Hou vol! …. Hold on!

Leven naar de wet van wederkerigheid.

Living by the law of reciprocity.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“Wat een mooi huis heb je” zeg ik. Ik ben even binnen bij een vriendin. Het is een groot huis, althans, voor mij dan. Voor andere mensen is het gewoon een redelijk kleine stacaravan. Maar toch, er is een slaapkamer, een keuken en een werkhoek. Bovendien een fijne zithoek en een plee. Er is een ingang waar je zonder moeilijk te doen in kan. Als ik even later thuiskom, ben ik het even zat, dat kleine kamertje, waar je alleen kan schrijven, slapen, dromen en naar buiten kijken. Geen plek om schilderijen te maken. Zeker niet met olieverf, dat duurt wel drie dagen, voor het droog is. In zo’n klein huisje zit alles eronder, als dat zo lang duurt. Deze winter kocht ik drie hele mooie tubes. Precies de goeie kleuren om alle tinten te kunnen mengen. Maar ja. Waar??

Wat doe ik dan wel, behalve schilderen? Ik ben altijd buiten aan het werk. Er is dan ook enorm veel gebeurd, dit jaar. Er is een verscheidenheid aan planten gaan groeien, op diverse plekken. Het begin van het Verhalenpad is echt mooi aan het worden. Tussen de opgroeiende bomen bloeit pastinaak, lila raapzaad, en twaalfjarige luzerne. Vijf aardappels zijn uitgegroeid tot planten van wel een meter doorsnee. Nooit heb ik zulke mooie bloemen gezien, aan aardappels. Paars met wit zijn ze. Ik kijk mijn ogen uit. Werk aan de bodem loont. En er zijn meer parels bij het pad gekomen. Er is nu ook wilde appel en wilde mispel. Ik verzorg een aantal kleinblijvende walnootbomen, die op de bult staan. Ik plantte een James Grieve en een Cox, appels die ik erg lekker vind. En nog veel meer.
Maar ook mijn woonerf is veranderd, met de nieuwe kas. De zwarte constructie valt mooi weg tegen het groen. Er is een dikke stenen vloer, die houdt de warmte vast. Op regenachtige dagen is het er nog steeds goed toeven. Ik zit er soms te lezen en met een bakkie koffie. Het harde werk is niet voor niks geweest.

En toch ben ik het soms opeens zat. Had ik maar een echt huis, denk ik dan. Niet voor al die planten en beestjes, maar helemaal voor mijzelf. Dat ik breeduit en met grote passen naar mijn voordeur kan lopen, in plaats van voorzichtig tussen de jonge walnootbomen te moeten kruipen die daar opgroeien in een pot. We delen met zijn allen het kleine lapje grond, waar beschutting is. De bomen en de vogels en wat al niet meer. Voor hen kruip ik elke dag mijn huis in, heel stilletjes. Omdat ik mijn ruimte klein houdt en wil delen. We hebben allemaal beschutting nodig. Niet alleen ik. Maar soms ben ik dat zat, dat gekruip, dat gemier naar de voordeur en een kleine kamer. Had ik maar een echt huis, met een echte deur en allerlei kamers. Een riant atelier waar mijn doek kan hangen. Waar ik een aanloop kan nemen met mijn kwast. Net als Karel Appel.

Het is een bui. Een onweersbui, die komt en gaat. Soms knettert het, heel even maar. Dan is het goed om eens een paar dagen uit te rusten.
Zo gezegd zo gedaan. Op een warme dag zit ik stil in mijn koele hol. De luiken zijn gesloten. Toch is het niet donker. Het daklicht en de geopende achter en voordeuren zorgen voor licht in huis. Er waait een verkoelend briesje om mij heen. Ik zit hier goed. Ik kijk naar boven. Er zit nog iets voor het dakraam. Het donkere doek, waarmee ik ’s nachts mijn kot verduister. Een klein stukje hangt er nog voor en houdt het licht tegen. Ik trek eraan. Het doek valt en er komt een hele wolk nachtvlindertjes uit. Gauw stop ik het weer terug. Dat krijg je, als je met de bovendeuren open slaapt. Boven de geopende deurtjes hangt het markies met brede groene strepen. Ik kan er net onderdoor kijken. Ik kijk naar de kas, vlakbij me. Ik zie de bloemenpracht erachter. Allemaal dit jaar uit de grond gekomen. Wat een wonder eigenlijk. Dromerig kijk ik naar de rode papavers, die boven de kleinere bloemen uitsteken. Achter de wagen klinkt het gekwetter van mussen en jonge mezen. Terwijl daarnaar luister, komt er opeens iets aanvliegen. Zomaar onder het markies door. Het landt op mijn voet. Het is een jonge koolmees, zijn zwarte kap is nog wat grijs. Verbaasd kijk ik naar het jonge ding. Hij ziet mij niet, alleen mijn sok. Hij bestudeert hem zorgvuldig. Ik heb vanochtend kleefkruid gewied en er kleven nog steeds een paar zaadbolletjes aan. Doodstil kijk ik wat er gebeurt. Hij pikt vakkundig een zo’n piepklein bolletje van mijn sok en vliegt ermee weg. Verbaasd kijk ik naar mijn voet. Er zitten nog meer zaadjes op, maar hij komt niet meer terug. Wel gebeurt er vlak daarna iets anders. Onder het zeil bij de voordeur hoor ik gescharrel. En dan is daar ineens het winterkoninkje. Bovenop de onderdeuren zit hij rustig naar binnen te kijken. Even maar. En weg is hij weer.

Wat moet dit alles beduiden? Ik denk dat ze dit tegen me zeggen: Houd jij het maar zoals het is. Klein en bescheiden. Geef ons ruimte en respect, en heel veel stille hoekjes, vol zaad en beestjes. Hou vol! Dan zullen wij je telkens opnieuw verrassen! Ja. Dat zeggen ze. Vast en zeker.

.

.

.

Living by the law of reciprocity.

“What a beautiful house you have” I say. I’m just hanging out with a friend. It’s a big house, at least for me. For other people it’s just a fairly small mobile home. But still, there is a bedroom, a kitchen and a work area. In addition, a nice sitting area and a toilet. There is an entrance where you can enter without difficulty.

When I come home a little later, I’m just fed up with that little room where you can only write, sleep, dream and look outside. No place to make paintings. Certainly not with oil paint, which takes three days before it dries. In such a small house everything will be stained, if it takes that long. This winter I bought three very nice tubes. Just the right colors to mix all shades. But yeah. Where??

What do I do, besides painting? I am always working outside. So a lot has happened this year. A variety of plants have started to grow in various places. The beginning of the Story Path is getting really nice. Parsnip, lilac rapeseed, and twelve-year-old alfalfa bloom between the growing trees. Five potatoes have grown into plants up to a meter in diameter. Never have I seen such beautiful flowers on potatoes. They are purple and white. I am astonished. Work on the soil pays off. And more pearls have come to the path. There is now also wild apple and wild medlar. I take care of a number of small walnut trees that are on the hump. I planted a James Grieve and a Cox, apples that I really like. And much more. But my residential area has also changed, with the new greenhouse. The black construction blends nicely against the green. There is a thick stone floor, which retains the heat. On rainy days it is still a good place to be. I sometimes sit there reading and with a cup of coffee. The hard work has not been in vain.

