ik daarmee doorging. Maar ik had genoeg van dat gepriegel. Ik was het ook zat om alleen maar waarnemer te zijn. Dus in plaats daarvan heb ik me bekwaamd in allerlei handwerk. Het kwam op mijn pad. Ik kon kiezen, bekend worden als tekenaar, of opnieuw beginnen met iets heel anders. Uiteindelijk heb ik mijn eigen huisje uitgetekend en gebouwd.” Hij lacht. “Ja, die omslag begrijp ik heel goed,” zegt hij. Ik glimlach en ga verder. “Ik werkte eraan met dezelfde nauwkeurigheid als mijn tekeningen. Toen het klaar was, was het comfortabel genoeg om in te wonen. Maar ook stond het op wielen. Ik moest ermee de wereld in. Dus ik maakte die reis en schreef een boek. Ik wilde zo langzaam mogelijk te gaan. Dit bracht mij tot een conclusie, die me nooit meer los gelaten heeft.” Hij kijkt me nieuwsgierig aan. “Wat dan?” Het antwoord komt kort en krachtig. “Het kan nooit langzaam genoeg gaan! Uiteindelijk kwam ik erachter dat ik niet wil reizen. Ik ben tegen al dat gereis in deze tijd.” Hij lacht geamuseerd. “Hoezo?” Ik kijk naar de witte klaver voor mijn voeten en denk aan wat er thuis tegen die boom aan staat. Een roestige plaat, gladgeschuurd met de komborstel. Donkerbruin gemaakt met lijnolie. Er staan witte letters op. Ik kijk naar de man naast me. “Gisteren schilderde ik een bord,” begin ik dan “Daar staat een tekst op.”

Het Rijdende Verhalenhuis
kwam alhier tot stilstand
om zich te verbinden met
de mensen en het land

Stilstand is vooruitgang
in het algemeen belang

“Oei, daar moet ik even over nadenken hoor!” fronst hij. Ik knik geduldig en leg het uit. “In onze tijd is alles en iedereen steeds op pad. Agenda’s vol bezigheden laten ons van hot naar haar vliegen,” zeg ik. “Tegelijkertijd wordt het steeds moeilijker om iemand te vinden die thuis is.” De man naast me luistert aandachtig. Ondertussen gaan we een bocht om, en Jeroen houdt een draad vast, die het weiland van een groep koeien begrenst. Hij moest hem losmaken om erdoor te kunnen. “Honden verboden” staat er op een bord. Dat is vanwege de kak. Daar worden koeien ziek van. Jeroen maakt de draad weer vast, en ik ga verder bij waar ik was gebleven.
“Deze koeien zijn waar ze zijn. Ze eten alleen maar gras en hun poep komt weer terecht op het land. Zo hoort het. Ze zijn deel van een kringloop. Wij mensen zijn die kwijt.” Ik stop even, om naar een paarse zwanenbloem te kijken, die langs de sloot staat. Als een subtiele kroon, troont hij boven al het andere uit. Het is een mooi gezicht, met het stille donkere water erachter. Het straalt rust uit. Had iedereen maar zo’n zwanenbloem om naar te kijken. Of iets anders om voor thuis te blijven. Een paar ogenblikken lopen we in stilte. Voor en achter ons klinkt het gepraat van de anderen.

“Ik heb een ander voorbeeld. Ik was op een dorpsvergadering. De vrouw die het woord deed klaagde erover dat de gemeente steeds meer werk doorschuift naar het Dorpsbelang. Maar hoe vitaal is dat, als die mensen ook met volle agenda’s van hier naar daar vliegen? Dit is niet de enige plek waar het aan de hand is. De huidige tijdgeest is als los zand, dat tussen onze vingers door verdwijnt. Zonder bestendigheid vervliegt alles. We zijn de voeling kwijt met wat er werkelijk toe doet. Kringlopen brengen dat terug. Daarom ben ik waar ik ben.” De man naast me knikt stil. Ik hoef niets meer uit te leggen.
Ik loop nog een eindje mee, en sla dan links af, terwijl de rest naar rechts gaat. Rustig loop ik terug naar station Deinum, waar mijn fiets staat. Ik hoef niet met de trein. De verhalen die zijn hier. En ik maak er deel van uit, het land, de mensen. En al zijn ze niet elke dag bij me, toch zijn ze er, als een slingerend lint. En ik loop er tussen.

.

Foto Gerd Altmann

.

NEDERLANDS

ENGELS

.

The Riding Storyhouse
Came here to a silent stand
To connect with joy and care
With the people and the land

Standig still is progress
The rooted people you will bless

I took a walk with landscape historians and explained why I don’t travel anymore. We can research, draw, or admire a landscape. That ’s not enough. We have to become part of it again.

.

Wat overleeft (What survives)

.

Dit is een heilig plekje in mijn huis. Een glas in loodraam in de nok. De rode bol, in vieren gedeeld, symboliseert de Aarde en de opgaande lijnen het groeien. De halve kom naar boven gaat uit naar de hemel en alles wat ons omgeeft. Naar lucht en licht, wat leven voedt. In de winter is het raam bedekt achter een dikke prop schapenwol. In de lente haal ik dat eruit, het moment dat het groeien begint.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Do you rather listen? Click on the button under the text.

Sommige mensen bewaken een oude plek. Ze zijn al jong verbonden met een bodem die verzadigd is met verhalen. Verzorgers van lommerrijke bossen. Of kruidige weiden, al decennialang niet geploegd of omgekeerd. Dagjesmensen fietsen voorbij langs een bloeiende houtwal of een wei vol bloemen. “Wat een mooie plek…” zeggen ze. Het zijn herders en boeren. Mannen en vrouwen die leven in het ritme van de seizoenen. Die één geworden zijn met dat, wat nooit verandert en toch altijd in beweging is. Heel gewoon, zonder valse romantiek. Het is dat, wat nooit het nieuws haalt, omdat het is wat het is en het graag zo wil blijven. Niet vernieuwend en blits, maar gegrond en duurzaam. Juist die mensen kunnen niet vaak genoeg in het voetlicht komen.

Mijn raam kijkt uit op goudgele velden vol boterbloemen. Boer Jochum beheert ze. Hij wil honderd worden en dat lukt hem vast. Hij is een sterke vent. Misschien heeft hij nog wel dertig jaar te gaan! Maar ooit komt er een einde aan. Als een boer sterft of ermee ophoudt, en er is geen zoon, wat dan? Meestal wordt de grond verkocht. Bijna altijd aan een grootgrondbezitter.
De plek die nu de Swetteblom heet, kent een lang verhaal. Al bijna honderd jaar is het een boerderij. Voor die tijd was het een wilde plek, waar kippen liepen en wat kleinvee. Dat wilde, dat heeft boer Jochum terug laten keren. De bomen die hij plantte mogen scheuren en verrotten. Het hooiland is gezond en kruidig en elke winter trekt de zompige klei een grote groep kramsvogels aan, die voedsel vinden in de natte wei. Ik hoor kikkers in de lentenacht. Op het ontluikende verhalenpad zag ik zojuist een geschrokken watersalamander. Ik loop naar Jochumsreed. de lange onverharde weg die van de camping naar het dorp loopt. De regen heeft de scheuren in de droge klei doen verdwijnen en alle bomen zijn nu groen. Vanaf de camping komen Rien en Linde aanlopen. Hun stemmen klinken serieus en nieuwsgierig houd ik mijn pas in, en volg het gesprek.

