Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet, die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest. Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap ook. De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert. De nietsontziende drang naar dure grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:
Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin of de kat die de kolder in z’n kop krijgt
zoals brede rivieren met een kleine bron verscholen in het woud
zoals een vuurzee met dezelfde lucifer die de sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik een aanraking iets dat je opvalt in een stem
jezelf een vraag stellen daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.
Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin. Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.
“Zou je me nog één keer kunnen vertellen wat het nou precies voor je betekent?” Ik moest haar vraag laten bezinken. Er kwam een gedicht uit voort.
.
.
Klik hier beneden voor de luisterversie.
En dan is er het moment dat ik moet vertellen waar het mij om gaat. Ze vroeg het me, een Friese vrouw. Ik was door haar gevraagd voor Nacht van de Nacht, om een verhaal te laten horen. Het werd verteltheater zonder vaste tekst, en ik noemde het “Landen”. Het gaat over mij, maar vooral gaat het over de Ander. Een inheemse man in de Amazone. Ik wilde mijn verhaal verbinden met dat van hem. Het op weg gaan, het niet-weten waar mijn nieuwe thuis is, het gevoel van eenzaamheid dat mij soms overviel, wilde ik vergelijken met het veel grotere ontheemd zijn, wat hem en zijn stamgenoten constant bedreigt. Daarom noemde ik het “Landen.” Door te landen verbinden we ons met de ander en met de aarde. Maken we ons thuis en maken we vrede. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik weet niet of het gelukt is. Ik heb het ze niet gevraagd.
Na afloop vroeg de organisator me (diezelfde vrouw): “Zou je me nog één keer een korte tekst op kunnen sturen over wat “Landen!” nou precies voor je betekent?” Ik moest het laten bezinken.
Ik deed het. Er kwam dit gedicht uit voort.
Landen!
Ergens is het misgegaan waar mannen machines wrochtten zich almaar verder verheven vochten en boven de aarde gingen staan
Ergens keert de hoop weerom waar handen eendrachtig humus maken en via de Aarde elkander raken zaaien, planten, met zachte trom
Ergens is het misgegaan waar mensen zichzelf bekroonden en de Ander met pek beloonden die hen met liefde voor wilde gaan
Ergens wil de hoop weer bloeien ergens in die aardse weelde waar ’t warme hart nog bloesems teelde die haat doet smelten, rivieren vloeien
Alles wat Is zal ons helpen Liefde zal ons boeien.
.
PS
Voor wie niet weet wat pek is: Een zwarte, brandbare vloeistof die overblijft na destillatie van houtteer. Later werd het ook van steenkool gemaakt. Als het koud is wordt het vreselijk stroperig, als het heet is kan je het gieten. Het werd gebruikt om daken en schepen waterdicht te maken. Dat laatste noemt men: “breeuwen”. Ook werd, in een ver verleden, bij oorlog brandende pek over de stadsmuur gegooid, om de vijand, die met ladders omhoog wilde klimmen, te begieten.Hoe dat is, om dat te voelen, daar ga ik nu maar niet over in detail.
.
Ergens wil de hoop weer bloeien ergens in die aardse weelde waar ’t warme hart nog bloesems teelde die haat doet smelten, rivieren vloeien
Alles wat Is zal ons helpen Liefde zal ons boeien.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan. Dan kun je ook het liedje horen, aan het einde.
.
Dick is terug, mijn vriend. Hij woont 500 meter verderop en is de hele zomer weg. De kleine woonwagen wordt dan verhuurd aan vakantiegangers. Het was voor de derde keer nu, drie-en-een-halve maand ging hij naar de Vlierhof. De Vlierhof, een leefgemeenschap, net over de Nederlandse grens bij Nijmegen. Ik haalde hem op en bleef vier dagen. Dit is een sfeerimpressie en overdenkingen daarbij.
