Leve de eenvoud

.

.

.

Engelenvleugel voor de luifel

.

Eenvoud is voor mij
het steeds compacter maken
van wat er werkelijk toe doet
tot het zichtbaar is voor iedereen
Hard als een diamant

Eenvoud komt niet zomaar
je moet er flink voor werken
het is als hakken in een stam
hout tjokvol met noesten

Er zit een beeld in de stam
en alleen jij
hebt een vermoeden hoe het
er uit gaat zien

Misschien zijn het twee vleugels
om te vliegen als het nodig is
de ganzen achterna.

Vleugels om te trekken,
zoals vlinders en vogels op zoek gaan
naar de plek
waar ze willen zijn.

.

.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank, deze week van Frank de Greef

Franks voetnoot

.

.

Een van mijn favoriete passages staat op p. 535:

“Ik wil haar ogen
zo graag zien, papa.”Haar ogen! Verwilderd
kwam Onno overeind. Ook hij had sinds acht jaar haar ogen niet meer gezien!
Moest hij een zuster halen of kon hij zelf een ooglid optrekken? Met een gevoel
dat het niet deugde wat hij deed, boog hij zich over het bed, legde de top van
zijn middelvinger op een ooglid en schoof het voorzichtig omhoog. Samen keken
zij naar het diepbruine, bijkans zwarte oog dat niets zag – zo min als het oog,
dat zich aan de hemel lijkt te vormen bij een totale zonsverduistering.

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

 

Ik ga door tot het er is

 

.

.

deuvels op de vensterbank

.

.

 

Werken aan mijn kleine huis

.

De wanden zijn dicht, het werk is gestopt
Zeshonderd deuvels inclusief lijm
heb ik met veel geduld
in alle zeshonderd gaatjes geklopt

Gelukkig is mijn huis maar klein
anders was er nog veel meer
van almaar door hetzelfde
voor het af zou zijn

Ik ben, ik werk en
rust in de avond

De zon is warm en maakt mijn wangen
rozig van rode wijn
Het gras is groen, de lucht is blauw
ik kan niets meer verlangen

Ik ga door
tot het er is. . .

Hoe kleiner mijn huis,
hoe minder ik mis.

.

.

Wat niet van mij is blijft niet hangen

.

Dans van dank aan alles kl frm

.

De eindfase nadert,
als de vloedlijn op het zand,
langzaam kruipt hij verder
en je weet dat hij straks
de duinen raakt.

Het komt,
je weet het zeker.
En zo rijst het water
tot vlak aan je voeten.

.

Ik heb een plankje op maat gezaagd. Zorgvuldig smeer ik de randen vol met lijm, zodat overal een dun laagje zit en hij straks een stevige hoekverbinding kan vormen. Ik kijk op, naar de linker buitenwand, die ik er gisteren op heb gezet. De planken zijn wit van de grondverf en je kan de geknikte vorm mooi zien. Achter de wand puilt isolatie van warme schapenwol naar buiten, want de binnenwand is nog maar half af.
Nu het product van mijn verbeelding gestalte krijgt, weet ik hoe ik het noem. Het is een “wooncocon“. Want het wordt warm en klein en knus en helemaal van mij. En zo sterk! Goed werk kost tijd. Ik werk geconcentreerd door, zodat elke plank net zo mooi en strak zijn plek vindt als de vorige.
Tijdens de voltooiing komt een vloed aan gedachten bij me op, als een rustige, gestage stroom. Ik schraap het plamuurmes met resten lijm schoon aan een plank en denk aan mijn man, die niet meer is. „Ben je een broodje aan het smeren?“ vroeg hij soms, als ik zoals nu, een afgezaagd plankje bedekte met een keurig wit laagje smeersel… De gedachte aan hem warmt mij op. Ik heb enorm veel aan hem te danken. Al is hij al zoveel jaar uit mijn leven, toch is hij er. Hij reist met me mee, bij alle keuzes die ik maak, en bij elke mijlpaal glimlacht hij als een zachtgloeiende wolk op de achtergrond.

Hij was wijs en lief en ondeugend. Hij hielp me mijn te handen gebruiken. Ik wilde het.