“Alles wordt opgekocht en met de grond gelijk gemaakt. Dat gaat hier ook gebeuren,” zegt Rien met een ijzeren zekerheid. “Ooit komt er een grote boer en die maakt er allemaal dezelfde weilanden van. Net als overal. En dan moet je allemaal oprotten.” Rien bivakkeert hier om een autobiografie te schrijven. Geen idee hoe lang nog. Naast hem loopt Linde. Ze woont in het dorp en komt hier graag. Deze winter heeft ze elke week de stal uitgemest om haar hoofd leeg te maken. Het deed haar goed. Ze wil de Swetteblom niet missen. Nooit niet. Ze luistert naar Rien zijn pessimistische uitlating en knikt nadenkend. Daar heeft ze al vaker over nagedacht. Ze fronst haar wenkbrauwen. Vanaf de andere kant komt Tanja. Ze wandelt ons tegemoet met haar kleine hondje, groet en loopt verder. Voor velen is deze plek een passage in hun leven. Anderen bouwen iets op. Ik ben hier eigenlijk ook nog maar net. Toch heb ik hier mijn wortels, op de zeebodem van het Noorden. Het lijkt op de polder, waar ik vandaan kom. Maar niemand is zo geworteld als de boer, die hier geboren is. Die de weilanden hooit en de koeien voert en altijd zulke lekkere kwark maakte. Hij beslist wanneer welke boom om gaat. Maar liever laat hij ze staan. De man die al jaren de campinggasten ontvangt. Wat gebeurt er als zo iemand wegvalt? Het land van acht hectare dat langs de Swette ligt, heeft veel in zich, om de eeuwen in te gaan. Jochums plek is gezonder dan vele andere. Dit is een bronplek, zoals Jeroen dat noemt. En er zijn er meer. Tussen de blokkendozen en het groene biljartlaken in, liggen wegen verborgen, die bronplekken verbinden zoals de onze.

Met zijn drieën lopen we over het pad. Het heeft hard geregend. Er staan plassen. Met mijn blauwe klompen loop ik er dwars doorheen. Naast me loopt Linde. “We moeten de camping nog groter helpen maken, zorgen dat er heel veel mensen komen. Het op de kaart zetten. Dan wordt het belangrijk!” zegt ze. “Iets wat belangrijk is heeft meer overlevingskans.” Ik frons mijn wenkbrauwen. “Wil je dat echt?” vraag ik verbaasd. Haar gezicht verandert meteen van uitdrukking. Even aarzelt ze, voor ze zegt: “Nee, eigenlijk helemaal niet. Dit is juist zo’n fijne rustige plek….” Ik knik. “Dat vind ik ook. Ik denk dat we juist de rust en de rijke natuur hier tot zijn recht moeten laten komen.” Boer Jochum heeft er goed voor gezorgd en doet dat nog steeds. Maar wij zijn net zo goed nodig. We moeten de Swetteblom niet alleen gebruiken, maar ook voeden. Door onze handen uit de mouwen te steken en door onze verhalen erover. Wat mooi zou het zijn als iedereen dat deed. Overal, op duizenden plekken. Hoe meer je geeft, hoe rijker een plek wordt. En hoe groter de kans dat het blijft.
Ik zie iets bewegen tussen het gras en sta plotseling stil. De andere twee lopen pratend verder. Heel stil luister ik maar zie niets. Ritselend verdwijnt het zonder dat ik weet wat het was. Morgen ga ik weer kijken. En als ik het weet, schrijf ik de naam op in een mooi boekje met een gouden rand. Want wie schrijft, die blijft.

.

NEDERLANDS

ENGELS
We must not only use a place, but also feed it. By rolling up our sleeves and by telling our stories about it. How nice it would be if everyone did that. Everywhere, in thousands of places. The more you give, the richer a place becomes. And the more likely it will stay.

DE PÔLLE EN HET VERHALENPAD (The Pôlle and the Storypath)

.

.

Er staat nu een bordje voor het Verhalenpad, daar prijkt de naam op. Hier hoor je hoe dat kwam en waarom ik aan indianen moest denken in Californië. Hoe mensen soms niet begrijpen wat ze zien en hoe dat tot grote vergissingen kan leiden.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Rather listen in ENGLISH: Click on the button under the text.

.

Aan de overkant van Jochums Reed ligt een oude wilg als een drie-armige ster gekraakt uiteen. Vanuit die dikke takken zijn talloze boompjes gaan groeien. Nu is het een klein wilgenbos. Het is een geliefde plek voor winterkoninkjes, merels en houtduiven. In het hout zitten talloze beestjes die worden opgegeten door weer andere beestjes. Naast de wilg stroomt de Swette, de rimpels in het water weerspiegelen in het licht. Hoe langer je ernaar kijkt hoe meer het fascineert. Het geeft de plek magie. De plek heet “De Pôlle”, dat is Fries voor “eilandje”. In het vlakke kustland waar de horizon overal te zien is, is zo’n bosje net als een eiland in zee. Onze Pôlle trekt veel gasten. Velen hebben gevraagd of ze er voor altijd hun caravan neer mochten zetten. Maar boer Jochum zegt altijd nee. Dit is een plek waar iedereen van mag genieten. Tussen het veldje en de Reed groeien meer bomen. Je kijkt tussen de stammen door naar de onverharde weg. Naast de weg ligt een berg zand met puin. Van het zand heb ik voorzichtig wat weg geschept, om te gebruiken voor het planten van mijn boompjes. Voorzichtig, om de witte dovenetel te ontzien, die wel houdt van dat losse zand. Ik heb er drie kruiwagens zand uit gehaald en de rest van de berg laten liggen. Van de stenen die ik na het graven overhield, bouwde ik een soort grotje, als schuilplek voor beestjes. Ernaast heb ik twee struiken geplant. Als die groeien dan komt er misschien wel een nestje in.

Het is weekend en mooi weer. “Alle campings zitten vol” zegt Dick “Hier gelukkig niet.” We drinken koffie en bespreken het nieuws. Wanneer ik terugloop naar mijn huisje, zie ik dat er gasten zijn aangekomen op de Pôlle. In de tijd dat ik weg was, hebben ze een groot vuur aangelegd. Het zijn twee jongens met een gele auto en een tentje. Uitgebreid genieten ze van de hoge vlammen. Het vuur blijft branden en ook de volgende dag komt bijtijds de eerste jongen uit het tentje. Hij plukt dood gras en met veel rook krijgt hij het vuur brandende.