And yet sometimes I suddenly get tired of it. If only I had a real house, I think. Not for all those plants and critters, but completely for myself. That I can walk wide and with long strides to my front door, instead of having to carefully crawl between the young walnut trees that grow up there in a pot. We all share the small piece of land, where there is shelter. The trees and the birds and whatnot. For them I crawl into my house every day. Because I keep my space small and want to share. We all need shelter. Not just me. But sometimes I’m tired of that, that crawling, that nodding to the front door and a small room. If only I had a real house, with a real door and all kinds of rooms. A spacious studio where my canvas can hang. Where I can take a run-up with my brush. Just like Karel Appel.

It’s just like stormy weather. A thunderstorm that comes and goes. Sometimes it crackles, just for a moment. Then it is good to rest for a few days.

No sooner said than done. On a hot day I sit quietly in my cool hole. The shutters are closed. Yet it is not dark. The skylight and the open rear and front doors provide light in the house. A cooling breeze blows around me. I’m fine here. I look up. There’s something else in front of the skylight. The dark cloth, with which I darken my room at night. A small piece still hangs in front of it and blocks the light. I pull it. The curtain falls and a whole cloud of night moths comes out. Soon I put it back again. That’s what you get when you sleep with the top doors open. Above the open doors hangs the awning with wide green stripes. I can just see under it. I look at the greenhouse, near me. I see the floral splendor behind it. All came out this year. What a miracle really. Dreamily I look at the red poppies, which rise above the smaller flowers. Behind the wall I can hear the twittering of sparrows and young tits. While listening to that, suddenly something comes flying up to me. Just under the awning. It lands on my foot. It is a young great tit, its black hood is still a bit grey. I look at the young thing in surprise. He doesn’t see me, only my sock. He studies it carefully. I weeded cleavers this morning and there are still a few seed balls stuck to it. Silently I watch what happens. He skillfully picks one of those teeny-tiny balls off my sock and flies off with it. I look at my foot in surprise. It has more seeds on it, but it won’t come back. However, something else happens shortly afterwards. Under the transparant tarpaulin at the front door I hear scrambling. And then suddenly there is the wren. On top of the lower doors he is quietly looking inside. Just a moment. And he’s gone again. What should all this mean? I think they say this to me: You keep it the way it is. Small and modest. Give us space and respect, and lots of quiet corners, full of seed and bugs. Hold on! Then we will surprise you again and again! Yes. That’s what they say. Surely.

.

.

Alles schuift . . . all things move

Schiermonnikoog, Noordzeestrand.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Alles beweegt. Vooral zand, water en wind. Nu is het zo dat het strand van Ameland steeds in zee verdwijnt. Maar een eiland zonder strand, dat kan niet, vinden de mensen. Het strand geeft het eiland ook extra bescherming. Daarom graven ze zand uit de Noordzee en spuiten het tegen het eiland aan. Elke keer opnieuw, want steeds weer verdwijnt het. Hoe? Waarheen….?

.

Everything moves. Especially sand, water and wind. Now it is the case that the beach of Ameland keeps disappearing into the sea. But people think an island without a beach is impossible. A bigger beach is also safer. That is why they dig sand from the North Sea and spray it against the island. Every time again, because it disappears again and again. How? Where to …. ?

De gevolgen van zandwinning op de Noordzee. Er is een toenemende vraag naar zand en steeds minder aanbod. Onze Noordzee is een zandwinningsgat. Vaargeulen worden dieper en breder. Het vele graven en baggeren blijft niet zonder gevolgen. Het is een vloek voor het bodemleven en het doet stromingen van koers veranderen. https://www.waterforum.net/onderzoek-naar-effect-grootschalige-zandwinning-op-noordzee/

Opnieuw delen van het strand van Ameland weggespoeld – https://nos.nl/l/2457956

.

.

.

.

Vluchten voor de hordes . . .Run from the hordes

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the english translation underneath.

.

Aan de overkant van de sloot loopt een man. Zo te zien is het Will, de man op de motor, met het tentje. “Hoi!” roept hij en steekt zijn hand op. Ik loop over het veld naar hem toe. “Mag ik nu even bij je kijken?” vraagt hij. Dat is goed en we lopen een rondje. Ik laat hem alles zien, mijn woonwagen, de kas, de kleine wildernis eromheen. “Zo, wat een mooi stekkie heb je zeg, dit is nogal wat voor een stadse jongen als ik.” Ik lach. “Is dat zo? Waar kom je vandaan?” Hij vertelt dat hij kapper is. Hartje centrum, op een hoekje van de negen straatjes in Amsterdam. “Ik zit nu tussen de toeristen. Het zijn er 19 miljoen.” Mijn ogen vallen uit de kassen. “In heel Nederland toch zeker?” vraag ik verbijsterd, maar ik weet eigenlijk het antwoord al. “Nee, alleen in Amsterdam.”
“Meer toeristen in Amsterdam dan inwoners in heel Nederland?” stamel ik terwijl ik hem aankijk.
“Ja. Sinds corona zijn er enorm veel vreettenten bijgekomen. Daar staan nu enorme rijen voor.” Ik knik. “Ik was in Leiden, daar was het net zo. Iets minder druk dan Amsterdam waarschijnlijk.”
Hij staart over het weiland, zijn gedachten gaan naar de stad die hem zo vertrouwd is. “Om het weekend moet ik er echt uit, met de motor. Anders word ik gek. Naast mij zit nu ook een afhaaltent. Ik heb er een touw voor gespannen. Er staat soms een rij van wel vijfentwintig mensen. Ze krijgen daar een Lebanese pannekoek.” Hij maakt een gebaar met twee handen alsof hij een dikke flap in zijn mond propt. “Of ze kopen alleen een kop koffie, in karton. In de rij staan voor een bekertje koffie! Ik sta nooit in de rij.”
“Nee, ik ook haast nooit.” Zeg ik. Ik ben nog steeds verbijsterd. Ik wist er wel van, de overlast van toerisme in Amsterdam, maar nu ik het uit eerste hand hoor, maakt het wel indruk. Wat is er nou voor lol aan? Wat moeten die hordes daar? Het zijn vooral jongelui, lees ik later. Tiktok influencers maken een filmpje en dan komen ze met bakken tegelijk aanzetten. Sommige ondernemers verdienen er schatten aan. De straten liggen vol met troep. En gewone ondernemers, zoals kapper Will, dragen de lasten. “Ik doe dit al twintig jaar,” zegt hij. “Ik ben waar ik ben. Mijn huis is 150 meter lopen.”
“Zo hoort het te zijn, vind ik.” Ik kijk hem aan. “Dat je bent waar je bent, en niet almaar heen en weer hoeft. Maar het word steeds moeilijker om te zijn waar je bent. En dat je op de vlucht moet omdat het thuis niet uit te houden is, dat is bizar. Omver gelopen door toeristen! Krijg nou wat!”
“Ja, na corona is het allemaal veel erger geworden.” zegt hij.