Wie was de eerste, die zei dat ik handig was? Wanneer was het? Lange tijd wist ik het niet. Lange tijd luisterde ik vooral naar de verwijten. „Je bent zò onhandig. Jij kijkt niet, je ziet niks.“ Tja… het was niet raar, dat ik onhandig was. Ik worstelde met een onhoudbaar en wild pallet aan indrukken. De wereld was snel en hard. Oordelen klonken als hamerslagen. Ik dacht dat ik onhandig was. Ik trok me het aan, hun oordelen. Als een jas die me niet paste.

Ik weet wie de eerste was, die het tegenovergestelde beweerde. Salvatore heette hij. Hij was docent drama in Leeuwarden. Later is hij de directeur geworden van de opleiding. Het was een kleine klaszaal, met ouderwetse hoge ramen. Ik was iets aan het maken van ijzerdraad, en zag dat het niet werkte, zoals ik het nu probeerde. Achter me stond Salvatore stil te kijken. „Jij bent handig…“ Dat zei hij! Ik keek hem stomverbaasd en vragend aan. „Ja” vervolgde hij „Je stopt als het niet wil, wat je doet. Je kijkt ernaar en zoekt een oplossing. Je bent handig.“

Ik ben het nooit vergeten. Die man weet vast niet hoe blij ik was. Ik ben hem nog steeds dankbaar. Hij moest eens weten. Salvatore was de eerste, die mijn talent en handigheid benoemde. Ik was nog maar een-en-twintig. Veel later, na tal van omzwervingen, kwam de man in mijn leven aan wie ik het meest te danken heb, Michiel. En er zijn nog veel meer mensen. Mijn hartelijke lieve moeder en mijn eigenwijze oergezonde vader die nu zeven-en-tachtig is, beide hebben me geholpen te zijn wie ik ben. En Dick mijn huidige vriend doet mij glimmen, en mijn beste vriendinnen in Utrecht, wat ben ik blij dat ze er zijn! En dan is er de man van de radio en er zijn nog zoveel anderen…

Eenzaam was ik, toen ik mezelf niet was. Eenzaam was ik, toen ik geloofde wat anderen over me zeiden. Al die ruis aan gedachten heb ik opgeruimd. Wat ooit groot was is nu klein en onbeduidend. Wat niet bij me hoort blijft niet hangen. Ik bloei, ik groei. Alles is liefde. Ik help bij de vermeerdering.

.

.

Het vorderen van de bouw,

Een kijkje door het raam…

.

.

.

.

.

 

Dicht die wand!

Dicht die wand!

 

 De wand gaat dicht!
Is het niet
net een schip?

.

Schoonheid gaat vervelen als het steeds hetzelfde blijft. Zo is het ook met de woonwagen die ik bouw. Het is bijzonder zoals hij er nu uitziet zonder wanden, zo ruim en open en licht. Ik kijk ernaar, en weer en weer. . .Het is als het binnenwerk van een Steinway-vleugel, zo geniet ik van het lijnenspel, het ritme van spanten, blokjes en composietstukken, het resultaat van twee jaar werk. De lijnen zijn precies dezelfde als die ik ooit tekende, in mijn ontwerpboek. En nu is het er echt!
Maar hoe mooi het open skelet ook is… laat het moment maar komen: Dicht die wand! Op een muziekinstrument wordt gespeeld, in een huis wordt geleefd. Dat is toch de bedoeling van iets bouwen. En een glazen woonwagen is net zo min een optie als een glazen piano.

Ik kijk de hele wagen nog eens extra na op stevigheid en zie nog vier spanten waar wat aan moet gebeuren. Op de werkbank liggen de ronde stokken, twaalf millimeter dik. Ik zaag er houten pennen af, precies de maat die ik nodig heb.
Ik pak de pot lijm en een grote splinter die op de ongeschilderde, halfvoltooide vensterbank ligt. Met het houtje smeer ik de lijm tussen de ribbeltjes die in de pen zijn gemaakt. Er valt een druppel lijm op mijn vinger. Ik veeg het af aan mijn werkbroek. Ik pak de klopper van de grond en sla één voor één de deuvels op hun plek. Als ze er in zitten kijk ik nog eens rond. Zou dit echt het allerlaatste zijn?

Ja, alles is er klaar voor. Het is raar, dat het nu eindelijk zover is, na al die maanden werk. Het dichttimmeren is een peuleschilletje, na al zoveel voorbereidingen. Het is net iets meer werk dan het inpakken van een surprise met sinterklaas. De planken liggen klaar in de grondverf. Samen met Dick schroef ik de eerste latten op hun plek.