Als ik om twaalf uur buiten kom, zijn ze weg. Ik loop naar de plek en zie dat het stenen grotje is afgebroken. De stenen liggen nu mooi opgestapeld rond een kring met as. Er kan inderdaad een flink vuur in. Er liggen een paar dikke takken naast. Voor het stel was dit het paradijs. Je waant je in het wild, als in een droom. Alles was er. De stenen lagen daar gewoon. Zouden ze wel eens in de Ecokathedraal van Le Roy zijn geweest? Een geweldige plek is dat. Het lijkt op een oude overwoekerde stad. Boomwortels slingeren zich dwars door en rond de stenen. Daar ligt geen enkele steen zomaar. Voor mij is dat een grote inspiratiebron. Weten zij veel, die jongens…

Zo is het op veel meer plekken gegaan. Dat nieuwelingen ergens kwamen. Een plek die ongerept leek. Bomen en stenen die daar puur toevallig leken te zijn. Ik denk aan de indianen die woonden in wat nu “Yosmitepark” heet, in Amerika. Zij hadden een heel gebied in gebruik. Het leek op een groot voedselbos. Het stond er vol eiken, want eikels waren hun belangrijkste voedsel. Op een dag kwamen er een stoet blanke mannen, te paard. Wat ze zagen was een prachtig paradijs en eikenbomen die gigantisch waren. Thuis zouden die allang gekapt zijn, voor scheepsbouw en nog veel meer. Dit was zo wild en ongerept! Ze wisten toen nog niks van agroforestry en voedselbossen. Laat staan van eikels en wat je daar allemaal mee kon. Eikels waren voor de varkens, niet voor mensen. Ze zagen dus niet dat het bos heel ingenieus in elkaar zat, eetbaar was en door honderden handen werd onderhouden. Er stonden geen hekjes tussen, of bordjes. De blanken jaagden de indianen weg, die zouden het paradijs toch maar verpesten. Het is triest, maar dat geloofden ze echt en daarna is het nooit meer goed gekomen. De blanke mannen maakten er een natuurpark van. Voor het park prijkte een bord, met een naam in hun eigen taal. Bij de poort stond een bewaker. Daar hadden de indianen niet van terug. Het bord is nooit verdwenen.

De gasten op de Pôlle waren natuurlijk geen veroveraars. Hun bedoelingen waren goed. Een volgende kampeerder kan de vuurplaats mooi opnieuw gebruiken, moeten ze hebben gedacht. Ik zet er nu mijn eigen kleine vuurkom neer. Klein is beter, dat houdt gulzigheid in toom. Ik pak de stenen en leg ze een voor een in het karretje. Even later staat er bij de ingang van het Verhalenpad het begin van een grappig muurtje. “Hier werkt Alowieke aan het Verhalenpad” staat erbij. En: “Kijken mag”. Bij mij geldt dat voor iedereen. Bewakers daar doe ik niet aan. Wie weet welke levensverhalen hier nog verteld zullen worden. En hoe vaak we nog aan inheemse mensen zullen denken, overal ter wereld. Met al hun Verhalenpaden. Hier, langs het Verhalenpad in Friesland.

.

NEDERLANDS

ENGLISH

ENGLISH

There is now a sign in front of the Story Path with the name on it. In this story you can read how that came about, and why it made me think of the indigenous people of what later became Yosemite Park, in California. How people who are new somewhere, don't understand what they see. And what great mistakes can result from that.
Lees verder “DE PÔLLE EN HET VERHALENPAD (The Pôlle and the Storypath)”

DE NOOD VAN HEILIGE BODEMS (The need of secret soils)

.

Jonge bomen en wadi’s

Mensen die de bodem onder hun voeten dreigen te verliezen, een plek, die voor hen heilig was. Ik wens dat hun heilige plaatsen nog duizenden jaren zullen bestaan en dat zij en hun kinderen nooit weghoeven. En dat er nog veel van die plekken bij zullen komen. Met die intentie zorg ik voor de mijne.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Push the button under the text.

.

Daar sta ik dan. Ik heb mijn schone kleren aan, want dat kan nu. Voorzichtig loop ik het pad af, op mijn nette schoenen. Ik wandel langs de plekken waar ik gisteren bezig ben geweest, in weer en wind, langs het Verhalenpad. Het graven is klaar. De boompjes zitten erin. Maar ik heb nog veel meer gedaan. Verscheidene plantgaten liepen vol water. Actie was dringend nodig, anders zouden ze verzuipen. Gemotiveerd ging ik verder met scheppen. Slingerende geulen en gaten zijn het geworden, om de kleine boompjes heen. Vanaf de plant steeds dieper, kronkelend van de ene waterkom in de andere, tot de stroom het eindpunt heeft bereikt: een hele diepe kuil. Het was een hoop werk, maar het was het meer dan waard. Niet alleen werkt het goed, het ziet eruit alsof de natuur het zelf zo heeft gemaakt. Kunst! De klei was zacht als boter. In twee dagen kon ik zoveel doen! Ik genoot ervan. De droge maand maart had de grond hard gemaakt als kalksteen. Dat was nu wel anders. De regen en de harde wind kon me niet deren. Lachend worstelde ik met de spade, zwaar van aangekoekte drab.

Dat was gisteren. De paarse regenbroek is inmiddels opgedroogd en heeft een onbestemde kleur gekregen. In mijn klomp zit een gat van het kracht zetten op de spade. De geleende laarzen liggen vol aangekoekte modder thuis, op het bordes. Ik loop weer terug, op mijn nette schoenen en veeg de modder onder de zool af aan het gras. Ik denk dat Dick de koffie klaar heeft en loop het grindpad af.

.

Geplante bomen in rietbed

.

Al die dingen koester ik. Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik wortel. Steeds vaker ben ik precies op het juiste moment op de juiste plek. Dat komt omdat ik hier bijna altijd ben, hier, rond de boerderij, op het landje, en in het huisje van mijn vriend Dick. Ik ken het pad met elke hobbel en kan met ogen dicht de 500 meter afleggen naar zijn voordeur. Ik loop met mijn nette schoenen om de plassen heen. Er zijn flinke buien gevallen. De klei is weer zacht. Steeds dierbaarder is het me, deze grond onder mijn voeten. Het hoort bij me. Hier te staan, nu. Het de enige zekerheid is die ik heb, behalve de dood.

Hoeveel mensen verliezen de bodem onder hun bestaan? Het is niet alleen de oorlog zelf, die levens ontwricht. Het is ook de onverzadigbare gulzigheid naar grondstoffen. Grote handelsstromen lopen over de hele aarde, en dat is nu in de war gegooid. Sommigen zijn wijs, en beginnen minder te consumeren. Anderen voelen een nog heftiger noodzaak om te zoeken naar méér. Zoals Brazilië en India. Zij zetten haast achter nog meer mijnbouw.

Hoe ver het ook is, in Brazilië wordt de invloed van de oorlog dus ook gevoeld. Ze voerden altijd kalium in, uit de huidige oorlogsgebieden, voor kunstmest. Dat is nodig voor hun sojateelt. Die import is wegvallen. Daarom wil president Bolsonaro een kaliummijn ontginnen in het al ernstig aangetaste Amazonewoud. Dat wil hij al langer. Maar dit is het gebied van de Mura. Het zijn strijdbare mensen en ze houden intens veel van hun land. Ze houden de kap al lange tijd tegen. Maar hoe groot hun moed ook is, de druk van de boerenlobby wordt in deze omstandigheden bijna onhoudbaar. Zal hun strijd uiteindelijk tevergeefs zijn? Dit zou opnieuw een deel van het regenwoud kosten, land van oud natuurvolk. Nog meer kale aarde. Met alle gevolgen van dien.