De tafel is overvloedig gedekt, zoals elke dag. Ik schuif aan en eet heerlijke soep met verse tomaten en groenten van eigen land. “Het is weer lekker Bart!” roept iemand. Er wordt gelachen en gepraat. Elke keer als ik hier ben, heb ik het gevoel thuis te zijn. Zo vriendelijk zijn de mensen, zo belangstellend, dat ik met veel plezier mijn bijdrage lever. Ik raap noten, houd een rigoureuze wiedactie in de meest overwoekerde perken. Samen met Dick pluk ik druiven en maak er sap van. Er wordt me gevraagd een ruimte in te richten voor tweedehandskleding en dat doe ik. Dick helpt mee. Het is fijn. Alles wat er thuis niet is, vinden we hier. Het actieve leven met elkaar, de gezamenlijke maaltijden met voedsel van eigen land. Het luisteren naar de verhalen van anderen, met hun innerlijke processen. Soms loopt er iemand de hele dag te zuchten. Dat mag allemaal en er is begrip voor. Maar ’s avonds is het gedaan met het zuchten. Er wordt een vuur gemaakt. Een afscheidsvuur voor Dick. Uitbundig klinkt het gelach, dat verstomt als mijn vriend begint te vertellen. Dick zingt de eerste liedjes die hij deze maand maakte als songwriter. Ik maak opnamen en zing tweede stem. Er trommelt iemand mee. Uitbundig wordt het refrein meegezongen. En dan, als het laatste applaus voorbij is, kijk ik naar de vlammen. De gesprekken kabbelen zachtjes door en het vuur knappert. Nu ben ik nog hier. Ik weet dat ik weer terug moet, terug met Dick naar Friesland. Dat was de bedoeling. Maar eigenlijk zou ik best langer willen blijven. De gedachte speelt, maar ik bedenk me niet. De keus is al gemaakt. Want wat ik doe is niet altijd waar ik op dat moment het liefste ben. Er is meer, wat telt.
Thuis eten we gewoon met zijn tweeën. Het voedsel komt uit de biologische winkel. We volgen het nieuws en achtergronden over wat er gebeurt in de wereld. We némen de tijd met elkaar, praten erover. Hier zijn meestal geen mensen die hun innerlijke processen voorleggen op de ontbijttafel. Bij ons gaat het over de Partij van de Dieren die onenigheid heeft of het actiekoor “Meten is weten”. Het gaat over de Friese taal, de liedjes en verhalen die we schrijven en de theatervoorstelling in het kerkje van Jellum. We zijn nooit uitgepraat. Dat komt ook omdat we allebei nieuwsgierig zijn. Niet alleen naar wat er gebeurt op de wereld, maar ook wat de ander te vertellen heeft. Het leven hier is een perfecte aanvulling op het drukke gemeenschapsleven op de Vlierhof. Ja, het is fijn dat Dick er weer is. Maar soms denk ik, waarom ga ik ook niet de hele zomer naar de Vlierhof? Het geeft me de levendigheid waar ik soms naar snak. Ik kan kwaliteiten van mezelf uit de kast halen die maar al te vaak blijven liggen. Ik ben er meer dan welkom en toch doe ik het niet.
Waarom niet? Ach natuurlijk, ik weet het donders goed. Het zijn meerdere dingen. is het Verhalenpad waar ik voor zorg. Ik plant de kruiden, hak het riet. Ik zorg voor de bomen en bloemen. Ik zorg voor humus op het land en voor de wilde dieren en vogels. Maar ook is het de Swetteblom zelf, waar ik een van de stabiele figuren ben waar de boer op kan bouwen. Als dat niet meer nodig was, dan ging ik wellicht vaker weg. Maar het is wél nodig. Op de boerderij gaat het ook niet over rozen, net als in de rest van de wereld. Er speelt van alles, met mensen, omstandigheden en geld. Wanneer problemen zich opstapelen, dan heeft de boer aan mij een goede luisteraar. Daar kan ik makkelijk ruimte voor maken. Ik heb geen problemen en maak ze ook liever niet. Nu op mijn 58e, heb ik het meeste wel verwerkt van mijn roerige leven vol heftige gebeurtenissen. Goddank, mijn lijf is nog altijd vitaal. Ik concentreer me op wat ik doe maar ben beschikbaar voor als het moet. Ik ben hier. Hier staat mijn huis. Je komt niet voor niks aan, op een plek. Elke plek heeft mensen nodig die voor stabiliteit zorgen. Mensen, die het dragen, wortels maken. Daar zijn er nog steeds te weinig van. Mensen die het fundament willen vormen. Jij daar, ik hier. En zo is het goed.