De volgende dag is de hele camping stil en verlaten. Dick is weg en verder is er niemand. Alleen de kippen scharrelen om mijn voeten en vlinders fladderen rond de bloeiende dropplant en de majoraan. Ik ben alleen en toch ook niet. Alles om mij heen draagt bij aan een kunstig eindresultaat. Ik pak het zakje met vierhonderd zelfgezaagde deuvels. Vandaag ga ik weer keihard timmeren, lekker.
Hoera!
Met dank aan het universum.

.

Ik maakte een mooi totaalbeeld van de bouw, met uitleg erbij.

.

.

.

.

.

 

Vlinder op reis

 

.

 

Vlindertrek

.

.

Met de klopper en een stuk hardhout sla ik een blokje op zijn plek. Het zit in de hoek, tussen de deurpost en de lange onderwand. Die bestaat uit twee planken die over de hele lengte van de wagen lopen. Het wiebelde daar nog ietsepietsje en dat wilde ik niet. Daarom heb ik een blokje gemaakt, dat ertussen past. Ik sla nog eens, keihard. Het blokje is zo mooi op maat gemaakt, dat ik het er met kracht in moet slaan. Het geluid draagt ver in het stille land.
Ik werk hard. Nu de woonwagen vorm heeft gekregen, een mooie lichte constructie, zoek ik naar zwakke plekken. Daar komen stevige blokken. Soms is het een hardhouten balkje, als dat zo uit komt. Ik versterk waar het nodig is. Het blokje, dat nu zo netjes op zijn plek zit, ziet eruit als een puzzelstuk. Het past precies. Dat moet ook. De basis moet goed zijn. Als de basis okee is, dan blijft de rest ook op zijn plek. Dàt is constructief bezig zijn!
De lijm kruipt uit de naden. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Dit zit in elk geval zo vast als een huis. Gelukkig maar, want het wòrdt ook mijn huis! Er komt een dag dat ik ga rijden. En een huisje op een hobbelweg heeft heel wat te verduren, reken maar.

Op het moment dat ik de houten klopper neerleg komt buurvrouw Nicole aanlopen. Ze kijkt vrolijk en opgetogen. „Weet je wat we gezien hebben? Een Koninginnepage! Hij was wel zò groot!“ Met haar handen geeft ze de maat aan. Hij moet zo groot als een winterkoninkje zijn geweest.
„Waar zag je hem?“ vraag ik met grote ogen. Nog steeds ben ik verwonderd bij elke nieuwe ontdekking.Toen ik hier kwam, vier jaar geleden, zag ik steeds vier wollige bruine hommeltjes. Die zaten op de witte en paarse dovenetel. Hier en daar stond een bloemetje. Dat was het dan. Toen er bomen in bloei stonden, eerst het fruit, een hele poos later de tamme kastanje en de linde, op dat moment waren er even hèèl veel honingbijen, maar die verdwenen gelijk weer zodra de bloei voorbij was.
Ik heb hard gewerkt in die jaren, voor meer diversiteit. Op allerlei plekken bloeien nu bloemen. Er zijn niet alleen steeds meer vogels, maar ook steeds meer hommels en vlinders. En nou een Koninginnepage!
„Hij zat daar, bij de majoraan.“ Nicole wijst naar de kruidige tuin, die vol staat met tijm, de volle donkerroze majoraan, blauwpaarse dropplant, witbloeiende appelmunt, bergsteentijm, gele klaverzuring en nog veel meer. Een paradijsje is het, nu alles geurt en bloeit. Ik kan me voorstellen dat de vlinder er een bezoekje aan bracht.
Nicole gaat weer weg. Ik kijk de hele dag uit naar de Koninginnepage, maar hij laat zich niet meer zien. Met welke bestemming is hij verder getrokken? Ze zeggen wel dat vlinders fladderige types zijn zonder doel. Maar daar geloof ik niks van. Ook vlinders weten precies wat ze zoeken. Zeker weten.

.