Wouden worden gekapt, heilige plaatsen worden zonder pardon van de aardbodem geveegd. Hele volksstammen gaan in protest, maar worden met geweld het zwijgen opgelegd. Dit gebeurt in Brazilië maar ook in India. India importeert 85% van hun olie uit Rusland. Omdat door de oorlog de energieprijzen gigantisch zijn geworden, wil de overheid kolenmijnen ontginnen en het liefst zo snel mogelijk. Ook dáár moet gekapt worden, heel veel gekapt. Het zijn de bossen waar Adivasi huizen, een volk met 57 miljoen mensen. De wouden moeten plaatsmaken voor een enorm uitgestrekt mijnengebied. Een hel. Voor de Adivasi is er geen alternatief. Ze moeten simpelweg oprotten. En waarheen dan? Er is niets wat hun rest, ze zullen overal verschoppelingen zijn. Ik denk aan hun vrouwen. Zij zijn het, die moed tonen. Overal komen ze in opstand. Ze worden op grote schaal verkracht en vermoord. Ik heb het zelden over deze dingen, omdat ik vooral wil inspireren. Maar het hoort er wel bij, dit te weten, deze mensen te steunen. Te denken aan de vrouwen die zich zo verbonden voelen met hun land, net als ik. Die vechten voor wat hen dierbaar is. Elke vrouw die daarbij het leven verliest was mijn zuster.

.

.

Het zijn deze mensen, die het eerst het slachtoffer zijn, de laagsten in de ladder. Wie denkt er aan hen, in al het tumult? Ze verdienen zoveel meer! Het zijn juist zij, die zich verantwoordelijk voelen voor de Aarde. Ik hoop op een wonder. Dat dit de laatste krampkoortsen zijn van het oude, wat niet meer werkt. Dat een wereld om de hoek staat die berust op samenwerking en symbiose. Dat alle mensen hun grond kunnen behouden en dat hun heilige plaatsen nog duizenden jaren zullen bestaan. En dat er nog veel van die plekken bij zullen komen. Met die intentie zorg ik voor de mijne. Mijn heilige plek bij boer Jochum, in dit dorp in Friesland. Dit Verhalenpad, in de zompige klei van het natte Noorden.

.

Nederlands

English

https://metro.co.uk/video/for-destruction-mura-indigenous-people-vow-protect-amazon-1991268/?ito=vjs-link

https://www.reuters.com/world/americas/canadian-firm-lobbies-brazil-amazon-potash-mine-permit-2022-03-31/

https://www.survivalinternational.org/campaigns/adivasisagainstcoal

https://www.theguardian.com/world/2022/mar/31/protect-indigenous-peoples-rights-or-paris-climate-goals-will-fail-says-report.

https://www.mo.be/artikel/de-adivasi-de-vergeten-bevolkingsgroep-van-india

Schuilen voor de regen

.

WAT BOMEN FLUISTEREN WANNEER JE TEVEEL WILT . . . . . . . .What trees whisper, when you want too much

.

.

Heel veel willen is als een laaiend vuur. Wat doe je daarmee? De woorden kwamen uit mijn eigen mond. “Ik kijk naar wat is, niet naar wat ik wil wat er is.” Verbaasd lees ik het, als een waarheid die steeds opnieuw ontkiemt.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Listen to the english version? Click on the button down under the text

Er is een sprookje waar ik vaak aan moet denken. Het gaat over de gevolgen van teveel. Nu zijn er meer sprookjes die gaan over hebberigheid of vriendelijke behulpzaamheid zoals Vrouw Holle. Maar wat gebeurt er nou echt met je, als je teveel wilt? Ten slotte zijn het niet allemaal lelijke stiefdochters die daar last van hebben. We hebben het allemaal wel eens. Soms gaat het zo verschrikkelijk goed, je zit in de juiste stroom en krijgt van alles aangeboden. Welke keuzes neem je dan? Graag denk ik dan aan het sprookje van de arme vrouw.

Een arme oude vrouw woont eenzaam in een hutje op de hei. Meer kan ze niet betalen. Ze werkt wat in haar groentetuintje, dat maar weinig opbrengt, op de arme zandgrond. Ze heeft één magere geit, die ze dagelijks melkt. Veel geeft ze niet, maar ja. Het oude mens heeft er vrede mee. Op een dag klopt er iemand aan. Ze opent de deur. Het is een knappe man met mooie kleren aan, het lijkt wel een prins. “Ik ben verdwaald” zegt de prins. “En ik heb honger, heeft u misschien te eten voor mij?” De oude vrouw zegt dat ze niet veel heeft, maar ze kan wel soep maken. De prins is haar heel dankbaar. “Ik geef u voor elke vetkring in de soep een zilveren daalder” zegt hij stralend en hij gaat zitten op het bankje naast het huis. De arme vrouw maakt de soep en doet de boter erin. Netjes afgepast, één eetlepel, zoals altijd. Maar dan laait er een vuur in haar op. Wat kan ze allemaal doen als ze veel méér daalders kan krijgen? Een groter huis met een boomgaard, een koets met paarden ….Gretig gooit ze de hele kluit boter in de soep. Het is alles wat ze in huis heeft. Dan staart ze ontsteld in de pan. Op de soep ligt één dikke laag vet!

Ik was mijn vuile handen in de waskom. Twee diepe kuilen in de weg zijn weer mooi geëgaliseerd. Zo kunnen we makkelijk keren, als we dit weekend de boompjes uitladen. Er ligt een berg zand klaar om ze tijdelijk in de grond te zetten, want ik krijg ze niet alle driehonderd in één keer de grond in. Doe ik wel genoeg, vraag ik me soms af. Wat stelt dit eigenlijk voor vergeleken bij de duizenden bomen die sommige anderen kunnen planten? Misschien kan ik mijn talent wel veel breder inzetten. Ten slotte: bomen planten kan iedereen. Ik kijk naar de onverharde weg. De kuil is in elk geval dicht.

Ik ga naar binnen om verder te werken aan mijn laatste verhaal. Ik open mijn laptop. Eerst kijk ik even naar de vele reacties op het laatste interview in de Leeuwarder Courant. “Verlangen naar langzaam leven” staat erboven. En: “Ik kijk naar wat is, niet naar wat ik wil wat er is.” Het is alsof ik de woorden opnieuw zie. Dat heeft de schrijfster mooi samengevat. Er is ook een vrouw die me bedankt voor al mijn blogs, mijn eenvoud inspireert haar en het heeft haar door een moeilijke tijd geholpen. “Bedankt dat je zo gewoon bent!” zegt ze. Ik glimlach. Langzaam maar zeker bouwen we een netwerk op van bomen, planten, en mensen. Dan zie ik een volgend bericht. Ik word attent gemaakt op een groot kunstevenement. Bosklab in Leeuwarden. Er is veel geld voor beschikbaar en het lijkt op mijn lijf te zijn geschreven. Het gaat over bomen en verbinding. Wat leren we van bomen en hoe kunnen we daar anderen mee inspireren, zo snel mogelijk? Het duurt honderd dagen. Speciaal voor die gelegenheid komen meer dan duizend bomen de stad in wandelen. Ik zie een plaatje met mensen die tussen bomen doorlopen, bomen die allemaal in bakken staan. Ieder loopt er op zichzelf. Verbinding zie ik niet. Wat raar… Maar het is wel een mooie kans. Als kunstenaar kan ik er vast anderen ontmoeten en meer naam maken. Ik kan veel meer dan wat ik nu doe! Even brandt er een vuur in mij. Ga ik het doen? Maar inmiddels ken ik dat vuur wel. Het is vaak de aankondiging van een periode met weinig slaap en teveel hooi op de vork. Bovendien: Is het wel nodig, meer naamsbekendheid? Het gaat toch goed zo? En verbreek ik juist niet de verbinding met wat ik nu, heel langzaam aan het opbouwen ben?