Ik kijk over de stille wei. Hoe zal dit verder gaan? Van welke ontwikkelingen zullen we nog getuige zijn? Ik blijf toch maar waar ik ben. Beter. Ook al is dat ook niet altijd makkelijk. Er is al onrust genoeg. Kapper Will staat nog steeds naast me.
“Ik ga weer verder,” zegt hij. “Eens kijken of mijn maat al wakker is. Dat is toch zo’n langslaper! Nou tot kijk hè! Ik kom hier wel weer terug. Dat doe ik al jaren.”
“t Ga je goed!” lach ik en draai me om, om terug te lopen. Terug naar mijn stekkie.

.

Run from the hordes

A man is walking on the other side of the ditch. Looks like it’s Will, the man on the bike, with the tent. “Hi!” he shouts and raises his hand. I walk across the field to him. “Can I come to see your place now?” he asks. That’s good and we’re going for a walk. I show him everything, my very tiny house, the greenhouse, the small wilderness around it. “Well, what a nice place you have, this is quite a bit for a city boy like me.” I smile. “Is that right? Where do you come from?” He tells that he is a hairdresser. In the heart of the center, on a corner of the nine streets in Amsterdam. “I am among the tourists now. There are 19 million of them.” My eyes pop out of their sockets. “In the whole of the Netherlands, you mean?” I ask in bewilderment, but I actually already know the answer. “No, only in Amsterdam.”
“More tourists in Amsterdam than residents in the whole of the Netherlands?” I stammer as I look at him.
“Yes. And since corona, a lot of food tents have been added. There are now huge queues for that.” I nod. “I was in Leiden, it was the same there. A little less busy than Amsterdam, probably.”
He stares across the meadow, his thoughts turn to the city so familiar to him. “Every other weekend I really have to get out, with the motorcycle. Otherwise I get mad. There is also a takeaway tent next to me. I stretched a rope for it. Sometimes there is a queue of up to twenty-five people. They get a Lebanese pancake there.” He makes a two-handed gesture as if he were stuffing a fat flap in his mouth. “Or they just buy a cup of coffee, in cardboard. Standing in line for a cup of coffee! I never stand in line.”
“No, I hardly ever.” I say. I am still baffled. I knew about it, the nuisance of tourism in Amsterdam, but now that I hear it first hand, it makes an impression. What’s the fun in that? What are those hordes doing there? They are mainly young people, I read later. Tiktok influencers make a video and then they come up with buckets at the same time. Some businesspeople make money from it. The streets are full of junk. And ordinary entrepreneurs, such as hairdresser Will, bear the burden. “I’ve been doing this for twenty years,” he says. “I am where I am. My house is 150 meters away.”
“That’s how it should be, I think. That you are where you are, and don’t have to go back and forth all the time. But it’s getting harder and harder to be where you are. And that you have to flee because you can’t bear it at home, that’s bizarre. Run over by tourists! What the hell!” “Yes, after corona it all got much worse,” he says. I look across the silent meadow. How will this continue? What developments will we witness? I’ll just stay where I am. Better. Even if that is not always easy. There is already enough unrest.
Will is still standing next to me. “I’m moving on,” he says. “Let’s see if my buddy is awake yet. That’s such a long sleeper! Well see ya! I’ll be back here. I’ve been doing that for years.”
“Go well!” I laugh and turn to walk back. Back to my hideaway.

.

Foto: Dimhou van Pixabay.

Bondgenoten! …… (Allies)

.

“Neem jij maar contact met ze op.”zegt de boer. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.”

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find the text underneath.

.

Met de sikkel in de hand sta ik bij de groep berkebomen. Sommigen zijn al best groot. Er is er een waarvan de stam al wit begint te worden. Dat is de koning. Koningberk, op het hoogste punt van de bult. Hij groeit, dankbaar voor mijn harde werk. Ik hurk om rond de stam beginnende rietstengels te verwijderen. Het is verbazingwekkend hoe snel riet groeit. Soms staat er in een dag een stengel van wel dertig centimeter op een plek waar gisteren nog niks te zien was. En als je het niet steeds weghaalt, dan blijft het terugkomen, voortkruipen, met rasse schreden. Tot de bomen groot genoeg zijn, dan groeit er geen riet meer. Maar nu moet ik ze helpen, de bomen. En het zijn er veel. Er is ook veel riet. Het riet rukt op.

Het is zo’n mooi gezicht, die wuivende ruisende groene zee. De verleiding is om het maar te laten gaan. Zeker als de karekiet en de rietgors je belonen met hun geroep. Maar de Friezen hier weten wel beter. De lente heet “maaitiid”. Als je niet maait, dan wordt alles riet, uiteindelijk. Vanuit de sloot rukt het op. Eerst een klein stukje. Het volgende jaar vier meter. En dan acht. En dan zestien. Tot alles riet is. Wuivend riet tot aan de horizon.

De koeien en de paarden houden het kort. Dieren die al eeuwenlang met de mensen samenwerken. Zonder hen was het land één groot karekietendecor. Dat begrijp ik nu, beter dan ooit. Soms moet je het eerst voelen, voor iets tot je doordringt. De vermoeidheid voelen in je dijen en in je armen, van het vele gehurkte hakken. Ineens zie ik het voor me. Die zee van riet, die er groeit als ik niks doe. En ik maar werken, bij dit groepje jonge bomen. Ik kijk naar de sloot en zie dat de rietkraag ongemerkt een meter of drie dichterbij is gekomen. Hè? Hoelang staat dat er? Een paar dagen geleden was het nog maar een smalle strook. Moet ik dat allemaal korthakken? En daarna weer en weer en weer? Ik kan nooit meer weggaan! Mijn jonge bomen, ze zouden aan alle kanten worden ingebed door de lieflijke groene zee, die tegelijkertijd zo verraderlijk is. Gretig zouden ze de hele bodem keihard maken met hun diepe wortelkluiten, tot alleen de sterksten er nog tussenin kunnen staan. Wat kan je dan nog beginnen, als mens? Met lichte verbijstering voel ik een vlaag van wanhoop. Waar ben ik in ’s hemelsnaam mee bezig? Het lijkt water naar de zee dragen, of op het vegen van een pleintje middenin een zandwoestijn.