De Koninginnepage is vooral een trekvlinder. Ze laten zich met gunstige wind meevoeren naar plekken waar het weer beter is en waar meer voedsel is. Ook met tegenwind zijn er voorttrekkende vlinders gezien. Ze kunnen wel twee kilometer hoog vliegen als ze eenmaal onderweg zijn, maar meestal vliegen ze laag. Soms bevalt een stek zo goed dat ze niet verder gaan, op de plek blijven en zich daar voortplanten.
De rups van de Koninginnepage leeft van schermbloemigen. Wilde peen, wortel, karwij, melkeppe, en vooral knolvenkel. Een volwassen exemplaar kan wel zeven-en-een-halve centimeter breed worden. De vlinder heeft een sterke voorkeur voor roze bloemen. Daarom zat hij natuurlijk bij de majoraan en de dropplant!

.

.Als ik er een dans voor maak, dan komt hij misschien terug!

.

.

.

Bouwen

Dit is het hoekje waar ik hier mee bezig ben…

De linker deurpost.

.bouwen puzzelstuk .

.

Het puzzelstukje in de hoek bij de deurpost.

De rechter.

Puzzel op zijn plaats. kl frm.

.

.

Siberische reis naar mijn oom

.

.

Siberische reis route.

.

Mijn laatste oom van moeders kant woont in British Colombia, Canada. Mijn oom is al oud, een eind in de negentig. Soms denk ik, zal ik naar hem toe gaan? Ik bezocht hem toen ik veertien was, nu 37 jaar geleden. Het wordt tijd voor een tweede bezoek. Ik kan erheen rijden als mijn wagen af is, over land.
Ik zou een tractor voor de wagen kunnen zetten en leren rijden. En dan langs de Noordkust van Europa, vanaf Delfzeil, Duitsland in, naar Letland en Estland en Rusland… Een eindeloze reis met het water aan mijn linkerhand als wegwijzer.

Ik volg de kust, zie de stranden en zoek ze steeds weer op. Plaatsnamen worden onbegrijpelijk, hoe verder ik ga en de mensen verstaan me niet. Ik praat met mijn gezicht en met mijn handen en lach veel.
Ik nader een oude stad, St. Petersburg. Hier ontmoet ik een oude vriend uit Nederland, en kan even in mijn eigen taal praten.
Het afscheid kost me moeite. Nu komt het moeilijkste stuk, Siberië komt steeds dichter bij, het onherbergzame land waar Rusland zijn misdadigers en politieke gevangenen heen stuurde. Lopend moesten ze het einddoel zien te bereiken en velen stierven voor ze aankwamen. Hoe ver is het nog, dat barre land?
Ik ronk tussen akkers door, die rond St Petersburg liggen. De akkers en weiden maken plaats voor bossen zonder eind. De wereld is zo groot en ik ben alleen in een ruig land. Ik zoek mijn weg. Er zijn dagen dat ik niemand zie, en als ik een klein dorp nader, komen de mensen me van verre tegemoet. Ze onthalen me met lachende gezichten en vette vleesgerechten die ik niet kan weigeren. Het spijt me dat ik hun taal niet spreek. Ze vullen mijn jerrycans met diesel en ik rijd verder.
Uiteindelijk kom ik in Siberië. Op mijn reis raadpleeg ik telkens Google Earth. Maar hoe verder ik kom, hoe minder ik er aan heb. Het land ziet het er uit als marmer. Er is geen weg te zien, en als ik inzoom wordt het vaag. Vaak is er helemààl geen internet en kies ik de weg op intuïtie. Ze zijn er wel, de wegen! Ruwe sporen zijn het, onverhard met kuilen. In de woonwagen heb ik alles goed vastgebonden en opgeborgen, zodat er niks beschadigt. Ook het cadeau voor mijn oom, een ingelijste tekening van zijn geboortehuis, heb ik diep weggestopt.

Ik leef van bonen, die ik bewaar in de kast onder mijn wagen. Als ik ze even kook en de hele dag in de hooikist zet kan ik ze in de avond eten. Ik heb hele geitekazen mee en een doos zelfgemaakte fruitkoeken die een vriendin me meegaf. Ze zijn hard en droog en ik moet stevig bijten en kauwen.Soms heb ik verse groente en honing, die mensen onderweg meegeven. Een keer gaven ze me een levende kip, zodat ik die kon slachten wanneer het mij uitkwam. Het kipje is fijn gezelschap. Samen gaan we aan de wandel. Zij pikt en krabbelt in de grond, ik verzamel wilde planten, die ik herken als eetbaar.