Ik zit aan het vuur en ben blij met het afscheid voor Dick. Ik geniet van de oprechte waardering die ze voor hem hebben. Voor zijn rust en positiviteit. Hij is als een gestage motor, zonder op te vallen doet hij veel. Hij verdient het om in het zonnetje te worden gezet. Maar ook voor mij is het een beetje een beloning. Deze samenkomst geeft me wat ik thuis vaak heb gemist. De sfeer is warm en feestelijk. We doen het met elkaar. Dit mee te maken, al is het maar heel soms, dat doet me wat. Dus dank jullie wel, mensen van de Vlierhof! Ook van mij!
Misschien zouden we dat nog veel vaker moeten doen. Elkaar bedanken. Alles bedanken. Het is een motor.
Liedje:
Ik dank voor het water en de gouden zon Ik klap voor het geklater in de volle regenton
Ik zing voor de wind die in de schoorsteen waait de warmte die ons bindt Mmmm mmmm, het vuur dat lachend
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Ik ben altijd blij als het regenachtig weer is. Af en toe een bui, mooie wolkenluchten, niet te warm, het is dan zo heerlijk buiten! Het is vreemd dat er niet meer mensen van genieten. Dat vindt Chief Dadá ook. Hij is een van de opperhoofden die zijn leven waagt voor het Amazonewoud.Vorig jaar was hij in Nederland.
“Nederlander, ga naar buiten als het regent.”zegt hij. “Waarom ga je alleen naar buiten als de zon schijnt? Mensen die zich niet verbonden voelen met de natuur moeten beseffen dat ook zij schade berokkenen aan het klimaat en de teloorgang van de bossen. Het is om geld, dat er wordt gekapt. Geld, dat illegaliteit oproept. Geld zou geen prioriteit moeten zijn, geef juist meer liefde. Het leven komt eerste, en dat zit in de rivieren, in de bomen en in de aarde.” Dat is wat hij zei. Het zijn maar een paar zinnen. Om ze te doorleven is er meer nodig. Doorbreken van gewoontes.
Het is ook belangrijk om de elementen te voelen. De wind om je hoofd. Het gras onder de voeten. Soms word je nat, soms is het droog. Gisteren was ik in Zwolle, met mijn vriend Dick. We hebben elkaar daar ontmoet. De zon scheen.
Ik lig op het gras in een park, met Dick naast me. Een heel klein park is het, met een grote fontein in het midden van wel honderdvijftig jaar oud. Hij is opgedragen aan een burgemeester die kennelijk indruk heeft gemaakt. We liggen op onze rug en mijn vingers aaien de grassprietjes. We staren naar de toppen van de bomen in de wind en luisteren naar het geluid van stromend water. De grond is wat vochtig, mijn jas ligt uitgespreid onder me. Slaperig pak ik Dick zijn hand. Ik voel mijn voeten van het lange lopen, door de stad. Nu, zonder al die winkels met oneindig veel spullen om ons heen, voel ik me dichter bij. Dichter bij de aarde, dichter bij Dick en de stemmen die in de verte langs ons heen gaan. Het water in de fontein stroomt maar door. Stil liggen we te kijken en laten ons vermoeide lijf rusten op de altijd geduldige aarde. Dan geef ik hem een zoen en sta op. “Ik wil een wens doen bij de fontein,” zeg ik prompt en loop erheen. Dick volgt me. Ik haal mijn portemonnee uit mijn zak. “Je moet er geld in gooien en dan hardop wensen,” zeg ik. “Een wens voor iemand anders, niet alleen voor jezelf.” Dick diept als eerste een muntje uit zijn broekzak. Het valt als een dikke regendruppel in het bassin. “Wereldvrede,” zegt hij en dan is het even stil. ”Zou tien cent wel genoeg zijn voor wereldvrede?” vraagt hij aarzelend. Ik knik van ja en ondertussen pak ik de kleinste munt die heb. Geld is niet belangrijk. Het gaat om de intentie. Ik kijk naar de fontein. Het onderste bassin is het grootste. Daarboven zijn nog een paar kleinere. Het water stroomt van de één in de ander. Ik gooi mijn muntje in een van de bovenste, kleinere kommen. Met een harde tik raakt het de naam van de burgemeester die er boven staat. Dan ploept hij in het water en zinkt. “Ik wens dat alle inheemse mensen hun land terugkrijgen,” zeg ik vastbesloten. Dick knikt. “Dat gaat vast goed komen”.