Ontmoedigd loop ik terug naar huis voor een bakkie troost. Als ik op het pad aankom, tref ik boer Jochum aan. Hij is distels aan het uittrekken tussen het riet, langs de Swette. “Ha!” roept hij. “Mooi dat ik je zie. Ik had bedacht dat je bij de bouwploeg mag. Er moet vandaag een slot worden ingezet in de pipowagen.” Ik glimlach vermoeid. “Dank voor de eer,” zeg ik “Maar dat stuk land vraagt al mijn energie. Het is veel werk in mijn eentje.” Ik kijk stil voor me uit, te moe om meer te zeggen. Jochum kijkt naar me en herinnert zich iets. “O ja!” zegt hij, en haalt een stukje papier uit zijn zak. “Linde kwam hiermee aanzetten. Het komt uit de Leeuwarder Courant.” Ik pak het aan en neem het door. Twee mensen willen een biologische pluktuin beginnen voor de buurt, de bijen en de beestjes moeten er wel bij varen. Een duurzame tuin vol biodiversiteit moet het worden, er wordt gedacht aan1 tot 5 hectare met een stabiele pachtconstructie voor meerdere jaren. “Neem jij maar contact met ze op.”zegt Jochum. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.” Dankbaar neem ik het voorstel aan. Jonge tuinders rondleiden, mensen met een plan! Dat doe ik maar al te graag.

Niets van waarde komt aanwaaien. Je moet erop wachten tot je het zat bent, werken tot het je keel uithangt. En dan komt daar ineens een berichtje aanwaaien. En terwijl hoop opwelt, keren ook de goeie gedachten terug. Het riet, dat zo overvloedig groeit is niet alleen lastig, maar ook waardevol. De harde klei heeft het nodig. De gemaaide stengels kunnen de aarde bedekken tegen de hete zon. Gehakseld kan het de grond losser maken en zorgen dat het vocht beter wordt vastgehouden. Als ik niet meer alleen ben kunnen we daarover overleggen. Met de zeis kunnen we veel sneller maaien dan met de sikkel. Er zijn vast meer, die dat graag doen. En wie weet wat ik van deze tuinders kan leren. Samen weten we meer! Als dit nou door kon gaan… Glimlachend stop ik het artikel in mijn zak. Jochum is alweer aan het werk gegaan. Hij trekt de laatste distels uit, die tussen het riet staan. “Bedankt!” roep ik. “Ik ga ze bellen!” Hij knikt me toe en lacht. Wie weet, wat de toekomst brengt. Is het niet vandaag, dan morgen..

.

Alles moet rijpen, net als zaad.

.

.ALLIES

.

Sickle in hand, I stand by the group of birch trees. Some are already quite large. There is one whose trunk is already starting to turn white. That’s the king. King birch, at the highest point of the hump. He grows, thankful for my hard work. I crouch to remove budding reed stems from around the trunk. It’s amazing how fast reeds grow. Sometimes in one day a stem of up to thirty centimeters is standing in a place where nothing could be seen yesterday. And if you don’t keep removing it, it will keep coming back, crawling along, with rapid steps. Until the trees are big enough, then the reeds won t grow anymore. But now I have to help them, the trees. And there are many. There is also a lot of reeds. The reed rises. It’s such a beautiful sight, that waving rustling green sea. The temptation is to just let it go. Especially when the reed warbler and reed bunting reward you with their calls. But the Frisians here know better. Spring is called “mowing time”. If you don’t mow, everything will become thatch, eventually. It rises from the ditch. First a little piece. Four meters the following year. And then eight. And then sixteen. Until everything is reed. Swaying reeds to the horizon. ,,,,,,,,

The cows and horses keep it short. Animals that have been cooperating with humans for centuries. Without them, the country would be one great reed warbler decor. I understand that now, better than ever. Sometimes you have to feel it first before something sinks in. Feeling the tiredness in your thighs and in your arms, from the many squatting heels. Suddenly I can see it. That sea of reeds that grows when I do nothing. I see my little work, near this group of young trees. I look at the ditch and see that the border of the reed has come closer about three meters unnoticed. Hey? How long has that been there? A few days ago it was just a narrow strip. Do I have to chop all that up? And then again and again and again? I can never leave! My young trees, they would be embedded on all sides by the lovely green sea, which is so treacherous at the same time. They would eagerly make the whole soil rock hard with their deep roots, until only the strongest can stand in between. What can you do then, as a human being? With slight bewilderment I feel a fit of despair. What the hell am I doing? It seems like carrying water to the sea, or sweeping a small square in the middle of a sandy desert.

Discouraged I walk back home for a cup of coffee. When I arrive on the path, I find farmer Jochum. He is pulling up thistles among the reeds, along the Swette. “Ha!” he shouts. “Good to see you. I thought you could join the construction crew. A lock must be repaired in the gypsy wagon today.” I smile wearily. “Thanks for the honor,” I say. “But that piece of land takes all my energy. It’s a lot of work on my own.” I look ahead in silence, too tired to say more. Jochum looks at me and remembers something. “Oh yeah!” he says, taking a piece of paper out of his pocket. “Linde came up with this. It comes from the Leeuwarder Courant.” I take it and read. Two people want to start an organic picking garden for the neighborhood, the bees and the critters have to benefit. It must be a sustainable garden full of biodiversity, 1 to 5 hectares are envisaged with a stable lease construction for several years. “You just contact them,” says Jochum. “If they want something, I will see them come. I am too busy.” I gratefully accept the offer. Showing young gardeners around, people with a plan! I’m only too happy to do that.

Nothing of value just comes. You have to wait until you get tired of it, work until it hangs down your throat. And then suddenly a message arrives. And as hope wells up, good thoughts also return. The reed, which grows so abundantly, is not only troublesome, but also valuable. The hard clay needs it. The cut stems can cover the earth from the hot sun. When chopped, it can loosen the soil and ensure better moisture retention. When I’m not alone anymore, we can discuss that. With the scythe we can mow much faster than with the sickle. I’m sure there are more who would like to do that. And who knows what I can learn from these gardeners. Together we know more! If only this could go on… Smiling, I put the article in my pocket. Jochum has already gone back to work. He pulls up the last of the thistles that are among the reeds. “Thank you!” I call. “I’m going to call them!” He nods at me and smiles. Who knows what the future will bring. If not today, then tomorrow.

Geluksvogels met werkhanden.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

We staan op het erf met zijn drieën, een toevallige samenkomst. An, een kampeerder en ik.

De kampeerder is een vaste gast en komt al heel lang op de Swetteblom. Het is altijd om deze tijd van het jaar. Hij praat tegen An.

Oh, wordt je huis afgebroken, en moet je nou hier wonen? Pechvogel!” Het gaat over An haar nieuwe plek. Het is nog geen voldongen feit, maar zeker is dat An de stek van Gonda heeft kunnen overnemen. Het huisje is niet groot, maar het heeft uitzicht op de wei. Ik vind dat ze boft. “Ze is juist een geluksvogel, dat ze hier mag wonen!” zeg ik fel. “Ja!” zegt An. “Geluksvogel!” Ze is zo blij ermee, eindelijk heeft ze weer eens geluk, zegt ze. Het is een heerlijk plekje waar ze graag wil zijn. “Ik woon daar veel liever dan in een huis!” roept ze stralend uit. De man kijkt verbaasd voor zich uit en herhaalt stamelend het woord. “O …. geluksvogel….” alsof hij het nog niet helemaal vat. Het is niet voor niets dat hij zo denkt. Een lange tijd is deze plek een oord geweest voor mensen die nergens meer terecht konden. Dat beeld blijft lang hangen.