Ik denk aan de oude vrouw in de hut en neem een besluit. Het is genoeg. Ik hoef niet meer. Ik doe het met wat er is en ik weet zeker dat het iets heel moois gaat worden. Ook bomen groeien niet in één dag. Ze hebben een netwerk nodig. En wandelen kunnen ze ook niet. Al zou je willen.

(Wat gebeurt er eigenlijk met die bomen na afloop? Gaan ze dan de grond in?)

.

Bosklab (van laboratorium), komt drie maanden lang in Leeuwarden, van de zomer. Het wordt vast een leuk evenement. Wie weet wat voor bruisende dingen de kunstenaars er aan toe kunnen voegen. Maar het concept mist voor mij diepgang, letterlijk. De bomen staan centraal. In bakken worden ze door de stad gerold. Maar de energie van de boom komt vooral uit de bodem. De boom heeft een netwerk nodig van micchorizae, schimmels, die hen onderling voedt en verbindt. En meer nog. Talloze miniscule beestjes maken de bodem los en vol leven. Als dit alles er is, dan pas staat een boom in diepgaande verbinding en is hij gezond. Het is een voorwaarde voor leven, de bodem is de basis. Mensen horen er geen werk aan te hoeven besteden, dan is het goed. Bomen in bakken zijn eenlingen, ze missen hun gemeenschap. Dat evenementenmensen weinig met wortels hebben is logisch. Dat zijn snelle zaken, per definitie niet geworteld. Het komt en het gaat. “Stadsinrichters willen meer groen. Het lijkt een mooie match, maak er een bomenevenement van. Je kunt rollen met bomen als meubelstukken om te kijken hoe je het wilt hebben, in de stad van de toekomst. Dat is leuk. Maar de vraag die je dan stelt is: “Wat willen wij”. Dat is volgens mij toch heel wat anders als: “Wat kan de boom mij vertellen.”

Hoe bruisend het ook kan worden, ik zie er geen bodem in, als gewortelde nomade. Ik zou er eerder hyper van worden, elke dag wat anders. Bomen in bakken, twaalfhonderd nog wel. Al dat geld voor die eenzame bomen rollend door de stad, dat besteed ik liever aan iets anders. Ik zou het verspreiden over een nog langere periode. Met een speciaal aanvullend programma voor scholen bijvoorbeeld. Natuurouders en kinderen verbinden met kunstenaars. En niet alleen kunstenaars met naam uitnodigen, maar vooral ook buitenlandse inheemse activisten. Zij wagen hun leven om het regenwoud te beschermen. Ze zien familieleden sterven door de afbraak van hun land, de toenemende ziektes, de terloorgang van natuurlijk medicijn. Denken aan bomen is voor hen geen evenement, maar puur overleven. Die mensen eens te zien en te kunnen spreken, dat zou mij als activistisch kunstenaar pas werkelijk beroeren en inspireren. Ik denk al zo lang aan ze! Waarom worden ze steeds vergeten? Zij staan aan de heetste vuren van deze tijd! Zij zouden ons kunnen leren hoe we werkelijk naar bomen kunnen luisteren.

.

PS: Ik las later, dat een oude studiegenoot van mij zorgt voor een verdiepend kinderprogramma. Dat is mooi. Nu de inheemse activisten nog.

Nederlands:

Engels:

NACHTLAND VAN VERDWENEN DIERBAREN . . . Nightland of lost loved ones

.

Ik denk niet alleen aan mijn verloren lief, met wie ik verbonden was door de aarde. Ik denk ook aan alle inheemse mensen die zich inzetten voor hun land en daarbij het leven moesten verliezen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.


Rather listen? Click on the button down under the text.

.

Herinneringen van de nacht kunnen net zo helder zijn als die van de dag. In sommige tijden zijn ze zelfs sterker, alsof ze bedoeld zijn om draagkracht te creëren en inzicht. Zo heb ik haarscherpe herinneringen aan de jaren na de dood van mijn man. Soms zijn ze weer heel dichtbij, die herinneringen. Zoals nu. Mijn venster kijkt uit op de Friese weiden. Ik heb zojuist de luiken geopend en de wereld opent zich opnieuw. Stil sta ik te staan en denk nergens aan. De horizon is in mist gehuld. Ik staar ernaar, en vermoed een werkelijkheid achter de werkelijkheid, die zich daar verbergt. En als de zon dan komt, heel teder, zie ik het. Het schemerlicht aan de horizon schijnt op een andere plek, die toch dezelfde is als de wereld waar ik in leef. Het grenst aan de wereld van de nacht, de herinneringen van toen. Op zulke dagen zie ik hem weer.

Mijn man was hij. Ik leefde met hem samen in een eeuwenoud huis, half onder de grond verborgen. Het huis stond op de grens van water en aarde. Aarde bond ons samen, de liefde ervoor en voor de trage snelheid die het water ons bood. Hand in hand liepen wij en met ons scheepje voeren we langs grachten en rivieren, als zilveren aderen door de tijd. Hij verliet mij, op een dag was hij er niet meer. Maar in mijn dromen zie ik soms de mist breken, en kan ik een glimp opvangen van zijn wereld, heel ergens anders. Soms is het ver, maar soms toch dichtbij. Op één of andere manier.

Ik sta voor het raam. Vandaag hoef ik niks meer. De mensen met hun drukte zijn verdwenen, de herinneringen aan talloze terloopse opmerkingen en gesprekken spoelen weg. Ik volg het ritueel van de dag en loop naar het water van de Swette. Ik dompel mezelf in de kou en kijk vlak boven het water uit naar daar, waar het om de bocht verdwijnt. De wind breekt de spiegel in kleine oplichtende rimpels. De laatste gedachte aan een drukke week laat ik gaan. Het drijft weg in de stroom. Ik droog me af en kleed me aan. Opnieuw sta ik voor het raam en kijk naar de horizon. Ik zie hoe de sluier breekt, even maar, die eeuwige mist die onze werelden scheidt. En daar is hij, zachtjes koerst hij door krekenland. Hier, waar de zee ooit vloeide en zijn handtekening zette in het zand op talloze manieren. Rustig gaat hij voort, mijn man, omringd door de zilveren aderen die het land doorkruisen. Er zijn zachte glooiingen, kreekruggen die het water begeleiden. Het is of de zon zachter schijnt, en een oude wereld blootlegt. Even zie ik hem, een gunst van het Al, voor de magische sluier zich opnieuw sluit. Door mijn raam zie ik de kreken verdwijnen, de glooiingen vervlakken. Het licht wordt zakelijk en grijs met rechte sloten en uitgestrekte grasvelden. De zon verdwijnt in een steeds grijzer wordende mist. Ik steek de kachel aan. De warmte en het licht van het vuur reflecteert wat ik net heb gezien. Het kruipt diep in mijn spieren en botten. Ik koester het. Het land zit in onszelf.