Ik rijd over een smalle weg, uitgehouwen uit een steile rotsachtige kust. Beneden me fonkelt de zee. Ik rijd door, vol concentratie, tot de weg makkelijker wordt. Het water naast me schittert in de avondzon. Dit is de Beringstraat, genoemd naar een ontdekkingsreiziger, die in 1741 dezelfde reis maakte. Hier moet ik zijn en ik kijk uit naar een havenplaatsje. Het water ziet er in de zon heel aanlokkelijk uit, maar ik weet dat het ijskoud is. Normaal gesproken had het nu allang bevroren moeten zijn. Maar de laatste vijf jaar komt de vorst steeds later of bijna niet.  In het dorp “Naukan” vind ik na lang zoeken, wekenlang wachten en veel handgebaren een krabvisser, die mij en mijn wagentje over kan varen naar Alaska. Het past allemaal net en we sjorren de wagen en de tractor stevig vast aan het dek. Hoewel het stormseizoen al is begonnen, hebben we geluk. Er is weinig wind, anders was de visser niet uitgevaren. “Dlya chlego-libo“, zegt hij en kijkt me met felle ogen aan. “Voor geen goud!” Maar nu varen we dan toch..  Ik kijk uit over de wijde zee en luister naar de kabbelende golven die tegen de boeg slaan. Het is mooi en heerlijk. Toch begin ik te verlangen naar het einde van deze reis. Ik ben moe. Ik ben al zeven maanden onderweg en ik hoop voor de winter bij mijn oom te zijn.
De kust van Alaska is al even indrukwekkend als de Russische kusten.Maar ik neem er weinig tijd voor. Ik rijd en rijd, het geronk van mijn tractor als een onophoudelijk geluid op de achtergrond. Soms raak ik bijna in trance, als ik te lang op mijn tractor zit. Maar dan, eindelijk zie ik de contouren van een eiland, waar ik lang geleden ben geweest. Vancouver Island. Nu ben ik niet ver meer van mijn oom.

Ik bel mijn oom en krijg mijn neef aan de lijn. „You’re late.“ zegt hij. „He died yesterday.“

Had ik dan toch met het vliegtuig moeten gaan?

.

.

In 2014

was er op de Beringzee

een storm met golven van bijna

zeventien meter..

De afstand van de Beringzee

tussen het

Russische dorp Naukan en

Wales in Alaska

bedraagt 130 kilometer

hemelsbreed.

De echte haven voor zeeschepen

ligt een heel stuk zuidelijker

aan dezelfde kust

waar de afstand tussen

beide continenten zich verbreedt.

,

 

Dansen tussen de spanten

.

Dansen tussen de spanten

.

.

Elke keer verrast het me. Ik loop ergens tegen aan. Het kan niet wat ik wil. Of hoe ik het had gedacht. Ik laat het even liggen en doe een dansje. Even later komt er altijd wel een idee in me op, hoe het wèl kan. Of ik vertel het aan Dick en dan denkt hij even met me mee. Dat is leuk en gezellig. Vaak is de oplossing simpel. Ik heb alleen tijd nodig, tijd om te overdenken en het te laten zijn.

„Jouw wagen is zo’n gecompliceerd bouwwerk!“ zei een kijker vandaag. Toch is het een optelsom van eenvoudige oplossingen. Eigenlijk is het geen woonwagen, maar kunst. Hoewel het klein is, heeft het twee sfeerkanten. De helft heeft energie naar binnen toe, intiem besloten, met een helder bovenlicht, af te sluiten met een lichtgroen gordijn. Ik noem het “Mijn coconhuisje”. Het andere deel heeft grote ramen, dat is het luister en kijkgedeelte. Geweldig plekje voor in de vrije natuur. Of op het strand of in de duinen.

De lijnen van de constructie, het inspireert me elke keer opnieuw. Het is net muziek. Dus dans ik. Schroevenswing of Dakspantrock. Zo’n danslocatie krijg ik immer nooit meer! Volgende week komen de planken. Dan verdwijnen de open lijnen van de constructie en wordt het een echt huis. Spijtig en leuk tegelijk. Dan hoor je alleen nog het hakken van de beitel en het geraas van de decoupeerzaag. Tot het klaar is.

Duimen dat alles meezit!

Let the sun shine.

.

.

.

.

.

Tien paar schoenen en meisjesgenade

.

Blogtek. Tien paar schoenen kl frm.

.