Ik loop naar huis, diep in gedachten. Als ik er bijna ben zie ik ineens Linde aankomen. Haar grote blonde haardos glanst in de zon. Ik ben soms jaloers op haar krullen. Ze komt hier vaak om te zwemmen. Of om mest te scheppen in de stal. Maar nu komt ze voor mij. Ik heb haar uitgenodigd. Samen lopen we het veld over naar mijn woonwagen. Ik geef haar het ijzeren melkflessenkratje, geleend van boer Jochum. Ik zet het op zijn kop met een plankje erop, vlak naast de bloemen. Daar kan ze mooi op zitten, met haar rug tegen de wand.
“Heerlijk is het hier” zegt ze “Lekker beschut. De wind is koud, maar de zon is warm zeg!”
Ik pak een klein krukje uit de kas. Het is warm daarbinnen en ik ga gauw weer naar buiten. Ik denk nog steeds aan die opmerking op het erf, over pechvogels.

“Ik vind het zo jammer dat mensen blijven zeggen dat deze plek een soort afvalput is.” begin ik tegen Linde, “Een plek waar je niet voor kiest maar terecht komt als je pech hebt. Ik kíes er juist voor om weinig te hebben. Het maakt me onafhankelijk en vrij.”
“Ja” zegt Linde “Heel raar is het. Terwijl veel mensen het eigenlijk toch prettig vinden als ze niet teveel gewicht op hun rug hebben. Al die verantwoordelijkheden…”
“Als je veel wilt hebben, heb je ook veel nodig, ”vul ik haar aan. “ Moet je eens op een lijst zetten van hoeveel bedrijven je afhankelijk bent. Dan ben je pas een pechvogel. Het wordt tijd dat we de zaken om gaan draaien. Hoe minder je voor jezelf nodig hebt, hoe meer je kan helpen scheppen, de aarde weer gezond te maken.”
Linde staart in de verte. Vorig jaar was ze nog burn out. Na een paar goeie keuzes gaat het nu stukken beter. “Ja” begint ze “Dat wil ik ook. Het is zo’n klus om alle ballen in het spel te blijven houden. Ik geniet ervan, als ik hier kan zijn, op het erf of in het veld, gewoon aan het werk met iets simpels als mest scheppen.”
Ik knik. “Dat snap ik. Dit soort plekken worden ook steeds belangrijker daarin. Op een plek als de Swetteblom kunnen we dat laten zien. Volgens mij zijn hier geen pechvogels. Wel heel veel vogels en andere dieren. Dit is een prachtplek. Laat dat duidelijk zijn.”
Linde haar ogen glanzen en het is even stil.
“Ja,” zegt ze dan mijmerend “Dat doe je samen. Maar hoe maken we met elkaar een sterke gemeenschap? Het is hier altijd ieder voor zich geweest. Heel individualistisch.” Ze verdwijnt stil in gedachten.

Individualisme is een probleem van deze tijd. Ieder eist zijn eigen vrijheid, terwijl we toch samen verantwoordelijk zijn voor de Aarde. Hoe pakken we dat aan? Hoe brengen we het schip op een andere koers?

Over de weg komt een kleine vrachtwagen aanrijden, met nieuw hout voor de steiger. Alles gaat door, rollend en ronkend, terwijl langs de kant verkennende gesprekken groeien. Het begint in de luwte, ergens in de zon. Daar, waar geluksvogels neerstrijken en thee drinken, in de zachte geur van de kruidenrijke wei. Daar begint het. Maar al zijn we geluksvogels, het geluk komt niet zomaar. We moeten ervoor werken. Geluksvogels met werkhanden, die hebben we nodig. En niet alleen voor ons eigen geluk. Mensen met mededogen hebben we nodig, als een glanzende draad die alles verbindt. Ik hoop dat het hele zwermen worden. Hier, daar, overal.

.

.

Ik kreeg later een correctie binnen van boer Jochum.

efkes in pear fryske flaters yn dyn moai betochte ferhaalsjes rjocht sette:

    –  maitiid

 komt fan Maies, de moaiste dochter fan Atlas en Pleione

     –   eartiids by de Romeinen begûn it nije jier op 1mrt en sette de maitiid dus útein op ús1 maaie, de start fan it bloesemfeest

     –   it hollânske maaien is yn it frysk  meane en hat dus hielendal neat te krijen mei maitiid….

    – in pôle

 reit sjochst foarby driuwen yn de Swette fanwege dy idioate snelheidsmaniakken, it kin ek dyn wenhiem wêze

   – en it kin ek yndied  in ôfsûnderlik stikje grûn wêze, wat heger leit as de rest- lykwols it leit like heech as it hiele stik lân fan 1 1/2 hektare, dus it soe nea in eilânsje wurde by ûnderstreaming….

 

 

  noflike dei,

mooi   jochum

Ik poep dus ik besta

.

.

Het is te warm om te werken. De sikkel en mijn werkhandschoenen liggen werkeloos in mijn fietstas. Die mogen daar wachten tot morgenochtend. Nu zoek ik verkoeling. De Noordenwind waait tussen de bomen door met een koel briesje. Het waait langs de boerderij, langs de open deuren van de hooischuur, waar een zoete geur naar buiten waait van pas gehooid gras. Het waait over het erf, helemaal tot in de zithoek, tot de stoel waar ik op zit.

Ik kijk in de kast naast me. Wat staat er zoal in onze bieb? Ik zie zelfhulpboeken, veel spirituele titels en ook misdaadromans. Kennelijk blijven die het langste staan. Ik kies een boekje van de Dalai Lama. Ik heb nog nooit iets van hem gelezen. Ik sla het zomaar ergens open. Het gaat over de dood. Dat je in je leven gelijk moet beginnen met voorbereiden, dat je hier ook weer verdwijnt. Nou dat zit bij mij wel goed. Tevreden glimlach ik. Het is allemaal niet voor niets. Dan gaat het verder over de kringloop van het bestaan. Bij kringlopen denk ik aan iets moois. Aan het levende systeem dat Aarde heet, en alles wat in elkaar grijpt. Mijn bestaan is onderdeel daarvan, mijn lichaam met alles erop en eraan. Een hele eer dat dit wonder mij ten beurt valt! Maar de Dalai Lama denkt daar anders over.

Het lichaam is een soort machine die urine en uitwerpselen produceert. Wormen die aan de ene kant modder eten, en aan de andere kant weer uitscheiden. Een armzalig gezicht.