.

.

De verborgen kreek spreekt

Als kreek ben ik al jaren dicht
levend in de bodem
elke lente stik ik weer
in de drang naar lucht en licht

Mijn bedding en het water
de gele plomp en zwanebloem
kattestaart en waterlelies
de mensen, ja die kwamen later

Ik herinner mij nog alle dagen
de boer die mij toen onderhield
met ferme hand mij steeds bevrijdde
van de brede rietkragen

de zeis die scherp geslepen was
om het verste riet te oogsten
Ik herinner me mijn water
zo helder als een spiegelglas

De bochten waar het ooit eens golfde
voor overheden zaken kozen
onrendabel doorgekrast
met zware grond die mij bedolfde

Wat verlang ik naar de stroom
de bedding die mijn ziel vertolkt
Het zand dat schuurde langs de kant
de droom die ik al zolang droom

Waar zijn de handen van weleer
eeltig, ruw, bedreven
De wielen die nu langs mij rijden
die begrijp ik nu niet meer

Ik ben maar een verborgen kreek
elke dag droom ik opnieuw
van zonlicht en van rimpelingen
de stroom die langs mij streek

.

Nederlands

.

English

.

.

NACHTVERKEER . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Nighttraffic

.

.

Ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Liever luisteren? Klik op de eerste knop onderaan de pagina.

. . . . If you want to listen to the English version, press the second button at the bottom of the text.

.

Het is een onrustige nacht en ik lig wakker in mijn hangmat. De maan is bijna vol. Ik zie hem nog net door het dakraam. Hij verdwijnt achter een wolk, komt weer tevoorschijn en zet de kamer in een blauw licht. Er is geen wind en ik hoor alweer het eerste verkeer op de grote weg die naar Leeuwarden leidt. Die ligt ongeveer vijfhonderd meter achter de Swette. Een onophoudelijke bromtoon maakt het bestaan van de weg meer dan duidelijk. Het wegdek is nat van de motregen en dat maakt het nog erger. Het lijkt veel dichterbij dan anders.

Mijn ouderlijk huis staat op een soortgelijke plek. Eerst is er het kanaal en daarachter de grote weg. De Friese Weg heette hij, maar dat was voor de vierbaansweg werd aangelegd. Toen verloor hij zijn naam en kreeg een nummer met een A ervoor, zoals alles wat groter wordt een nummer krijgt. Mijn moeder was een opgewekte vrouw. Maar ’s nachts lag ze vaak wakker. Als de wind uit de verkeerde hoek kwam, dan hoorde ze het suizen van het verkeer. “Ik voel me dan zo eenzaam”, zei ze eens “Al die anonieme mensen in die auto’s, daar in het donker…” Het zijn er steeds meer geworden. De auto maakt ons vreemden voor elkaar. Het is een merkwaardig ding. Hoewel elke auto vier zitplaatsen heeft, zitten veel mensen in hun eentje in die capsule. De motor draait op benzine of diesel, brandstof die schijnbaar onuitputtelijk beschikbaar is. Niemand weet waar het vandaan komt. Je tankt en kan weer verder. De olie die de aarde sinds het oer bewaarde, verdwijnt als uitlaatgassen de lucht in. En ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is grietje-en-janky-van-diermen-1.jpg
Mijn moeder en haar oudere zus, omstreeks 1936.

.

De elektrische auto kan dan wel schoner zijn, maar verder verandert er niet veel. Het is even anoniem. En nog steeds weet niemand hoe hij gemaakt is en waar de grondstoffen vandaan komen. Ik weet het nu. Nog lang niet alles, maar wat ik weet zegt mij genoeg. In het Noorden van Chili en Argentinië wordt lithium gewonnen. Dat is voor de accu van die schone auto. Fijn. Maar daar in Chili, daar houden mensen hun hart vast. De winning ervan laat een dode uitgedroogde zoutvlakte achter. Vlak ernaast ligt een heel bijzonder natuurgebied. Er is geen buffer tussen. Hier en daar is de grens al overschreden. De mensen die er wonen verdienen er niks aan. Maar ze zien wel hoe hun wereld verdwijnt. En dat van de dieren, die er woonden. Ze zien de flamingo die wegvliegt. Ze blijven kijken, maar hij komt niet terug. Dat weten wij allemaal niet. Mijn buurvrouw is heel blij en trots dat ze nu duurzaam op de weg kan rijden. Maar in Chili pikken de mensen het niet meer. Er verandert iets. Een groep van 144 Chilenen werkt aan een nieuwe grondwet. Er is grote weerstand tegen de plundering van die grondstoffen, zonder maat. En dat terwijl de ongelijkheid alleen maar groeit. Dit kan niet langer zo.

Ik denk aan de elektrische mover waar ik drie maanden mijn huis mee rondgetrokken heb. Nog steeds denken mensen dat ik straks weer verder ga. Maar die gedachte heb ik definitief achter me gelaten. Ik weet teveel. Ik zie die Chilenen voor me, op de grens van die troosteloze vlakte. Nee, ik hoef niet een steeds betere high tech accu, met nog meer lithium en kobalt erin. Waarom zou ik? Ik hoef niet weg. Ik leef simpel en ben blij met deze plek en met de mensen. Ik ben blij dat ik hier een thuis gevonden heb, op deze bodem van Friesland. Dat Dick er is. En Ege en Jeroen. En dat ik straks weer bomen mag planten van boer Jochum. Wel driehonderd! Ik grijns in het schemerdonker, en trek het dekbed omhoog tot aan mijn oren. Het plafond omvat mij als een buik. De maan komt achter een wolk vandaan en schijnt helder door de lange streep van het dakraam. De snelweg in de verte maakt steeds meer lawaai. Maar mijn hart is zacht en tevreden. Ik denk aan mijn moeder, die wakker lag, toen ze nog leefde. “Maak je geen zorgen mam” zeg ik zachtjes “Alles is okee. We maken er wat moois van. Gewoon waar we zijn en nergens anders.” Ik doe mijn ogen dicht en zie haar gezicht voor me. Even later weet ik niks meer.

.

.

.

De Nederlandse versie

The English version

.

Enkele bronnen:

https://indianexpress.com/article/world/chile-constitution-confronting-climate-change-mining-companies-ecological-emergency-lithum-mining-7695748/

https://www.mo.be/reportage/wat-chili-vandaag-gebeurt-moet-een-waarschuwing-zijn-aan-ieder-land-de-wereld-dat-nog-meer/

https://www.ou.nl/-/grondwet-chili

https://www.mo.be/analyse/bolivia-sleutelt-aan-de-korte-keten/

.

.

.

.