Hand in hand lopen we het park uit. Nog even, voor de dag voorbij is en onze wegen scheiden. Morgen gaat het regenen. Zachte druppels op de aarde. Goed voor de paddestoelen en de schimmels. We lopen verder. Onze voeten maken een pad, met elke wens die we doen. Als sporen van funghi op vochtige aarde. Ver kunnen ze vliegen, die sporen, heel ver door de lucht. Alleen gedachten, die reiken verder. Gedachten aan de ander, aan hun wouden, hun thuis. Ik denk aan ze, met liefde.
(Beluister ook het liedje, door hieronder op de knop te drukken.)
I am always happy when the weather is rainy. Occasionally a shower, beautiful cloudy skies, not too hot, it’s so wonderful outside! It’s strange that not many people enjoy it. Chief Dada thinks so too. He is one of the chiefs who risks his life for the Amazon forest. Last year he was in the Netherlands.
“Dutchman, go outside when it rains,” he says. Why do you only go out when the sun is shining? People who do not feel connected to nature should realize that they too are causing damage to the climate and the loss of forests. It is for money that it is cut down. Money that creates illegality. Money should not be a priority, give more love. Life comes first, and that is in the rivers, in the trees and in the earth.” That’s what he said, in just a few sentences. It takes more to live through them. Breaking habits.
It is also important to feel the elements. The wind around your head. The grass under your feet. Sometimes you get wet, sometimes it’s dry. Yesterday I was in Zwolle with my friend Dick. We met there. The sun was shining.
I’m lying on the grass in a park, with him next to me. It is a very small park, with a large fountain in the middle that is one hundred and fifty years old. It is dedicated to a mayor who has apparently made impression to the people. We lie on our backs and my fingers stroke the blades of grass. We stare at the tops of the trees in the wind and listen to the sound of running water. The ground is a bit damp, my coat is spread out beneath me. Sleepily I grab Dick’s hand. I feel my feet from the long walk through the city. Now, without all those shops with endless stuff around us, I feel closer. Closer to the earth, closer to Dick and the voices that pass us in the distance. The water in the fountain keeps flowing. We lie still and watch and let our weak bodies rest on the always patient earth. Then I kiss him and get up. “I want to make a wish at the fountain,” I say promptly and walk over. Dick follows me. I take my wallet out of my pocket. “You have to put money in and then wish out loud,” I say. “A wish for someone else, not just for yourself.” Dick is the first to dig a coin out of his pocket. It falls like a thick raindrop into the basin. “World peace,” he says and then there is a moment of silence. “Would ten cents be enough for world peace?” he asks hesitantly. I nod yes and meanwhile I take the smallest coin I have. Money is not important. It’s about the intention. I look at the fountain. The lower basin is the largest. Above that are a few smaller ones. The water flows from one to the other. I toss my coin into one of the upper, smaller bowls. With a loud tap it hits the mayor’s name above it. Then he plops into the water and sinks. “I wish all indigenous people to get their land back,” I say firmly. Dick nods. “I’m sure it will be fine”.
We walk out of the park hand in hand. It is just a little while, before the day is over and our ways part. It’s going to rain tomorrow. Gentle drops on the earth. Good for mushrooms and funghi. We walk on. Our feet make a path, with every wish we make. Like spores of funghi on moist soil. They can fly far, those spores, very far through the air. Only thoughts, they reach further. Thoughts of the other, of their forests, their home. I think of them with love.