Er was een tijd dat ik postbode was. Ik had een eigen wijkje. Dat deed ik met plezier. Maar één winter lang liep ik op kapotte schoenen. Ooit waren het eerste klas wandelschoenen. Die dagen waren al lang voorbij. De ene zool zat los en als het regende werd mijn sok nat. Er was geen geld voor nieuwe.
Misschien is het daarom, dat het wegdoen van schoenen me moeite kost, bij het opruimen.

Als ik straks verhuis naar mijn kleine coconwoning, dan heb ik slechts een paar vierkante meter. Wat doe ik dan met al dat schoeisel, past het wel? Ik wil eigenlijk geen enkele missen. Dit is wat ik heb:.

.
Klompen voor in en uitlopen en warme voeten
Comfortabele met bont gevoerde terreinlaarzen voor diepe plassen
Hele goeie wandelschoenen
Makkelijke nette schoenen
Uitgaansschoenen met hak
Mexicaanse muiltjes, instappers.
Warme pantoffels voor de winter
Sandalen
Renschoenen met verende zool
Balletschoenen, ook te gebruiken voor klimmen in gladde paal en in bomen.

.

Maar wie weet, de kast onder de vloer is best groot. Misschien past het. Nog even verder bouwen, dan weet ik het.
Ik ga nóg kleiner leven. Van twaalf naar zes vierkante meter. Een poppenhuis is het bijna. Ik heb er zin in. En ach, al zou ik een paar schoenen weg moeten doen. Als dat alles is…

Meer dan wat dan ook is dit huisje van mij. Het is méér dan een ding. Mijn eigenwijsheid zit er in en al mijn jongensachtige meisjesdromen. Ik maak het voor de gein.

Genade en gein is hetzelfde woord, al is er haast niemand die dat weet. Genade betekent dus eigenlijk: Geintje, of heb lol. Zo grappig vind ik dat. Ik moest erg lachen toen ik dat ontdekte. Waarom zou je zaken te serieus nemen. Blijf toch lekker spelen. Jongensgenade of meisjesgenade, allemaal leuk.

Hoera, het leven is een geintje!

.

Bodemcompactie op het land, dat is soms ook geinig.

.

.

Nog meer gedachtes over gein…

.

Als je iemand
iets vergeeft
dan zeg je
Kom,
laten we lekker
samen gaan lachen

Dat is genade
Dat is gein
zonder poespas
Heel gewoon

Lente barst los, de bouw begint!

.

Bouwen kozijnen kl frm 018

.

.

De eerste loodgrijze wolken pakken zich samen. De wind is gaan liggen en zachtjes bewegen de lichtgroene toppen van de hoog opgeschoten haagbeuken. Heel langzaam beweegt de lucht naar het noordwesten. Zo zacht is het, zo zwoel. Kleine spatjes beloven het begin van regen. Gelukkig, want de stoffige zandgrond is droog. Boeren zijn druk, overal. Ploegen, zaaien, maaien. Het ruikt naar gier.

Hier is het niet kaal en stoffig, zoals de omgeploegde akkers op dit moment. Hier is alles groen. De lente is losgebarsten. Tegelijk met de vogels bouw ik mijn nest. Het is de nieuwe wagen, waar ik aan verder werk.

De kozijnen. Ik had ze in de herfst al gemaakt, precies gepast, met zelfgemaakte hardhouten deuvels erin. Alle verbindingen zitten muurvast met zeewaterbestendige superlijm. Twee kozijnen zijn het. In elk kozijn komen vier langwerpige raampjes van echt glas. De sterke hoekige kozijnen maken het skelet van de wagen nóg steviger.

Het is een warme dag als ik ze erin zet. Dick is er om te helpen. Het werk gaat snel. Onze vingers zitten onder de lijm en alle lijmklemmen zijn in gebruik. Maar het lukt en ik ben tevreden. Bouwen is fijn. Ik wil het niet te snel doen, ik wil elk moment vieren. Vooral nu er zoveel verandert in korte tijd. En Iedereen mag meekijken. Dat is het allermooiste.

.

Als ik bouw
wil ik genieten
Dode lijnen
daar houd ik
niet van
Gestadige toewijding
dat is het plan
Het is mijn lust en
liefste leven

Laat me en ik maak iets,
je zal eens zien hoe mooi
Laat me hier
mijn gang maar gaan
Het komt,
het komt er aan
.

.

.

Twee manieren om te reizen

.

Twee manieren om te reizen

.