Nou zeg! We mogen de worm wel heilig verklaren! Hij doet goed werk. Hij eet organisch materiaal en stront van de koeien, en maakt daar schitterende grond van. Ik neem graag een voorbeeld aan de worm. De poep die ik composteer maakt schitterende bloemen en laat alles groeien als kool. Ik poep dus ik besta. Een mooie drol is een rijk bezit. Het is maar net hoe je het ziet. Toch?
Als we alles wat er is als iets bijzonders ervaren, dan komt het vanzelf goed met de wereld. Daarvan ben ik overtuigd. Het boeddhisme straalt door zijn eenvoud, en vergankelijkheid is zeker iets om bij stil te staan. Maar met wat boerenwijsheid smaakt het mij nog beter.

.

No podcasts today. But come back next week!

Vernieuwen zolang het nog kan (Regenerate while you can)

.

.

Het reageren op weersomstandigheden in de tuin doet denken aan de weersomstandigheden in de wereld. De urgentie die vraagt om vernieuwing. Als je snel reageert kun je nog kiezen. Als je te laat bent niet meer. En dan zit je met allemaal dode dingen waar je niks meer mee kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath

.

Het heeft veel geregend, al lijkt het al weer een hele poos geleden. De overvloedige regenval in de vroege lente heeft het groen tot grote hoogtes gebracht. Fluitekruid, brandnetel, wilgenroosje, ze zijn groter gegroeid dan ik. Het meest overheersend is het kleefkruid, dat in de hoge stengels klimt, en in de kromme, gescheurde appelboom. Op sommige plekken ligt het als een dik tapijt op de grond. Ook de bomen zijn flink gegroeid. De wilgen, de hazelaars, de meidoorn. Maar als ik langs het verhalenpad loop, zie ik roest. Roest is een soort van schimmel met onregelmatige rode verkleuringen. De blaadjes verdorren en vallen af. Ook langs het Swettepaad zie ik het, onderaan de stengels en in het gras. Na de natte tijd nu ineens die droogte, dat doet wat. Bovenin zitten de stengels dicht en hoog op elkaar, maar onder de grond is het concurreren om het laatste vocht. Dat geeft stress. Daar moet je snel de helpende hand bieden, zolang het nog kan.
Ik aarzel geen moment, maar begin meteen te knippen. De aangetaste wilgenroosjes weg en ook de zielige takken van de appelboom en de meidoorn. Gezonde planten als fluitekruid en kleefkruid haksel ik. Ik leg het als mulch onder de geknipte exemplaren. Ook de lange brandnetels komen aan de beurt. Voorzichtig, want het prikt. Nu is er nog tijd, om dit te doen. Straks is alles dor en droog, en vol rode vlekken. Dan is het leven eruit en vliegt de koolstof als CO2 de lucht in. Nu kunnen we wat er is nog gebruiken en opslaan in de bodem. Er is nog tijd voor groei. Het is nog steeds lente. Hakselen en mulchen.

Het moet nu gebeuren. Die urgentie is op alle gebieden actueel. We leven in een tijd van overvloed, alles zat mee, een halve eeuw lang. Maar nu… We weten dat de bronnen opdrogen, waar we zo overvloedig uit putten en de balans is verstoord. Er moet geknipt worden, keuzes gemaakt. Keuzes maken, dat levert wat op. Wat je niet meer hebt of doet, daar hou je aan over. Je houdt geld over, energie en tijd en ruimte. Wie zegt hoelang we die luxe nog hebben om te kiezen en hoelang houden we er nog iets aan over? Als je te lang wacht zit je straks met allemaal dingen waar je niks meer mee kan.

Ik knip de munt eraf. Alles. Als ik het nu niet kortknip heb ik er straks niks meer aan. Het wordt toch een aardige bos, meer dan ik dacht. Met mijn armen vol van het geurige kruid, loop ik naar de boerderij. Kijken of ik boer Jochum zie, dan krijgt hij de helft. Opeens hoor ik de stem van Rein. “Hee, ben je al aan het oogsten?” Ik kijk om. “Ik heb het geknipt omdat er roest in kwam. Ik zie het op meer plekken beginnen. Nu is het nog mooi groen. Straks is het te laat.” Rein bromt iets onverstaanbaars. Hij is het er niet mee eens. Hij heeft het hartstikke druk en wil helemaal niet horen dat er ook nog werk in de tuin is.
Even later komt Sjoukje langslopen, een bekend gezicht op de Swetteblom. Ik loop net met de heggenschaar de boomgaard uit. “Hee, ben je lekker aan het tuinieren?” vraagt ze opgewekt. Ik vertel dat ik elke dag hard aan het werk ben. Blij geeft ze antwoord. “Ja wat is alles gegroeid hè! We kwamen terug van vakantie en wisten niet wat we zagen!” Ik knik en vertel wat ik net heb ontdekt. De rode schimmel. Dat na het vele nat nu een tekort ontstaat, door de lange droogte. En voorlopig is er geen regen in zicht. Ik vertel dat ik die stress vóór wil zijn. Knippen, mulchen, nu. Ze kijkt me met open mond aan. “Oh! Als dat hier is, dan is dat bij mij ook!” Ik knik. “Dat denk ik wel. Het begint.” Ik ga verder met wat ik deed. Met mijn bruine vest verdwijn ik helemaal in de bosjes. Nu ziet niemand me meer. Ik ben lekker onzichtbaar. Even later hoor ik een auto voorbij gaan. Het is Sjoukje. Ze gaat dus toch maar naar huis. De tuin roept.

Je kan het voor jezelf zo druk maken als je maar wilt. Maar wie het nodige tot zich door laat dringen en omkeert, voor die mensen is mijn glimlach van herkenning. Laten we hopen dat het aanstekelijk is.

.

NEDERLANDS

ENGELS

Reacting to weather conditions in the garden is reminiscent of weather conditions in the world. The urgency that calls for innovation. If you react quickly you can still choose. If you are late there is no choise anymore. And then you’re left with all those worthless dead things. ACT now.

Ik hoef geen poort (I don’t need a gate)

.

Onder zeil gaan in een eenvoudig huisje

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Over het pad loop Maaike, met haar twee honden. Ze woont in een camper, dan weer hier, dan daar. Af en toe komt ze weer bij ons langs op de Swetteblom.

“Hoi!” roep ik.
“Hoi!” lacht ze “Mooie kas heb je gebouwd. Elke keer als ik je zie ben je meer geworteld en minder nomade.”
“En toch ben ik het nog steeds, een nomade.”
“Hoe dan?” vraagt ze, met opgetrokken wenkbrauwen.
“Ik noem mezelf een nomade omdat ik te gast ben, op aarde.”
Ze knikt begrijpend.
“Daarom laat ik de ingang zoals hij is. Zonder trapje, onder een zeil door. Dan blijf ik bescheiden.”