Het is als een muziekstuk met talloze partijen. Sommige ervan speel ik, anderen volbrengen de rest.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Ik sta voor de zoveelste keer in de kas te kijken. Van de bloemkolen zijn er maar drie opgekomen. Waarom? De maand maart was donker. Misschien is het zaad verrot in de te natte bakjes. Ik ben niet de baas, als het niet mee zit doe je er niks aan. Dat willen mensen graag. Dat de natuur zich aan hun wensen voegt. Tot in de puntjes. Het opkweken van voedsel is daarvan het meest extreme voorbeeld. Ik ben pas laat begonnen met zaadjes in bakjes stoppen. Plantjes die zo kwetsbaar en afhankelijk zijn, daar moet ik aan wennen. Maar ook dat er een doel is. Het doel is bloemkolen eten. Van de honderd-en-dertig kolen zijn er maar drie opgekomen. Ben ik dan een slechte tuinierster? Nee natuurlijk niet. Want ik ben niet de baas over ze. Die zaadjes hebben hun eigen leven, waar ik maar een piepklein beetje van weet. Daarom heb ik dat doel “Ik wil jouw opeten” maar op de tweede plaats gezet. Veel mooier vind ik het om de natuur te volgen, dan om haar mijn wil op te leggen. Dat is een waar avontuur. Al meerdere mensen heb ik enthousiast gemaakt door tuinieren van die kant te belichten. Ik struin door de weiden en langs de wilgen. Ik trek een veldje brandnetels weg, waar paarse dovenetel zich bescheiden een weg omhoog probeert te maken. De ruimte wordt met graagte ontvangen. En dan zien hoe het paars zich uitbreidt. Elke dag weer even kijken. Ook dàt is tuinieren! Ik volg en ik grijp in. En dan laat ik het weer. Het is net een spel. Ik loop langs de rietkragen. Ik speur de oevers af van sloten en kuier door de natte greppels. Ik maak paadjes in het riet en de grote bossen die dat oplevert, stop ik in mijn fietskar. Hele bergen heb ik meegenomen en je ziet nauwelijks dat er wat weg is. Ik leg ze neer rond de perken, om de planten en het zaaigoed te beschermen. Ik vlecht het riet achter mijn huis, tot een schutting. Doordat ik er ben verandert het om mij heen. En niet omdat ik alles omploeg. Maar omdat ik kijk. Twee jaar lang was dit kleine hoekje wildernis. Maar nu grijp ik in, hier en daar. Ik trek brandnetels uit en kleefkruid. Niet alles, maar genoeg om het andere ook een kans te geven. Het look zonder look ziet nu eindelijk het luchtruim, en ook het zevenblad groet mij. Ik grijns naar ze. Groeien jullie maar lekker door. Jullie zijn sterk zat, om de brandnetel aan te kunnen. Als ik dan af en toe een paar blaadjes mag? Het lijkt me een goede ruil. Brandneteltoppen, zevenblad en look zonder look, ik eet ze graag. Waarom zou ik keihard vechten om een paar tere kropjes sla te verdedigen? Je houdt alleen maar kale grond over. Ik houd niet van kale grond. En ik heb die sla ook helemaal niet nodig, eigenlijk. Maar kool wèl… Het is mooie stevige kost, voor de winter. Daarom ben ik ze toch aan het bestuderen. Het hoeft niet meteen te lukken. Misschien duurt het wel twee jaar voor het uit mijn handen komt. Maar het begin is er. Vlak naast mijn kas staan de eerste drie miniscule koolplantjes, net uitgeplant. Je kan zien waar ze staan, want ik heb er rietstengels omheen geprikt, tegen de vogels. Het werkt goed. Ze staan er nog steeds.
Tuinieren en landschapsbeheer, het is prachtig. Het is als een muziekstuk met talloze partijen. Sommige ervan speel ik, anderen volbrengen de rest. Er zijn klinkende trompetten, tedere fluitpartijen en stemmen als nachtegalen. Ik luister en ik dien. En soms, heel soms ben ik de baas. Maar meestal niet.
Dit is mijn land hoever strekt de grond waar het zaad dat ik strooide zich spreidt in het rond Hoe meer dat ik laat, hoe meer dat het groeit, Hoe meer dat ik luister, hoe meer dat er broeit.
Ook interessant is wat de Vlamingen vinden, en het verschil tussen hun wat rommelige aanpak en de grootschalige werkwijze van de Nederlandse natuurorganisaties. Wat is beter?
Nature is like a piece of music with countless parts. Some of them I play, others accomplish the rest. (Alowieke)
Song of diversity
This is my land how far does the soil extend where the seed I sowed spreads around despite the drought The more that I let the more it grows, The more I listen the more it glows. And our brightful laughter is like the needed water
.