 

De man naast mij staat met een schepje in de hand. Hij groet me vriendelijk. „Hoe is het met je nieuwe wagen,” vraagt hij. Ik kom overeind en stop een handvol dorre blaadjes in de emmer die naast me staat. Verderop in de tuin zijn anderen aan het snoeien. Het is de tuin van de Kloosterhof van Gestel in Eindhoven. Mijn vriend Dick woont daar. Hij werkt al jaren voor Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling. De tuin is voor iedereen die in het klooster zijn werk heeft gevestigd. De mensen van Omslag zorgen er voor. Vandaag is het tuindag en iedereen mag helpen.
„Met mijn nieuwe wagen is het goed.“ antwoord ik. „De bouw staat in de winter stil. Dan schrijf en teken ik, of studeer. In de lente begin ik weer met buitendingen.“
„En ga je op reis als hij af is?“
„Nee hoor. Ik heb totaal geen ervaring met trekdieren. Er zijn er genoeg die dat doen, er een paard voor zetten en gaan. Leren doe je onderweg wel, denken ze. Nou, mij niet gezien. Ik leer liever stap voor stap. Als ik dieren aanschaf zou ik eerst een goed weiland willen huren, op een plek waar ik ook kan werken voor de kost. Maar voorlopig kies ik er nog niet voor. Het is een grote zorg. Ik moet er volledig van overtuigd zijn dat ik het wil, anders doe ik het niet.”
„O.. Dat klinkt heel anders dan ik dacht..“

Een paar dagen later. Het is een zonnige dag, binnen is het warm, buiten waait een koude wind. Ik sta te schrijven aan mijn werktafel. Ik denk aan de man in de tuin.
Waarom ben ik een wagen gaan bouwen, waarom ook al weer? Ik aai met mijn hand langs een dikke plank. Het is lichtgeel hout en gezaagd in vorm van een puntig boomblad. Het zijn er twee. Ze staan naast mijn schrijftafel. De gladgeschuurde ronding voelt heerlijk zacht. Kunstige daksteunen worden het. Ze zullen straks deel uit maken van het voorportaaltje.

Ooit begon ik te bouwen met een reden. Langzaam is die verdwenen, het oude doel is niet meer dan een vage schim op de achtergrond. Ik werk. Dag in dag uit. Ik geniet. Een heerlijk huisje op wielen maak ik. En in de winter schrijf ik en maak kleurige prenten bij de warme houtkachel.
Gà ik wel op reis, vraag ik me wel eens af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Misschien wordt het wel een reis in de geest. Er zijn genoeg schrijvers, kunstenaars en musici die wilden reizen, maar zich uiteindelijk hebben gevonden in het grote avontuur van hun talenten. In hun kunst vonden ze een schat aan landschappen die de fysieke wereld evenaarde.

Waarom wilde ik reizen? Ik wilde mobiel zijn. Ik wilde overal kunnen werken en mijn huis bij me hebben zoals een slak. Mijn handen kunnen al spelend eetbare tuinen maken met bloemen, kruiden, struiken en bomen. Ik kan werken met aarde, hout en stenen, kijken wat zich voordoet en vandaar uit creatief zijn. Samen met anderen.

Maar werken doe je op één plek tegelijk. Daarvoor hoef ik niet persée te reizen.

Ik weet wat het wél was. Niet om te laten zien hoe stoer ik ben met een zelfgebouwde wagen en twee muildieren. Nee, ik wilde tekeningen maken en nieuwsgierig zijn. Verhalen verzamelen van mensen en de natuur die hen omringt. Mensen, dieren, bomen, planten, heuvels, bossen, zon en regen, alles voor het landschapsboek, vol tekeningen, gedichten en verhaaltjes. Maar kom ik daar wel aan toe dan? Ik zie hoe druk buurman Jan het heeft met zijn paard en ezel en dan is hij niet eens onderweg. Ik denk dat het heel veel is, alleen op weg, verantwoordelijkheid voor twee dieren en ook nog een boek maken. Zelfs als ik ervaring had, dan nog is het veel.

Voorlopig ben ik aan het bouwen en ik zie wel. Elke stap is een ontdekking.

.

LINKS
Plantenboekje met tekeningen: https://alowieke.wordpress.com/reis-en-woonwagenverhalen-met-juffrouw-kolibri/

Werken in de tuin bij Omslag in Eindhoven: http://www.omslag.nl/nieuws/00976.html