Even later loop ik terug naar mijn eenvoudige stolp. Na zes jaar ben ik er nog steeds tevreden mee. De luiken zijn nu gesloten, want de zon schijnt warm, nu het bijna juni is. Toch is het binnen niet donker. Het licht schijnt zacht door het dakraam naar binnen. Zo mooi vind ik dat. Hier vind ik altijd de concentratie om te schrijven. Ik noem het: Mijn wooncocon. -Mijn-. Het is ook niet makkelijk om binnen te komen in mijn domein. Mensen die voor het eerst komen snappen niet eens waar de deur zit. Ik heb er over gefantaseerd, een poort te maken. Een poort die mijn mooie, goed gebouwde wagen waard is. Een poort, gemetseld van oude stenen. Ik zie het al helemaal voor me, een hele dikke is het, als van een stadswal. Als een afgebrokkelde muur, die er al honderd jaar staat. Met een glas in lood raam erin en een dikke houten deur, die rond is, van boven. Zo had ik het bedacht. Maar ik doe het niet.
Waarom zou ik een poort maken naar de ingang van mijn huis? Ben ik zo belangrijk? Waarom al die moeite? In de verte loopt Maaike verder, met haar honden, als éen van de vele voorbijgangers. Ik spreek ze op het pad. Hoeveel tijd heb ik wel niet besteed aan die terloopse gesprekken? Altijd buiten, altijd in de beweging van het moment. Nee, geen stenen poort.

Ik loop het veld over naar mijn huis. Langs de roze en witte bloemen, die weelderig tegen de rieten wand aangroeien. Een koolwitje fladdert langs. Bundels riet zijn tegen een pallet aangebonden. Het pallet wordt aan de andere kant gestut door een werkbankje van aluminium. Dat had ik toevallig. Zo is het al vanaf de eerste week dat ik hier stond, en ik heb het niet veranderd. Al twee-en-een-half jaar niet.
Ik til mijn rechterbeen op, en stap over het bankje heen. Voorzichtig, anders gooi ik de flessen om die erop staan, de waterflessen die wachten op een schoonmaakbeurt. Er is niet veel ruimte, mijn rug aait langs de houten wand van de wagen. Dan het andere been. Ik zet mijn linkervoet naast het rechter. Vlak langs de wand schuifel ik verder. Ik let op dat ik de jonge notenbomen niet aanraak. Die staan hier in de beschutting van de rietwand wortels te krijgen. Ze staan in grote potten, met een groeizame bodemmix en doen het goed.

Na vijf passen schuifelen kom ik bij het bordes. Over het bordes hangt een transparant zeil, tegen de wind. Daar achter heb ik hoge wilgenstammen geplant, ook tegen de wind. Ze lopen al goed uit. Maar een rijtje bomen is niet genoeg, als het hier gaat spoken. Het zeil is gemaakt van gewapend plastic. En al is het een eenvoudige oplossing, het werkt prima. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik een meisje ben, die haar hut in gaat. Elke dag een avontuur. Ik buk mijn hoofd en duw het zeil opzij. Nu komt de hoge stap, het bordes op. Er is expres geen trapje. Voor sommige bezoekers is dat heel wat. Ik denk aan mijn pa van drie-en-negentig. Elk jaar komt hij langs, op mijn verjaardag. Zelfs hij kan het nog! Al moet hij zich wel even vasthouden. De moeite die ik moet doen houd me wakker en fit. Dat ik onder het zeil door moet kruipen, herinnert me eraan dat ik een nomade ben. Alles is tijdelijk, ook mijn verblijf op deze grond. Waarom zou ik zoveel tijd besteden aan een poort en aan een mooie ingang? Zo’n poort kan ik beter voor iets anders bouwen.

Dit huis is voor mij, en voor niemand anders. Dit is de plek waar ik onder zeil ga.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

I don’t need a gate in front of my house. I am just a guest on earth and meet people on the road. A rooted nomad, that’s what I am.

.

Heb je de film al gezien? Drie jaar lang maakte ik opnames, met dit resultaat.

Did you see the movie? In three years I built my house and I made a documentary of it.

Zeisreis

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

English translation underneath. No podcast, only text.

.

“Wijndomein De Vier Ambachten,” staat er op het ronde bord. We rijden de inrit op, het ijzeren hek door. Het is een wijngaard waar je kan slapen in kleine houten huisjes. Daar zijn we blij mee, zo ver van huis, helemaal op de grens van Zeeland en Zuid Holland. “Fijn dat je ons tot hier hebt gebracht,” zeg ik tegen de vrouw die ons reed. “Anders hadden we nog een uur moeten lopen!” We hebben zeisles gehad. Dick en ik, en deze vrouw was een medecursist. We hebben van alles geleerd het in elkaar zetten van de zeis, maaihouding en onderhoud. We stappen uit en de vrouw opent de achterklep. Daar ligt mijn fonkelnieuwe essenhouten steel. Ze geeft me ook de tas aan met de twee handvaten die nog moeten gemonteerd. In de ene zit een bocht, als in een deurkruk. In de andere niet. Dat is niet voor niks. Het is een slimme zeis. Dan komt het grote zeisblad zelf, wel vijfenzestig centimeter lang. Het is bedoeld voor ruigtes, maar als je hem erg scherp maakt, kan je er ook gras mee doen. Daarvoor heb ik een hulzenset gekocht. Dat is een luie manier om je zeis even scherp te krijgen als met een aambeeld. Je kan er elke hamer voor gebruiken die je maar hebt.

Ik kijk naar de grote achterbak van de oude Volvo. In de auto ligt nog een zeis. Een oude. Hij ziet er anders uit dan de mijne. De vrouw slaat de klep dicht en neemt afscheid. Mijn vriend Dick en ik blijven staan bij de muur. Met de steel in de hand herhaal ik waarom deze zeis zo mooi ontworpen is. Je kan kaarsrechtop blijven staan, als je werkt, zonder bukken, zonder je armen te hoeven buigen. Het kost bijna geen kracht. Het ontwerp komt uit Oostenrijk. De baas komt aanlopen, een lange pezige man. Zijn haar begint al te grijzen. “Wat een mooie zeis!”roept hij. “Je mag er meteen mee aan de gang hier, werk zat! Het blad moet er wel aan hoor, anders kun je er niks mee.” Ik lach naar hem, en praat dan verder tegen Dick, want ik was net halverwege een zin.