I always try to trace my blogs to a deeper source. This time I got my inspiration from this article, which Jeroen de Ditches connoisseur sent me, exactly when I was looking for a theme for my new story. The philosopher Eric Higgs is a Canadian environmental philosopher. He distinguishes between two ways of land restoration. The technological approach and the focal. The latter explicitly focuses on the connection between man and nature. In other words, creating committed relationships between people and ecosystems. And that is exactly what my stories are often about: https://www.naturetoday.com/nl/nl/nature-reports/message/?msg=30604
Also interesting is this story by Glenn Deliège. He is affiliated as a research fellow of the FWO at the Higher Institute for Philosophy of the KU Leuven. He is currently working on a dissertation on a philosophical interpretation of conservation practices, paying particular attention to nature conservation as meaning and to nature conservation which brings about the continuity of meanings in the lifeworld. In this article he carefully distinguishes between two archetypes of nature conservation in Flanders and the Netherlands, with a view to the question of how well they succeed in establishing that continuity. The difference between the somewhat messy bottom-up approach and the large-scale approach of the Dutch nature organizations that is directed from above. What is better? About the need for stillness in nature management: https://edepot.wur.nl/148759
Ik sta stil aan de kant, en luister naar de klok van ’t Universum, die vertrouwen tikt.
.
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.
.
Vorig jaar ben ik drie maanden door Friesland getrokken. Dat was hard werken, want ik schreef ondertussen een boek. Het plan is om nu weer te gaan reizen. Niet om een lang verhaal te schrijven en ook niet om een film te maken. Gewoon om te genieten. Want in oktober is de boekpresentatie, iets om naar uit te kijken!
Dus ik ga op reis voor mijn plezier en ontspanning. Al een paar weken bereid ik me voor.
Weggaan is altijd anders. Soms loopt het soepel als van een leien dakje. Alles helpt mee. Het is als surfen op de golven. Een ander moment waait de wind woest om de oren. Golven woelen onvoorspelbaar om je heen en het is onmogelijk om richting te kiezen. Dan lig je de halve nacht met open ogen in het donker te staren. De volgende ochtend komen er van alle kanten berichten die je afleiden van je vertrek. Alles komt tegelijk.
Zo is het nu. Ik had een datum genoemd. Vier juli zou ik gaan. Dat heb ik gezegd tegen mijn buurvrouw. Hoe kwam ik er eigenlijk bij? De vorige keer gaf het ook stress. Dat was toen SBS6 kwam filmen. Wat een gedoe was dat. Ik kon mijn doe lijst niet afmaken en vertrok gehaast omdat de regisseur me riep.
Ook nu ben ik niet nog klaar. Ik zou mijn hoofd vergeten. En als ik mijn hoofd vergeet, dan kan ik het wel schudden.
Dus: Ik spreek nooit meer een datum af. Want weggaan vraagt om een goede afstemming. Ik kan ook niet zomaar wegrijden. De diverse manoeuvres vragen om rust en aandacht. Daarvoor moet ik van te voren een plan maken. Doet mijn krik het nog? Want ik moet eerst los komen. En waar plaats ik dan de mover, in welke richting trek ik, hoeveel ruimte heb ik? Hoe vaak moet ik loskoppelen en de mover verplaatsen? Niemand kent mijn wagen en mijn elektrische trekkertje zo goed als ik. Dus dat doe ik lekker alleen.
Het waait hard. Mijn hoofd is wazig door te weinig slaap. De wagen schudt heen en weer in de Westenwind. Alles stormt vandaag. Het stormt in de lucht en in levens van vrienden en kennissen. Het stormt in de wereld. Ontelbare verhalen klotsen wild door elkaar heen. Ik weet, hoe harder het stormt, hoe belangrijker is de stilte. Ik luister naar mijn eigen kloppende hart. Ik ga nog niet weg. Niet vandaag. Ik luister. Want alleen mijn eigen hart vertelt mij het juiste moment om te gaan. Heel stil ben ik.
Wat hoor ik daar? Ik sta op en spits mijn oren. Is het de klok van het universum die mijn vertrek inluid? Nee, ik vergis me. Het is een jonge uil in de schemering, die roept. Het is zo hoog en ijl dat je het bijna niet hoort. Een volwassen uil antwoordt met een rauw geluid. Dan zwijgen ze. Rustig ga ik weer zitten en luister naar de wind. Het komt zoals het komt.