Hoe razendsnelle anonimiteit kan leiden tot totale vervreemding. Het is niets minder dan “Koyaanisqatsi”, een begrip van de hopi indianen. Het betekent: Onbalans, een leven in gekte, een toestand die vraagt om verandering.

.

.

.

.

Aardgenoten!

.

.

Korte nieuwjaarstoespraak van Alowieke

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

.

Aardgenoten,

Een nieuw lichtjaar is gekomen. De zon heeft zich gewend en de dagen lengen. Blijft u vooral vermenigvuldigen, vissen in de zee, kreeften op de bodem van de grachten en dieren van wie niemand weet. Beter water is op komst. Verheugt u ook in een betere bodem, gij pieren, kevers, springstaartjes. Ringmussen, blijf dansen in de lucht eet van het zaad dat rijkelijk zal groeien. Ganzen mogen gakkend overvliegen om te grazen in het land en te broeden aan verre kusten. Ik wil me verontschuldigen voor het vuurwerk, met nieuwjaar.

Het wordt een jaar dat alles mag blijven liggen. Alle mensen houden op met druk doen. Er wordt minder gereisd, meer tijd besteed aan de grond onder de voeten. Het zand in de zee mag blijven liggen en er varen bijna geen containerschepen. Ouders en jonge meiden maken weer zelf hun kleren en kinderen zullen tijd krijgen om samen zandtaartjes te bakken in de tuin. We zullen meer zaaien en minder graven, meer wandelen en minder leidingen leggen, meer genieten van weinig. Kleine mensen bouwen zandkastelen. Ze zien hoe de zee, de aarde en de wind alles weer mee neemt. Grote mensen zien het ook en zullen bescheiden worden. Ze bouwen alleen nog maar kleine huizen van hennep en leem. Er komt geen uitbreiding van wegen meer. Nieuwe bruggen hoeven ook niet, in het vervolg doen we alles per pont, lopend en op de fiets. De schipper krijgt een zoen van elke blije griet en een grijns van de buurman die eindelijk weer stromend water ziet. Vrienden nemen de tijd om samen naar de overkant te kijken, zonder er heen te hoeven. Het gras zal niet alleen maar groen zijn. Het zal overal bloeien van bloemen en kruiden en het zal fladderen en zoemen van vlinders en bijen. De regen zal zacht en groeizaam neervallen en de hele aarde zal zich hullen in een nieuw kleed van leven, dat iedereen zacht en tevreden maakt.

Een gelukkig nieuwjaar.

.

.

.

..

.

De man voor mijn raam

.

Ze beschermen de machtigste bossen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Voor mijn raam staat een man. Zijn haar is zwart, zijn huid is iets donkerder dan de mijne. Hij staat er al twee nachten. ’s Ochtends om half vijf wordt ik wakker en hij staat er nog steeds. Ik klim de hangmat uit, doe de deur open en ga naar buiten. Het is koud maar het waait niet. Maar de man is weg. Of zie ik hem toch staan daar, tussen de bomen? Hoe dan ook, hij blijft in mijn gedachten. Die man, dat is Davi Yanomami. In mijn verbeelding staat hij voor mijn raam en roept me. Hij is een sjamaan in Brazilië. Ze noemen hem Kopenawa, hoornaar, omdat hij zo strijdvaardig is. Hij vocht en vecht nog steeds. In 1985 begon de strijd voor de landrechten van zijn volk. Vier jaar later won hij de UN Global 500, als erkenning voor zijn strijd voor het regenwoud. In 1992 werd het gebied van de Yanomami eindelijk erkend door Brazilië. Het is meer dan 9,2 miljoen hectare groot, en er wonen 20.000 Yanomami.

Het land is een paradijs. Er leven tal van diersoorten en er groeien planten die je nergens anders meer vindt. Zelfs natuurparken halen het niet bij de diversiteit die er in hun gebied te vinden is. Zij leven allemaal samen in een “shabanos”, hun grote ronde huis. Sommige Westerlingen denken dat die manier van leven al honderden jaren geleden is uitgestorven. Al is het land van de Yanomami erkend in 1992, daarmee is de erkenning van hun bestaan helaas nog niet compleet. Onder president Lulu hadden ze het goed, hij beschermde hun rechten. Tot het moment dat er iets helemaal verkeerd ging. Er werd een grote oliebron gevonden in het land. Multinationals doken er meteen boven op. “Prima dat jullie komen helpen met oppompen”, zei Lulu “Maar de inkomsten zijn van ons.” Lulu wil tegelijkertijd alternatieve energiebronnen ontwikkelen en goed onderwijs in zijn land en gezondheidszorg. Dat geld kon goed gebruikt worden. Er kwam echter niks van terecht. Een slimme jurist hielp de hebberige zakenlui en wist Lulu in de gevangenis te krijgen op valse gronden. Bolsonaro kwam aan de macht en zijn invloed was desastreus. Hij trok zich niks aan van landrechten. De houthakkers en mijnbouwers konden hun gang gaan. Die inheemse mensen, die zijn alleen maar lastig, vindt hij. En die bomen van het Amazonegebied, die staan ook in de weg. De beste bomen zijn verhandelde bomen, zodat er ruimte komt voor mijnbouw en grote velden soja. De strijdlustige hoornaar staat nu machteloos aan de kant. Hij ziet hoe zijn volk ziek wordt, hoe het land in een gapend gat verandert dat steeds groter wordt. Hij wil het niet. Hij wil niet kwaad worden, maar hij kan niet anders.

Hij staat voor mijn raam. Ik heb het goed hier in mijn huisje. Ik weet dat ook ons land opnieuw moet worden hersteld, dat we moeten zorgen voor meer diversiteit. Maar hun zorgen zijn vele malen groter dan de mijne. Wat hen wanhopig maakt, bezwaart mij net zo goed. Want zij beschermen de machtigste longen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

De volgende dag krijg ik bericht van een vriend. Of ik mijn naam wil zetten onder de politieke werkgroep, waar ik tien jaar geleden mee naar Den Haag ging. Ik staar uit het raam. . Politiek, dat is niet echt mijn ding. Maar dan denk ik aan de man, de man die voor het raam stond. En met hem tal van andere stamhoofden, sjamanen, lokale leiders en kleine boeren, die vechten voor gezond land, een gezonde aarde en voor hun volk. “Ja”, zeg ik. “Ik doe mee”.

.

Nawoord:

Lulu is dit jaar in maart vrij gekomen. De beschuldigingen waren onterecht. Volgend jaar zijn er nieuwe verkiezingen. Ik hoop dat hij wint en dat hij het land en de mensen opnieuw bescherming geeft. Ik hoop ook dat hij een streep zet door het Mercosurverdrag met Europa. Daarvoor strijdt ook onze werkgroep: “Klimaatrechtvaardigheid en voedselsouvereiniteit”. We hebben een petitie, die naar de tweede kamer gaat en de nodige ministeries. (Zie hieronder). Zulke handelsverdragen zorgen voor nóg meer houtkap en eindeloze soja-akkers. Ook voor onze eigen boeren is die concurrentie een ramp. Je kunt meer erover horen bij Zembla. Kijk bij zembla/artikelen/bord-vol-ontbossing.

Meer over de Yanomami: https://www.survivalinternational.org/tribes/yanomami

.