We lopen verder. Het veld staat vol druiven, in lange rijen, met paden ertussen gemaaid. Boven de ranken uit tooit een witte sluier van fluitekruid. Heel veel fluitekruid. De wijngaard is compleet omgeven door populieren. Ze staan dicht op elkaar. De bomen zijn deze winter geknot, op hoogte van een meter of zeven. Daardoor heb je nog meer het gevoel dat het een wand is. We lopen langs de huisjes, zetten onze bagage neer bij nummer acht, en gaan verder met onze verkenning. Je kan helemaal rondlopen. Aan de achterzijde is een meer en een paadje door de wildernis. Ook daar valt veel te maaien. Dick waagt het er niet op, het paadje op te gaan. De begroeiing is dicht en er zijn veel overwoekerde bruggetjes. Het water ligt er schemerig tussen verborgen. Aan het eind komt ik weer uit bij het grotere pad en ga weer naast hem lopen. “Ik zou best op reis kunnen gaan met mijn zeis en mijn diensten aanbieden,” zeg ik “als ik zou willen.” Dick grijnst. “Ja, een zeisreis!” We lopen ondertussen langs een rij bloeiende appelbomen. “Toch is dat helemaal niet nieuw hè,” Ga ik door. “Een eeuw geleden deden ze dat ook. Seizoensarbeiders reisden rond met de zeis.” Dick knikt en vult me aan. “Ze kwamen ook uit Duitsland. Dat waren de Hannekemaaiers. Ze hielpen de boeren.” Het moet een mooie tijd zijn geweest. Het snijdende geluid in het lange gras, met niets anders dan vogelgeluiden. Het was wel doorwerken, elke dag weer, wekenlang. Maar toch genoten de mannen van het werk, dat lees je nog steeds terug in oude boeken. “Het handwerk moet blijven,” zeg ik. “Dat is het echte ambacht. Het mag niet vergeten worden. Nooit niet.” Dick is het ermee eens. “Wat is er nou aan om de hele dag met oordoppen op te lopen achter zo’n lawaaierige bosmaaier? Het gaat niet eens sneller.”

Je bent helemaal niet gek, met een zeis in je hand. Het wordt steeds populairder. Zeisbrigades bestaan al, in diverse plaatsen zetten ze zich in om stukken van het landschap te onderhouden. Ambachtelijk, geruisloos en sociaal.

We zijn bij ons huisje aangekomen en openen de deur. Zorgvuldig zet ik de steel in de hoek, zó, dat hij niet omvalt. Het zeisblad leg ik neer op het tafeltje. We installeren ons. Morgen gaan we terug. Een hele reis voor mooi gereedschap, dat is het. Het is het waard.

.

.

.

https://zeisles.nl/
https://www.landschapsbeheerflevoland.nl/werkvelden/dat-doen-we-samen/maaien-met-de-zeis.html
https://landschapsbeheergroningen.nl/vrijwilligerswerk/vrijwilligersbrigades/

.

https://www.domein-de-vier-ambachten.nl/

.

scythe journey

“Wine estate De Vier Ambachts,” the round sign reads. We drive up the driveway, through the iron gate. It is a vineyard where you can sleep in small wooden houses. We are happy with that, so far from home, all the way on the border of Zeeland and South Holland. “Thank you for bringing us here,” I say to the woman who drove us. “Otherwise we would have had to walk another hour!” We had sailing lessons. Dick and I, and this woman was a fellow student. We learned everything about assembling the scythe, mowing position and maintenance. We get out and the woman opens the tailgate. There lies my brand new ash wood handle. She also hands me the bag with the two handles that still need to be mounted. One has a bend, like a door handle. Not in the others. That’s not for nothing. It’s a smart scythe. Then comes the great scythe blade itself, up to two feet long. It is intended for rough areas, but if you make it very sharp, you can also do grass with it. I bought a sleeve set for that. That’s a lazy way to get your scythe as sharp as an anvil. You can use any hammer you have.
I look at the big trunk of the old Volvo. There is another scythe in the car. An old. He looks different from mine. The woman closes the door and says goodbye. My friend Dick and I stop at the wall. Handle in hand, I repeat why this scythe is so beautifully designed. You can stay upright when you work, without bending over, without having to bend your arms. It takes almost no force. The design comes from Austria. The boss approaches, a tall wiry man. His hair is already starting to turn gray. “What a beautiful scythe!” he exclaims. “You can get started right away here, plenty of work! The blade has to be attached, otherwise you can’t do anything with it.” I smile at him, and then continue talking to Dick, because I was just halfway through a sentence.
We walk on. The field is full of grapes, in long rows, with paths mown in between. Above the tendrils adorns a white veil of cow parsley. Lots of fluff. The vineyard is completely surrounded by poplars. They are close together. The trees have been pruned this winter, at a height of about seven meters. This makes you feel even more like a wall. We walk past the houses, put our luggage at number eight, and continue our exploration. You can walk all around. At the back is a lake and a path through the wilderness. There is also a lot to mow there. Dick doesn’t dare, to follow the path. The vegetation is dense and there are many overgrown bridges. The water is dimly hidden between them. At the end I reach the larger path again and walk next to him again. “I could go on a journey with my scythe and offer my services,” I say, “if I wanted to.” Dick grins. “Yes, a scythe trip!” In the meantime we walk past a row of blossoming apple trees. “That’s not new at all, is it,” I continue. “They did the same a century ago. Seasonal workers traveled with the scythe.” Dick nods and completes me. “They also came from Germany. Those were the Hannekemowers. They helped the farmers.” It must have been a good time. The cutting sound in the long grass, with nothing but birdsong. It was work, every day, for weeks. But the men still enjoyed the work, you can still read that in old books. “The manual work must remain,” I say. “That’s the real craft. It should not be forgotten. Never ever.” Dick agrees. “What’s the point of wearing earplugs all day behind such a noisy brushcutter? It’s not even faster.” You’re not crazy at all with a scythe in your hand. It’s getting more and more popular. Scythe brigades already exist, in various places they are committed to maintaining parts of the landscape. Traditional, silent and social.

We have arrived at our cottage and open the door. I carefully place the handle in the corner, so that it does not fall over. I put the scythe blade down on the table. We install ourselves. Tomorrow we go back. A whole journey for beautiful tools, that’s it. It’s worth it.

.

.

Hoe ik het doe (My way)

.

Hoe minder eisen ik stel, hoe makkelijker ik me beweeg. Ik blijf klein en flexibel, eis niets op, maar zie alles wat me tegemoet komt als een gunst. Ben nieuwsgierig naar wat er leeft en belangstellend naar anderen. Kijk wat er te doen is en heb er plezier in om de handen vies te maken. Ik houd het vuurtje brandende. De beek van mijn authentieke creativiteit zal blijven stromen. Daar zorg ik voor. Ik neem genoeg pauzes en kom graag op verhaal. Laat het nodige in stilte groeien en kom ermee naar buiten als het moment daar is. Ik werk stap voor stap en geduldig. Kijk naar planten en dieren en wat de bodem en de plek nodig heeft. Ik werk daaraan, in overeenstemming met de geest van het land. Blijf spelen, blijf kijken. Dat is mijn levensfilosofie in praktijk.

The fewer demands you make, the easier you move. Stay small and flexible, don't demand anything, but see everything that comes your way as a favor. Be curious about what's going on and interested in others. Have fun getting your hands dirty. Keep the fire burning. Let the stream of your own authentic creativity ever flow. Take enough breaks and recover. Let the necessary blossoms grow in silence and come out with it when the time is right. Work step by step and patiently. Look at plants and animals and what the soil and the place needs. Work on it, in accordance with the spirit of the land. Keep playing, keep watching. That is my life philosophy in practice.