Ik had een mooi verhaal
uitgetikt in zwart op wit
Maar het is verdwenen
Een duister avontuur was het
ik was op weg naar huis gegaan
hangend in de harde wind
die ik pal van voren moest weerstaan
Ik duwde mijn zwaarbeladen fiets
langs het voortgestuwde water
de blik op het donkere pad gericht
Er was geen mens en niets
dan de verre contouren van een
stad met licht
De donkere plek waar ik naar keek
en het geel verlichte venster
kwam almaar dichterbij
Dit was de plek van de oversteek
Ik kwam en zag
Donker water, zompige oevers
Ik ploeterde met een enkele spaan
bewaarde dobberend mijn geduld
zoekend naar de andere
die verdwenen was in het tumult
terwijl ik de oever voorbij zag gaan
Omringd met water en kolkende wind
wist ik niets dan enkel dat
dan gestadig door te gaan
Vechtend, knokkend in de wind
naar het huis waar het gele raampje zat
Ik vond de verloren spaan die ik zocht
en maakte de korte overtocht
tot de boot de oever raakte
en ik tevreden het touw vastmaakte
aan de steiger.
Het verdwenen verhaal
duikt steeds weer op.
en toch altijd anders
Met tegenwind dan gloeit mijn kop
zo groeit het vertrouwen bij elke vlaag
als de wortels van de beuk in mijn binnenste.
Als het ritmische antwoord op de vitale vraag
naar een steeds meer veerkrachtig bestaan
In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. Gelukkig heb ik een wekker. Ik wind hem op en al draaiend ga ik een spannend nieuwjaar in.
.
Een bleek gezicht kijkt me aan. Het is een wintergezicht, dat mij in de spiegel aanstaart. Het haar is donker, al de door de zon gebleekte plukken zijn eraf. Op de dag van de zonnewende heb ik het geknipt, zodat het tegelijk met het nieuwe licht weer groeien kan. Wiekie gekortwiekt! Ik lach naar het bleke gezicht omlijst door haren die alle kanten opstaan. Het gezicht lacht tot mijn tevredenheid terug.
We missen het licht nu al dagen. Ik heb geleerd te leven in het donker, de jaren dat ik onder straatstenen en herenhuizen in een Utrechtse werfkelder woonde. Ik kan wachten tot de zon weer terug komt, het heerlijke moment dat de energie weer gaat stromen. Ik kan wachten, tot het wachten popelen wordt, vlak voor het voorjaar doorbreekt. Wat een feest is dat! Dat de zonnekracht stroomt door het hele lijf en overal waar het nodig is. Dat het stroomt door mijn stopcontacten, die me nu leeg en doelloos aankijken met hun zwarte oogjes.
In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. De nutteloos geworden snoeren en stekkers liggen netjes opgeborgen in de kast. Het leven verandert grondig. Ik wen er snel aan, maar tegelijkertijd besef ik hoe weinig mensen dit kennen, behalve dan misschien op een regenachtige dag in de vakantie. Het schrijven met pen en papier is soms een dromerige bezigheid. Ik kijk door het raam naar buiten, terwijl mijn gedachten als wolken door de hemel drijven. Mijn pen maakt met zwarte inkt zinnen op papier. Ik ijsbeer, want dan kan ik beter nadenken. Ik maak muziek of hang op de kop aan mijn plafond. Mijn huis lijkt op een capsule, waar de tijd lijkt stil te staan. Mijn telefoon staat bijna altijd uit, om stroom te sparen. Dus ik heb geen digitale cijfers die de tijd weergeven.
Toch staat de tijd niet helemaal stil. En dat is dankzij een prachtige nieuwe opwindbare wekker. Ik ben blij met mijn wekker. Ik moet er iets voor doen om het tikken van tijd gaande te houden. Het geeft mij veel voldoening om elke ochtend, wanneer ik uit bed kom, het degelijke tijdklokje op te winden. Ik voel het gewicht van het raderwerk, ik voel de knoppen die niet rammelen, ik luister naar het uurwerk dat strak doordraait zonder zonder speling. Het is een echte goeie, zoeen wide ik altijd al hebben.
En zo tikt mijn wekker het nieuwjaar in. Ik hoop dat het een jaar wordt waarin veel mensen hun wensen waar kunnen maken. Veel geluk iedereen en maak er wat moois van!
Mijn opwindbare tijdklok
Ik draai de tijd op gang. net zo lang tot het nieuwe jaar begint Ik draai tot de dagen lengen tot het eindeloze weiland wit is van venijnig koude vorst en de vogels hun dorst moeten lessen met sneeuw
Ik draai tot de oostenwind de hemel schoonmaakt en de zon weer schijnen gaat die groeit in warme kracht Ik draai tot de lente wordt gebracht op vleugels van de zuidenwind en dan als bloesems uit trillende knoppen knallen is het moment dat mijn reis begint.