.

.

.

Het bewaken van de brede rietkraag

De laatste hazen op het land

.

Ik had zelf een haas willen fotograferen, maar ik heb er geen één meer gezien, hoe vaak ik ook uit het raam kijk. Dus dit is een uitgeknipt exemplaar, van een oude vintagekaart. Het spijt me!

.

Ik heb grond nodig, om me betrokken te voelen. Zorg voor het land verbindt ons. Ik weet dat ik op aarde te gast ben om die zorg ook te dragen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Vijf mannen jagen op de laatste paar hazen. Ik ontdek het, wanneer ze net precies langs de overkant van de sloot lopen, vlak langs mijn huisje. Als ze me zien nemen ze meer afstand. Goed zo. Ik blijf staan kijken terwijl ze een schot lossen. In één keer raak. Een man pakt het dier bij de achterpoten en loopt verder. Ik kijk hem na. Ik zie hem nog eens omkijken in mijn richting. Hee, een nieuwe bewoner. Die hebben we hier nog niet gezien. Ik denk hetzelfde. Ik heb de jagers hier ook nooit gezien. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mag dit wel? Dan hoor ik wat aankomen. Ik kijk om. Op het pad rijdt een auto. Hij is van mijn buurman. Ik steek mijn hand op en hij stopt. Hij draait zijn raampje open en we praten er over. We zijn het eens. Jagen als er een plaag is, okee, maar ze staan op de rode lijst. Mijn buurman denkt dat ze inmiddels beschermd zijn. “Nee”, zeg ik “Nog altijd niet. Maar..” Voor ik mijn zin af kan maken, komt er vanuit het niets een haas langs ons heen scheren. Gillend van angst rent hij de bocht om, onder de haag van wilgenbomen door, achter mijn huisje langs. Een vuilgele hond zit hem achterna, kwijlend van jachtdrift. Hij is nog maar drie meter van hem verwijderd. Grommend als een beer schiet ik toe. Ik hol hem achterna, het hele veld over en zwaai breed met mijn armen. De hond taait af, schichtig omkijkend naar dat woeste vrouwbeest. De buurman maakt het af. Met zijn auto zit hij de hond op de hielen, tot het begin van Jochumsreed.

Wat ontdaan loop ik even later het veld af. In de verte lopen de jagers, richting de sloot die naar Bears loopt. Ze lopen evenwijdig aan het land van Jochum. Dat is een lang smal stuk, van acht hectare, vlak langs de Swette. Ik zie nu dat ze niet één, maar drie honden hebben. Die kunnen met elkaar een drijfjacht houden, de hazen achterna het riet in. Oppassen! Ik loop gelijk met de jagers op, zo’n honderd meter van ze af. Ik zie dat ze naar me kijken. Vlak bij de Bearservaart blijft het groepje staan. Ik weet dat hier de meeste dieren zitten. Het is het verst van de weg, en er komen zelden mensen. Er is aan twee kanten water. In die dooie hoek, tussen het riet, kunnen dieren echt tot rust komen. Daarom voelt het voor mij des te meer als heiligschennis. De jagers hebben al zoveel hectare, laat dit hoekje dan met rust! Gelukkig heb ik een zwart leren jas aan. Dat oogt stevig en stoer. De honden staan rustig naast hun bazen. De vuilgele hond kijkt mijn kant op, de kop in de nek, alsof hij me ruikt.

Ik denk aan de Yanomami indianen in Brazilië. Hoe zij de grenzen van hun land bewaken, zoals ik nu doe. Ik stel me voor hoe ze kijken naar die mannen. Ook daar hebben ze geweren. Met één verschil, die kogels zijn voor hen gevaarlijker dan voor mij. Activisten verdedigen hun leefgebied, de planten en de dierenwereld. Meerderen zijn gesneuveld. Via onze bodem zijn wij met dat net verbonden. Zelfs al woon ik duizenden kilometers verderop.

De mannen kijken nog even mijn kant op en draaien zich om. Ze lopen steeds verder van Jochums land vandaan. Een enkel schot klinkt nog luid over de vlakte. Ik zie een haas de goede kant op rennen, naar ons stuk. Hij schiet de brede rietkraag in, die langs de Swette loopt. Die te bewaken, dat is mijn doel. Ik tuur naar de handen van de jagers. Hebben ze nog meer gevangen? Het lijkt van niet. Maar ze zijn al ver weg en ik weet het niet zeker. Verder lopen ze. De mist in, met hun geweren. Even later tref ik boer Jochum in de deuropening van zijn schuur. Ik vraag hoe het zit. Mag dit hier, jagen? Zijn antwoord is duidelijk. “Ik heb dit jaar de vergunning opgezegd. Ze mogen niet meer op mijn land komen. Het gaat slecht met de hazen. Niet door de jacht, maar door de agrarische monocultuur. En om nou voor de sport die laatste hazen te laten schieten, dat is mij te bar.” Hij praat erover zonder zich op te winden. Zijn leven lang al komen er jagers, hij is het gewend. “Ze zouden maar één keer komen, zeiden ze.” Ik zucht opgelucht. Terwijl ik terugloop denk ik aan de Yanomami. En aan alle anderen die geworteld zijn op grond, die deel uitmaakt van hun identiteit. Ze maken zich sterk en niet alleen voor zichzelf. Het gaat om veel meer. Is het genoeg? Al die mensen, hoe sterk zijn wij, met elkaar? Hoe sterk, en hoe verbonden?

.

De jagers die hier komen, beweren dat de populatie niet veel verandert, ze vangen elke herfst evenveel hazen, zeggen ze. Maar hazen, en ook konijnen, staan op de rode lijst. Toch mochten de jagers dit jaar weer jagen. Het gaat nu heel hard achteruit. Vergelijk het met een worst. Je kan er steeds een stuk afsnijden en zeggen dat er niet heel veel veranderd is, ten opzichte van vorig jaar.

In de politiek is er al jaren gesteggel over het wel of niet verbieden van de jacht. In 2013 was er bijna een verbod gekomen voor plezierjacht, maar dat ging niet door omdat de PvdA het toch weer uit zijn verkiezingsprogramma haalde. Nu is de tweede kamer vóór een verbod op het schieten van specifiek hazen en konijnen. Meerdere mensen vinden dat niet wijs. De hele plezierjacht moet stoppen, anders wordt het volgende dier de klos, zoals de wilde eend. Die mogen ze nog wel schieten. De traditie van de jacht al eeuwenoud en een eventueel verbod is een emotioneel beladen onderwerp.

.

Maar eh….. Kunnen ze niet op muggen gaan schieten? Of muizen? Daarvan hebben we regelmatig teveel!.

.

.

.

Bij een drijfjacht zit er voor de hijgende haas niks anders op dan de sprong het water in. Een passant uit Sneek zag ze, bij een andere gelegenheid. De één na de ander maakte een noodsprong. Het was een rotdag, zei hij. Dat begrijp ik. Er zullen er vast hazen verdrinken zonder dat iemand er acht op slaat.

.

Artikel uit de Leeuwarder Courant, 26 dec 2021. Dit gebeurde niet ver hier vandaan, bij kennissen van ons.