Kom op zei de man na een slapeloze nacht en hij sprong acuut uit de veren Niet gedraald het is genoeg de hoogste tijd om het tij te keren Hij haalde zijn koperen hoorn uit het stof en klom snel in de toren Hij kuchte even voor hij blies en blies zo luid en koninklijk dat iedereen kwam om het te horen.
.
Af en toe kamperen er vrienden en kennissen op de camping. Dan staat er voor op het veld een tentje, op één van de plekken waar we de distels hebben weten weg te krijgen. Soms staat er een caravan. En nu is het een busje. Er kampeert een vrouw in en ze heet Elza. Ze heeft lang grijs glanzend haar en een rimpelloos gezicht. Haar ogen staan helder en direct, als een vrouw die aan kan pakken. Elza heeft een schoenenwinkel in de stad en wil er even uit. Ik sta net achter mijn huisje, wanneer ze aan komt lopen.
“Hallo, ik hoorde van Irma dat ik jou kan komen helpen in de tuin. Er moet meldezaad geoogst worden. Kan je me laten zien waar dat is en hoe ik het moet doen?” Dat wil ik met alle plezier en ik loop met haar mee naar het meldeveldje. “Kijk,” zeg ik, “zo doe ik dat.” Ik pak een stengel tussen duim en wijsvinger en rits het zaad er in één beweging af. “O, dat is simpel,” zegt ze. Ik zoek een emmer voor haar en ze gaat aan de slag. Een tijdje sta ik naast haar, onze handen gaan ritmisch langs de stengels en de kleine lichtgroene korrels rollen van onze handen in de emmer.
“Ik heb een halve hectare in Belgisch Limburg,” zegt ze. “Daar probeer ik een voedselbos te maken maar dat is best lastig. Ik sta midden in het bos en de zon komt pas laat over de boomtoppen heen.” Ze vertelt hoeveel er toch al groeit. Ze is er al een poos niet geweest. Niet zo handig, in de oogsttijd. Ze gaat met haar busje overal naar toe. In de winter gaat ze naar Spanje. Veel leuker dan Nederland en de Spanjaarden zijn zo lekker relaxed! Ze vertelt er enthousiast over. “Er zijn steeds meer mensen die het vrije leven opzoeken op deze manier. Ouderen en ook jongeren,” zegt ze.
Ik kijk haar aan. “Ja ik snap wel dat ze er geen zin meer in hebben om mee te doen in de mallemolen van de economie. Maar ik vind het ook wel jammer dat ze niet hier blijven. Je kan het daar wel leuker vinden, maar hier in ons land is juist zoveel te doen! Het vraagt toewijding om het weer mooi te maken. Steeds wegfladderen werkt niet.” Ik zie tussen de melde een groepje jonge bosliefjes staan en zet mijn voet zorgvuldig op een andere plek. Die kunnen de komende twee maanden nog mooi in bloei komen, paars en prachtig. Als ik zeker weet dat mijn voet goed staat, praat ik weer verder.
“Frijlân is een ambitieus project. Maar het geeft ook voldoening. Er komen hier veel mensen om te kijken hoe we het doen.” Elza kijkt me nadenkend aan. “Ja, dat mis ik wel in België. Ik doe dat helemaal in mijn eentje en mijn man interesseert het niet zo…” Ze kijkt peinzend naar de horizon.
Terwijl ik terug naar mijn huisje loop, denk ik na over dit gesprek. Zo had ik het ook kunnen doen. Ik had ook een halve hectare grond voor mezelf kunnen hebben. Dan zat ik midden in het provinciale Brabant, midden tussen akkers en bosjes in de heerlijke stilte. Maar dan was er zelden iemand die mij bezocht. Hoe anders is het op Frijlân! Het is de grootst denkbare tegenstelling. Een eigen voedselbos is leuk, en het is gaaf als je je creativiteit ongestoord kan uitleven. Maar ik doe het niet voor mezelf alleen. Daarom ben ik hier. Nu.
.
.
Dikke stromen mensen gaan dezelfde kant op. Een raadsel!